keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Verzekeringen van de patiënt08/04/2017 Documentcode: a157003-R
Christelijke mutualiteit - Second opinion in een universitair ziekenhuis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de praktijk van de Christelijke Mutualiteit waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in een universitair ziekenhuis

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen besprak op 8 april 2017 de praktijk van de Christelijke Mutualiteit, hierna de "CM", waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in het Universitair Ziekenhuis Leuven.

Dergelijke praktijk stuit op volgende bezwaren:
1. Geen contact tussen arts en patiënt
Een wetenschappelijk verantwoorde diagnose vereist een degelijke anamnese en een gewetensvol klinisch onderzoek. Dit veronderstelt in de regel een fysiek contact tussen arts en patiënt.
2. Verstoring van de markt
Dergelijke samenwerking tussen de CM en het Universitair Ziekenhuis Leuven kan de mededinging op de Belgische markt verhinderen, beperken of vervalsen.
De Raad voor de Mededinging heeft in een vergelijkbare zaak al geoordeeld dat het akkoord tussen de CM en de Vlaamse Vereniging van Orthodontisten, waarbij een bijkomende vergoeding werd betaald aan een patiënt die zich liet behandelen door een tandarts die op de lijst stond, marktverstorend werkt . Bovendien werden er in casu richttarieven en maximumprijzen gehanteerd. Gelet op deze twee elementen, heeft de Raad voor de Mededinging besloten tot een prima facie inbreuk op de mededingingsregels.
3. Recht van vrije keuze
Doordat de patiënten geleid worden naar een lijst van geselecteerde artsen, en een financieel voordeel genieten als ze één van deze artsen consulteren, wordt het recht op vrije keuze van de patiënt uitgehold.. Van een strikte miskenning van het recht kan echter geen sprake zijn aangezien de patiënt, buiten het kader dat door de CM wordt geboden, nog steeds over het recht beschikt om een arts naar zijn keuze te raadplegen.

Dit advies vervangt het advies "Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies" van 7 april 2012.

Bijlage : Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Keuze (Vrije artsen-)07/04/2012 Documentcode: a138004
Folder van de Christelijke Mutualiteit “Second-O tweede medisch advies”

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende een folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 7 april 2012 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het initiatief van de Christelijke Mutualiteiten (CM) waarbij men in het kader van een aanvullende hospitalisatieverzekering een samenwerking ontwikkelt met het Universitair Ziekenhuis Leuven en zijn netwerk met het oog op het verlenen van een tweede medisch advies of "second opinion" en dit op eenvoudig verzoek van de betrokken patiënt. Het tweede advies wordt verstrekt door artsen-specialisten met bijzondere deskundigheid, die verbonden zijn aan de Universitaire Ziekenhuizen van de KU Leuven en hun netwerk. Het advies is gebaseerd op bestaande medische informatie.

Het vragen van een tweede mening behoort sedert lang tot de mogelijkheden waarover een behandelende arts en zijn/haar patiënt beschikt om een diagnose al dan niet te bevestigen en een zowel aangepaste als efficiënte behandeling te vinden. Meestal gebeurt dit door contacten tussen artsen, maar het kan ook gebeuren door verwijzing van de patiënt naar een collega, ofwel op initiatief van de arts, ofwel op voorstel van de patiënt.

De Nationale Raad is van mening dat dit samenwerkingsproject tussen CM en UZ Leuven voor CM leden aangesloten bij het CM-Hospitalisatieplan, op de volgende deontologische bezwaren stuit:

- Het ontbreken van een daadwerkelijk arts-patiëntcontact.
De Nationale Raad heeft altijd de nadruk gelegd op het belang van een effectieve ontmoeting tussen de arts en de patiënt. Dit is de conditio sine qua non om de anamnese en het klinisch onderzoek kwaliteitsvol te kunnen integreren in de diagnosestelling en een arts-patiëntdialoog die het vertrouwenscontract bezegelt tot stand te brengen. De Nationale Raad stelt de toegevoegde waarde van het in het kader van dit project verstrekte advies ernstig in vraag.

- Het recht op vrije keuze van de arts door de patiënt komt in het gedrang. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het recht van de patiënt, eventueel tegen betaling, tot het krijgen van kopie van de gegevens die over hem worden bijgehouden en anderzijds de plicht van de artsen om in het belang van de patiënt onderling gegevens uit te wisselen (artt. 6 en 9, wet betreffende de rechten van de patiënt).

- Het potentieel schaden van de collegialiteit.
De folder verspreid door de CM vermeldt:"dit advies krijgt u van geneesheren-specialisten die tot de top van hun vakgebied behoren" en "u krijgt advies van onafhankelijke topspecialisten in hun vakgebied, gekozen op basis van hun expertise met betrekking tot uw aandoening".

Deze formulering komt negatief over voor de behandelende huisarts en/of specialist, die zich gewetensvol inzetten voor zijn/haar patiënt en die ook over de nodige vakbekwaamheid beschikken.
Bovendien meent de Nationale Raad dat dit sterk neigt naar ongeoorloofde reclame en mededinging.

