keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Archief (Medisch-)15/09/2018 Documentcode: a162010
Stopzetting van praktijk - Bewaren en doorgeven van dossiers van een huisarts

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag besproken aangaande het bewaren en doorgeven van dossiers van een huisarts bij stopzetting van zijn/haar praktijk bij pensionering.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad heeft in de vergadering van 15 september 2018 kennisgenomen van incompatibiliteits- en interoperabiliteitsproblemen tussen de verschillende softwarepakketten voor huisartsen. Meer bepaald, bij het overmaken van medische dossiers zoals bij verandering van huisarts en bij stopzetting van de praktijk.

Bij stopzetting van een praktijk, is het momenteel onmogelijk een volledig bestand met patiëntendossiers in bewaring te geven aan een andere arts. De nationale raad meent dat deze mogelijkheid zou moeten voorzien worden.

Bij verandering van huisarts geven meerdere artsen aan dat de toegezonden dossiers niet altijd leesbaar zijn. Dit ondanks dat in de ‘Homologatiecriteria van softwarepakketten voor het beheer van patiëntendossiers door huisartsen (versie 11-03-2013)' als criteria opgenomen zijn *.

De nationale raad is van oordeel dat het medisch dossier het instrument bij uitstek is om de continuïteit van zorg te kunnen verzekeren en dringt daarom aan dat compatibiliteit en interoperabiliteit als noodzakelijk te vervullen criteria worden beschouwd bij het toekennen van een homologatie van de softwarepakketten.

*De software kan een patiëntendossier in de vorm van een "Patient Migration Format" exporteren, ongeacht de software die de ontvanger gebruikt.

De software laat toe om een patiëntendossier aan te maken en te importeren op basis van de inhoud van "Patient Migration Format" van een andere arts die een erkende software gebruikt.


Archief (Medisch-)15/09/2018 Documentcode: a162007
Stopzetting van praktijk - Bewaren en doorgeven van dossiers van een huisarts

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag besproken aangaande het bewaren en doorgeven van dossiers van een huisarts bij stopzetting van zijn/haar praktijk bij pensionering.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 15 september 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag bestudeerd aangaande het bewaren en doorgeven van dossiers van een huisarts bij stopzetting van zijn/haar praktijk bij pensionering.

1. Bewaren en bewaartermijn

De nationale raad stelt vast dat er geen algemene wettelijke bepaling bestaat die de bewaartermijn van "een" medisch dossier vastlegt. De burgerrechtelijke verjaringstermijn voor aansprakelijkheid bedraagt maximum 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de schade is veroorzaakt. Deze 20-jarige aansprakelijkheid gaat over op de erfgenamen bij overlijden van de arts[1].

De Code van medische deontologie (CMD) bepaalt dat patiëntendossiers gedurende dertig jaar na het laatste contact met de patiënt dienen bewaard te worden (art. 24 CMD 2018)[2].

Een arts die zijn praktijk stopzet is dus gedurende dertig jaar na het laatste contact met de patiënt verantwoordelijk voor de bewaring van zijn patiëntendossiers en het bezorgen van alle nuttige inlichtingen voor de continuïteit van zorg aan de arts die de patiënt aanwijst of aan de patiënt zelf.

2. Doorgeven

Om praktische redenen (o.m. eigen gezondheid, overlijden, verhuis, technische moeilijkheden) is het voor een arts niet altijd mogelijk zelf voor het bewaren van de patiëntendossiers in te staan.

In die omstandigheden kunnen deze dossiers in bewaring gegeven worden bij een collega met dezelfde bevoegdheid.

Deze collega neemt dan, naast het doorgeven van alle nuttige inlichtingen voor de continuïteit van zorg aan de arts die de patiënt aanwijst of aan de patiënt zelf, tevens alle taken over in het kader van art 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt[3] (veilige bewaring, beantwoorden aan het recht op inzage en recht op afschrift). Hij doet dit met respect voor het beroepsgeheim en de regelgeving rond de bescherming van gegevens (GDPR). In deze omstandigheden is het logisch aan de door de patiënt aangewezen arts het volledige patiëntendossier over te maken.

In een associatie, groepspraktijk of wijkgezondheidscentrum zal deze bewaring doorgaans automatisch verder gezet worden.

Een solo-arts (of zijn naast- of nabestaanden) kan in eerste instantie zelf proberen een collega te vinden die bereid is deze dossiers te bewaren.

Indien deze arts niet in staat is zelf een collega te vinden kan hij zich wenden tot de huisartsenkring en/of zijn provinciale raad, die mede naar een oplossing kunnen zoeken. Mogelijke oplossingen zijn o.m. dat de huisartsenkring zelf, onder de verantwoordelijkheid van zijn voorzitter, voor de bewaring instaat of dat de huisartsenkring toch een collega bereid vindt deze taak op te nemen. In laatste instantie is het aan de provinciale raad een oplossing te vinden.

