keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Getuigschrift31/07/2010 Documentcode: a131004
Gezondheidsattesten voor leerlingen met stage in de voedingssector

De Nationale raad van de Orde van geneesheren heeft een brief ontvangen in verband met het uitschrijven van gezondheidsattesten voor leerlingen met stage in de voedingssector ingevoerd door het koninklijk besluit van 22 december 2005 betreffende levensmiddelenhygiëne (B.S. 30 december 2005).

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 31 juli 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw schrijven van 31 maart 2010 aangaande een adviesaanvraag van dokter X betreffende het uitschrijven van gezondheidsattesten voor leerlingen met stage in de voedingssector besproken.

De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verhandelen en bewerken van voor handelsdoeleinden bestemde voedingswaren of voedingsstoffen bestaan sinds het koninklijk besluit van 17 maart 1971 tot onderwerping aan medisch toezicht van al de personen die door hun werkzaamheid rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en die deze waren kunnen verontreinigen of besmetten (B.S 30 april 1971).

Het koninklijk besluit van 22 december 2005 betreffende levensmiddelenhygiëne (B.S. 30 december 2005) heeft de verplichting ingevoerd om te beschikken over een medisch attest.

Deze wettelijke bepalingen houden in dat een leerling over een medisch attest moet beschikken indien de volgende drie criteria tegelijkertijd vervuld zijn:
• De leerling bewerkt of verhandelt voedingswaren of voedingsstoffen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de leerling voedsel bereidt in een schoolkeuken, een leskeuken, ..., en/of indien hij bereid voedsel verdeelt in een restaurant, een kliniek, een bejaardentehuis, ...
• De leerling kan deze voedingswaren of voedingsstoffen bezoedelen of besmetten. Dit is onder meer (maar niet uitsluitend) het geval indien deze leerlingen dragers zijn van kiemen die salmonellose of dysenterie kunnen verwekken, indien ze symptomen van besmettelijke hepatitis vertonen, indien ze aangetast zijn door een besmettelijke huidziekte, ...
• Deze voedingswaren of voedingsstoffen zijn voor handelsdoeleinden bestemd. Dit is het geval indien de school deze voedingswaren in een restaurant opdient, in een schoolwinkeltje verkoopt, gratis verdeelt aan de aanwezigen op een schoolfeest of aan de aanwezige ouders tijdens een oudercontact, ... Met andere woorden, zodra de voedingswaren of voedingsstoffen aan derden aangeboden worden, is er sprake van handelsdoeleinden, ongeacht of dit gratis gebeurt of tegen betaling.

Het medisch attest is een vereiste om in de betrokken studierichtingen ingeschreven
te kunnen worden.

De toelatingsvoorwaarde bestaat erin dat betrokken leerlingen medisch geschikt moeten zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming. Daartoe dient een arts, aangesteld door de onderwijsinstelling, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip in de loop van het schooljaar plaatsvindt een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. Dat kan een huisarts zijn of een CLB-arts

De arts beslist op wetenschappelijke gronden autonoom welke onderzoeken hij dient te verrichten vooraleer een medisch attest uit te reiken.

De leerlingen moeten het medisch attest eenmalig ontvangen en het is geldig voor de hele duur van de secundaire studies of voor het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, tenzij er een aanleiding is om de geschiktheid te herevalueren.

Een ongeschiktheidverklaring in de loop van het schooljaar impliceert de beslissing van de betrokken personen om de leerling uiterlijk op het einde van dat schooljaar de opleiding te laten stopzetten (bij het voltijds secundair onderwijs) of de jongere uiterlijk op het einde van de module die hij volgt, de opleiding in kwestie stopzet (bij het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap).

Er bestaat geen verplicht model dat ingevuld moet worden. Er bestaat een voorbeeld van medisch attest.

Het Vrije centrum voor leerlingenbegeleiding vzw gaat akkoord met dit voorbeeldattest met uitzondering van de regel "Dit attest is geldig voor de duur van de studieloopbaan van de onderzochte persoon binnen de structuuronderdelen waar voedsel bereid en/of verhandeld wordt".

Op deontologische grond is de Nationale Raad van oordeel dat een arts geen medisch attest kan uitschrijven voor de hele duur van de secundaire studies of de module. Dergelijk attest is een vaststelling van de huidige toestand en biedt derhalve geen garantie voor de toekomst.

Bovendien is de Nationale Raad van mening dat indien er ernstig gevaar is voor de gezondheid van derden, zonder verwijl de nodige maatregelen moeten worden genomen om elk gevaar uit te sluiten.

Dokter X verwijst in haar e-mail van 16 februari 2010 naar het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2000 tot bepaling van sommige opdrachten van de centra voor leerlingenbegeleiding (B.S. 17 mei 2000). Dit besluit is opgeheven.

Het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding (B.S. 10 april 1999) bepaalt de opdrachten voor de Centra voor leerlingenbegeleiding.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 tot vaststelling van de operationele doelstellingen van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (B.S. 3 september 2009) bepaalt in de artikelen 28 tot en met 38 de inhoud van de consulten.

Als bijlage vindt u een kopie van de brief die omtrent deze aangelegenheid wordt overgemaakt aan de bevoegde minister.

Beroepsgeheim05/06/2010 Documentcode: a130022
Vraag om bijkomende informatie aan de behandelende arts door de RVA

De coördinerend arts van de RVA, contacteert de Nationale Raad in verband met het medisch geheim van de behandelend arts van een sociaal verzekerde om, op verzoek van een erkend RVA-arts, bijkomende informatie te verstrekken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 5 juni 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 31 maart 2010 betreffende de erkende artsen van de RVA en het medisch geheim onderzocht.

Wanneer de erkende arts aan de werkzoekende een aanvraag om bijkomende informatie geeft die moet doorgegeven aan en beantwoord worden door de behandelende arts, dan is het gevraagde getuigschrift er één dat dienstig voor de patiënt om sociale voordelen te bekomen. In dat geval is artikel 67 van de Code van geneeskundige plichtenleer van toepassing.

