keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Geneesmiddelen26/06/2010 Documentcode: a130029
Het off-label voorschrijven van geneesmiddelen

Een provinciale raad vraagt de Nationale Raad advies omtrent het off-label voorschrijven van geneesmiddelen.

Advies van de Nationale Raad :

Betreft : uw schrijven van 12 november 2009 betreffende het off-label voorschrijven van geneesmiddelen.

In zijn vergadering van 26 juni 2010 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de door mevrouw ... gestelde vragen in verband met het off-label voorschrijven van geneesmiddelen :

1) Zijn artsen in België verplicht aan patiënten mee te delen wanneer zij een geneesmiddel off-label voorschrijven? Zo ja, welke informatie moeten zij daarover geven?
2) Wie draagt de juridische verantwoordelijkheid bij het off-label voorschrijven van geneesmiddelen?

Off-label voorschrijven betekent dat een geneesmiddel wordt voorgeschreven zonder dat het geregistreerd is of dat het wordt voorgeschreven buiten de indicaties waarvoor het geregistreerd is.

Vooreerst dient gewezen op de reglementaire en wettelijke bepalingen met betrekking tot de ter beschikkingstelling van geneesmiddelen die geen vergunning voor het in de handel brengen hebben verkregen [1], [2], [3], [4].

Het gaat daarbij om
- gebruik in schrijnende gevallen (compassionate use);
- medische noodprogramma's (medical need programs).
Voor beide situaties wordt de procedure in de wet nauwkeurig omschreven. Het betreft meestal aandoeningen die de gezondheid ernstig ondermijnen en vaak levensbedreigend zijn.

In de medische praktijk worden echter ook geneesmiddelen off-label voorgeschreven buiten het gebruik in schrijnende gevallen en de medische noodprogramma's. Bij bepaalde populaties komt dit vaak voor, in het bijzonder bij het kind, de zwangere vrouw en de oudere patiënt. Bij deze populaties zijn de gepaste doseringen en bijwerkingen in grote mate onbekend. Ook in andere gevallen en bij bepaalde pathologieën worden soms geneesmiddelen off-label voorgeschreven.

De Nationale Raad is van mening dat het off-label voorschrijven van een geneesmiddel verantwoord kan zijn indien het belang van de patiënt primeert, namelijk indien het betrokken geneesmiddel op dat ogenblik de beste behandeling is. Desalniettemin moet dit gebeuren op wetenschappelijk onderbouwde gronden en conform de wet betreffende de rechten van de patiënt.

De patiënt of zijn vertegenwoordiger dient te worden geïnformeerd over het off-label voorschrijven, over de bijwerkingen, alsook over de voor- en nadelen van het geneesmiddel. Wanneer het wetenschappelijk gedocumenteerde gevallen betreft die in de courante klinische praktijk nog niet werden geconfirmeerd, dient de patiënt zijn/haar akkoord te geven.

Betreffende de tweede vraag omtrent de verantwoordelijkheid bij het off-label voorschrijven van geneesmiddelen is de Nationale Raad van mening dat de arts verantwoordelijk is voor het voorschrift.

[1]Raadgevend Comité voor Bio-ethiek: advies nummer 47 van 9 maart 2009 betreffende de ethische implicaties van de wetgeving over programma’s voor gebruik van geneesmiddelen in schrijnende gevallen (compassionate use) en over medische noodprogramma’s (medical need).

[2] Europese richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG.

[3] Europese verordening nummer 726/2004.

[4] Wet houdende herziening van de farmaceutische wetgeving van 1 mei 2006 (Belgisch Staatsblad 16.05.2006).