Daarenboven wil de nationale raad opmerken dat - zoals vermeld in art. 22 CMD 2018[4] - het patiëntendossier ook een functie heeft als ‘bewijselement', zowel in het kader van deontologische als van burgerlijke aansprakelijkheid. In die optiek moet er, naargelang de problematiek, een toegang tot de dossiers mogelijk blijven voor de arts of, desgevallend, voor zijn naast- of nabestaanden.

3. Papieren versus elektronische dossiers

Dezelfde principes gelden uiteraard voor papieren en voor elektronische dossiers.

In geval van papieren dossiers kan voldoende opslagruimte een praktisch probleem betekenen.

In geval van elektronische dossiers meent de nationale raad dat de erkende software pakketten de mogelijkheid moeten voorzien opdat, bij stopzetting van een praktijk, een volledig bestand met patiëntendossiers in bewaring kan gegeven worden aan een andere arts.



[1] Art. 2262bis van het burgerlijk wetboek

[2] Art. 24. De arts bewaart de patiëntendossiers veilig en met inachtneming van het beroepsgeheim gedurende dertig jaar na het laatste contact met de patiënt. Daarna mag hij die patiëntendossiers vernietigen.

De arts die zijn praktijk stopzet, bezorgt de arts die de patiënt aanwijst, of de patiënt alle nuttige inlichtingen voor de continuïteit van de zorg.

[3]Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

Art 9 § 1. De patiënt heeft ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier.

Op verzoek van de patiënt voegt de beroepsbeoefenaar door de patiënt verstrekte documenten toe aan het hem betreffende patiëntendossier.

§ 2. De patiënt heeft recht op inzage in het hem betreffend patiëntendossier.

Aan het verzoek van de patiënt tot inzage in het hem betreffend patiëntendossier wordt onverwijld en ten laatste binnen 15 dag en na ontvangst ervan gevolg gegeven.

De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en gegevens die betrekking hebben op derden zijn van het recht op inzage uitgesloten.

Op zijn verzoek kan de patiënt zich laten bijstaan door of zijn inzagerecht uitoefenen via een door hem aangewezen vertrouwenspersoon. Indien deze laatste een beroepsbeoefenaar

is, heeft hij ook inzage in de in het derde lid bedoelde persoonlijke notities. (In dit geval is het verzoek van de patiënt schriftelijk geformuleerd en worden het verzoek en de identiteit van de vertrouwenspersoon opgetekend in of toegevoegd aan het patiëntendossier.) <W 2006-12-13/35, art. 63, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

Indien het patiëntendossier een schriftelijke motivering bevat zoals bedoeld in artikel 7, § 4, tweede lid, die nog steeds van toepassing is, oefent de patiënt zijn inzagerecht uit via een door hem aan

gewezen beroepsbeoefenaar, die ook inzage heeft in de in het derde lid, bedoelde persoonlijke notities.

§ 3. De patiënt heeft recht op afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffend patiëntendossier (...), overeenkomstig de in § 2 bepaalde regels. Ieder afschrift

vermeldt dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk is. (De Koning kan het maximumbedrag vaststellen dat aan de patiënt mag worden gevraagd per gekopieerde pagina die in toepassing van voornoemd recht op afschrift wordt verstrekt of andere dragers van informatie.) <W 2006-12-13/35, art. 63, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

De beroepsbeoefenaar weigert dit afschrift indien hij over duidelijke aanwijzingen beschikt dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen.

§ 4. Na het overlijden van de patiënt hebben de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiënt, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het in § 2 bedoelde recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de in § 2, derde lid, bedoelde persoonlijke notities.

[4] Art. 22 De arts houdt voor elke patiënt een patiëntendossier bij, waarvan de samenstelling en de bewaring beantwoorden aan de wettelijke en deontologische vereisten.

De arts beheert, met respect voor het beroepsgeheim, het patiëntendossier als werkinstrument, communicatiemiddel, kwaliteitsreferentiepunt en bewijselement.

Archief (Medisch-)17/09/2016 Documentcode: a154010
Bewaartermijn van de coupes en paraffineblokken voor de anatoompathologie

De nationale raad heeft een vraag tot aanpassing van zijn advies van 13 december 1986 betreffende de anatoom-pathologische coupes onderzocht.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 17 september 2016 uw vraag besproken of uit het advies van 20 januari 2001 (a092001) betreffende de bewaartermijn van de radiografieën en elektro-encefalografische tracés volgt dat de bewaartermijn van de coupes en paraffineblokken voor de anatoompathologie van 30 naar 20 jaar kan worden teruggebracht, zodat het advies van 13 december 1986 (a036004) betreffende de anatoom-pathologische coupes best wordt aangepast.