Verder vermeldt de CM-folder " 'second-O' werkt onafhankelijk t.o.v. uw behandelende artsen".
De Nationale Raad vreest voor de collegialiteit in een gezondheidssysteem waarin patiënten artsen tegen elkaar kunnen uitspelen.

Om deze redenen meent de Nationale Raad dat de betreffende samenwerking niet de aangewezen manier is om een "second opinion" te organiseren.


Een zelfde brief werd toegestuurd aan :
- Dr H. MOEREMANS, voorzitter van het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen
- Drs J.L. DEMEERE, voorzitter en M. MOENS, Secretaris generaal van het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van geneesheren-specialisten
- Prof. Dr P. HOEBEKE, voorzitter van de medische raad van het UZGent
- Prof. Dr S. VAN DAELE, ondervoorzitter van de medische raad van het UZGent
cc.
- Het Landsbond der Christelijke Mutualiteiten
- Dr F. RADEMAKERS, Hoofdgeneesheer, KULeuven

Huisarts28/06/2008 Documentcode: a121011
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Brief aan de voorzitters van de provinciale raden van de Orde der geneesheren.

Advies van de Nationale Raad :

Als gevolg van een aantal reacties op zijn advies van 12 mei 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 117, p. 3) betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van "zaalarts" uit te oefenen, heeft de Nationale Raad in zijn zitting van 28 juni 2008 beslist dit advies op deontologisch vlak aan te passen.

In het eerste gedeelte van zijn advies van 12 mei 2007 stelt de Nationale Raad vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip "zaalarts" in een ziekenhuis bestaat en dat noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een "zaalarts".

De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.

Daarom verzoekt de Nationale Raad de minister van Volksgezondheid de nodige initiatieven te nemen om te voorzien in een wettelijke definitie en een statuut voor de functie van "zaalarts" in een ziekenhuis (cf. bijlage).

Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg onderhevig is aan wijzigingen en dat aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies worden toebedeeld, meent de Nationale Raad dat de samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van "zaalarts" uitoefent, kan worden toegestaan mits rekening gehouden wordt met een aantal deontologische principes.

De "zaalarts" moet beschikken over voldoende competentie om deze functie te verrichten. De ernst en complexiteit van de ziektebeelden in de ziekenhuizen zijn toegenomen en de taakinhoud van de "zaalarts" dient hieraan te worden aangepast.

Het is essentieel dat de supervisie door een arts, erkend in de desbetreffende specialiteit, dient te worden verzekerd.

Onder die voorwaarden aanvaardt de Nationale Raad dat een aantal taken aan de "zaalarts" kunnen worden toevertrouwd, onder meer :

- medebeheer van het dossier;
- opnameprocedure;
- opstellen van een diagnostisch plan samen met een supervisor;
- medeuitvoering van dit plan;
- bijeenbrengen van de resultaten en de adviezen van geraadpleegde specialisten;
- integratie ervan in de diagnostische en therapeutische schema's;
- toezicht op de gevolgen ervan voor de patiënt;
- contactname met de behandelende huisarts die enerzijds vaak over waardevolle informatie beschikt voor het zorgverloop en anderzijds zal instaan voor de opvolging van de patiënt na de opname;
- medewerking aan de continue navorming van het verpleegkundig personeel en de best mogelijk integratie van de nursing in de medische zorg;
- opstellen van een voorlopige ontslagbrief en vervullen van de verschillende administratieve stappen die nodig zijn voor de patiënt.

Dit ontheft de specialist niet van zijn plichten en verantwoordelijkheden.

Om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan deze verschillende opdrachten is de Nationale Raad van mening dat de activiteiten van een «zaalarts» moeilijk verenigbaar zijn met deze van huisarts. In dit verband herinnert hij aan zijn advies van 12 mei 2007 waar uitvoerig gewezen wordt op het controversiële en tegenstrijdige aspect van de combinatie huisartsgeneeskunde en «zaalarts».


Elke samenwerkingsovereenkomst dient voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de Provinciale Raad te worden voorgelegd. Deze dient erover te waken dat de «zaalarts» volwaardig deel uitmaakt van het team en bijgevolg ook in functie van zijn activiteiten correct wordt gehonoreerd (cf. art. 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Bijlage : 1

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Laurette ONKELINX, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

In zijn vergadering van 28 juni 2008 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de problematiek betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van «zaalarts» uit te oefenen.
De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip «zaalarts» in een ziekenhuis bestaat.
De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.
Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de klinische functie van een «zaalarts».
De afwezigheid van een wettelijk statuut van «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis stelt een aantal problemen met zijn rechten en plichten versus die van de ziekenhuisarts. De rechtsverhouding van de «zaalarts» binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk zowel naar de beheerder, de medische raad als naar de ziekenhuisartsen.
Bovendien bestaat er geen aangepaste Riziv-nomenclatuur voor de algemeen geneeskundige die de functie van «zaalarts» in een specialistische dienst van een ziekenhuis uitoefent.
Indien de «zaalarts» effectief het statuut van ziekenhuisarts verwerft, rijzen er vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als huisarts en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden.
Indien de «zaalarts» als ziekenhuisarts zou worden beschouwd, dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisartsen aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de «zaalarts» als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Het probleem is ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.
Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.
Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg wijzigingen ondergaat en er aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies toebedeeld worden, meent de Nationale Raad dat een samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van «zaalarts» uitoefent mogelijk moet zijn.