Voorschriften06/03/2010 Documentcode: a129024
Rol van de pluridisciplinaire antibiotherapiebeleidsgroep

De Nationale Raad wordt om advies gevraagd m.b.t. de rol van de pluridisciplinaire antibiotherapiebeleidsgroep, de toegang tot het medische ziekenhuisdossier door de leden van de groep en de weigering van een ziekenhuisarts zich te houden aan de aanbevelingen van deze groep.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 6 maart 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de rol van de pluridisciplinaire antibiotherapiebeleidsgroep zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 12 februari 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan een ziekenhuisapotheek moet voldoen om te worden erkend (B.S. 28 maart 2008, p. 17240), bestudeerd.

De pluridisciplinaire antibiotherapiebeleidsgroep wordt opgericht in de schoot van het medisch-farmaceutisch comité aangehaald in de artikelen 24 en volgende van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan een ziekenhuisapotheek moet voldoen om te worden erkend (B.S. 23 maart 1991, p.5965). Hij is er belast met de taken op het vlak van anti-infectieuze geneesmiddelen.

Zijn samenstelling wordt wettelijk vastgelegd; hij bestaat uit artsen en apothekers, onder het voorzitterschap van een arts.

De antibiotherapiebeleidsgroep ontwikkelt dat gedeelte van het therapeutische formularium dat betrekking heeft op de anti-infectieuze geneesmiddelen van het ziekenhuis.

Hij definieert en verspreidt onder de voorschrijvende artsen van de instelling schriftelijke aanbevelingen en in het bijzonder de nationale aanbevelingen goedgekeurd door de commissie voor de coördinatie van het antibioticabeleid, inzake empirische, etiologische en profylactische anti-infectieuze behandelingen.

Hij meet regelmatig de implementatiegraad van het formulier en van de aanbevelingen.

De Nationale Raad wordt ondervraagd over de toegang tot het medische ziekenhuisdossier door de leden van de groep om deze taken te kunnen vervullen en over de houding die de groep moet aannemen wanneer hij geconfronteerd wordt met een arts-voorschrijver die weigert zich te houden aan zijn aanbevelingen.

1. De antibiotherapiebeleidsgroep is belast met de taken van het medisch-farmaceutisch comité op het vlak van anti-infectieuze geneesmiddelen. De wettekst bepaalt uitdrukkelijk dat het medisch-farmaceutisch comité het geneesmiddelenverbruik in het ziekenhuis analyseert, en dit per geneesmiddelenklasse, per dienst en per voorschrijvende arts. Deze analyse is gebaseerd op consumptiemodellen in vergelijkbare pathologieën.

Om deze opdrachten uit te voeren moet het lid van de antibiotherapiebeleidsgroep toegang hebben tot de medische dossiers teneinde te beschikken over elementen die hem in staat stellen de conformiteit van het voorschrift met het therapeutische formularium en met de aanbevelingen na te gaan.

De huidige informaticaprogramma's maken een automatische opvolging van de geneesmiddelenvoorschriften en een kruising van deze informatie met de microbiologische gegevens mogelijk, zodat de toegang beperkt kan worden tot de problematische gevallen.

Het lid van de groep dat handelt in het kader van de hierboven gedefinieerde functies, of hij nu arts is of apotheker, is gehouden het geheim te eerbiedigen in overeenstemming met artikel 458 van het Strafwetboek.

2. Het voorschrijven van een antibiotherapie binnen een ziekenhuisinstelling gaat de individuele verantwoordelijkheid te boven en heeft eveneens gevolgen op institutioneel gebied en voor de volksgezondheid.

De leden van de antibiotherapiebeleidsgroep, en meer bepaald de afgevaardigde bij het antibioticabeheer van het ziekenhuis, hebben een expertiseopdracht bij het opstellen van goede praktijkregels en het valideren van protocollen.

Wanneer blijkt dat een arts-voorschrijver het formulier en de therapeutische aanbevelingen niet eerbiedigt, ondanks het rechtstreeks optreden van de afgevaardigde bij het antibioticabeheer, is de Nationale Raad van mening dat het aan de hoofdarts van de instelling en aan de medische raad is zich ervan te verzekeren dat dit gedrag de kwaliteit van de zorg en de volksgezondheid niet schaadt.

