keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Controle (Medische-)22/03/2014 Documentcode: a145011
Afleveren van een ziekteattest door een arts voor zichzelf

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld of het wettelijk en deontologisch toegelaten is voor een arts om voor zichzelf een ziekteattest op te stellen.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 maart 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 27 februari 2014 onderzocht waarin u vraagt of het wettelijk en/of deontologisch toegelaten is voor een arts om voor zichzelf een ziekteattest op te stellen.

De Nationale Raad bevestigt dat er geen wettelijke bepalingen zijn die dit verbieden.

Op deontologisch gebied antwoordt de Nationale Raad u, op basis van de adviezen van 8 mei 2010, 8 oktober 2011 en 18 februari 2012 "Afleveren van arbeidsongeschiktheidsattest voor zichzelf" dat wegens mogelijk belangenconflict, het uitermate moeilijk en meestal zelfs niet mogelijk is dat een arts een attest van arbeidsongeschiktheid voor zichzelf voorschrijft. De wettelijk voorziene mogelijkheid tot controle, waarbij de controlearts contact kan opnemen met de behandelende arts van de patiënt, komt in het gedrang wanneer behandelende arts en patiënt dezelfde persoon betreffen.

De zinsnede "uitermate moeilijk en meestal zelfs niet mogelijk" impliceert evenwel dat in zeldzame gevallen een arts kan overwegen en beslissen voor zichzelf een attest van arbeidsongeschiktheid uit te schrijven.

De Nationale Raad is in bovenvermelde adviezen van oordeel dat, in zover iedere arts een attest mag opstellen voor een door hem behandelde patiënt, dit inhoudt dat hij een attest kan afleveren voor een gezinslid of naaste verwant. Dit sluit stricto sensu niet uit dat dit ook voor zichzelf mag.

In ieder geval dient de arts zijn beslissing te nemen naar eer en geweten. Hierbij moet een aantal aandachtspunten in overweging worden genomen zoals de aard van de aandoening en de specifieke competentie van de arts betreffende deze aandoening.

De Nationale Raad blijft in zijn adviezen van mening dat een zieke arts best een collega-arts raadpleegt die dan een attest van arbeidsongeschiktheid kan afleveren.

Bovendien stelt de Nationale Raad in zijn advies van 8 mei 2010 dat een werkgever aan een arts mag vragen dat deze laatste zijn arbeidsongeschiktheid laat attesteren door een andere arts.

Controle (Medische-)18/02/2012 Documentcode: a137014
Afleveren van arbeidsongeschiktheidsattest voor zichzelf

Aangaande het advies van de Nationale Raad van 8 oktober 2011 betreffende het uitschrijven door een arts van een attest van arbeidsongeschiktheid voor zichzelf, merkt een arts op dat dit in sommige gevallen toch mogelijk moet zijn en wenst dan ook van de Nationale Raad een meer gedetailleerd advies.

Advies van de Nationale R aad :

In zijn vergadering van 18 februari 2012 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mails van 21 oktober 2011 en van 16 februari 2012 (als bijlage).

De Nationale Raad blijft van mening dat het, wegens mogelijk belangenconflict, uitermate moeilijk en meestal zelfs niet mogelijk is dat een arts een attest van arbeidsongeschiktheid voor zichzelf uitschrijft.

De zinsnede "uitermate moeilijk en meestal zelfs niet mogelijk" impliceert uiteraard dat in zeldzame gevallen een arts kan overwegen en beslissen voor zichzelf een attest van arbeidsongeschiktheid uit te schrijven.

De Nationale Raad is immers van oordeel dat, in zover iedere arts een attest mag opstellen voor een door hem behandelde patiënt, dit inhoudt dat hij een attest kan afleveren voor een gezinslid of naaste verwant en stricto sensu niet uitsluit dat dit ook mag voor zichzelf.

In ieder geval dient de arts zijn beslissing te nemen naar eer en geweten. Hierbij moeten een aantal aandachtspunten in overweging genomen worden zoals de aard van de aandoening en de specifieke competentie van de arts betreffende deze aandoening.

De Nationale Raad blijft echter van mening dat een zieke arts best een collega-arts raadpleegt die dan een attest van arbeidsongeschiktheid kan afleveren. Zoals reeds vermeld in het advies van 8 oktober 2011 komt de wettelijk voorziene mogelijkheid tot controle gevraagd door de werkgever immers in het gedrang wanneer de behandelende arts en patiënt dezelfde persoon betreffen.