1. Het advies van 13 december 1986 (a036004) stelt dat zowel de coupes (draagglaasjes met gekleurde weefselsneden voor microscopisch onderzoek) als paraffineblokken (in paraffine ingebedde biopten waarvan coupes worden vervaardigd) even lang als het protocol (rapport van de anatoom-pathologische vaststellingen en diagnose) moeten worden bewaard, omdat het protocol aanleiding kan geven tot discussie. Zowel protocol, coupes als paraffineblokken maken derhalve deel uit van het medisch dossier waarvoor de wettelijke bewaartermijn van minstens 30 jaar van toepassing is(1) . Deze termijn neemt een aanvang vanaf het laatste contact met de patiënt(2) .

2. Het advies van 20 januari 2001 behandelt daarentegen de vraag hoelang de huisarts medische documenten moet bewaren.

Het advies stelt niet dat de radiologische clichés slechts aan een bewaartermijn van 20 jaar zouden zijn onderworpen. Het advies stelt enkel dat de medische documenten bij de huisarts naar analogie met de bewaartermijn die voor het medisch (ziekenhuis)dossier geldt, gedurende een periode van 30 jaar dienen te worden bewaard.

Verder legt het advies een bijkomende deontologische voorzorgsmaatregel op, op grond van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bij (persoonlijke) rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De wet bepaalt dat voor schade veroorzaakt vanaf 27 juli 1998 een verjaringstermijn van 20 jaar geldt(3) . Hieruit leidt het advies af dat de arts, naast de bewaarplicht van het medisch dossier gedurende een termijn van 30 jaar, ook best de documenten die betrekking hebben op een mogelijk schadeverwekkend feit, bewaart gedurende 20 jaar van zodra er een rechtsvordering is ingesteld voor dit feit. Het betreft bijgevolg een bijkomende zorgvuldigheidsplicht bovenop de bewaartermijn van 30 jaar voor het medisch dossier.

3. Derhalve is de nationale raad van oordeel dat noch de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, noch het advies van 20 januari 2001 (a093001) noopt tot wijziging van het advies van 13 december 1986 (a036004). De bewaartermijn van 30 jaar voor coupes en paraffinneblokken blijft dienvolgens onverkort van toepassing.

1.Artikel 1 § 3 van het koninklijk besluit d.d. 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen.
2.Artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer.
3.Artikel 5 van de wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring d.d. 10 juni 1998.

Arts (Adviserend-)21/05/2005 Documentcode: a109007
Bewaringstermijn van medische dossiers van adviserende geneesheren van verzekeringsmaatschappijen en van artsen-deskundigen

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad een vraag voor betreffende de bewaringstermijnen en –modaliteiten voor medische dossiers die door een geneesheer-expert samengesteld worden als adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij en als arts-deskundige.

Advies van de Nationale Raad :

Onder voorbehoud van de resultaten van een lopend bijkomend onderzoek aangaande de draagwijdte van artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer, meent de Nationale Raad dat de bewaringstermijn zoals voorgeschreven door dit artikel van de Code van geneeskundige plichtenleer ook best in de door u aangehaalde gevallen wordt nageleefd.

De bewaring van de medische stukken dient te gebeuren mits in achtneming van de deontologische en wettelijke voorschriften terzake zoals onder meer de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Bij elektronische archivering dienen technieken te worden aangewend teneinde de gegevens tegen vervalsing te beschermen.

De Nationale Raad bevestigt zijn vroegere adviezen van 20 april 1985 betreffende de bewaring medische dossiers, van 16 januari 1999 betreffende de stockering van medische gegevens door een handelsfirma, van 22 april 1995 betreffende de elektronische post en van 12 december 1998 betreffende het geautomatiseerd globaal medisch dossier.

De Nationale Raad is van oordeel dat de dossiers van de griffie van een rechtbank een medisch archief niet kunnen vervangen.

Archief (Medisch-)21/09/2002 Documentcode: a098004
Bewaartermijnen van ziekenhuisdossiers

De Nationale Raad richt volgende brief aan de voorzitter van de werkgroep "Archives" van de Telematica Commissie bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu :

In zijn vergadering van 21 september 2002 besprak de Nationale Raad een adviesvoorstel van de werkgroep “Archives” van de commissie “Standaarden inzake Telematica ten behoeve van de sector van de gezondheidszorg” – kortweg Telematica Commissie genoemd – betreffende langetermijnbewaring van patiëntendossiers door ziekenhuizen.
Dit adviesvoorstel zou aan de bevoegde minister overgemaakt zijn of overgemaakt worden om als basis te dienen voor een wijziging van het KB van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen. Het adviesvoorstel bevat onder meer een wijziging van artikel 1, § 3, van dit KB, waarin wordt bepaald dat het medisch dossier gedurende ten minste dertig jaar in het ziekenhuis dient bewaard te worden.