Dit artikel bepaalt :
De geneesheer heeft het recht maar is niet verplicht aan een patiënt, die hem erom verzoekt, een getuigschrift betreffende zijn gezondheidstoestand te overhandigen. De geneesheer mag een getuigschrift weigeren. Hij alleen beslist over de inhoud en de wenselijkheid om het aan de patiënt te overhandigen.

Wanneer een patiënt om een getuigschrift verzoekt met het oog op sociale voordelen, mag de geneesheer hem dit getuigschrift afleveren maar moet hij het voorzichtig en discreet opstellen; hij mag dit getuigschrift, met de goedkeuring van zijn patiënt of diens naastbestaanden, zo nodig ook rechtstreeks, overhandigen aan de geneesheer van de instelling waarvan de toekenning van bedoelde sociale voordelen afhangt.

Getuigschrift21/03/2009 Documentcode: a125012
Weigering van medische attesten - Vreemdelingen

De Nationale Raad werd om advies gevraagd in volgende zaak :

De vreemdelingen vragen aan hun (behandelende) arts een omstandig medisch attest om een verblijfstatus op basis van artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet aan te vragen op basis van hun gezondheidstoestand, daar het onmogelijk is om (evenwaardige) zorgen te krijgen in zijn/haar thuisland. Het starten van deze procedure zal mits een medisch attest en een identiteitsdocument aanleiding geven tot een voorlopige verblijfvergunning voor bepaalde tijd, telkens verlengbaar met drie maanden tot de beslissing ten gronde.

In sommige gevallen zal deze procedure nooit tot een definitieve regularisatie leiden. Het uitschrijven van deze medische attesten zijn niet altijd gerechtvaardigd, daar sommige van de aanvragers nauwelijks of geen gezondheidsproblemen hebben.

Mogen (behandelende) artsen weigeren medische attesten te schrijven, wanneer deze attesten ongegrond zijn?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 21 maart 2009 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw mail van 1 december 2008 betrefffende uw vraag bestudeerd om medische attesten te weigeren wanneer deze niet gerechtvaardigd zijn.

De Nationale Raad herinnert aan zijn advies van 28 juli 2007 betreffende medische attesten, dixit-attesten en geantedateerde attesten (TNR nr.117, p. 13).

Dit advies bepaalt dat “een medisch attest een getuigschrift is dat een feit van medische aard vaststelt en bevestigt op grond van eigen ondervraging en onderzoek. Het wordt afgeleverd door de arts die het feit zelf heeft vastgesteld. Het medisch attest dient vanzelfsprekend volledig waarheidsgetrouw te zijn en houdt alleen medische vaststellingen over de patiënt zelf in. Elk medisch getuigschrift, dat immers door de eer en de verantwoordelijkheid van de arts die het ondertekent wordt gewaarborgd, moet waarheidsgetrouw en gewetensvol worden opgemaakt. Het getuigschrift moet worden gedagtekend op de dag dat het wordt opgemaakt, van een handtekening worden voorzien en met een stempel worden gewaarmerkt.

Onder die voorwaarden geniet het medisch attest onbetwistbaar het vermoeden van geloofwaardigheid.

Artikel 67 van de Code van geneeskundige plichtenleer stelt dat de arts het recht heeft, maar niet verplicht is aan een patiënt, die hem erom verzoekt, een getuigschrift betreffende zijn gezondheidstoestand te overhandigen. De arts mag een getuigschrift weigeren.

Wanneer een patiënt om een getuigschrift verzoekt met het oog op sociale voordelen, mag de arts hem dit getuigschrift afleveren maar moet hij het voorzichtig en discreet opstellen; hij mag dit getuigschrift, met de goedkeuring van zijn patiënt of diens naastbestaanden, zo nodig ook rechtstreeks, overhandigen aan de arts van de instelling waarvan de toekenning van bedoelde sociale voordelen afhangt.”

De Nationale Raad is van mening dat de behandelende arts, die niet ingaat op het verzoek van de patiënt om een attest over zijn gezondheidstoestand, hiervoor een gegronde reden dient te hebben en deze ook kenbaar dient te maken aan de patiënt.

De Nationale Raad meent dat in dit specifiek geval de arts moeilijk een medisch attest kan weigeren. In de procedure dient de definitieve beslissing genomen te worden door een daartoe aangestelde arts.

Getuigschrift21/02/2009 Documentcode: a125010
report_problem Dit advies werd vervangen door het advies d.d. 16.11.2013 (a143017).
Afleveren van een medisch attest voor het bekomen van een vergunning tot het bezit of het dragen van een wapen

Naar aanleiding van de afkondiging van het ministerieel besluit van 16 oktober 2008 houdende de erkenning van de artsen die bevoegd zijn voor het afgeven van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren het advies van 3 maart 2007 in verband met het afleveren van medische attesten voor het bekomen van een vergunning tot het bezit of het dragen van een wapen aangepast.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 21 februari 2009 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de problematiek van het afleveren van een medisch attest voor het bekomen van een vergunning tot het bezit of het dragen van een wapen onderzocht.

De wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (B.S. 9 juni 2006) maakt een onderscheid tussen het bezitten en het dragen van een wapen.

Het bezit van een wapen

Het bezit van een wapen vergt een vergunning. Deze vergunning wordt slechts verleend aan personen die voldoen aan specifieke voorwaarden. Krachtens artikel 11, § 3, 6°, van de wet dient hiervoor een medisch attest te worden voorgelegd “dat bevestigt dat de aanvrager in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen”.

De Nationale Raad betreurt de gekozen formulering van dit artikel. De kwalificatie “arts” brengt niet de bevoegdheid met zich het “in staat zijn een wapen te manipuleren” te attesteren. Enkel zou een arts eventueel kunnen attesteren dat de aanvrager geen fysieke of mentale tegenindicaties vertoont voor het voorhanden hebben van een wapen zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. De Nationale Raad nodigt de artsen dan ook uit om het hierbijgevoegde model van attest te gebruiken.

De Nationale Raad is bovendien van mening dat enkel de behandelende arts, die eventueel de beheerder is van het globaal medisch dossier, indien de patiënt over een dergelijk medisch dossier beschikt, de medische geschiktheid voor het bezit van een wapen zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen kan attesteren.