Getuigschrift28/07/2007 Documentcode: a117017
Medische attesten, dixit-attesten en geantedateerde attesten

Op voorstel van de heer F. Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, ondertekende de Nationale Raad op 22 maart 2007, na meermaals overleg te hebben gepleegd met het Departement Onderwijs en Vorming, Afdeling Ondersteuningsbeleid, van de Vlaamse Overheid, mee het protocol betreffende de samenwerking tussen de medische sector en het onderwijs in het kader van het actieplan « Een sluitende aanpak van spijbelen en schoolverzuim » (als bijlage).
De Nationale Raad van de Orde der geneesheren wenst, na de ondertekening van het genoemde protocol op 22 maart 2007 aangaande de dixit-attesten en de geantedateerde attesten volgende verduidelijkingen te geven.

Advies van de Nationale Raad :

Het medisch attest

Een medisch attest is een getuigschrift dat een feit van medische aard vaststelt en bevestigt op grond van eigen ondervraging en onderzoek. Het wordt afgeleverd door de arts die het feit zelf heeft vastgesteld. Het medisch attest dient vanzelfsprekend volledig waarheidsgetrouw te zijn en houdt alleen medische vaststellingen over de patiënt zelf in.

De Nationale Raad herinnert aan zijn advies van 18 september 1993 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 62, december 1993, p. 26) dat bepaalt dat “elk medisch getuigschrift, dat immers door de eer en de verantwoordelijkheid van de arts die het ondertekent wordt gewaarborgd, waarheidsgetrouw en gewetensvol moet worden opgemaakt. Het getuigschrift moet worden gedagtekend op de dag dat het wordt opgemaakt, van een handtekening worden voorzien en met een stempel worden gewaarmerkt.”

Onder die voorwaarden geniet het medisch attest onbetwistbaar het vermoeden van geloofwaardigheid.

In zijn advies van 26 augustus 1989 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 46, december 1989, p. 22) bepaalt de Nationale Raad: “Wat betreft de inhoud van de ongeschiktheidverklaring dient de Nationale Raad U er niettemin op te wijzen dat het medisch geheim hierbij op geen enkele manier mag worden geschonden. Als reden van ongeschiktheid kunnen dan ook alleen de vermeldingen ziekte, ongeval en verlenging worden weerhouden. Alle andere redenen dienen dan ook van het attest te worden weggelaten”.

Het dixit-attest

Een dixit-attest is een attest dat louter en alleen gebaseerd is op de verklaring van de betrokkene en niet op een diagnose. Dergelijke verklaring heeft nooit het karakter van een medisch attest.

De gebruikelijke voorgedrukte medische formulieren kunnen hiervoor niet aangewend worden. Teneinde elk misverstand met een eigenlijk medisch attest te vermijden en de gevraagde signaalfunctie bij problematische afwezigheid te onderstrepen dient een dergelijk attest met de hoofding dixit-attest te beginnen.

Dergelijk attest dient duidelijk te vermelden : “Volgens verklaring van betrokkene …..” .

In deze optiek zal de wederzijdse vertrouwensrelatie die de grondslag is van elke arts-patiëntrelatie niet uit het oog worden verloren.

Indien de school geregeld dergelijke dixit-attesten ontvangt, kan zij dit signaleren aan de CLB-arts die op zijn beurt desgevallend overleg kan plegen met de behandelende geneesheer.

Contact schoolarts - behandelend arts

De Nationale Raad bepaalt in zijn advies van 29 januari 1994 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 64, juni 1994, p. 24) dat hij voorstander is van contacten tussen de schoolarts en de behandelend arts om de inhoud van een medische ongeschiktheidverklaring toe te lichten, zelfs te documenteren en om zo nodig toe te zien op de praktische uitvoering ervan. Dit voor zover het gezondheidsaspecten betreft die van belang zijn voor de schoolse begeleiding van de leerling. Dit overleg geldt dus evenzeer in het kader van een dixit-attest.

Geantedateerde attesten

Antedatering van medische attesten is verboden vermits een medisch attest dient gedagtekend te worden de dag waarop de patiënt wordt onderzocht, het attest wordt opgesteld en afgeleverd.

