Resultaten
Resultaten
De deontologische regels die de arts leiden bij zijn aanvragen van laboratoriumonderzoeken
De nationale raad van de Orde der artsen wordt door de Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen om advies verzocht over het toenemende gebruik van laboratoriumtesten waarvan de klinische relevantie niet is bewezen en de wetenschappelijke validatie onvoldoende of zelfs onbestaande is.
1. De vaststelling dat een aanzienlijk deel van de aanvragen voor laboratoriumtests in de ambulante zorg betrekking heeft op onderzoeken waarvoor weinig wetenschappelijk bewijs bestaat, is een van de redenen waarom het RIZIV en de FOD Volksgezondheid het platform Prescription Search Support (PSS) Klinische Biologie[1] hebben ontwikkeld.
2. De diagnostische en therapeutische vrijheid is een gereglementeerde vrijheid die aan voorwaarden is gebonden[2].
Het voorschrijven van laboratoriumonderzoek moet gebaseerd zijn op klinische gronden en wetenschappelijke redeneringen. Een arts die bij de zorgverlening afwijkt van de huidige stand van de wetenschap, moet zijn keuze op rationele wijze kunnen verantwoorden.
Een voorschrift kan niet voldoen aan de normen van goede praktijkvoering wanneer het gaat om een onvoldoende wetenschappelijk bewezen praktijk of wanneer het is ingegeven door een pseudowetenschappelijke benadering.
Het verband tussen een analyt en een klinische aandoening of fysiologische toestand moet wetenschappelijk worden onderbouwd.
3. Er mag geen misbruik worden gemaakt van het vertrouwen van de patiënt wat betreft de relevantie van een onderzoek of de betrouwbaarheid van de interpretatie van de resultaten daarvan.
Zijn angst mag niet worden uitgebuit om hem een behandeling te laten accepteren die, in voorkomend geval, buitensporig duur is, zonder dat er wetenschappelijk bewijs is voor de doeltreffendheid ervan.
4. De informatie die aan de patiënt wordt verstrekt[3] is duidelijk, objectief, voorzichtig, genuanceerd en in overeenstemming met de wetenschappelijke bevindingen en normen inzake goede medische praktijkvoering.
5. De arts onthoudt zich ervan onnodig dure of overbodige verstrekkingen ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of ten laste van de patiënt voor te schrijven, uit te voeren of te laten uitvoeren[4].
De verhouding tussen het belang en de kosten van de zorg voor de patiënt moet eveneens redelijk zijn.
6. De voorschrijvende arts behoudt zijn onafhankelijkheid door elk belangenconflict of elke belangenvermenging in zijn relaties met een laboratorium voor klinische biologie te vermijden.
7. De klinisch bioloog draagt de verantwoordelijkheid kwaliteitsvolle zorg te verstrekken. Hij weigert om een analyse uit te voeren en aan te bieden waarvan hij meent dat ze niet gerechtvaardigd is op medisch gebied en indruist tegen het belang van de patiënt, voornamelijk omwille van de hoge kostprijs en de niet-terugbetaling door de verzekering geneeskundige verzorging[5].
Hij geeft zijn collega’s advies betreffende de keuzes van laboratoriumonderzoek en de manier waarop gebruik kan worden gemaakt van de laboratoriumdiensten. Niet alle aangevraagde verrichtingen, hoewel technisch uitvoerbaar, zijn altijd zinvol. De voorschrijver moet worden gewezen op het nut van specifiek onderzoek. De klinisch biologen moeten bekend zijn met de diagnostische performantie van de analysemethoden[6].
[1]https://www.riziv.fgov.be/nl/thema-s/egezondheid/beslissingsondersteunend-platform-voor-voorschrijvers-meer-gepaste-zorg-en-minder-veiligheidsrisico-s/pss-klinische-biologie-samen-voor-efficiente-zorg - geraadpleegd op 20 april 2026
[2] Art. 73, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; art. 4 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; art. 144, § 1 , van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen; art. 7 van de Gecommentarieerde Code van medische deontologie.