Het medisch attest waarvan sprake in artikel 11 heeft immers als doel de afwezigheid van medische tegenindicaties die het bezit van een wapen duidelijk zouden beletten (bv. alcoholisme, depressie of epilepsie) te attesteren.

Het dragen van een vuurwapen

Voor het dragen van een vuurwapen stelt artikel 14 dat een medisch attest vereist is.

Dit attest moet worden afgeleverd door een daartoe door de minister van Justitie erkende arts. Het ministerieel besluit van 16 oktober 2008 houdende de erkenning van de artsen die bevoegd zijn voor het afgeven van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet concretiseert het begrip ´arts`. In eerste instantie moet het de huisarts zijn die het globaal medisch dossier van de aanvrager beheert of de arts die verklaart hem al minstens een jaar op te volgen, bij gebrek daaraan een psychiater of een neuropsychiater.

Is de patiënt een werknemer van een bewakingsonderneming, dan mag hij ook aan de arbeidsgeneesheer een attest vragen voor zover die het advies inwint van bovenvermelde arts.

Uit het attest moet blijken dat de aanvrager geen fysieke of mentale tegenindicaties vertoont voor het dragen van een wapen.

De Nationale Raad beveelt aan dat de artsen-specialisten contact opnemen met de behandelende arts alvorens dergelijke attesten op te stellen.

Dit advies vervangt de adviezen van de Nationale Raad van 19 februari 2002, van 19 oktober 2002 en van 3 maart 2007 over dezelfde problematiek.

Bijlage : model van medisch attest ‘wapenbezit’.

cc. de heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie

MEDISCH ATTEST

afgeleverd in toepassing van art. 11, § 3, 6°, van de wet van van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (B.S, 9 juni 2006).

Ondergetekende, .................................................................,

arts, verklaart hierbij dat :

de heer / mevrouw [1] : ........................................................................................

geboren te : ........................................op : .........................................

adres : .........................................................................................

.......................................................................................... op: ..................................

geen fysieke noch mentale tegenindicatie vertoont voor het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de aangehaalde wet.

Geldig van ………….... tot ……………..

DATUM : Handtekening en stempel arts

[1] Het onnodige schrappen.

Getuigschrift06/12/2008 Documentcode: a123012
Deelname aan de wachtdienst – Ongeschiktheid wegens ziekte

In het kader van de huishoudelijke reglementen van de wachtdiensten in de huisartsgeneeskunde die hem ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd, bestudeerde een provinciale raad o.m. de verschillende redenen waarom bepaalde huisartsen menen niet (meer) te kunnen deelnemen aan de wachtdienst.
Aan de Nationale Raad wordt een geval voorgelegd van een arts aan wie meermaals een vrijstelling om persoonlijke redenen was geweigerd en die aan de wachtdienstverantwoordelijke een verklaring van medische ongeschiktheid wegens ziekte bezorgde.

Advies van de Nationale Raad :

Het Huishoudelijk Reglement van de Wachtdienst (HRW) is het kerndocument. Dat HRW geldt als een “contractuele” overeenkomst tussen partijen – de organiserende huisartsenkring en de uitvoerende huisarts – waarvan de rechten en plichten van die twee betrokken partijen exact dienen te worden bepaald.

In het HRW moet de procedure worden beschreven voor de opstelling van de beurtrol. Eerst de lijst van deelnemende huisartsen. Daarbij horen ook de modaliteiten voor de legitieme vrijstelling, met de omschrijving van de aanvaardbare én aanvaarde criteria die jaarlijks worden bepaald door de algemene vergadering van de huisartsenkring en rekening houdend met de invulling van de wachtdienst en het quorum noodzakelijk om die opdracht te kunnen uitvoeren.

“Vrijstellingen” moeten door de betrokken huisarts gemotiveerd aangevraagd worden bij de huisartsenkring en gericht worden aan de raad van bestuur van die kring.

De vorm of inhoud van die motivatie – i.c. wegens ziekte en/of gezondheidsredenen – worden echter meestal niet nader omschreven in het HRW.

Is een medisch ziekteattest van een andere behandelende arts hierbij überhaupt noodzakelijk – en in welke mate gaat het hier soms niet om welwillendheidattesten – of kan een persoonlijke verklaring van de betrokken huisarts in bepaalde gevallen volstaan?

  • Indien het om acute ziekten gaat, is die problematiek van “vrijstelling” feitelijk niet aan de orde; men kan aannemen dat een tijdige melding van de betrokken huisarts aan de wachtdienstverantwoordelijke kan volstaan, die dan voor een vervanging zorgt op de beurtrol; uiteraard kan de huisartsenkring in dit geval beslissen dat betrokken collega, na genezing, zijn geplande wachtbeurt(en) moet inhalen op latere tijdstippen.

  • Bij chronische aandoeningen speelt de “vrijstelling” bij de opstelling van de beurtrol wel.

Langdurige of levensbedreigende aandoeningen, die volledig de dagelijkse praktijkvoering onmogelijk maken, lijken – bij extensie naar de wachtdienst – een evidente motiveringsgrond. De arts zou hier kunnen gevraagd worden een medisch ziekteattest af te leveren, vooral met de vermelding van de ziekteduur, teneinde daarmee rekening te kunnen houden voor de beurtrol.

Sommige artsen brengen aan dat ze partieel – wegens ziekte en/of gezondheidsredenen – specifiek niet langer kunnen deelnemen aan de wachtdiensten, doch daarentegen wel nog normaal hun dagelijkse praktijk uitvoeren; controversieel standpunt omdat er enerzijds een selectieve onmogelijkheid wordt aangevoerd om de geneeskunde te beoefenen enkel tijdens weekends en feestdagen en anderzijds omdat de deelname aan de bevolkingswachtdienst een integraal onderdeel uitmaakt van de voorwaarden tot de erkenning en het behoud ervan, als huisarts (Ministerieel besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen, art. 10 – 4°).