Voorschriften24/10/2009 Documentcode: a127016
Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s) – Behandeling van de partner(s)

Een provinciale raad legt een brief voor van een arts die vraagt welke in België de procedure is om patiënten met een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) en hun partner(s) op doeltreffende wijze te behandelen.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 24 oktober 2009 beëindigde de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de bespreking van een brief van 23 juni 2008 die hem door een provinciale raad werd overgemaakt.

In deze brief vraagt een arts het advies van de Orde van geneesheren over de praktijk waarbij aan een patiënte die draagster is van een seksueel overdraagbare infectie een geneesmiddelenvoorschrift overhandigd wordt voor haar partner zonder dat er een rechtstreeks contact met deze laatste plaatsgevonden heeft.

De Nationale Raad maakt hieromtrent de volgende opmerkingen.

In zijn advies van 19 augustus 2000 (TNR nr. 90, p. 13) wees de Nationale Raad erop dat het geneesmiddelenvoorschrift deel uitmaakt van de medische consultatie en alleen maar kan slaan op patiënten die op raadpleging zijn of gekomen zijn bij de arts, die er verantwoordelijk voor is.

Het voorschrijven dient met de nodige omzichtigheid te gebeuren en de arts dient rekening te houden met de voorgeschiedenis van de patiënt. Tevens dient hij er zich van te vergewissen dat de patiënt de noodzaak van de behandeling verstaat en dat aan de behandeling de nodige opvolging wordt gegeven.

Een anoniem voorschrift, zonder contact met de bestemmeling ervan en door bemiddeling van een derde, beantwoordt niet aan de voormelde criteria.

Indien er zich een besmettingsrisico heeft voorgedaan, dient de arts de patiënt erop te wijzen dat het noodzakelijk is dat de partner eveneens een arts raadpleegt om zo nodig de gepaste zorg te verkrijgen.

Tot slot dient te worden gewezen op de verplichting om, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende vaststelling van de modaliteiten inzake het voorschrift voor menselijk gebruik, op het voorschrift de naam en de voornaam te vermelden van de patiënt voor wie het voorschrift bestemd is.

De Nationale Raad is er zich terdege van bewust dat alternatieven voor "face-to-face-geneeskunde" worden bestudeerd en zal deze, wat hun mogelijke deontologische implicaties betreft, op de voet blijven volgen.

Beroepsgeheim05/09/2009 Documentcode: a127007
Therapeutische indicatie toegevoegd op het voorschrift door de arts en overgenomen door de apotheker op de geneesmiddelenverpakking

Aan de Nationale Raad wordt de vraag gesteld of de behandelende arts op het medisch voorschrift een therapeutische indicatie mag toevoegen die vervolgens door de apotheker overgenomen wordt op de doos van het geneesmiddel, teneinde het geneesmiddelenbeheer in de thuiszorg te optimaliseren.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 5 september 2009 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw vraag besproken betreffende de toevoeging door de arts van een therapeutische indicatie op het medisch voorschrift die vervolgens door de apotheker overgenomen wordt op de verpakking van het geneesmiddel. Doel van deze toevoeging is het geneesmiddelenbeheer in de thuiszorg te optimaliseren en de informatie aan de patiënt te verbeteren.

De Nationale Raad herinnert aan artikel 178 van de Code van geneeskundige plichtenleer dat bepaalt dat "de geneesheren in hun beroepsverhouding met de apothekers de wettelijke bepalingen zullen eerbiedigen in verband met de vorm van de voorschriften."

De vorm en de verplichte vermeldingen van het geneesmiddelenvoorschrift in de ambulante zorg zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 8 juni 1994 tot vaststelling van het model van voorschrijfdocument betreffende de verstrekkingen van farmaceutische producten ten behoeve van niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden en in het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende vaststelling van de modaliteiten inzake het voorschrift voor menselijk gebruik.