De Nationale Raad is verwonderd over de inhoud van dit adviesvoorstel dat enerzijds strijdig is met de vigerende wetgeving betreffende de verjaring en anderzijds vragen oproept vanuit de medische deontologie.

***

In het adviesvoorstel wordt een bewaartermijn van ten minste 20 jaar voorgestaan voor het volledige patiëntendossier op grond van artikel 2262bis, § 2, van het Burgerlijk Wetboek. Deze termijn van bewaring geldt echter enkel voor dossiers die na 27 juli 1998 afgesloten worden maar medische dossiers die voor die datum afgesloten werden moeten, gezien de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, langer worden bewaard.

In zijn advies van 20 januari 2001 betreffende de bewaartermijn van stukken uit een medisch dossier waarop het huidige artikel 1, § 3, van het hoger vermelde KB niet van toepassing is stelt de Nationale Raad: “Derhalve […] is het aangewezen ook rekening te houden met de maximale verjaringstermijnen van alle (persoonlijke) rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid zoals deze worden bepaald door de op 27 juli 1998 in werking getreden wet van 10 juni 1998, tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring.
De nieuwe verjaringstermijnen zijn, met inachtneming van de overgangsbepalingen van de wet, de volgende :

  • voor schade veroorzaakt vóór 27 juli 1988: dertig jaar na het schadeverwekkende feit;
  • voor schade veroorzaakt in de periode van 27 juli 1988 tot 26 juli 1998: tot en met 26 juli 2018 te weten twintig jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet;
  • voor schade veroorzaakt vanaf 27 juli 1998: twintig jaar na het schadeverwekkende feit.

Eens een rechtsvordering is ingesteld, dient het dossier best bewaard te worden tot aan de definitieve gerechtelijke eindbeslissing, in voorkomend geval rekening houdend met een toegekend voorbehoud.” (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 92, juni 2001, p. 3)

Het ligt voor de hand dat voor medische ziekenhuisdossiers zoals voor alle medische dossiers minstens de termijn van bewaring moet gerespecteerd worden die overeenstemt met de wettelijk bepaalde termijnen van verjaring voor de burgerlijke aansprakelijkheid van de artsen en voor de indiening van schadeclaims door patiënten. Met dit gegeven hield de commissie geen rekening bij het opstellen van zijn adviesvoorstel.

***

Wel hechtte de commissie het nodige belang aan de bewaring van gegevens in functie van de continuïteit van de zorg na het verstrijken van de wettelijk voorziene termijnen van bewaring. Nochtans meent de Nationale Raad dat het in de tijd onbeperkt bewaren van beknopte medische dossiers de beoogde doelstellingen voorbijschiet en soms het beoogde doel niet bereikt.
Vooreerst is het uitgesloten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te bepalen welke gegevens op lange termijn voor de patiënt belangrijk kunnen zijn. Zo volstaat een bescheiden kennis van de geschiedenis van de geneeskunde om te weten dat de door een patiënt gebruikte medicaties ernstige gevolgen kunnen hebben die zich slechts na een lange termijn manifesteren terwijl men zich ook kan afvragen welk nut het in de tijd onbeperkt bewaren van consultatieverslagen en ontslagrapporten kan hebben wanneer deze geen betekenisvolle pathologie aan het licht brachten. Bij de bespreking van de recente aanpassing van artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer betreffende de bewaring van medische dossiers kwam de Nationale Raad tot het besluit dat een verantwoorde termijn van bewaring van medische gegevens die 30 jaar overstijgt afhankelijk is van de aard van de gegevens, de symptomatologie en de leeftijd van de patiënt. Een lineaire maatregel waarbij alle medische dossiers in beknopte vorm in de tijd onbeperkt dienen bewaard te worden is een overtrokken bepaling in het adviesvoorstel.

***

De commissie hield bij het uitbrengen van zijn advies rekening met het belang van de bewaring van medische gegevens uit hoofde van epidemiologische studies en wetenschappelijk onderzoek. Ook wordt voorgesteld dat de mogelijkheden om patiëntendossiers bij het Algemeen Rijksarchief te bewaren zouden onderzocht worden.
De Nationale Raad kan ermee akkoord gaan dat de vernietiging van bepaalde gegevens epidemiologische studies en wetenschappelijk onderzoek kan schaden maar is anderzijds van mening dat het “blind” bewaren van medische gegevens d.w.z. zonder dat voorafgaandelijk bepaald is met welk doel bepaalde gegevens worden bewaard, niet verantwoord is. Het bewaren van medische gegevens met het oog op epidemiologisch of wetenschappelijk onderzoek kan enkel met de toestemming van de patiënt die geïnformeerd dient te worden over de doelstelling van de bewaring. De Nationale Raad is van mening dat de toestemming van de patiënt ook vereist is bij het bewaren van gegevens op een niet-identificeerbare wijze. Dit is naar zijn mening een voor de hand liggende wijze van bewaring bij epidemiologische en wetenschappelijke studies.