Hier blijft een fundamentele vraag naar de juridische waarde van een dergelijk “ziekteattest” in de geschetste “contractuele” relatie (cf. het HRW) tussen de huisarts van wachtdienst versus de organiserende huisartsenkring; medisch attest dat als motivering in deze context specifiek aangewend wordt als reden om niet te moeten werken – i.c. de volledige/partiële onmogelijkheid om de geneeskunde te beoefenen – tijdens die wachtdienst.

Het is duidelijk dat deze problematiek zeer delicaat ligt, niet in het minst wegens redenen van beroepsgeheim of privacy: wat moet/kan de betrokken arts ter staving van die motivatie “ziekte en/of gezondheidsredenen” voorleggen aan de huisartsenkring, wat en door wie zijn post hoc de controlemogelijkheden, o.a. in het kader van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissie en van de provinciale raad van de Orde ?

Het vervullen van de wachtdienst is een wettelijke verplichting strafbaar volgens KB nr. 78, art. 38, § 1, 3°, en een deontologische verplichting, waarbij respectievelijk de provinciale geneeskundige commissie en de provinciale raad van de Orde eigen bevoegdheden hebben.

In het bijzonder moet de procedure voor de beslechting van betwistingen/geschillen worden bepaald in het HRW: daarbij moeten de bevoegdheden van de controlerende partijen – PRO en PGC – worden ingevuld, zodat twistende partijen huisarts en huisartsenkring een beroep kunnen doen op een sluitende en een legitieme procedure, rekening houdend met de respectievelijke bevoegdheden van alle betrokken partijen.

De afbakening van de bevoegdheden tussen PRO en PGC maakt deel uit van een onderling bilateraal overleg tussen beiden, dat tot de nodige afspraken rond taakverdeling zal leiden.

In het bijzonder dient aandacht besteed aan de mogelijkheid van arbitrage, waarbij partijen vrijwillig instemmen met de – definitieve – beslechting van een betwisting/geschil via die arbitrageprocedure.

In het kader van de problematiek van de betwiste vrijstelling van deelname wegens medische redenen, kan die arbitrageprocedure een oplossing bieden voor het delicaat karakter van de controleerbaarheid van die medische redenen, met respect voor het beroepsgeheim. Via die arbitrage bestaat immers de mogelijkheid door de arbiters om deskundigen aan te stellen, i.c. artsen die in alle sereniteit een advies kunnen uitbrengen.

Beroepsgeheim19/01/2008 Documentcode: a119010
Medisch getuigschrift voor aangifte van partnergeweld

Ter ondersteuning van de huisartsen startte de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een project met het oog op het ontwikkelen van richtlijnen, een opleidingsmodule en een registratiesysteem met betrekking tot intrafamiliaal geweld. Een lid van de Nationale Raad nam deel aan de hiertoe georganiseerde bijeenkomsten waarbij door een groep experten de juridische, ethische en deontologische aspecten en de medische attestering werden bestudeerd.
Op vraag van de betrokken FOD formuleert de Nationale Raad zijn bemerkingen bij het verslag van de laatste vergadering en het ontwerp van het door de arts in te vullen certificaat inzake partnergeweld.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 19 januari 2008 uw e-mail van 15 november 2007 besproken betreffende de juridische workshop van 21 september 2007 in verband met partnergeweld die werd gehouden bij de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu.

In uw e-mail vraagt u onze Raad zijn opmerkingen te verstrekken aangaande de synthese van deze vergadering en de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van een medisch certificaat in verband meteen klacht wegens partnergeweld.

Vooreerst is de Nationale Raad van mening dat in deze context de arts geen enkele informatie mag doorgeven aan het parket, tenzij in een noodtoestand. Hij kan de patiënt er echter wel toe aanzetten zelf de nodige initiatieven te nemen (zie artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Vervolgens is de Nationale Raad van mening dat, wanneer de patiënt een certificaat vraagt aan de arts tijdens een raadpleging in het kader van partnergeweld, het niet aangewezen is een standaardformulier in te vullen. Dit formulier kan echter als geheugensteun dienen om de arts te helpen bij het opstellen van het certificaat, dat objectief moet blijven en zich dient te beperken tot een gedetailleerde beschrijving van de vastgestelde letsels.

Tot slot herinnert de Nationale Raad eraan dat elke patiënt die bewijzen van opgelopen letsels wil voorleggen, steeds kopie kan vragen van zijn medisch dossier op basis van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Getuigschrift28/07/2007 Documentcode: a117017
Medische attesten, dixit-attesten en geantedateerde attesten

Op voorstel van de heer F. Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, ondertekende de Nationale Raad op 22 maart 2007, na meermaals overleg te hebben gepleegd met het Departement Onderwijs en Vorming, Afdeling Ondersteuningsbeleid, van de Vlaamse Overheid, mee het protocol betreffende de samenwerking tussen de medische sector en het onderwijs in het kader van het actieplan « Een sluitende aanpak van spijbelen en schoolverzuim » (als bijlage).
De Nationale Raad van de Orde der geneesheren wenst, na de ondertekening van het genoemde protocol op 22 maart 2007 aangaande de dixit-attesten en de geantedateerde attesten volgende verduidelijkingen te geven.

Advies van de Nationale Raad :

Het medisch attest

Een medisch attest is een getuigschrift dat een feit van medische aard vaststelt en bevestigt op grond van eigen ondervraging en onderzoek. Het wordt afgeleverd door de arts die het feit zelf heeft vastgesteld. Het medisch attest dient vanzelfsprekend volledig waarheidsgetrouw te zijn en houdt alleen medische vaststellingen over de patiënt zelf in.

De Nationale Raad herinnert aan zijn advies van 18 september 1993 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 62, december 1993, p. 26) dat bepaalt dat “elk medisch getuigschrift, dat immers door de eer en de verantwoordelijkheid van de arts die het ondertekent wordt gewaarborgd, waarheidsgetrouw en gewetensvol moet worden opgemaakt. Het getuigschrift moet worden gedagtekend op de dag dat het wordt opgemaakt, van een handtekening worden voorzien en met een stempel worden gewaarmerkt.”

Onder die voorwaarden geniet het medisch attest onbetwistbaar het vermoeden van geloofwaardigheid.