Deze teksten vergen niet dat de therapeutische indicatie of de diagnose op het voorschrift vermeld wordt. Wanneer de arts zogenaamde vergoedbare farmaceutische specialiteiten voorschrijft buiten de vergoedingsvoorwaarden moet hij op het geneesmiddelenvoorschrift niet de diagnose vermelden maar de niet-terugbetaalbaarheid van het geneesmiddel (art. 93, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten).

Wij herinneren eraan dat het geneesmiddelenvoorschrift niet alleen bestemd is voor de apotheker. Het wordt eveneens voorgelegd aan de tariferingdienst en gecontroleerd door het Riziv. De apotheker is dus niet de enige persoon die kennis neemt van de inhoud ervan.

De uitwisseling van informatie tussen de arts en de apotheker behelst dat deze uitwisseling noodzakelijk is voor het vervullen van hun respectieve opdrachten.

Overeenkomstig artikel 7, § 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt moet de arts de patiënt mondeling en/of schriftelijk in een duidelijke taal alle noodzakelijke uitleg verschaffen omtrent de therapeutische indicatie die het geneesmiddelenvoorschrift rechtvaardigt.

De kwaliteit van de thuiszorg, en meer bepaald de gepaste toediening van de geneesmiddelen door de thuiszorgverleners, is meer gebaat met een zorgplan en een communicatieboekje waarmee het contact tussen hen en de behandelende arts verzekerd wordt dan met een vermelding op de verpakking van een geneesmiddel. Ook een geneesmiddelenschema heeft voordelen.

Ten slotte geniet rechtstreeks contact tussen de arts en de zorgverlener altijd de voorkeur.

Tot besluit kunnen wij stellen dat de uitwisseling van informatie tussen de arts en de apotheker altijd gerechtvaardigd moet zijn door het noodzakelijkheidscriterium. Het is dan ook ondenkbaar dat de informatie omtrent de indicatie aan de apotheker gegeven wordt, niet om hem te helpen bij het vervullen van zijn opdracht, maar met als enig doel ze over te nemen op een verpakking zodat andere personen er kennis van kunnen nemen.

Bovendien meent de Nationale Raad dat de verwachte voordelen van een systematische vermelding van de therapeutische indicatie niet in verhouding staan tot de risico's van eventueel misbruik van deze informatie door personen die niet gebonden zijn door het beroepsgeheim.

Euthanasie04/06/2005 Documentcode: a109012
Euthanasiekit

Brief aan de Directeur-generaal van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Directoraat-generaal Geneesmiddelen:

Naar aanleiding van het opstarten van drie werkgroepen om tot duidelijke afspraken te komen rond de beschikbaarheid van een koffer voor euthanatica in de thuiszorg (de zogenaamde “euthanasiekit”) besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de deontologische aspecten van dit voorstel.

In zijn advies van 22 maart 2003 betreffende palliatieve zorg, euthanasie en andere medische beslissingen omtrent het levenseinde stelt de Nationale Raad in een van de paragrafen die over euthanasie handelen: “Het ligt voor de hand dat de geneesheer een grondige kennis van de adequate middelen dient te hebben zodat hij er zijn patiënten kan van verzekeren rustig en zonder afzien te sterven”. Hieruit volgt dat een arts die zich voorneemt euthanasie toe te passen op grond van zijn weten en de klinische toestand van de betrokkene exact dient te weten voor welke euthanatica en eventuele toedieningsmiddelen hij kiest. Deze keuzes zijn een belangrijk onderdeel van zijn therapeutische vrijheid. Hij dient de door hem gekozen middelen voor te schrijven.

Het is gebruikelijk dat een arts bij het voorschrijven van pharmaca die in de apotheken niet courant voorradig zijn, contact neemt met een apotheker waarvan hij weet dat deze bereid is het nodige te doen om de voorgeschreven middelen te kunnen afleveren. Arts en apotheker plegen hierover overleg en komen onder meer tot een sluitende afspraak over het tijdstip van aflevering.