De Nationale Raad verzoekt u dan ook hieromtrent de nodige initiatieven te willen nemen en een wettelijke regeling te voorzien die het statuut van «zaalarts» definieert.

De Nationale Raad zou het zeer op prijs stellen in de verdere bespreking van dit dossier te worden betrokken.

Huisarts12/05/2007 Documentcode: a117002
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het feit dat meer en meer specialistische diensten in ziekenhuizen een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van zaalarts uit te oefenen.
Deze arts is verantwoordelijk voor de coördinatie en de dagelijkse, niet-strikt specialistische opvolging van de gehospitaliseerde patiënten en neemt ook de administratieve kant van de zorg op zich : ontslagmanagement, brieven, het tijdig en volledig invullen van voorschriften, attesten en aanvragen, het bijhouden van de minimale klinische gegevens (MKG) enz.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip “zaalarts” in een ziekenhuis bestaat.

Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (koninklijk besluit van 7 augustus 1987), noch de wetgeving betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een zaalarts.

De afwezigheid van een wettelijk statuut van “zaalarts” werkzaam in een ziekenhuis, stelt een aantal problemen in verband met de rechten en plichten van “zaalarts”, mutatis mutandis versus die van «ziekenhuisgeneesheer». De rechtsverhouding van de zaalarts binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk : zowel naar de beheerder, de medische raad als de ziekenhuisgeneesheren.

Betreffende de Riziv-nomenclatuur zijn de professionele bevoegdheden van een algemeen geneeskundige zeer beperkt en zeker voor hen “zonder verworven rechten”.

Indien de “zaalarts” effectief het statuut van “ziekenhuisgeneesheer” verwerft stellen zich vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als “huisarts” en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden, onder meer moet het ronselen van patiënten worden vermeden.

Indien de zaalarts als ziekenhuisgeneesheer zou worden beschouwd dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisgeneesheren aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de zaalarts als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Problemen stellen zich ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.

Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als zaalarts werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.

Op deontologisch vlak acht de Nationale Raad het ongepast dat een algemeen geneeskundige als personeelslid in dienst wordt genomen door een groep ziekenhuisartsen met als opdracht een deel van de taken van die ziekenhuisartsen, namelijk het “zaalwerk”, uit te voeren.

De Nationale Raad is van mening dat een dergelijke constructie, waarbij ziekenhuisspecialisten hun minder aantrekkelijke taken (administratie, MKG, opvolgen van de dagdagelijkse pathologie, voorschriften, verslagen enz.) overlaten aan een algemeen geneeskundige, ingaat tegen de geest van een ernstige taakverdeling in de gezondheidszorg.

In die omstandigheden meent de Nationale Raad dat samenwerkingsovereenkomsten tussen specialistische diensten in ziekenhuizen en een algemeen geneeskundige voor de functie van “zaalarts” niet aanvaardbaar zijn.

Medische Raad18/06/2005 Documentcode: a109014
Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet - Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet – Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Een artsensyndicaat reageerde op het door de Nationale Raad in zijn advies van 3 april 2004 ingenomen standpunt betreffende de inlassing van §5 in artikel 140 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen (Tijdschrift Nationale Raad nr. 104, juni 2004, p. 4).

Advies van de Nationale Raad :

Het artsensyndicaat ervaart het als teleurstellend dat in het advies van de Nationale Raad de solidariteit onder de ziekenhuisartsen voorgaat op het belang van de individuele arts. Het artsensyndicaat vraagt zich af of “uitbuiting” waarvan sprake in artikel 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer niet mutatis mutandis dient toegepast te worden en of een arts van 64 jaar kan verplicht worden aanzienlijke sommen te investeren in bouwprojecten en andere investeringen waarop hij nooit een beroep zal kunnen doen.

In dit verband wenst de Nationale Raad te wijzen op de inlassing van §6 in artikel 140 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen door de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid. Deze nieuwe paragraaf plafonneert het totale jaarlijkse bedrag van de door het ziekenhuis verrichte inhoudingen maar bepaalt eveneens dat dit bedrag kan overschreden worden bij unaniem akkoord van de Medische Raad, bij infrastructuurwerken die een verbetering betekenen voor de werking van het ziekenhuis of voor de artsen en het verpleegkundig personeel, bij het financieren van een herstelplan van een openbaar ziekenhuis en bij structurele hervormingen zoals een fusie, associatie of groepering. Uit deze paragraaf blijkt dat het algemeen belang de basis van de inhoudingen is.