In zijn advies van 26 augustus 1989 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 46, december 1989, p. 22) bepaalt de Nationale Raad: “Wat betreft de inhoud van de ongeschiktheidverklaring dient de Nationale Raad U er niettemin op te wijzen dat het medisch geheim hierbij op geen enkele manier mag worden geschonden. Als reden van ongeschiktheid kunnen dan ook alleen de vermeldingen ziekte, ongeval en verlenging worden weerhouden. Alle andere redenen dienen dan ook van het attest te worden weggelaten”.

Het dixit-attest

Een dixit-attest is een attest dat louter en alleen gebaseerd is op de verklaring van de betrokkene en niet op een diagnose. Dergelijke verklaring heeft nooit het karakter van een medisch attest.

De gebruikelijke voorgedrukte medische formulieren kunnen hiervoor niet aangewend worden. Teneinde elk misverstand met een eigenlijk medisch attest te vermijden en de gevraagde signaalfunctie bij problematische afwezigheid te onderstrepen dient een dergelijk attest met de hoofding dixit-attest te beginnen.

Dergelijk attest dient duidelijk te vermelden : “Volgens verklaring van betrokkene …..” .

In deze optiek zal de wederzijdse vertrouwensrelatie die de grondslag is van elke arts-patiëntrelatie niet uit het oog worden verloren.

Indien de school geregeld dergelijke dixit-attesten ontvangt, kan zij dit signaleren aan de CLB-arts die op zijn beurt desgevallend overleg kan plegen met de behandelende geneesheer.

Contact schoolarts - behandelend arts

De Nationale Raad bepaalt in zijn advies van 29 januari 1994 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 64, juni 1994, p. 24) dat hij voorstander is van contacten tussen de schoolarts en de behandelend arts om de inhoud van een medische ongeschiktheidverklaring toe te lichten, zelfs te documenteren en om zo nodig toe te zien op de praktische uitvoering ervan. Dit voor zover het gezondheidsaspecten betreft die van belang zijn voor de schoolse begeleiding van de leerling. Dit overleg geldt dus evenzeer in het kader van een dixit-attest.

Geantedateerde attesten

Antedatering van medische attesten is verboden vermits een medisch attest dient gedagtekend te worden de dag waarop de patiënt wordt onderzocht, het attest wordt opgesteld en afgeleverd.

Antedatering en/of het valselijk bevestigen van een ziekte zijn misdrijven (valsheid in geschrifte, zie de artikelen 196 en 204 van het Strafwetboek) en zijn derhalve juridisch en deontologisch uitgesloten.

Uitzonderlijk kan een getuigschrift van ongeschiktheid a posteriori worden opgesteld en afgeleverd op basis van medische bevindingen en de hierdoor als aanvaardbaar voorkomende verklaringen van de betrokkene.

Bijlage:

Protocol betreffende de samenwerking tussen de medische sector en onderwijs in het kader van het actieplan ‘Een sluitende aanpak van spijbelen en schoolverzuim’ van de Vlaamse overheid van 22 maart 2007

Getuigschrift03/03/2007 Documentcode: a116003
Vragen en antwoorden betreffende de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens
Vragen en antwoorden betreffende de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens

De wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt dat voor het bekomen van een vergunning tot het bezit en/of het dragen van een wapen een arts een medisch attest dient af te leveren „dat bevestigt dat de aanvrager in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen“ (artikel 11, §3, 6°, van de wet van 8 juni 2006).
Een provinciale raad stuurt een brief door van een provinciegouverneur die drie vragen stelt betreffende het afleveren van dergelijke medische attesten.

Advies van de Nationale raad :

In zijn vergadering van 3 maart 2007 heeft de Nationale Raad uw vragen onderzocht betreffende de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens.

Deze vragen zijn de volgende :

1/ “Is de geconsulteerde geneesheer verplicht een getuigschrift af te geven en wat in geval van weigering ?”

Artikel 67 van de Code van geneeskundige plichtenleer is hieromtrent heel duidelijk :
“De geneesheer heeft het recht maar is niet verplicht aan een patiënt, die hem erom verzoekt, een getuigschrift betreffende zijn gezondheidstoestand te overhandigen.
De geneesheer mag een getuigschrift weigeren. Hij alleen beslist over de inhoud en de wenselijkheid om het aan de patiënt te overhandigen”.

In geval van weigering kan het advies gevraagd worden van de provinciale raad waar de arts ingeschreven is.

2/ “Komt de verantwoordelijkheid van de arts in het gedrang die een (gunstig) medisch attest heeft afgeleverd aan een persoon die achteraf op een of andere manier “misbruik” maakt van het wapen?”

Voor zover er op de datum van het medisch attest geen fysieke noch mentale tegenindicaties bestaan voor het voorhanden hebben van een wapen kan, volgens de Nationale Raad, de aansprakelijkheid van de arts niet in het gedrang komen.

In het tegenovergestelde geval zou de aansprakelijkheid van de arts weerhouden kunnen worden door een rechtbank voor zover de medische fout in oorzakelijk verband staat met de opgelopen schade.

3/ “Wat is de juiste draagwijdte van het attest? Kan/moet het als medisch attest beschouwd worden?”

De attesten waarvan sprake in de artikelen 11 en 14 van de wapenwet zijn medische attesten.

De Nationale Raad verwijst u voor het overige naar zijn als bijlage opgenomen advies betreffende het afleveren van medische attesten voor het bekomen van een vergunning tot het bezit of het dragen van een wapen.

