keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Arbitrage16/05/1998 Documentcode: a081015
Controle van de afwezigheid wegens ziekte van het Vlaams onderwijspersoneel

Controle op de afwezigheid wegens ziekte van het Vlaams onderwijspersoneel

De Nationale Raad ontvangt verscheidene adviesaanvragen in verband met de ziektecontrole binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Mevrouw W. DEMEESTER, Vlaams minister voor Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid, vraagt advies over het ontwerpbesluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte.

De Nationale Raad doet onderstaand advies geworden aan minister DEMEESTER, met kopie ervan aan de andere adviesvragers.

In goede orde heeft de Nationale Raad uw vraag om advies van 4 mei 1998 ontvangen betreffende het ontwerp-besluit van de Vlaamse Regering omtrent de controle op de afwezigheid wegens ziekte.
Na studie van dit ontwerp-besluit en bijgevoegde nota laat de Nationale Raad U volgend deontologisch advies geworden.

In art. 5 van het ontwerp-besluit en punt 6.4.3) van de nota wordt het initiatiefrecht verlegd van de controlearts naar het personeelslid, en als dusdanig naar de behandelende arts, om contact op te nemen bij niet-akkoord met de beslissing van de controlearts.
Dit is in strijd met de deontologische regel vervat in art. 126 § 4 van de Code van geneeskundige Plichtenleer die bepaalt dat de controlerende geneesheer in elk geval contact moet opnemen met de behandelende geneesheer vooraleer een beslissing te nemen die deze van de behandelende geneesheer wijzigt. De arbeidsongeschiktheid is immers een essentieel element van de behandeling, die slechts op een wetenschappelijk verantwoorde manier kan worden bepaald mits kennis van alle onderliggende factoren, kennis eigen aan de behandelingssituatie. Het komt dus aan de controlerende geneesheer toe hierover de nodige bijkomende informatie in te winnen alvorens deze ongeschiktheid te weerleggen.

In punt 5.2 van de nota wordt gepreciseerd dat de diagnose moet worden vermeld op het medisch attest bestemd voor het controleorgaan. De Nationale Raad is en was reeds herhaaldelijk van oordeel dat dit in strijd is met het medisch beroepsgeheim aangezien dit geheim deontologisch slechts kan worden gedeeld, tenzij in gevallen bij wet vastgelegd, met een geneesheer of medewerker die bij de behandeling is betrokken. De controlearts treedt trouwens op in het belang van de werkgever en niet in het belang van de werknemer.

Bovendien is de mededeling van medische persoonsgegevens aan derden in strijd met art. 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

In punt 6.4.3) en punt 7 van de nota wordt de beroepsprocedure vastgelegd, waarbij een andere arts van het controleorganisme in gezamenlijk overleg als scheidsrechter wordt aangesteld, te kiezen uit een lijst van artsen voorgelegd door het controleorganisme. Deze procedure is strijdig met het principe van de onpartijdigheid van de scheidsrechter. In zijn advies van 16 november 1991 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 55, maart 1992) heeft de Nationale Raad dan ook bepaald dat beide partijen het recht dienen te hebben om scheidsrechters voor te dragen die in onderling overleg kunnen worden aangesteld. De Nationale Raad verwijst daarbij naar art. 1678.1 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt : "Een overeenkomst tot arbitrage is niet geldig indien daarin aan een van de partijen een bevoorrechte positie bij de aanwijzing van de scheidsman of de scheidslieden is toegekend".

Beroepsgeheim20/09/1997 Documentcode: a079031
Afwezigheidsattest "Pers 16"

Een provinciale raad heeft de problematiek van het afwezigheidsattest "Pers 16", meer bepaald de op dit formulier aan te brengen stempel van de arts, besproken. (Zie de adviezen van de Nationale Raad van 20 april 1996, Tijdschrift Nationale Raad, nr 73, 15 en van 22 maart 1997, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 78, 18.)$
De provinciale raad vraagt de mening van de Nationale Raad over zijn standpunt dat bij het invullen van attesten die in handen komen van niet-artsen, slechts de naam en het Riziv-nummer van de arts zouden moeten vermeld worden.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 september 1997 uw vraag van 16 juni 1997 onderzocht.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat het de geneesheer vrijstaat zijn discipline al dan niet op zijn stempel te vermelden. Het inschrijvingsnummer bij de Orde is niettemin noodzakelijk.