In het advies van 3 april 2004 zegt de Nationale Raad te begrijpen dat de invoeging van §5 nadelig kan zijn voor sommige artsen en dat het cruciaal is dat de Medische Raad als vertegenwoordigend orgaan van de ziekenhuisgeneesheren voldoende rekening houdt met de situatie van de individuele geneesheren. De door het artsensyndicaat geciteerde voorbeelden wijzen op het belang van het door de Nationale Raad ingenomen standpunt.
Indien een geneesheer van oordeel is dat de in zijn ziekenhuis tot stand gekomen financiële regeling strijdig is met de medische deontologie stelt het advies van 3 april 2004 dat hij zich tot zijn provinciale raad kan wenden. Bij het uitbrengen van zijn advies dacht de Nationale Raad niet dat de provinciale raad het tussen Medische Raad en ziekenhuisbeheerder afgesloten financieel akkoord nietig zou kunnen verklaren, wat niet wegneemt dat het voor de betrokken geneesheer belangrijk kan zijn zijn bezwaren te uiten en met het Bureau van de provinciale raad te overleggen of enige bemiddeling al dan niet zinnig is. De provinciale raden hebben in deze materie voldoende ervaring om rechtsonzekerheid te voorkomen en nieuwe conflicten te vermijden.

De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontmaken dat het artsensyndicaat suggereert dat de Medische Raden niet steeds tot de meest billijke oplossing komen. In dit verband dient gezegd dat de Nationale Raad in zijn advies van 3 april 2004 helemaal niet zegt dat de leden van de Medische Raad onafhankelijk en onpartijdig beslissen maar wel stelt dat de wetgeving toelaat in het reglement van de Medische Raad de nodige bepalingen op te nemen zodat een Medische Raad onafhankelijk en onpartijdig kan beslissen.

In het advies van 3 april 2004 wordt gezegd “dat de som van de door de leden van de Medische Raad aan de beheerder gedane beloften niet gelijk is aan een besluit van de Medische Raad”. Deze zin wordt door het artsensyndicaat “niet zo goed” begrepen. De Nationale Raad denkt dat enige ervaring met stemmingen die zoals in het geciteerde advies uitgelegd geheim kunnen zijn, volstaat om te weten dat bij een stemming de door de leden van de Medische Raad vooraf geuite intenties, wegens uiteenlopende redenen, niet altijd nageleefd worden.

Tot slot herinnert de Nationale Raad aan zijn op 29 januari 1994 uitgebracht advies betreffende de Medische Raden en hij vestigt vooral de aandacht op punt 10 ervan.

Honoraria21/05/2005 Documentcode: a109011
Artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer

Een geneesheer stelt vast dat meer en meer, vooral jongere, artsen toch erelonen aanrekenen voor de verzorging van hun collega’s, hun familie en hun medewerkers. Hij vraagt aan de Nationale Raad om artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer te herformuleren met meer nadruk op de collegialiteit onder de artsen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 mei 2005 uw verzoek om herziening van artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer. Daarbij gaat het niet over de geest van dit artikel, maar in de eerste plaats over de bewoordingen ervan. U vindt namelijk dat de formulering van artikel 79, beginnend met “Het is gebruikelijk”, uiterst beleefd is maar niet duidelijk genoeg aangeeft dat de erelonen of ereloonsupplementen niet van toepassing zijn tussen artsen.

Het is goed eraan te herinneren dat de bepalingen van de Code een leidraad zijn. Ze hebben tot doel de beginselen, de regels en de gebruiken te formaliseren die door iedere arts dienen nageleefd te worden of waardoor hij zich dient te laten leiden bij de uitoefening van zijn beroep. De bewoordingen van de artikelen ervan dienen genuanceerd te zijn. Het is de taak van de provinciale raden de dwingende voorschriften en de dwingende aard van de Code geval per geval te beoordelen.

Wat artikel 79 in het bijzonder betreft, moet men weten dat het op 18 maart 1995 gewijzigd werd na een lange discussie. In hoofdzaak werd enerzijds de zin “De geneesheer mag niettemin een vergoeding vragen voor zijn kosten” vervangen door deze nieuwe zin, die ruimer is en rekening houdt met de alsmaar toenemende kosten inzake techniek en infrastructuur : “Niettemin mag een vergoeding gevraagd worden voor de kosten die eruit voortspruiten.” Anderzijds werd de alinea : “Behalve aan zijn naaste verwanten, mag de geneesheer tevens een ereloon vragen ten belope van het bedrag dat ten laste valt van derden” geschrapt.

Uit de analyse van deze evolutie blijkt dat de vrees die u uit, namelijk het ontstaan van financiële relaties (van commerciële aard) tussen collega’s, vermeden werd met de wijziging van dit artikel 79. Het vragen van een vergoeding voor zijn kosten door de geneesheer werd geschrapt. De Nationale Raad kon daarentegen niet loochenen dat de uitoefening van de geneeskunde kosten met zich brengt die losstaan van de intrinsieke verstrekking van de arts, maar hij heeft elke verwijzing naar de tenlasteneming door derden uitgesloten.

Na reflectie meent de Nationale Raad dat het niet nodig is artikel 79 van zijn Code te wijzigen. Hij maakt echter van uw verzoek gebruik om met alle middelen waarover hij beschikt (brief aan de provinciale raden, publicatie in zijn Tijdschrift, publicatie op zijn site), te herinneren aan de collegialiteitplicht van iedere arts met betrekking tot de erelonen.