[3] Art. 8, § 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bepaalt dat (…) de inlichtingen (…) minstens betrekking hebben op:
1° het doel de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie;
2° de te verwachte ontwikkelingen en nazorg van de tussenkomsten;
3° de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's;
4° de mogelijke alternatieven, al dan niet uitgevoerd door een andere gezondheidszorgbeoefenaar;
5° andere voor de patiënt relevante verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip van de wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst dienen te worden nageleefd.
Overeenkomstig het eerst lid, informeert de gezondheidszorgbeoefenaar de patiënt over de financiële gevolgen van de tussenkomst onverminderd artikel 73, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
[4] Art. 73, § 1er, 2de lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ; art. 41 van de Code van medische deontologie
[5] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 16 september 2023, ‘Weigering door klinisch bioloog van bepaalde analyses waarvan het belang op wetenschappelijk gebied in twijfel wordt getrokken en die een hoge kost voor de patiënt met zich meebrengen’, a170015.
[6] Praktijkrichtlijn voor het opzetten van een kwaliteitssysteem in de erkende laboratoria voor klinische biologie "Werkgroep Praktijkrichtlijn” van de Commissie voor klinische biologie binnen Sciensano, versie 4-2025, p. 32
Vergelijkende publiciteit
Art. 37
De arts mag zijn medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.
De informatie, onder welke vorm ook, is waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk. Zij is niet misleidend en zet niet aan tot overbodige medische prestaties.
De arts verzet zich tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken en die de bepalingen van het vorige lid niet respecteert.
1. Algemeen
1.1 Juridische restricties
Het recht van de arts om reclame te maken voor zijn medische activiteit volgt uit de Europese en nationale regelgeving. Dit recht is niet absoluut. Het kent beperkingen gemotiveerd door dwingende redenen van algemeen belang, voornamelijk de bescherming van de volksgezondheid.
De wettelijke restricties kunnen betrekking hebben op het onderwerp en de vorm van de reclame. Het Wetboek van economisch recht verbiedt misleidende reclame en legt een strikt wettelijk kader vast voor vergelijkende reclame. De recente wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg stelt regels op omtrent de praktijkinformatie die de gezondheidszorgbeoefenaar kenbaar mag maken aan het publiek. Tot slot regelt een bijzondere wet de reclame en informatie betreffende ingrepen van esthetische geneeskunde.
Er is een evolutie in de termen die gebruikt worden door de wetgever. In de wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg spreekt de wetgever van "praktijkinformatie" en niet langer van "reclame". De nieuwe term "praktijkinformatie" wordt gedefinieerd als "iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidsbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk".
1.2 Deontologische restricties
De arts heeft als taak het bevorderen van de gezondheid van de individuele patiënt en de volksgezondheid. Het is van belang dat hij relevante praktijkinformatie kan meedelen aan het publiek.
De gedeelde praktijkinformatie moet evenwel overeenstemmen met de regels van medische deontologie, in het bijzonder de onafhankelijkheid, waardigheid en integriteit van het beroep, evenals het beroepsgeheim.
De arts ziet er op toe dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, wetenschappelijk onderbouwd, discreet en duidelijk is.
Is onder meer niet toegelaten:
- iedere vorm van misleidende publiciteit;
- vergelijkende honorariatarieven (het toetredingsstatuut tot de nationale overeenkomst is echter een verplichte informatie, krachtens artikel 73, §1, lid 4 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen)
- het aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen;
- publicaties, conferenties en andere mededelingen zonder wetenschappelijk nut of die een commercieel oogmerk hebben;
- publicatie van getuigenissen van patiënten;
- communicatie van gegevens gedekt door het medisch geheim;
- gebruik van een instrument om de bezoekers van een website buiten hun medeweten te identificeren of te profileren;
- commerciële promotie van geneesmiddelen of andere gezondheidszorgproducten.
Het staat de arts vrij het advies van de provinciale raad te vragen over een project van professionele praktijkinformatie.
1.3 Verzet tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken
De arts dient zich te verzetten tegen publiciteit over zijn medische activiteit die de medische deontologie niet respecteert, ongeacht of hij al dan niet zelf de initiatiefnemer is.