Advies van de Nationale Raad van 20 april 1996

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn vergadering van 20 april 1996 uw voormeld schrijven, met bijlagen, besproken.

Hij stelt vast dat de authenticiteit -en de inhoud- van een medisch attest enkel kan gewaarborgd worden door het aanbrengen van zijn stempel door de behandelende geneesheer.

De enige mogelijkheid om de door u aangewezen privacy-aantasting te ontgaan lijkt erin te bestaan dat het afwezigheidsattest door uw behandelende huisarts zou opgesteld en afgeleverd worden. Hierbij zal wel onvermijdelijk de identiteit van uw behandelende huisarts gekend zijn, doch zal geen gegeven de aard van de uw afwezigheid rechtvaardigende aandoening aanwijzen.

Advies van de Nationale Raad van 22 maart 1997

Naar aanleiding van uw brief van 17 december 1996, met referentie JF/BP/96/1468, wil de Nationale Raad er u aan herinneren dat zijn advies van 20 april 1996 betreffende het afwezigheidsatttest "Pers 16" een concrete vraag van een patiënt betrof. Dit advies dient dan ook binnen de perken van dit concrete geval te worden geïnterpreteerd.

Over het algemeen is het uiteraard zo dat de behandelende arts, huisarts of specialist, zelf verantwoordelijk is en blijft voor het opstellen van het arbeidsongeschiktheidsattest van zijn patiënt.
Deze verantwoordelijkheid kan niet worden afgewenteld op collega's die niet tussengekomen zijn of niet tussenkomen in de behandeling.

Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid20/10/1990 Documentcode: a051004
Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid

De Raad heeft zich tijdens zijn vergaderingen van augustus en september gebogen over de vraag of een werkgever het recht heeft om, in geval van arbeidsongeschiktheid van een van zijn bedienden of arbeiders, tegelijk een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid te bezorgen aan de directie en een getuigschrift, met vermelding van de diagnose die de arbeidsongeschiktheid rechtvaardigde, te bezorgen aan de arbeidsgeneesheer (zie Tijdschrift nr. 50, blz. 19 en 26).

Het ontwerp‑advies dat voorgelegd werd aan de Raad, wordt goedgekeurd.

Advies van de Nationale Raad :

Eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat art. 106 van de Code van Plichtenleer niet toepasselijk is op de situatie van afwezigheid van een werknemer wegens arbeidsongeschiktheid en op de aangifte hiervan. Dit artikel handelt namelijk over de medisch‑sociale consultatie en over het onderzoek door de arbeidsgeneesheer van tewerkgestelde arbeiders of bedienden.

Art. 148 quater, al. 1, van het koninklijk besluit van 16 april 1965 tot oprichting van de arbeidsgeneeskundige diensten bepaalt immers dat "arbeidsgeneesheren, telkens zij het nodig oordelen, bij de behandelende geneesheer navraag mogen doen naar de omstandigheden die tot een afwezigheid, om gezondheidsredenen, kunnen hebben geleid, alsmede naar de evolutie van de gezondheidstoestand der betrokkenen, teneinde met kennis van zaken te kunnen oordelen over de doeltreffendheid van hun preventieprogramma, de beroepsrisico's te kunnen opsporen en de minder-validen werk te kunnen geven die bij hun toestand past, met het oog op hun heropleiding."

Het staat de behandelende arts vrij, mits toestemming van de patiënt, hieraan gevolg te geven.
Het aangifte‑attest van arbeidsongeschiktheid, dat aan de betrokken patiënt zelf wordt overhandigd, mag echter geen enkele vermelding van diagnose omvatten. Dit valt namelijk onder het beroepsgeheim.