Keuze (Vrije artsen-)19/03/2005 Documentcode: a108006
Mammobielen

De Nationale Unie van Radiologen en het overkoepelend Verbond van Geneesheren-specialisten (VBS) hebben deontologische vragen bij de rol van de “mammobielen” in het kader van de borstkankerscreening. Het gebruik van deze mammobielen zou volgens hen overbodig, weinig collegiaal en strijdig zijn met o.m. het KB van 28 februari 1997 betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van technoloog medische beeldvorming volgens hetwelk geen mammografieën mogen worden verricht zonder enige aanwezigheid van een radioloog.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 19 maart 2005 de bespreking voortgezet van uw brief van 17 mei 2004 betreffende de rol van de “mammobielen” in het kader van de borstkankerscreening.

Uit de ingewonnen informatie blijkt dat deze eenheden reeds lange tijd bestaan. De Nationale Raad is niet bevoegd om zich uit te spreken over het nut van deze mobiele eenheden, naast andere centra. De provinciale raden hebben zich reeds meerdere malen dienen uit te spreken over de deontologische aspecten van het gebruik ervan. Enkele van deze eenheden werden door de overheid erkend in het kader van de gevoerde campagne voor borstkankerscreening door “mammotest”.

De Nationale Raad is van mening dat deze screeningscentra moeten beantwoorden aan de deontologische vereisten die van toepassing zijn op alle preventieve medische activiteiten, in het bijzonder :

  • steeds de vrije keuze van de patiënt en van de betrokken arts eerbiedigen. In dit opzicht dient de oproepingsbrief, uitgaande van de bevoegde administratieve instanties, alle erkende centra in de regio te vermelden;
  • de technische kwaliteitscriteria gedefinieerd door de academische en openbare overheden aangaande de gebruikte apparatuur en de interpretatie van de beeldopname eerbiedigen;
  • elke oneerlijke concurrentie en elk machtsmisbruik vermijden;
  • de vrije keuze van de patiënt en van zijn behandelend arts eerbiedigen met betrekking tot het te raadplegen borstcentrum in geval van twijfelachtige of positieve testen.

Het niet-naleven van deze bepalingen valt onder het gezag van de provinciale raden.

Honorariumpool03/04/2004 Documentcode: a104005
Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet - Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet – Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Naar aanleiding van artikel 112 van de wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg dat artikel 140 van de Ziekenhuiswet aanvult met een §5, stelt een artsensyndicaat vast dat de bevoegdheid van de Medische Raad aanzienlijk werd uitgebreid op het gebied van de onkostenproblematiek in ziekenhuizen daar een akkoord tussen de ziekenhuisbeheerder en de Medische Raad prevaleert op de individuele overeenkomsten van de ziekenhuisartsen.
Het artsensyndicaat vreest dat dit de collegialiteit onder de ziekenhuisartsen kan bedreigen en vraagt of de Nationale Raad zijn deontologische richtlijnen voor de leden van de Medische Raden van 29 januari 1994 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 64, juni 1994, p. 22) niet moet herbekijken in functie van de recente wetgeving.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 3 april 2004 besprak de Nationale Raad de impact op de medische deontologie van §5 die in artikel 140 van de Ziekenhuiswet werd ingevoegd door artikel 112 van de wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg. De ingevoegde paragraaf luidt: “De overeenstemming tussen de beheerder en de Medische Raad, als bedoeld in §§ 3 en 4 (van artikel 140) is bindend voor de betrokken ziekenhuisgeneesheren, niettegenstaande elk andersluidend beding in de individuele overeenkomsten en benoemingsakten bedoeld in artikel 131”. De bedoelde overeenstemming slaat op de inhoudingen ter dekking van de kosten veroorzaakt door de medische prestaties die niet door het budget worden vergoed en de inhoudingen ter verwezenlijking van de maatregelen om de medische prestaties in het ziekenhuis in stand te houden of te bevorderen, instandhoudingsvergoeding genoemd.

De Nationale Raad begrijpt dat de invoeging van deze paragraaf nadelig kan zijn voor sommige geneesheren maar meent dat het principe waarbij de solidariteit onder de ziekenhuisgeneesheren voorgaat op het belang van de individuele ziekenhuisarts dient onderschreven te worden.

Het cruciale punt is of de Medische Raad als vertegenwoordigend orgaan van de ziekenhuisgeneesheren voldoende rekening houdt met de belangen van de individuele geneesheren. Vanuit de medische deontologie dient hierover te worden gezegd dat het belang van de patiënt en de instandhouding en bevordering van de kwaliteit van de geïntegreerde zorgverlening de belangrijkste criteria horen te zijn. In dit verband verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 29/01/1994 betreffende de Medische Raad dat integraal van toepassing blijft.

De vrees wordt geopperd dat de beheerder leden van deze Medische Raad onder druk kan zetten om tot een overeenstemming te komen die voor sommige geneesheren niet billijk zou zijn. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de som van de door leden van de Medische Raad aan de beheerder gedane beloften niet gelijk is aan een besluit van de Medische Raad. Het gaat niet op leden van de Medische Raad persoonlijk aansprakelijk te stellen voor een besluit dat door de Medische Raad wordt genomen. De Nationale Raad herinnert aan artikel 30 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels betreffende de samenstelling en werking van de Medische Raad. Dit artikel zegt: “De leden van de Medische Raad stemmen mondeling behalve wanneer het een kwestie van personen betreft of indien een lid erom verzoekt; in deze gevallen gaat men over tot geheime stemming.”. Hieruit volgt dat bij delicate kwesties één lid volstaat om een geheime stemming te vragen. Het is aangewezen in het reglement van de Medische Raad te voorzien dat in de notulen van de vergaderingen van de Medische Raad, de verslaggeving over de tussenkomsten van de leden, betreffende de punten die bij geheime stemming worden beslist, niet nominatief gebeurt zodat elk lid zijn eigen mening kan zeggen alvorens tot de stemming wordt overgegaan. Dit laat een Medische Raad toe onpartijdig en onafhankelijk te beslissen.