Gelet op het strikt persoonlijk karakter van de aangelegenheid, is het uitgesloten bij de aflevering van euthanatica familieleden van de patiënt of andere derden te betrekken. De geneesheer dient zelf, conform de met de apotheker gemaakte afspraak, tegen aflevering van een geneesmiddelenvoorschrift op naam van de betrokken patiënt, de voorgeschreven middelen in ontvangst te nemen.

Belangrijk is dat de arts die euthanasie wenst uit te voeren voldoende lang van te voren contact neemt met de apotheker zodat deze ruim de tijd heeft om het geneesmiddelenvoorschrift uit te voeren. Het toepassen van euthanasie kan niet als een urgentie in de geneeskunde beschouwd worden.

De Nationale Raad is van mening dat het voorschrijven door een arts van een “euthanasiekit” niet aan de hiervoor uiteengezette principes beantwoordt. De arts dient de middelen voor te schrijven die hij nodig acht en de apotheker dient dat voorschrift uit te voeren. De Nationale Raad van de Orde der geneesheren is niet bevoegd enige uitspraak te doen over de noodzaak van een “euthanasiekit” voor de bevoorrading van de officina-apothekers door de groothandel.

Geneeskunde (Sport-)16/10/2004 Documentcode: a107001
Doping en (top)sport

Naar aanleiding van door de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat gehouden hoorzittingen en schriftelijke bevragingen, vraagt de voorzitter van deze Senaatscommissie het standpunt van de Nationale Raad betreffende doping in de (top)sport.

Advies van de Nationale Raad :

Uit het aan de Raad overgelegd schrijven blijkt dat tijdens de door de commissie gehouden hoorzittingen “meermaals” verwezen werd naar “het bevoorradingscircuit” via artsen, veeartsen en apothekers. Er wordt ook beweerd dat "de gedragsvrijheid van de voorschrijvers hierin een knelpunt is.” Indien er werkelijk abnormale praktijken bestaan kan de Nationale Raad deze geenszins aanvaarden. Hij vraagt zich echter af of er voldoende betrouwbare gegevens voorhanden zijn om dergelijke verklaringen te staven. Mocht dit het geval zijn, verwondert het de Nationale Raad dat de tuchtcolleges binnen de Orde slechts uitzonderlijk in kennis gesteld worden van dergelijke feiten. De enkele keren dat dit zich voordeed werden de dossiers door de provinciale raden ernstig behandeld. Overigens is het via de inspectie van de apotheken eenvoudig het voorschrijfgedrag van artsen na te gaan. Gezien het beperkte aantal inspecteurs van de apotheken dient het nazicht van de geneesmiddelenvoorschriften wel een prioriteit in het beleid te zijn.

De Nationale Raad is van mening dat de bestaande deontologische regels omtrent het voorschrijven van geneesmiddelen volstaan. Artikel 36 van de Code van geneeskundige plichtenleer voorziet onder meer dat artsen dienen te vermijden “geneesmiddelen voor te schrijven op eenvoudig verzoek van de patiënt zonder dat diens toestand dit medisch rechtvaardigt” zoals eveneens wordt gesteld dat “geneesmiddelen in gepaste vorm en hoeveelheid” dienen voorgeschreven te worden. Daarnaast is de arts zowel deontologisch als wettelijk verplicht zijn patiënt volledig te informeren over elke voorgestelde behandeling zodat het uitgesloten is medicatie voor te schrijven zonder de samenstelling, de werking, de nevenverschijnselen en de eventuele risico’s voorafgaandelijk mee te delen.

De Nationale Raad is van mening dat de tuchtcolleges van de Orde in de bestrijding van “doping in (top)sport” een bijdrage leveren maar deze bijdrage is gezien het beperkte aantal voorgelegde dossiers bescheiden.