Getuigschrift03/03/2007 Documentcode: a116002
report_problem Dit advies werd vervangen door het advies d.d. 16.11.2013 (a143017).
Het afleveren van medische attesten voor het bekomen van een vergunning tot het bezit of het dragen van een wapen

Naar aanleiding van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens vragen verschillende artsen raad aan hun provinciale raad betreffende het invullen van een medisch getuigschrift waarbij de arts attesteert dat zijn patiënt in staat is om een wapen te bedienen en/of voorhanden te hebben zonder zichzelf of een ander in gevaar te brengen.
Een van de betrokken provinciale raden verwijst naar de adviezen van 19 januari 2002 en 19 oktober 2002 waarin de Nationale Raad stelde dat “dergelijke attesten best niet worden afgeleverd door de behandelend arts aangezien het een handeling is die gelijkt op een deskundigenonderzoek” en vraagt dat de Nationale Raad bij het formuleren van zijn standpunt “niet zou voorbijgaan aan de huisarts die de voorgeschiedenis en vooral het gedrag van zijn patiënt beter kent dan een deskundige die betrokkene eenmaal ziet”.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 3 maart 2007 heeft de Nationale Raad de problematiek van het afleveren van medische attesten voor het bekomen van een vergunning tot het bezit en/of het dragen van een wapen onderzocht.

De nieuwe wapenwet (wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, B.S. 9 juni 2006) maakt een onderscheid tussen het voorhanden hebben en het dragen van een wapen.

Het voorhanden hebben van een wapen

Het voorhanden hebben van een wapen vergt een vergunning. Deze vergunning wordt slechts verleend aan personen die voldoen aan specifieke voorwaarden. Krachtens artikel 11, §3, 6°, van de wet van 8 juni 2006 dient hiervoor een medisch attest te worden voorgelegd “dat bevestigt dat de aanvrager in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen”.

De Nationale Raad betreurt de gekozen formulering van dit artikel. De kwalificatie “arts” brengt niet de bevoegdheid met zich het “in staat zijn een wapen te manipuleren” te attesteren. Enkel zou een arts eventueel kunnen attesteren dat de aanvrager geen fysieke of mentale tegenindicaties vertoont voor het voorhanden hebben van een wapen zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. De Nationale Raad nodigt de artsen dan ook uit om het hierbijgevoegde model van attest te gebruiken.

De Nationale Raad is bovendien van mening dat enkel de behandelende arts, die eventueel de beheerder is van het Globaal Medisch Dossier, indien de patiënt over een dergelijk medisch dossier beschikt, de medische geschiktheid voor het voorhanden hebben van een wapen zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen kan attesteren.

Het medisch attest waarvan sprake in artikel 11 van de wet van 8 juni 2006 heeft immers als doel de afwezigheid van medische tegenindicaties die het voorhanden hebben van een wapen duidelijk zouden beletten (bijvoorbeeld alcoholisme, depressie en epilepsie) te attesteren.

Het dragen van een wapen

Artikel 14 van de wet van 8 juni 2006 bepaalt :

“De verzoeker moet een attest voorleggen van een daartoe door de minister van Justitie erkend arts dat hij geen fysieke of mentale tegenindicaties vertoont voor het dragen van een vuurwapen”.

De Nationale Raad heeft geen kennis van een bestaande procedure tot erkenning van attesterende artsen in het kader van wapendrachtvergunningen.

De Nationale Raad is van mening dat deze artsen in ieder geval contact dienen op te nemen met de behandelende arts alvorens een dergelijk attest op te stellen.

Dit advies vervangt de adviezen van de Nationale Raad van 19 februari 2002 en van 19 oktober 2002 over dezelfde problematiek.

Bijlage : 1 model van medisch attest.

MEDISCH ATTEST

In toepassing van art. 11, § 3, 6°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, B.S. 9 juni 2006.

Ondergetekende, ................................................................................................,
arts, verklaart hierbij dat :

de heer / mevrouw 1 : ........................................................................................

1 Het onnodige schrappen.

geboren te : ........................................op : .........................................

adres : .........................................................................................
..........................................................................................

op heden : ..................................

geen fysieke noch mentale tegenindicatie vertoont voor het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de aangehaalde wet.

DATUM :

Handtekening en stempel arts


1 Het onnodige schrappen.

Getuigschrift16/07/2005 Documentcode: a110002
Geneeskundige verklaringen voor (kandidaat-)verzekerden

In zijn vergadering van 16 juli 2005 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de deontologische consequenties van het door artikel 19 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt gewijzigde artikel 95 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (1).

Niettegenstaande de nieuwe versie van artikel 95 reeds langer dan twee jaar van toepassing is, blijven heel wat onduidelijkheden over de juiste betekenis van het artikel bestaan. De door de provinciale raden voorgelegde vragen hebben vooral betrekking op de geneeskundige verklaringen zodat de Nationale Raad een advies daaromtrent noodzakelijk acht.

ALGEMENE BEPALINGEN

De eerste zin van artikel 95 is overduidelijk : “De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn”. Hieruit volgt dat het de gekozen arts vrijstaat een geneeskundige verklaring af te leveren, te weigeren of te beperken tot wat hij deontologisch meent te kunnen verklaren. De aangezochte geneesheer is deontologisch wel verplicht de nodige uitleg te geven aan de (kandidaat)-verzekerde als de gevraagde verklaring niet of slechts gedeeltelijk afgeleverd wordt.

Uit de wettekst volgt dat de arts de door hem opgestelde geneeskundige verklaring aan de (kandidaat-)verzekerde dient af te leveren en niet rechtstreeks mag overmaken aan de verzekeringsmaatschappij. De (kandidaat-)verzekerde moet de geneeskundige verklaring overmaken aan de adviserende arts van de verzekeraar en niet meer als vroeger aan de (bediende van de) verzekeraar. De Nationale Raad is van mening dat de (kandidaat-) verzekerde het recht heeft de naam te kennen van de adviserende arts van de verzekeraar aan wie hij zijn medische persoonsgegevens toevertrouwt.

Om elk misverstand te vermijden wijst de Nationale Raad erop dat dit advies enkel betrekking heeft op geneeskundige verklaringen afgeleverd op verzoek van de (kandidaat-)verzekerde en niet van toepassing is op verslagen van medische onderzoeken verricht in opdracht van de verzekeraar door een al dan niet door de verzekerde vrij gekozen arts. De Nationale Raad benadrukt dat het niet aangewezen is dat behandelende geneesheren, met het oog op het sluiten van een overeenkomst, hun eigen patiënten onderzoeken en over hun bevindingen verslag uitbrengen bij de verzekeraar. Het is immers de vraag of zij in deze gevallen de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid hebben. Deze taken worden best overgelaten aan artsen die met de patiënt geen enkele binding hebben.