***

Overigens meent de Nationale Raad erop te moeten wijzen dat het adviesvoorstel enkele bepalingen bevat die niet zullen bijdragen tot de oplossing van de “reële logistieke stockeerproblemen” voor de ziekenhuizen, wat nochtans het uitgangspunt van het adviesvoorstel is. Zo adviseert de Telematica Commissie dat de termijn van bewaring zou ingaan na het laatste contact “met de instelling”. Ambulante ziekenhuisbezoeken bv. voor de hechting van een snijwond of een röntgenfoto op vraag van de huisarts, hebben tot gevolg dat het volledig medisch dossier in de tijd onbeperkt dient bewaard te worden indien het interval tussen deze bezoeken geen 20 jaar bedraagt.

Opvallend is ook dat in het adviesvoorstel altijd gesproken wordt van het patiëntendossier zijnde het medisch dossier en het verpleegkundig dossier. Voor dit laatste bepaalt het KB van 3 mei 1999 geen termijn van bewaring. Door de uitbreiding van de termijn van bewaring tot het verpleegkundig dossier, hoe verantwoord ook, zullen de stockeringsproblemen toenemen.

Tot besluit stelt de Nationale Raad dat het adviesvoorstel van de Commissie Telematica betreffende de langetermijnbewaring van patiëntendossiers door ziekenhuizen op een aantal belangrijke punten niet voldoet en derhalve geen basis kan zijn voor de wijziging van artikel 1, § 3, van het KB van 3 mei 1999 betreffende de termijn van bewaring van het ziekenhuisdossier. Het adviesvoorstel houdt namelijk geen rekening met de overgangsbepalingen van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, het voorstel opteert voor een in de tijd onbeperkte bewaring van patiëntendossiers in beknopte vorm, het voorstel respecteert onvoldoende de privacy van de patiënt bij de aanwending van medische gegevens bij epidemiologisch en wetenschappelijk onderzoek en het voorstel lost evenmin de “logistieke stockeringsproblemen” van de ziekenhuizen op.

De Nationale Raad is van mening dat het logistieke stockeringsprobleem zich door de informatisering van het ziekenhuisdossier spontaan zal oplossen en dat een bewaringstermijn van dertig jaar na het laatste contact met de patiënt, zoals voorgeschreven door artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer, een eenvoudige en duidelijke gedragsregel is die een goed compromis is tussen de door de wet opgelegde termijn van bewaring van de medische dossiers en de termijn die vereist is voor de continuïteit van de zorg. Afhankelijk van de aard van de gegevens, de symptomatologie en de leeftijd van de patiënt kunnen bepaalde gegevens altijd langer bewaard worden zoals zij ook op een niet-identificeerbare wijze kunnen bewaard blijven voor epidemiologisch en wetenschappelijk onderzoek mits voorafgaandelijke toestemming van de patiënt.

Archief (Medisch-)15/12/2001 Documentcode: a095009
Bewaartermijn van Guthrie-kaartjes

De directeur-arts van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap legt aan de Nationale Raad een ontwerp van Ministerieel besluit voor tot wijziging van het Ministerieel besluit van 23 maart 1998 tot regeling van de werkings- en erkenningsprocedure betreffende de centra voor de opsporing van aangeboren metabolische afwijkingen. Hierin wordt, op vraag van de verantwoordelijken van de Vlaamse opsporingscentra, voorgesteld de bloedkaartjes gebruikt voor de screening van aangeboren metabolische afwijkingen (Guthrie-kaartjes) na vijf jaar te vernietigen. Aldus wordt de mogelijkheid vermeden om genetische tests op het resterende bloed van de kaartjes uit te voeren en de kaartjes te gebruiken, buiten het weten van de ouders, voor het uitvoeren van tests waarvoor ze niet bestemd zijn.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad acht de vrees gegrond dat resterende bloedkaartjes gebruikt zouden worden voor het uitvoeren van genetische tests en dit buiten het weten van de ouders.
Hij heeft dan ook geen enkel bezwaar tegen het voorstel de bewaartijd te beperken tot 5 jaar in het opsporingscentrum.