Antedatering en/of het valselijk bevestigen van een ziekte zijn misdrijven (valsheid in geschrifte, zie de artikelen 196 en 204 van het Strafwetboek) en zijn derhalve juridisch en deontologisch uitgesloten.

Uitzonderlijk kan een getuigschrift van ongeschiktheid a posteriori worden opgesteld en afgeleverd op basis van medische bevindingen en de hierdoor als aanvaardbaar voorkomende verklaringen van de betrokkene.

Bijlage:

Protocol betreffende de samenwerking tussen de medische sector en onderwijs in het kader van het actieplan ‘Een sluitende aanpak van spijbelen en schoolverzuim’ van de Vlaamse overheid van 22 maart 2007

Beroepsgeheim30/09/2006 Documentcode: a114003
Door bestuurlijke en gerechtelijke overheden uitgevaardigde onderrichtingen voor de verkiezingen van 8 oktober 2006 - Vermelding van de diagnose in een medisch attest

De Nationale Raad nam in zijn vergadering van 30 september 2006 kennis van, eensdeels, de Omzendbrief BB – 2006/14 van 26 juli 2006 van de Vlaamse Overheid (B.S. 14 augustus 2006) betreffende de verkiezingen van 8 oktober 2006, houdende onderrichtingen voor de voorzitters van de geautomatiseerde stembureaus bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen, anderdeels, via de media, de opdracht van de procureurs-generaal aan de parketten wetsdokters in te zetten tegen afwezige bijzitters in stembureaus.

De aandacht van de Nationale Raad gaat daarbij vooral naar:

- wat de Omzendbrief betreft: de passage “Een fysieke onmogelijkheid om de aanstelling te aanvaarden moet door een gedetailleerd doktersattest worden gestaafd. In vage en algemene termen opgestelde getuigschriften volstaan niet, evenmin als medische attesten opgemaakt enkel met het oog op vrijstelling op de verkiezingsdag zelf”;

- wat de (ons tot op heden enkel door de media gekende) opdracht van de procureurs-generaal betreft: de vermelde overeenkomst van “de werkgroep onder leiding van de Brusselse advocaat-generaal X dat een eenvoudig ziektebriefje van een dokter niet meer volstaat om een bijzitter te ontslaan van zijn opdracht” en (blijkbaar citaat) “Een eenvoudig medisch attest voldoet niet. We verwachten een omstandige medische uitleg waarom iemand niet kan komen. […]*.

De Nationale Raad is van oordeel dat de ten behoeve van dit advies onderlijnde passages indruisen tegen de vigerende wetgeving en de deontologie van de arts en diens waardigheid aantasten.

Enerzijds doet het feit dat een medisch attest één enkele dag - te dezen de verkiezingsdag - betreft op zich niets af aan de geldigheid en de waarheidsgetrouwheid van dit attest.

Anderzijds, wat de inhoud van het medisch attest betreft, verwijst de Nationale Raad naar het artikel 458 van het Strafwetboek over het beroepsgeheim. Een omzendbrief van een wetgevende overheid of een opdracht van de gerechtelijke overheid kunnen geen uitzondering tot stand brengen op dit wettelijk voorschrift.

De Nationale Raad is van oordeel dat in de voorliggende problematiek het doktersattest dient beperkt te worden en te blijven tot het verklaren van de medische ongeschiktheid van de bijzitter, zonder vermelding van diagnose. Dit staat uiteraard een door een bevoegde overheid georganiseerde controle niet in de weg noch het sanctioneren van mogelijke misbruiken.

* Uit : De Standaard d.d. 29.09.2006 (Guy Fransen)

Beroepsgeheim18/10/2003 Documentcode: a103001
Controlegeneeskunde - Medische dienst van de Federale Politie - Relaties tussen de controlerende arts en de behandelend arts - Medisch getuigschrift

Controlegeneeskunde – Medische dienst van de Federale Politie – Relaties tussen de controlerende arts en de behandelend arts – Medisch getuigschrift

Een provinciale raad stuurt een brief door van een arts die vraagt of de medische dienst van de Federale Politie het recht heeft een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid dat deze arts afleverde aan één van zijn patiënten te weigeren omdat de diagnose niet is gepreciseerd.