Belangrijk is dat artikel 95 enerzijds stelt dat de geneeskundige verklaringen zich dienen te beperken tot een beschrijving van de “huidige gezondheidstoestand” terwijl anderzijds medische onderzoeken in het kader van het sluiten of het uitvoeren van een overeenkomst kunnen steunen op “de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand”. Dat dit tot eindeloze discussies kan leiden tussen de steller van de geneeskundige verklaring en de arts van de verzekeraar spreekt voor zich.

Gezien de wetgever naliet een definitie te geven van de (voorgeschiedenis van de) huidige gezondheidstoestand is het uitgesloten tot een door elke arts aanvaarde bepaling te komen. De inhoud dient in de context van elke casus bekeken te worden.

SLUITEN VAN EEN OVEREENKOMST

Bij het sluiten van een overeenkomst gebeurt het courant dat de in opdracht van de verzekeraar onderzoekende arts bijkomende informatie wenst omtrent een door hem bij de kandidaat-verzekerde gedane vaststelling of omtrent een door de kandidaat-verzekerde verstrekt gegeven. Meestal zal de kandidaat-verzekerde de vraag naar bijkomende informatie overmaken aan de geneesheer die hij het best geplaatst acht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Volgens artikel 5 van de landverzekeringsovereenkomst is de verzekeringsnemer verplicht bij het sluiten van een overeenkomst alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. In dit licht dienen vragen naar bijkomende informatie beoordeeld te worden. Indien de aangezochte geneesheer van oordeel is dat hij geen geneeskundige verklaring kan afleveren met de gevraagde informatie of deze slechts gedeeltelijk kan verstrekken, dient hij zich te realiseren dat de kans groot is dat de door de kandidaat-verzekerde gewenste overeenkomst niet zal gesloten worden of enkel zal doorgaan mits betaling van een hogere premie of het aanvaarden van een aantal uitsluitingen. De aangezochte geneesheer is deontologisch verplicht de reden van zijn (gedeeltelijke) weigering aan de kandidaat-verzekerde mee te delen zodat deze met kennis van zaken zijn verdere houding t.a.v. het beoogde verzekeringscontract kan bepalen.

UITVOEREN VAN EEN OVEREENKOMST

Bij het uitvoeren van een overeenkomst dient de verzekerde te bewijzen dat het voorval waarvoor hij verzekerd is, zich voordeed. Dit doet hij meestal bij middel van een geneeskundige verklaring opgesteld door een door hem gekozen arts. Deze geneeskundige verklaring dient de verzekerde zelf over te maken aan de adviserende arts van de verzekeraar. Om te kunnen genieten van de waarborgen van het contract is het essentieel dat het voorval onder de waarborgomschrijving valt en contractueel niet uitgesloten is. Een heikel punt is dat de verzekerde dikwijls zonder exacte kennis van de inhoud van zijn verzekeringscontract een geneeskundige verklaring vraagt.

Ook deze geneeskundige verklaringen dienen zich te beperken tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand van de verzekerde.
Voor de aangifte van het voorval maakt de verzekerde dikwijls gebruik van hem door de verzekeraar verstrekte aangifteformulieren. Deze zijn niet meer dan een leidraad bij het opstellen van verklaringen en de invulling ervan dient hieraan gelijkgesteld te worden. Hieruit volgt dat enkel mag geantwoord worden op vragen naar een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand en dat de beantwoording van andere, nochtans veel gestelde vragen (bv. hoelang is belanghebbende bij u al onder behandeling of wie waren de eerdere behandelaars van de verzekerde ?), niet strookt met wat artikel 95 bepaalt.

Wanneer de arts van de verzekeraar geen genoegen neemt met de verstrekte geneeskundige verklaring zal hij via de verzekerde bijkomende informatie vragen om na te gaan of het voorval contractueel niet uitgesloten is. Zo zal hij bv. bij een diagnose van acute pancreatitis wensen te vernemen of alcoholgebruik er de oorzaak van is als de gevolgen van alcoholmisbruik contractueel uitgesloten zijn. Zo zal hij de begindatum van de aandoening die de huidige gezondheidstoestand bepaalt, willen kennen om na te gaan of het voorval wel degelijk onder de waarborgomschrijving valt.

Het staat de geneesheer vrij een aanvullende geneeskundige verklaring af te leveren of te beperken tot wat hij meent te kunnen verklaren. Valse geneeskundige verklaringen kunnen in geen geval afgeleverd worden. Ook hier is het essentieel dat de verzekerde verneemt om welke reden de arts geen geneeskundige verklaring aflevert daar dit voor hem een bepalend element kan zijn om bij het uitblijven van betaling al dan niet juridische stappen te ondernemen.

Zo kan het ook voorkomen dat de adviserende arts van de verzekeraar in het kader van een overeenkomst niet alleen bijkomende inlichtingen wenst maar soms ook inzage van stukken vraagt die de oorspronkelijke medische verklaring staven. Het is aangewezen aan de verzekerde enkel die stukken te overhandigen die een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand geven.

De verzekeringscontracten die in de praktijk regelmatig tot problemen leiden zijn de hospitalisatieverzekering, de reisannulatieverzekering en de levensverzekering.

HOSPITALISATIEVERZEKERING

Bij hospitalisatieverzekeringen is een van de problemen dat de verzekerde meestal de waarborgomschrijving en de uitsluitingen niet kent. Het is aangewezen dat hij zijn verzekeringsovereenkomst naleest alvorens een geneeskundige verklaring te vragen.
Zoals alle geneeskundige verklaringen dient ook deze, afgeleverd in het kader van een hospitalisatieverzekering, zich te beperken tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand waaruit de noodzaak van de hospitalisatie moet blijken. Op vragen van de adviserende arts van de verzekeraar omtrent de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand als bv. de begindatum van de aandoening die tot hospitalisatie heeft geleid kan de verzekerde in de regel beter zelf antwoorden dan de ziekenhuisarts die daaromtrent meestal over minder nauwkeurige anamnestische of hetero-anamnestische gegevens beschikt.