Bovendien wenst de Nationale Raad dat tussen alle centra die in het land erkend zijn voor het uitvoeren van deze screentests wordt overlegd. De wetenschappelijke aspecten ervan doen immers vragen rijzen aangaande het aantal opspoorbare afwijkingen, het ogenblik van opsporing en de mogelijkheden terug te keren op vals-negatieve waarden. Bovendien lijkt het, inzake gelijke kansen, niet aangewezen dat het aantal opspoorbare afwijkingen verschilt van het ene centrum tot het andere.

Archief (Medisch-)20/10/2001 Documentcode: a095003
Verzoek van een verwant om overdracht van het dossier van een overleden persoon via de behandelend arts

Een provinciale raad ontving van een arts, voorzitter van een commissie voor medische ethiek, volgende brief :
" Ik ontving van de hoofdgeneesheer een vraag die voorgelegd werd door de ziekenhuisarchivaris.
De aan de commissie voor ethiek gestelde vraag luidt als volgt : mag het medisch dossier van een overledene aan een verwant doorgegeven worden via de behandelend arts ?

Hieronder vindt u de inhoud van mijn antwoord als voorzitter van de commissie voor ethiek van het ziekenhuis :

…De voorgelegde vraag in verband met de overdracht van het dossier van een overledene aan een derde via de behandelend arts hangt volgens mij niet zozeer af van de commissie voor ethiek maar houdt typisch verband met het probleem van het medisch geheim dat zelf deel uitmaakt van het beroepsgeheim en derhalve geregeld wordt door een artikel van het Strafwetboek dat handelt over deze materie. Wat meer in het bijzonder de medische aangelegenheden betreft, vormen de Code van geneeskundige plichtenleer en de Orde van geneesheren de exegeten bevoegd voor bijzondere gevallen.

…Wat uw precieze vraag betreft, zou ik, vanuit ethisch standpunt, geneigd zijn te zeggen dat aangezien de dood de arts niet ontheft van zijn beroepsgeheim, de patiënt zijn dossier in zekere zin meeneemt in zijn graf en er niet meer is om toelating te geven om de inhoud ervan mee te delen. Bovendien zijn alle aanvragen misschien niet identiek wat betreft de motivering, de graad van verwantschap van de aanvrager, de eventuele gevolgen van de mededeling.
Bijgevolg leg ik de vraag voor aan de raad van de Orde."

Betrokken provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad over zijn ontwerp van antwoord aan deze arts :

"[...]

[De provinciale raad] verklaart zich akkoord met het antwoord dat u aan de archivaris van het ziekenhuis verstrekte in verband met de overdracht van het medisch dossier van een overledene aan een verwant via de behandelend arts.

De Raad herinnert u er evenwel aan dat alleen het hospitalisatieverslag aan de behandelend arts van de patiënt (en niet van de familie) mag worden doorgegeven.

[...]"

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad gaat akkoord met de inhoud van uw brief alsook met de inhoud van de brief van dokter X.

De recente wetgevende initiatieven betreffende de rechten van de patiënt en de wensen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zetten de Nationale Raad er evenwel toe aan dit probleem verder te bestuderen en het toe te vertrouwen aan een commissie “ad hoc”.

Noot van de redactie : zie het advies van de Nationale Raad van 16 februari 2002 over het voorontwerp van wet betreffende de rechten van de patiënt, Tijdschrift Nationale Raad nr. 95, maart 2002, p. 3-9.

Archief (Medisch-)21/04/2001 Documentcode: a093003
Bewaring van medische ziekenhuisgegevens

Naar aanleiding van het antwoord van mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, op een parlementaire vraag van de heer volksvertegenwoordiger Filip ANTHUENIS van 13 september 2000 omtrent "Ziekenhuizen – Bijhouden van medische gegevens – Beheer van grootschalige archieven door firma's" onderzoekt de Nationale Raad of deze stellingname niet (gedeeltelijk) in tegenspraak is met het advies dat de Nationale Raad uitbracht op 16 januari 1999 betreffende de stockering door een handelsfirma van de medische gegevens van een huisarts.

Brief van de Nationale Raad aan minister AELVOET :

De gedachtewisseling in de Nationale Raad betrof uw mededeling dat "Het stockeren van medische dossiers buiten het ziekenhuis dus niet (is) toegelaten" en dat "het stockeren van medische dossiers van overleden patiënten buiten het ziekenhuis dus niet (wordt) voorzien zodat men moet aannemen dat deze in het ziekenhuis moeten worden bewaard".

Op 16 januari 1999 bracht de Nationale Raad wat betreft het medisch archief van een huisarts advies uit (bijlage 1) omtrent "Stockering van medische gegevens door een handelsfirma" en op 19 juni 1999 verleende de Nationale Raad advies (bijlage 2) omtrent "Medisch archief – Verantwoordelijke voor de opslag ervan in het ziekenhuis".