In het overgelegde schrijven wordt de Nationale Raad om suggesties gevraagd die tot wetgevende initiatieven kunnen leiden in de strijd tegen doping. De Nationale Raad is van mening dat niet alleen aan doping waarvan een sluitende bepaling ontbreekt maar aan alle praktijken die schadelijk zijn voor de gezondheid van de sporters paal en perk dient gesteld te worden en dat wetgevende initiatieven zich niet mogen beperken tot topsporters. De bescherming van de gezondheid van jeugdige sporters en van alle personen die in hun vrije tijd aan sport doen is maatschappelijk een probleem dat te weinig aandacht krijgt.

Diagnostische en therapeutische vrijheid21/02/2004 Documentcode: a104004
Nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen 2004-2005 - Deontologie van punt 4.3

Nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen 2004-2005 -Deontologie van punt 4.3

Een provinciale raad en een aantal individuele dokters hebben deontologische vragen bij punt 4.3 van de conventie Artsen-Ziekenfondsen 2004-2005 van 15 december 2003. De ereloonverhoging van zowel huisartsen als specialisten is afhankelijk van quot;een significante trendbreuk in het gedrag van de voorschrijverquot; met betrekking tot bepaalde klassen van geneesmiddelen en, wat de specialisten betreft, van nog andere besparingen o.a. inzake pre-operatieve en per-operatieve onderzoeken, het gebruik van de klinische biologie, ... Een evaluatie wordt voorzien op grond van de op 1 oktober 2004 beschikbare gegevens.
Hoewel de arts gehouden is onnodig dure onderzoeken en behandelingen te vermijden, rijzen toch vragen bij het vrijwaren van de diagnostische en therapeutische vrijheid van de arts (art. 36 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Advies van de Nationale Raad :

In dit punt van het akkoord stelt men vast dat de ereloonverhoging gepaard gaat met onder meer het gebruik van bepaalde klassen van geneesmiddelen en het staven van een significante trendbreuk in het voorschrijfgedrag.

Wat de toegang tot de zorg betreft, staat de deontologie voor dat :

  • elke arts zijn patiënt met de beste zorg dient te omringen en zich op de hoogte dient te houden van de vooruitgang van de geneeskundige wetenschap (artikelen 4 en 32 van de Code van geneeskundige plichtenleer);
  • elke arts dient bij te dragen tot een verantwoorde besteding van de voor de gezondheidszorg beschikbaar gestelde middelen.

Hiertoe beschikt hij over diagnostische en therapeutische vrijheid, waarbij hij niettemin dient te vermijden onnodig dure onderzoekingen en behandelingen voor te schrijven of overbodige verstrekkingen te verrichten.

De Nationale Raad is van mening dat de inhoud van het punt 4.3 van het akkoord niet strijdig is met de terzake toepasselijke deontologische regels.

Het is de taak van de overheid de middelen ter beschikking te stellen opdat geneesheren een goede kwaliteit van zorg aan hun patiënten kunnen aanbieden.
Binnen dit kader van beschikbare middelen zal de geneesheer op een autonome manier een kwaliteitsvolle geneeskunde beoefenen, rekening houdend met de bovenstaande deontologische bepalingen.

Het is de taak van het artsenkorps guidelines op te stellen als leidraad voor een optimaal kwaliteitsvol voorschrijfgedrag.

Geneesmiddelen21/10/2000 Documentcode: a091002
Aanschaf van in België geschorste geneesmiddelen

Een provinciale raad stuurt de Nationale Raad een brief van een advocaat met betrekking tot het Ministerieel besluit van 26 november 1999 tot schorsing van de aflevering van bepaalde anorexigene geneesmiddelen. Daarin wordt bepaald dat de aflevering van geneesmiddelen die tenminste één van de in het besluit opgesomde bestanddelen bevatten, geschorst wordt voor een periode van twee jaar. De advocaat stelt de vraag of er wettelijke of deontologische bezwaren bestaan tegen het feit dat een arts zich zou gaan bevoorraden in een land waar het (anorexigene) geneesmiddel in kwestie nog steeds in vrije handel is.