De vraag wordt gesteld of het materieel aspect van de relaties onder ziekenhuisartsen niet kan worden opgelost door artikel 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer en het hoofdstuk van de Code over professionele samenwerking tussen artsen (titel IV, hoofdstuk IV). De medische deontologie laat toe dat de ziekenhuisartsen in onderling overleg beslissen tot de oprichting van een pool maar dat dienen zijzelf te beslissen en kan niet door de deontologie opgelegd worden. Ook artikel 132 van de Ziekenhuiswet voorziet in §2, 2°, in een vergoeding “gegrond op de verdeling van een ‘pool’ van vergoedingen per prestatie die voor het gehele ziekenhuis (of per dienst) wordt gevormd” als een van de mogelijkheden van vergoeding van de ziekenhuisgeneesheer.

Tenslotte meent de Nationale Raad dat de invoeging van §5 in artikel 140 van de Ziekenhuiswet niet meebrengt dat elke Medische Raad de vooraf bestaande en aan de bevoegde provinciale raad ter goedkeuring overgelegde regeling van de instandhoudingsvergoeding zoals bepaald in §§ 3 en 4 van artikel 140 opnieuw dient over te leggen aan de provinciale raad indien dit reeds eerder gebeurde. Dit belet echter een individuele geneesheer niet een beroep te doen op zijn provinciale raad indien hij meent dat de financiële regeling in zijn ziekenhuis strijdig is met de medische deontologie.

Geneeskunde (Arbeids-)16/11/2002 Documentcode: a099005
Militaire geneesheren en erkende artsen bij het leger - Kosten betreffende medische zorgen als extra-legaal voordeel voor de werknemer

Militaire geneesheren en erkende artsen bij het leger – Kosten betreffende medische zorgen als extra-legaal voordeel voor de werknemer

Naar aanleiding van het advies dat de Nationale Raad op 17 november 2001 uitbracht betreffende de geïntegreerde politie en gezondheidszorg (Tijdschrift Nationale Raad nr. 94, december 2001, p. 7), vraagt een arts

  1. of dit advies mutatis mutandis ook geldt voor de Medische Dienst van het Belgisch Leger. Goede huisartsgeneeskunde wordt immers gehinderd door de kosteloze zorgverlening aan rechthebbenden door legerartsen daar deze legerartsen in veel gevallen de functie van huisarts overnemen en het eveneens moeilijk is voor de huisarts om medische gegevens over militaire patiënten te bekomen;
  2. of genoemd advies mutatis mutandis ook geldt voor andere circuits van gratis (preventieve) geneeskunde zoals deze vaak via de werkgever georganiseerd worden;
  3. waar de grens ligt tussen de arbeidsgeneeskunde, de preventieve geneeskunde en de curatieve geneeskunde, dus wat wel via de werkgever mag georganiseerd worden en wat niet.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren besprak in zijn vergadering van 16 november 2002 uw brief van 14 januari 2002 en uw antwoorden van 3 november 2002 op bijkomende vragen.
Het betreft eerstens de vraag of het advies van de Nationale Raad van 17 november 2001 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 94, december 2001, p. 7) betreffende de erkende arts bij de geïntegreerde politie mutatis mutandis ook geldt voor de Medische Dienst van het Belgisch Leger, die ernstige hinder voor goede huisartsgeneeskunde zou teweegbrengen voor de rechthebbenden. Goede huisartsgeneeskunde zou hierdoor immers bemoeilijkt worden daar deze legerartsen in veel gevallen de functie van huisarts overnemen, en het eveneens moeilijk is voor de huisarts om medische gegevens te bekomen via deze dienst betreffende militaire patiënten.

Tevens vraagt u zich af waar de grens ligt tussen arbeidsgeneeskunde, preventieve geneeskunde en curatieve geneeskunde in dit opzicht, gelet op de andere bestaande circuits van gratis geneeskunde georganiseerd door de werkgever.