De Nationale Raad werd reeds geraadpleegd door ziekenhuizen die geconfronteerd worden met een (nijpend) plaatsgebrek om hun medisch archief te stockeren en het is de Nationale Raad bekend dat in dit verband door een ziekenhuis een afzonderlijke opslagplaats werd gehuurd teneinde aan het zich steeds acuter stellende stockeringsprobleem te verhelpen.

De Nationale Raad stelt vast dat uw standpunt dit – reëel en steeds groeiend – probleem niet oplost.

De vereiste bewaring van medische gegevens in een ziekenhuis beoogt de verzekering van de continuïteit van de zorgen.

Er dient dus enerzijds onderscheid gemaakt te worden tussen het zogenaamde "dode" archief, niet onmiddellijk nodig of nuttig voor de continuïteit van de zorgen in het betreffende ziekenhuis, en het zogenaamde "levende" archief, vereist voor de continuïteit van de zorgen.

Daarenboven wordt het archief meer en meer geïnformatiseerd, waarbij de onmiddellijke beschikbaarheid van het geïnformatiseerde archief "in" het ziekenhuis de mogelijkheid biedt het basisarchief – minstens wat het dode archief betreft – zonder enig bezwaar of nadeel elders te stockeren.

In functie van de hierboven uiteengezette beperkingen en van de eerbiediging van het advies van 16 januari 1999 dat het “beheer” (cf. de parlementaire vraag) van het archief door een handelsfirma verwerpt, ziet de Nationale Raad geen probleem in geval van stockering door deze laatste. Deze formule verschilt inderdaad niet van het eenvoudig huren van een opslagplaats aan een verhuurder die geen handelsfirma is.
De Nationale Raad meent aldus "in het ziekenhuis" als "door het ziekenhuis" te kunnen lezen.

Hij is daarbij van mening dat de definitie van een ziekenhuis door het artikel 2 van het Koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen de door hem voorgestane zienswijze niet in de weg staat.

De Nationale Raad zal het op prijs stellen uw beoordeling van deze benadering te mogen kennen om, in voorkomend geval, zich over het zich uitbreidende probleem, dat alleszins een (spoedige) oplossing vereist, opnieuw te beraden.

Advies van de Nationale Raad van 16 januari 1999, TNR nr. 84, p.18

De Nationale Raad is van oordeel dat deze vorm van stockering deontologisch geoorloofd is op voorwaarde dat gewaarborgd wordt dat deze archieven uitsluitend toegankelijk zijn voor de arts die verantwoordelijk is voor de archieven of voor een door deze arts aangewezen persoon, die handelt onder de medische en/of functionele verantwoordelijkheid van deze arts.

Advies van de Nationale Raad van 19 juni 1999, TNR nr. 86, p.18

Krachtens artikel 6, 5° van het Koninklijk Besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen, behoort het aan de hoofdgeneesheer van het ziekenhuis erover te waken dat in het ziekenhuis maatregelen worden genomen om een medisch dossier, als onderdeel van het patiëntendossier, voor elke patiënt aan te leggen en in het ziekenhuis te bewaren, onder zijn verantwoordelijkheid.

[…]

Archief (Medisch-)17/03/2001 Documentcode: a092009
Elektronisch medisch dossier

De Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen vzw (WVVH) vraagt aan de Nationale Raad haar ontwerpaanbeveling "Elektronisch Medisch Dossier" kritisch te beoordelen.

Antwoord van de Nationale Raad :

Zonder stelling te nemen met betrekking tot de wezenlijke elementen van het gedetailleerde document dat u hem heeft bezorgd, wenst de Nationale Raad te benadrukken dat hij bepaalde aspecten van dit dossier verduidelijkt wil zien.

Het is van belang te bepalen wie de derden zijn met wie de gegevens gedeeld zouden kunnen worden, evenals de aard van de uitgewisselde gegevens en het toegangsrecht van de verschillende partijen. Het zou ook wenselijk zijn te bepalen hoe de beveiliging van de uitgewisselde gegevens en van de inhoud van het dossier, en meer bepaald van de persoonlijke gegevens van de arts, verzekerd wordt.

Een goed beheer van het medisch dossier moet natuurlijk de zorgverstrekking ten goede komen. Het dossier moet ook gebruiksvriendelijk blijven voor de behandelende arts.

In zijn advies van 12.12.1998, waarvan kopie als bijlage, betreffende het geautomatiseerd globaal medisch dossier, heeft de Nationale Raad reeds de essentiële deontologische principes uiteengezet wat betreft

  1. de inhoud van het dossier
  2. de doelstelling van het medisch dossier
  3. het toegangsrecht tot het dossier
  4. de beveiliging van de transmissie
  5. de beveiliging van de archieven.