Antwoord van de Nationale Raad :

Deze aanschaf (van in België geschorste geneesmiddelen in landen waar deze geneesmiddelen nog in de vrije handel zijn) is in strijd zowel met de wet als met de Code van geneeskundige plichtenleer. Het Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 stelt in zijn artikel 4 dat het voorbereiden, het te koop stellen, de detailverkoop en het afleveren - zelfs kosteloos - van geneesmiddelen uitsluitend tot de bevoegdheidssfeer behoren van de artsenijbereidkunde.
In hetzelfde artikel worden tevens de uitzonderlijke omstandigheden bepaald waarin de arts gemachtigd is geneesmiddelen af te leveren.

De Nationale Raad is van mening dat dit artikel zich verzet tegen de aanschaf van geneesmiddelen door een arts.

Import van dergelijke producten door een apotheker in geval van schrapping of schorsing is overigens strijdig met artikel 48 quater van het Koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricage, de distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen. Dit artikel stelt dat de procedure voor de invoering van in België niet-geregistreerde geneesmiddelen niet van toepassing is op geneesmiddelen waarvan de registratie werd geschrapt of geschorst. Artikel 23 van het Koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen beklemtoont evenwel dat de schorsing van de aflevering op basis van artikel 8 van de Wet op de geneesmiddelen van rechtswege de schorsing van de registratie van dat geneesmiddel tot gevolg heeft, alsook van de preparaten en specialiteiten die dat geneesmiddel bevatten.

Informatica19/08/2000 Documentcode: a090007
Medisch consult en postorderverkoop van geneesmiddelen via internet

Op basis van de documenten die de Orde der Apothekers hierover ter advies opstuurde, bestudeert de Nationale Raad het probleem van het medisch consult en de postorderverkoop van geneesmiddelen via internet.

Advies van de Nationale Raad :

1. Een geneeskundige raadpleging vergt een ondervraging en een klinisch onderzoek door een arts die bevoegd is om de geneeskunde uit te oefenen en die de verantwoordelijkheid op zich neemt. Medische raadplegingen houden via internet is in strijd met deze principes. Zij brengen onopgeloste problemen inzake verantwoordelijkheid met zich. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de geneeskundige raadpleging tussen een arts en een patiënt, en de telegeneeskunde. Dit laatste is een gesprek op afstand tussen artsen over een bepaald medisch probleem of tussen een arts en een verre en/of alleenstaande patiënt. In die gevallen mag de geraadpleegde arts slechts een beperkte mening geven.

2. Het voorschrift maakt deel uit van de medische behandeling en kan alleen maar slaan op patiënten die op raadpleging zijn of gekomen zijn bij de arts, die er verantwoordelijk voor is. De overdracht van een voorschrift langs elektronische weg zou kunnen gebeuren mits de veiligheidsvoorwaarden geëerbiedigd worden die door de Nationale Raad vastgelegd werden voor elke uitwisseling van medische gegevens langs elektronische weg. Dit vergt een netwerk van beveiligde communicaties. Indien deze elektronische voorschriften naar een welbepaalde apotheker gestuurd worden, is eveneens een technische infrastructuur nodig om de vrije keuze van de apotheker door de patiënt te vrijwaren.

3. Verschillende landen hebben de verkoop van geneesmiddelen via internet verboden. Deze zou trouwens slechts gerealiseerd kunnen worden met eerbiediging van talrijke voorwaarden die toelaten aan de consument dezelfde waarborgen te bieden als deze geboden door de nationale wetgeving in verband met de verkoop van en de controle op de geneesmiddelen. In de huidige omstandigheden kan de verkoop van geneesmiddelen via internet niet worden overwogen.