Advies van de Nationale Raad :

  1. A priori is er geen reden voor dat de medische dienst van de Federale Politie anders functioneert dan hetgeen bepaald is in de Code van geneeskundige plichtenleer aangaande de relaties tussen de controlerende arts en de behandelend arts (artikels 126 en 127). De oprichting van de Federale Politie heeft de regels van de deontologie inzake controlegeneeskunde niet gewijzigd.

    We kunnen zelfs vaststellen dat het principe van artikel 126 §4 van de Code van geneeskundige plichtenleer (cf. bijlage) overgenomen werd in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 dat specifiek de medische controle uitgeoefend door de medische dienst van de Federale Politie regelt (1) : Art. X.II.8. : “De controlerende arts bevestigt of wijzigt de modaliteiten of de duur van het door de behandelende arts voorgeschreven ziekteverlof. Een beslissing tot wijziging vindt slechts plaats na overleg met de behandelende arts.”.

  2. Het voornoemd koninklijk besluit van 30 maart 2001 vermeldt echter het specifiek medisch getuigschrift dat het personeelslid van de Federale Politie vanaf de tweede ziektedag aan de medische dienst van deze politie voor bekrachtiging moet bezorgen (cf. bijlage).

    Gezien de bijzondere opdracht van de controlerende artsen van de Federale Politie werd het model van dit getuigschrift vastgelegd door de minister in bijlage 8 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (cf. bijlage).

    In het kader van zijn opdracht de realiteit van de arbeidsongeschiktheid van het politiepersoneelslid te controleren heeft de controlearts dus het recht verduidelijkingen te vragen aan de behandelend arts over de inhoud van dit “gereglementeerd” getuigschrift en meer bepaald over de diagnose.

(1) KB van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, BS 31 maart 2001.

Controle (Medische-)18/01/2003 Documentcode: a100001
Controlegeneeskunde

Een provinciale raad wordt regelmatig om advies gevraagd inzake het door de controlearts voorafgaandelijk contacteren van de behandelende arts wanneer eerstgenoemde niet akkoord gaat met de duur van de verleende arbeidsongeschiktheid.
Hij legt aan de Nationale Raad een ontwerptekst ter goedkeuring voor.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak in zijn vergadering van 18 januari 2003 uw brief van 9 juli 2002 in verband met de controlegeneeskunde en deelt u de volgende gegevens mede :

  1. De bij artikel 126, § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer bepaalde regel wordt herinnerd en becommentarieerd in tal van adviezen van de Nationale Raad .

    Deze adviezen zijn merendeels unaniem : de controlearts moet voorafgaandelijk contact opnemen met de behandelend arts alvorens een beslissing te nemen die de beslissing van deze laatste wijzigt.

    Bovendien preciseren deze adviezen hoe deze contactname dient te verlopen: rechtstreeks en mondeling. Indien dit werkelijk onmogelijk is, kan een schriftelijk contact volstaan .

  2. Ofschoon de wet van 13 juni 1999 (B.S. 13 juli 1999) betreffende de controlegeneeskunde niet uitdrukkelijk voorziet in de bovenstaande verplichting, belet dit de Orde evenwel niet te waken over deze deontologische regel.

    Wij herinneren eraan dat deze regel gerechtvaardigd wordt door het feit dat “De arbeidsongeschiktheid (ziekteverlof) immers een essentieel element van de behandeling is, die slechts op een wetenschappelijk verantwoorde manier kan worden bepaald mits kennis van alle onderliggende factoren, kennis eigen aan de behandelingssituatie. Het komt dus aan de controlerende geneesheer toe hierover de nodige bijkomende informatie in te winnen alvorens deze ongeschiktheid te weerleggen.”

    Deze regel blijkt niet onverenigbaar te zijn met de ratio legis van de wet van 13 juni 1999, noch, in het bijzonder, met artikel 8 van deze laatste .

    De Nationale Raad verklaart zich dan ook akkoord met de door de Provinciale Raad van X voorgelegde ontwerptekst die de kwestieuze deontologische verplichting wenst te behouden, mits wijziging van de herhaaldelijk voorkomende term "werkonbekwaamheid" in "arbeidsongeschiktheid".

Ontwerptekst van de Provinciale Raad van X :

Deontologische houding van de controleartsen

In het kader van medische controle op werkonbekwaamheid in opdracht van een werkgever wordt de Provinciale Raad regelmatig om advies gevraagd over het contacteren door de controlearts van de behandelende geneesheer in geval deze niet akkoord gaat met de duur van de werkonbekwaamheid.