Op vragen naar hospitalisatieverslagen wordt best niet ingegaan. Gemakshalve zijn ziekenhuisartsen soms geneigd een fotokopie van de ontslagbrief aan de verzekerde te geven en het aan hem over te laten of hij het verslag al dan niet aan de adviserende arts van de verzekeraar overmaakt. Dit is niet correct daar de overgrote meerderheid van de verzekerden daarover moeilijk zelf kunnen oordelen. Indien de ziekenhuisarts toch een fotokopie van de ontslagbrief overhandigt zou hij voorafgaandelijk moeten nagaan of de inhoud zich beperkt tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand. Het is beter een geneeskundige verklaring op te stellen die alle essentiële gegevens omtrent de huidige gezondheidstoestand en het beloop van de opname bevat dan het hospitalisatieverslag aan de verzekerde te bezorgen.

Het gebeurt dat de verzekerde zich tot zijn huisarts wendt om het hospitalisatieverslag te bekomen. Het ligt voor de hand dat gegevens omtrent de hospitalisatie dienen te worden verstrekt door de arts die verantwoordelijk was voor de hospitalisatie.

In verband met het opvragen van hospitalisatieverslagen wordt soms verwezen naar artikel 9, §3, eerste lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt waarin wordt gesteld dat de patiënt recht heeft op een afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffende patiëntendossier. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat het tweede lid van dezelfde paragraaf stelt dat een afschrift geweigerd wordt als er duidelijke aanwijzingen zijn “dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen”. Dit is zeker het geval als het overmaken van een hospitalisatieverslag als voorwaarde wordt gesteld tot een eventuele uitkering van het verzekerd bedrag.

REISANNULATIEVERZEKERING

De Nationale Raad stelt vast dat meer dan dertien jaar na het van kracht worden van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst er onvoldoende jurisprudentie is om een antwoord te kunnen geven op de vraag of een reisannulatieverzekering een schade- of een persoonsverzekering is.
De Nationale Raad kent een aantal gevallen van betwisting omtrent de vergoeding van de kosten waarbij om een uitspraak van een rechtbank te voorkomen de verzekeraar op het laatste ogenblik een regeling trof.

Vooral storend is dat soms gegevens over de huidige gezondheidstoestand van een verwant en over zijn voorgeschiedenis worden opgevraagd, zonder dewelke men niet tot vereffening van de schade zal overgaan. In de regel hebben deze verwanten geen overeenkomst afgesloten met de verzekeraar van de reisannulatie. In dergelijke gevallen wordt door de verzekerde reiziger die vergoed wenst te worden, meestal druk uitgeoefend op zijn verwant en diens behandelaar om medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen prijs te geven.

De Nationale Raad is van mening dat een fundamenteel onderscheid dient te worden gemaakt tussen een reisannulatie door een ziekte van de reiziger zelf en door een ziekte van één van zijn naaste verwanten.

Indien de reiziger de verzekerde is en indien hij door ziekte een geplande reis niet kan maken, dient hij dit te bewijzen met een medisch attest dat zich dient te beperken tot een beschrijving van de gezondheidstoestand op het ogenblik van annulering. Dit attest dient overgemaakt te worden aan de adviserende arts van de verzekeraar. Deze kan de verzekerde onderzoeken of zich aanvankelijk beperken tot het opvragen van bijkomende informatie over de voorgeschiedenis van de gezondheidstoestand op het ogenblik van annulering. Het staat de geneesheer niettemin vrij een aanvullende geneeskundige verklaring af te leveren aan de patiënt of deze te beperken tot wat hij meent te kunnen verklaren. Ook hier is het aangewezen aan de verzekerde enkel die stukken te overhandigen die een beschrijving geven van de huidige gezondheidstoestand.

Als de reis niet kan doorgaan door ziekte van één van de naaste verwanten van de verzekerde, wordt meestal van hem verwacht dat hij een medisch attest voorlegt van de behandelaar van de naaste verwant waarin deze verklaart dat hij een ernstige aandoening of een belangrijke verslechtering van de gezondheidstoestand van een naaste verwant heeft vastgesteld, op een bepaalde dag, en hem ontraden heeft de geplande reis te ondernemen. Dit attest dient geen beschrijving te geven van de huidige gezondheidstoestand van de naaste verwant en wordt niet aan de adviserende arts van de verzekeraar maar aan de verzekeraar zelf overgemaakt.

LEVENSVERZEKERING

De alinea van artikel 95 omtrent de levensverzekering is in het nieuwe artikel 95 ongewijzigd gebleven : “Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak”.

Indien de verzekeraar niet kan aantonen dat hij over de voorafgaande toestemming beschikt volstaat een verklaring van overlijden zonder vermelding van de doodsoorzaak.

De arts die het best geplaatst is om een verklaring af te leveren omtrent de doodsoorzaak is de arts die de dood heeft vastgesteld. Deze verklaring mag niet afgeleverd worden aan de naaste verwanten of erfgenamen maar dient rechtstreeks overgemaakt te worden aan de adviserende arts van de verzekeraar.

Het knelpunt bij levensverzekeringen is dat de adviserende arts van de verzekeraar de datum van de eerste verschijnselen van de ziekte die tot de dood heeft geleid wenst te kennen (vooral als het interval tussen het afsluiten van het levensverzekeringscontract en het overlijden relatief kort is). De Nationale Raad wijst er nadrukkelijk op dat artikel 95 overduidelijk stelt dat de arts van de verzekerde enkel een verklaring over de doodsoorzaak dient af te leveren en niet over de geschiedenis van de aandoening die tot de dood heeft geleid.

De Nationale Raad hoopt dat dit advies bijdraagt tot een deontologisch correct afhandelen van vragen naar geneeskundige verklaringen.

(1) De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand.
Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserend arts van de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere personen dan de verzekerde.
Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te bepalen.
Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.
Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar, bezorgt de adviserend arts de geneeskundige verklaringen, op hun verzoek, terug aan de verzekerde of, in geval van overlijden, aan zijn rechthebbenden.