Vooreerst dient herinnerd dat een militair geneesheer alleen verplicht is tot inschrijving op de Lijst van de Orde der geneesheren indien hij de geneeskunde uitoefent buiten de uitoefening van zijn militair ambt. (KB nr. 79 van 11 november 1967, art. 2, §3). Dit heeft voor gevolg dat een advies van de Nationale Raad van de Orde niet van toepassing kan zijn op deze artsen. Daarentegen zijn burgerartsen bij het leger, Artsen Erkend door de Geneeskundige Dienst van de Krijgsmacht, wel tot inschrijving verplicht, en dient hun contract met de krijgsmacht aldus steeds ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde Provinciale Raad van de Orde. Deze Erkende Artsen hebben contractueel een zowel preventieve als curatieve opdracht die beperkt is tot de militairen. (zie Contract art. 4.1) Uiteraard dient hun vrije keuze van de patiënten steeds te worden gewaarborgd. Indien zij een beroep doen op een militair geneesheer of een erkend arts die niet zijn huisarts is, is de militaire geneesheer of erkende arts gehouden, op vraag van de patiënt, de nodige medische informatie aan zijn huisarts, al of niet beheerder van het Globaal Medisch Dossier, te bezorgen.

Uw vraag of de kwestieuze gratis geneeskunde door alle artsen aan militairen mag worden toegediend moet negatief beantwoord worden. Het behoort immers momenteel contractueel alleen tot de bevoegdheid van de Erkende Artsen om aan deze voorwaarden zorg aan te bieden. Aldus kunnen we stellen dat het advies betreffende de Erkende Artsen van de Federale Politie niet mutatis mutandis kan toegepast worden op Erkende Artsen bij de Krijgsmacht.

Omtrent het aanbieden van gratis geneeskundige zorgen, zij het preventief of curatief, heeft elke werkgever de mogelijkheid om aan zijn werknemers bepaalde extra-legale voordelen aan te bieden, uiteraard met respect voor de vrije keuze van de patiënt, met inachtname van de deontologische regels omtrent het onttrekken van patiënten aan een collega (art. 19, §2, Code van geneeskundige plichtenleer) en het ronselen van patiënten (art. 19, §1, Code van geneeskundige plichtenleer). Eveneens moet een geneesheer die binnen een bedrijf bepaalde zorgen verleent, onafhankelijk zorgen kunnen aanbieden. Hij kan in geen geval terzelfdertijd behandelaar en arbeidsgeneesheer zijn.

Op uw vraag of het past dat in een ziekenhuis aan een verpleegkundige gratis medische zorgen worden verleend door een geneesheer verwijst de Nationale Raad naar artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer dat bepaalt dat “het gebruikelijk is dat een geneesheer geen ereloon aanrekent voor zijn naaste verwanten en zijn medewerkers".

Tenslotte betreffende de grenzen van preventieve geneeskunde, de curatieve geneeskunde en de arbeidsgeneeskunde kunnen we stellen dat een arbeidsgeneesheer per definitie geen curatieve geneeskunde verstrekt. Zijn taak is essentieel preventief, administratief en adviserend, en ook hier gelden zoals steeds de Codeartikels inzake preventieve geneeskunde (artt. 104-112 Code van geneeskundige plichtenleer).

Advies van de Nationale Raad van 17 november 2001 betreffende geïntegreerde politie en gezondheidszorg, TNR nr. 94, december 2001, p. 7 :

Sinds 1 april 2001 is het nieuwe statuut voor de personeelsleden van de geïntegreerde politie van toepassing. Op enkele uitzonderingen na hebben nu alle leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie recht op kosteloze medische verzorging, op voorwaarde dat zij een arts van de medische dienst of een door de minister of de door hem aangewezen overheid erkende arts raadplegen.
De Nationale Raad ontving de voorbije maanden een aantal reacties op deze nieuwe wettelijke regeling. Telkens wordt de vraag gesteld of dergelijk systeem van zorgverstrekking de vrije artsenkeuze en de therapeutische vrijheid niet ernstig in het gedrang brengt.

Brief van de Nationale Raad aan de heer A. DUQUESNE, minister van Binnenlandse Zaken :

In zijn vergadering van 17 november 2001 besprak de Nationale Raad de deontologische implicaties betreffende de problematiek van de erkende geneesheer bij de geïntegreerde politie .

Het voordeel van de kosteloze medische bescherming werd uitgebreid tot alle leden van de diensten van de geïntegreerde politie ( KB nr. C –2001/0037 van 30 maart 2001, deel X, titel I, artikel X .1.1. tot 1.8., tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten).

De Nationale Raad werd herhaaldelijk, zowel door artsen ingeschreven op de Lijst van de Orde van geneesheren als door niet-artsen, om advies verzocht over de gevolgen, voor sommige regels van de geneeskundige plichtenleer, van het feit dat in het bijzonder vroegere leden van de gemeentepolitie een beroep zullen doen op de kosteloze zorgverlening door erkende artsen (de vroeger geheten aangenomen geneesheren van de rijkswacht).

De Nationale Raad is gevoelig voor de eerbiediging van de vrije artsenkeuze en kan niet aanvaarden dat een werkgever sociale voordelen toekent aan werknemers wanneer zij zich tot bepaalde artsen wenden die door deze werkgever zijn erkend. Dit wekt de vrees dat belangenconflicten kunnen ontstaan en de werkgever druk zou uitoefenen op zijn erkende geneesheren om b.v. streng te zijn bij het toekennen van afwezigheden wegens ziekte op ogenblikken dat alle werknemers best op post zijn.