Deze vragen komen de laatste maanden veelvuldig voor. Dit heeft te maken met de steeds groeiende verwarring omtrent de schijnbaar verschillende regelgevingen ter zake en de daaruit voortvloeiende tegenstrijdige interpretaties.

Om welke regelgevingen gaat het ?

  1. Orde van Geneesheren (Code Geneeskundige Plichtenleer) : Art. 126 par. 4 : bepaalt dat de controlearts in elk geval contact moet opnemen met de behandelende geneesheer vooraleer een beslissing te nemen die deze van de behandelende geneesheer wijzigt.
    • contact moet rechtstreeks en mondeling zijn, indien onmogelijk dan pas schriftelijk
    • deze contactname moet rechtstreeks met de behandelende geneesheer gebeuren, dus zonder tussenkomst van patiënt
    • de controlearts draagt de verantwoordelijkheid hiervoor
  2. Personeelsleden Vlaamse Gemeenschap :
    1. Statutaire en contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering (omzendbrief 12 oktober 2000) :
      - de patiënt moet, indien hij/zij niet akkoord is met de beslissing van de controlegeneesheer tot vervroegde werkhervatting, zelf een initiatief nemen : hij/zij moet onmiddellijk contact opnemen met zijn behandelende geneesheer en deze moet zelf de controlegeneesheer contacteren binnen de 24 uur na beslissing van deze laatste ... anders wordt de beslissing van de controlearts als definitief beschouwd, en kan er ook geen arbitrage plaatsvinden.
    2. Besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1998 (wijzigt Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993), en bijzonder geldt voor de personeelsleden van het Vlaams Gemeenschapsonderwijs :
      Dit Besluit bepaalt dat, wat betreft de procedure vermeld onder punt 2.a), diezelfde regeling van kracht is.
  3. Personeelsleden van de Federale Overheid of van een organisme dat bij de A.G.D. is aangesloten voor controle op ziekte-afwezigheden :
    Wanneer de controlearts van oordeel is dat de onderzochte persoon vroeger het werk kan hervatten dan het voorgeschreven ziekteverlof van de behandelende geneesheer, maakt hij/zij dit kenbaar aan de beambte. De vervroegde diensthervatting mag pas ingaan op de tweede dag volgend op het onderzoek.
    Wanneer de patiënt zich benadeeld voelt door de beslissing van de controlearts, moet hij/zij het initiatief nemen door hiertegen beroep aan te tekenen en contact op te nemen met zijn/haar behandelende geneesheer. Deze laatste moet binnen de 48 uur na het controle-onderzoek contact opnemen met de arts die de controle heeft uitgevoerd.
  4. Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid : Wet betreffende de controlegeneeskunde van 13 juni 1999 :
    - de controlearts oefent zijn opdracht uit, hij overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na raadpleging van diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de werknemer.

Zowel de regeling voor personeelsleden van de Vlaamse Regering, het Besluit van de Vlaamse Gemeenschap betreffende het Vlaams onderwijspersoneel, de regeling voor de ziektecontrole van het personeel van de Federale Overheid, als de Wet betreffende de Controlegeneeskunde, hebben tot gevolg dat sommigen menen dat art. 126 par. 4 van de Code niet meer dient nageleefd te worden en dat de controlearts de behandelende arts niet meer dient te contacteren alvorens de beslissing van deze laatste te wijzigen (wat het inkorten van de duur van een werkonbekwaamheid uiteindelijk is).

Hieromtrent wenst de Provinciale Raad duidelijkheid te scheppen.

Het is juist dat de bijzondere regelingen, Besluiten en Wetgeving hierboven vermeld, de controlearts niet verplichten tot contactname met de behandelende geneesheer.

Zij verbieden het contacteren echter ook niet.