1.4. Respect voor de fysieke en psychische integriteit van de patiënt
Wanneer de arts patiënten betrekt bij informatieverschaffing in de media, eerbiedigt hij hun persoonlijke levenssfeer en waardigheid. De arts moet zich ervan vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd worden en vrij toestemmen tot medewerking. De fysieke en psychische integriteit van de patiënt moet te allen tijde worden gerespecteerd.
2. Adviezen van de nationale raad
- Reclame voor het maken van 3D/4D-echografieën van de foetus in de baarmoeder met niet-medische doeleinden (Advies NR 16 juli 2016, a154004)
- Artsen en digitale media (Advies NR 7 februari 2015, a148006)
- Samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra (Advies NR 17 januari 2015, a148002)
- Televisie-uitzending - Reclame (Advies NR 22 februari 2014, a145009-R)
- Publiciteit van artsen via de website www.vlazoem.be (Advies NR 29 oktober 2011, a135012)
- Het internetplatform www.verbeterjezorg.be (Advies NR 29 oktober 2011, a135009)
- Medewerking van artsen aan een reality-tv/docusoap (Advies NR 16 juni 2005, a109015)
- Aanpassing van de aanbevelingen van de nationale raad van 21 september 2002 en van 17 januari 2004 betreffende het beheer van internetsites door artsen (Advies NR 1 oktober 2005, a110008)
- Video-installatie door een farmaceutische firma in de wachtkamer van artsen - Publiciteit (Advies NR 19 juni 2004, a105002)
- Internetsites van artsen (Advies NR 17 januari 2004, a104001)
- Publiciteit - Lichtreclame voor artsen (Advies NR 15 februari 2003, a100004)
3. Wettelijke bepalingen
- Artt. 49 en 56, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
- Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen
- Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame
- Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties
- Artt. IV.1 en VI.17. §1, Wetboek Economisch Recht
- Art. 31, Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, BS 14 mei 2019. Deze bepaling treedt in werking op 1 juli 2021
- Art. 64, Wet van 30 oktober 2018 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, BS 28 december 2018
- Art. 86, Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015
- Art. 20/1, Wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren [en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen, BS 2 juli 2013
- Art. 73, §1, lid 4 en 168, Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, BS 27 augustus 1994
4. Informatie - Documentatie - Links
- Deontological Guidelines - Information and Advertising - Conseil européen des Ordres des médecins (CEOM)
- H.J.E.U., 4 mei 2017, Luc Vanderborght, C-339/15
5. Trefwoorden
beroepsactiviteiten van de arts - publiciteit door arts - publiciteit door derden - reclame
Gecommentarieerde code van medische deontologie
De nationale raad publiceerde de op 5 juli 2019 goedgekeurde gecommentarieerde code van medische deontologie op de website van de Orde www.ordomedic.be.
De nieuwe code van medische deontologie (2018) bevat geen concrete richtlijnen voor specifieke situaties. Als aanvulling op de 45 artikelen leek het daarom nuttig te voorzien in een commentaar. Deze kan een duurzame houvast bieden zowel voor de artsen in de uitoefening van hun beroep, als voor de raden van de Orde bij hun dienstverlenende evenals hun disciplinaire taken, alsmede voor de gerechtelijke instanties en elke belanghebbende.
Met het oog op een vlotte raadpleging is deze commentaar opgebouwd rond een uniforme structuur voor ieder artikel.
Titel 1 Algemeen licht bondig de inhoud en de draagwijdte van het artikel toe.
Titel 2 Adviezen van de nationale raad biedt een selectie van relevante antwoorden op voorgelegde vragen die in sommige gevallen ingaan op uitzonderingssituaties of bijzondere casussen.
Titel 3 Wettelijke bepalingen bevat de geldende Belgische en internationale wettelijke regels en richtlijnen.
Titel 4 Informatie-Documentatie-Links verwijst, op niet-limitatieve wijze, naar referenties uit de documentatie die een belang inzake deontologie vertonen.
Titel 5 Trefwoorden schetst de context en de gelinkte thematieken.
Deze toelichting is dynamisch en niet beperkend.
De nationale raad zal deze commentaar waar nodig actualiseren, aanvullen en bijsturen in functie van een kwaliteitsvolle beroepsuitoefening, overeenkomstig in het bijzonder de evoluerende maatschappelijke noden en de beschikbare middelen.