De beslissing tot werkonderbreking en rust kan een onderdeel zijn van de behandeling zodat ook de therapeutische vrijheid door tussenkomst van de werkgever kan beïnvloed worden.
De meeste personeelsleden van de politiediensten hebben met hun gezin een eigen vrij gekozen vertrouwde huisarts. De bovenvermelde maatregel tast deze zeer belangrijke relatie aan daar sommigen zich gedwongen zullen voelen om naar een erkende geneesheer te gaan en hun vertrouwde huisarts te verlaten.

Dit betekent voor de Nationale Raad een ernstig probleem. Het is niet goed, noch voor deze arts-patiëntrelatie, noch voor de goede collegiale betrekkingen onder artsen.
De Nationale Raad is van mening dat de totstandkoming van de geïntegreerde politie moet aangegrepen worden om het statuut van de erkende geneesheer af te schaffen zodat alle leden van de politie met dezelfde sociale voordelen vrij hun huisarts kunnen blijven kiezen.

Beroepsgeheim19/10/2002 Documentcode: a099001
Medisch dossier in een rust- en verzorgingstehuis in het Waals Gewest

Een provinciale raad stelt twee vragen in verband met het advies van de Nationale Raad van 19 januari 2002 over het bijhouden van het medisch dossier in een rust- en verzorgingstehuis :

  1. werd de "Ontwerpbrief RVT" (zoals de titel van het advies in een eerste redactie luidde) definitief door de Nationale Raad goedgekeurd ?
  2. is er geen tegenspraak tussen de inhoud van deze ontwerpbrief en het besluit waarin gesteld wordt dat de tussenkomende artsen onder het gezag van de coördinator staan ?

Advies van de Nationale Raad :

Het antwoord op de vraag of dit advies definitief goedgekeurd werd door de Nationale Raad is : ja.

Het feit dat in de derde alinea “Ontwerpbrief RVT” staat, kan enige twijfel laten bestaan over deze goedkeuring. Men moet echter weten dat het aanvankelijk de Provinciale Raad X was die door het ministerie van het Waalse Gewest, directie Curatieve Geneeskunde, verzocht werd advies te verstrekken over het recht van een coördinerend arts om het medisch dossier in te kijken dat opgesteld werd door een collega die een bewoner behandelt.

De Raad X had een ontwerpantwoord opgesteld dat, gezien het algemene belang ervan, ter goedkeuring voorgelegd werd aan de Nationale Raad. De Nationale Raad heeft dit ontwerp besproken, gewijzigd en vervolgens goedgekeurd in de versie zoals gepubliceerd. Daarom vindt u “Ontwerpbrief RVT” in de verschenen tekst.

In verband met de waarde van het woord gezag - gebruikt in de Nederlandse versie van het advies - van de coördinerend arts ten opzichte van de optredende artsen, dient opgemerkt dat gezag geïnterpreteerd dient te worden in de strikte betekenis van de zin. Dit gezag slaat op de organisatie van de coördinatie en het bijhouden van de dossiers met nastreving van een consensus, en natuurlijk niet op de artsen zelf. De term férule die in het Franse originele document gebruikt wordt, moet in de figuurlijke betekenis ervan geïnterpreteerd worden.

Het gaat niet over de stok waarmee men vroeger op de handen sloeg van de leerlingen die iets fout hadden gedaan, maar veeleer over het stokje van de orkestleider die de accenten van elke deelnemer harmonieus op elkaar moet afstemmen.

Om elke dubbelzinnigheid uit de weg te ruimen, stelt de Nationale Raad voor de term “férule” te interpreteren als “responsabilité” (verantwoordelijkheid).

De laatste alinea van het advies van 19 januari 2002 wordt als volgt herschreven : "De Nationale Raad is van oordeel dat de inhoudelijke kwaliteit van de medische dossiers in de RVT's dient gewaarborgd te worden in onderling overleg tussen de raadgevend-coördinerend arts en de behandelende huisartsen onder de verantwoordelijkheid van de raadgevend-coördinerend arts."

Ter gelegenheid van deze rechtzetting wijst de Nationale Raad erop dat de oorspronkelijke vragen die gesteld werden door het Waalse Gewest betrekking hadden op de volgende zin in zijn advies van 16.09.2000 : “De Nationale Raad legt er de nadruk op dat de coördinerend arts geen inzagerecht heeft in het medisch dossier van een andere behandelende arts zonder zijn toestemming.” De vragen luidden : “Welke betekenis kent de Orde toe aan de inzage van het medisch dossier ?” en “Hoe denkt u dat een coördinerend arts het bijhouden van de medische dossiers kan coördineren zonder deze te openen, ook al staat de arts er weigerachtig tegenover ?”

Uit de discussie over het te verstrekken antwoord bleek al vlug dat er voor onze Raad twee wegen openstonden conform de wetgeving : ofwel leggen de artsen onder elkaar het in punt i van de organisatienormen bepaalde huishoudelijk reglement vast betreffende de medische activiteit en zoeken ze naar een oplossing in collegialiteit, ofwel schikken ze zich naar het door de beheerder opgestelde huishoudelijk reglement vastgelegd in punt 4 van de specifieke normen; dit reglement bevat de bepalingen die hun toegang tot de instelling regelen in het kader van de rechten en plichten van de bewoners en van de beheerder.

De Raad heeft de collegiale weg gekozen.