Uitgaande van de redenering dat een periode van werkonbekwaamheid deel uitmaakt van een behandeling en dat een controlearts niet kan tussenkomen in deze behandeling en dus de duur van het ziekteverlof niet kan wijzigen tenzij in akkoord met de behandelende geneesheer verplicht art. 126 par. 4 van de Code de controlearts (nog steeds) tot contactname van de behandelend geneesheer, alvorens een beslissing te nemen die deze van de behandelende collega wijzigt.
Deze contactname blijft dus een plicht, die de deontologie supplementair aan de vigerende wetgeving oplegt. Besluit en Wet leggen patiënt én arts bepaalde verplichtingen op. De Code legt de arts een bijkomende verplichting op. Dit kan perfect, tenzij de deontologische verplichting in strijd zou zijn met de Wet. In dit geval is dit duidelijk niet zo.

De Nationale Raad preciseert dat dit contact rechtstreeks en mondeling dient genomen te worden (T.N.R. 43 p. 50). In dit GSM-tijdperk kan dit toch niet onoverkomelijk zijn. Indien dit werkelijk onmogelijk is, stelt de Nationale Raad, kan een schriftelijk contact volstaan. Het dient tevens rechtstreeks te gebeuren; wat betekent zonder tussenkomst van de patiënt. De controlearts draagt hierbij de verantwoordelijkheid1 en kan desgevallend zelfs tuchtrechtelijke sancties oplopen.

De Provinciale Raad wenst deze deontologische plicht te benadrukken. Deze verplichting geldt voor alle artsen die controle op ziekteverlof uitoefenen, inclusief de controleartsen in opdracht van alle andere al of niet parastatale instellingen (o.a. de N.M.B.S., de Post, elektriciteits- en watermaatschappijen, overheden van steden, gemeenten en provincies, ...) al of niet in loondienst.

Hier aansluitend wenst de Provinciale Raad nogmaals de bindende richtlijnen van de Code (Art. 121, § 1, 2 en 3) te herhalen, waarbij het deontologisch niet kan om voor één patiënt, voor eenzelfde problematiek, cumulatief arbeids- of verzekeringsgeneeskundige taken enerzijds en controlegeneeskundige taken anderzijds door één en dezelfde geneesheer te laten uitvoeren.

De Provinciale Raad hoopt met deze mededeling klaarheid te brengen in deze materie waarrond de laatste maanden (jaren) onduidelijkheid ontstaan was en alzo conflictsituaties waarvan patiënt uiteindelijk vaak het slachtoffer is, tussen behandelende artsen en controleartsen te voorkomen.

Uw Provinciale Raad.
1-6-02


Aangezien de evolutie van de telematica, alsook de melding van de e-mail adressen in de Lijst van de Provinciale Raad, wenst de Raad u nog te herinneren aan de gedragsregels die verbonden zijn bij het doorsturen van medische gegevens via electronische weg. Deze moeten m.b.v. een dubbel sleutelsysteem beveiligd worden waarbij de gecertifieerde sleutels van de N.R. en in bepaalde gevallen ook de P.G.P.-sleutels hiervoor kunnen gebruikt worden. Een zending, electronisch ondertekend met een door de Orde gecertifieerde digitale handtekening, kan zo dus beschouwd worden als een document met een originele handtekening. In de praktijk betekent dit dat de controleartsen, via geëncrypteerde en electronisch gehandtekende mails, de behandelende geneesheren op de hoogte kunnen brengen van hun standpunten betreffende de duur van een werkonbekwaamheid, alsook hun motivatie hieromtrent, enkel en alleen indien een rechtstreeks mondeling contact onmogelijk is gebleken.

  • Zie onder meer : advies van 1977, OT nr. 26, p. 48; advies van 16 september 1989, TNR nr. 46, p. 28; advies van 20 juni 1992, TNR nr. 57, p. 27; advies van 20 maart 1993, TNR nr. 60, p. 33; advies van 7 september 1996, TNR nr. 75, p. 41; advies van 23 augustus 1997, TNR nr. 79, p. 19; advies van 16 mei 1998, TNR nr. 81, p. 16.
  • Zie in het bijzonder het advies van 7 september 1996, TNR nr. 75, p.41.
  • Zie advies van 16 mei 1998, TNR nr. 81, p. 16 en advies van 1977, OT nr. 26, p. 48.
  • Artikel 8 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde houdende toevoeging van een artikel 31 aan de Wet van 13 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : art. 31, § 3, 2de lid : “De controlearts gaat na of de werknemer werkelijk arbeidsongeschikt is, verifieert de waarschijnlijke duur van de arbeidsongeschiktheid en, in voorkomend geval, de andere medische gegevens voorzover die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van deze wet…”.