De inhoud van deze aanbeveling is evenzeer van toepassing op het elektronisch medisch dossier versie 2001.

Advies van de Nationale Raad van 12 december 1998, TNR nr. 84, juni 1999, p. 14 :

De Nationale Raad werd door een provinciale raad belast met een adviesaanvraag van de Franstalige Wetenschappelijke Vereniging voor Huisartsgeneeskunde over de teksten van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu in verband met het geautomatiseerd medisch dossier.

Aan de hand van deze teksten acht de Nationale Raad het nu reeds noodzakelijk een aantal deontologische principes hieromtrent in herinnering te brengen.

1. Inhoud van het medisch dossier

De, zuiver theoretische, structuur van het voorgestelde dossier kan dienst doen als didactisch model. Het is echter de vraag of ze concreet toegepast kan worden in de dagelijkse context van de huisartsgeneeskunde. Bovendien dient de arts zijn vrijheid van diagnostische en therapeutische praktijkvoering te bewaren.
Het concept van een medisch dossier dat de objectieve gegevens - identificatie, achtereenvolgende diagnoses, aard van de verrichte onderzoeken -, bijeenbrengt in een centraal dossier en dat de subjectieve gegevens voorbehoudt aan een werkdossier van de arts kan overwogen worden in het kader van de besproken projecten. Het biedt de artsen een waarborg voor de vertrouwelijkheid van de gevoelige gegevens.
Gegevens die verstrekt worden door derden die niet bij de zorgverlening betrokken zijn, mogen in geen geval toegankelijk zijn voor de patiënt.

2. Doelstelling van het globaal medisch dossier

Het medisch dossier heeft in de eerste plaats tot doel de elementen die noodzakelijk zijn voor de diagnose en de behandeling van de ziekte schriftelijk vast te leggen. Onder de voorwaarden bepaald in artikel 44 van de Code van Plichtenleer mogen bepaalde gegevens uit het medisch dossier gebruikt worden voor wetenschappelijke doeleinden.
Bij de aanwending van de inhoud van het medisch dossier mag niet afgeweken worden van de hoofddoelstelling.
Mocht enige coördinatie tussen de verschillende elementen van het dossier noodzakelijk worden, dan kan deze enkel gebeuren in het belang van de patiënt.

3. Toegangsrecht tot het dossier

Artikel 39 van de Code van Plichtenleer bepaalt : "Het is de geneesheer die persoonlijk het medisch dossier heeft samengesteld en aangevuld die verantwoordelijk is voor de bewaring ervan. Hij beslist over de overdracht van het geheel of een gedeelte van het dossier met inachtneming van het beroepsgeheim."

Indien verschillende artsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten en/of paramedici betrokken zijn bij de verzorging van een welbepaalde patiënt, dient de toegang tot het persoonlijk dossier hiërarchisch vastgelegd en beperkt te worden tot :

  • diegenen die de patiënt in behandeling hebben,
  • wat noodzakelijke kennis is om een diagnose of een therapie vast te stellen of om verzorging toe te dienen.

De duur van deze toelating tot de toegang tot het dossier moet beperkt blijven tot de duur van de behandeling van de patiënt.

Indien een patiënt een persoonlijk medisch dossier aanlegt voor diegenen die hem dienen te verzorgen, draagt alleen de arts de verantwoordelijkheid voor de elementen van dit dossier van de patiënt die hij overneemt in zijn eigen dossier.

Bij de geoorloofde opvraging van gegevens, zelfs geanonimiseerde, met een niet-therapeutisch doeleinde, vereist de toegang tot de gegevens uit het medisch dossier de voorafgaande toestemming van de arts en de patiënt. Deze dient telkens weer hernieuwd te worden en opzegbaar te zijn. Deze gegevens kunnen slechts gebruikt worden onder het gezag van een arts en met de toestemming van de patiënt.

4. Beveiliging van de transmissies

Het advies dat de Nationale Raad op 22 april 1995 verstrekte in verband met de eerbiediging van het medisch geheim bij de transmissie van gegevens langs elektronische weg, dient strikt van toepassing te blijven.
De Nationale Raad kan de certificatie van de publieke sleutels op zich nemen.

5. Beveiliging van de bewaring van de geautomatiseerde dossiers

De arts is verantwoordelijk voor de bewaring van zijn dossiers. Dit geldt eveneens wanneer ze geautomatiseerd zijn. Hij moet bijgevolg betrouwbare kopieën (back-ups) maken en ze bewaren op een veilige plaats, hij moet de toegang tot zijn PC beveiligen en de niet-geoorloofde toegang tot de gegevens die hij bevat, onmogelijk maken.

Een kopie van dit advies wordt overgemaakt aan de andere provinciale raden.