keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Commercialisatie van de geneeskunde17/01/2015 Documentcode: a148002
Samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 januari 2015 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw vraag van 1 augustus 2014 betreffende de samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra.

Sommige van deze centra trachten artsen in te schakelen voor verstrekkingen inzonderheid op het gebied van voeding, dermatologie en esthetische geneeskunde.

1° De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat (artikel 10 van de Code van plichtenleer).

Het is in strijd met de plichtenleer dat een arts raadplegingen, voorschriften of medische adviezen verstrekt in handelscentra of op om het even welke plek waar door hem voorgeschreven of door hem gebruikte geneesmiddelen, producten of apparaten worden verkocht.

De arts mag zich bij zijn zorgaanbod slechts laten leiden door het belang van de patiënt en niet door persoonlijk voordeel.

De beroepsonafhankelijkheid van de arts vormt de basis van de vertrouwensrelatie met de patiënt. Daarnaast wettigt ze het vertrouwen van de maatschappij en impliceert ze dat de arts zijn verantwoordelijkheid opneemt bij het beheer van de middelen van de gemeenschap.

De arts mag zich niet laten beïnvloeden - of de schijn hiervan opwekken - door een ander doel dan de gezondheid van de patiënt, zoals de verkoop door derden van cosmeticaproducten of diensten (massage, epilatie, gymlessen, enz.).

Hij moet vermijden dat een handelszaak gebruik maakt van zijn activiteit om patiënten aan te trekken door bijvoorbeeld gewag te maken van medisch toezicht of medisch advies.

De arts moet er zich tegen verzetten dat handelszaken zijn naam of zijn beroepsactiviteit gebruiken voor reclamedoeleinden.
De ronseling van patiënten of de collusie via dergelijke centra zijn verboden.

Bij de uitoefening van zijn beroep dient de arts slechts samen te werken met personen die beschikken over de beroepskwalificaties die zijn vereist door de wetgeving betreffende de gezondheidszorgberoepen (met name artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

Hij weigert zijn medewerking te verlenen aan eender welke vorm van onwettige uitoefening van de geneeskunde.

2° Voordat een arts start met zijn praktijk op een plek die hij deelt met andere beroepen moet hij informatie inwinnen over de structuur van de onderneming, de activiteiten die er worden uitgeoefend en de uitoefeningsvoorwaarden voor zijn praktijk.

De geneeskunde moet worden beoefend in een omgeving die de uitoefening van een kwaliteitsvolle geneeskunde stimuleert. Dit vergt lokalen waarin het medisch geheim kan worden gevrijwaard, waarin wordt voldaan aan de eisen inzake hygiëne, die correct zijn uitgerust met het oog op de handelingen die er worden verricht en die waarborgen dat de bewaring en de inzage van de medische dossiers gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de arts.

De Nationale Raad herinnert eraan dat elke overeenkomst tussen artsen of artsen-vennootschappen en niet-artsen en die een invloed kan hebben op de deontologische aspecten van de beroepsuitoefening van de arts schriftelijk dient te worden vastgelegd en slechts mag worden ondertekend nadat het ontwerp ervan op deontologisch vlak werd goedgekeurd door de bevoegde provinciale raad en dat hetzelfde geldt voor elke wijziging van een dergelijke overeenkomst (artikel 173, § 1, van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Bij de beoordeling van deze overeenkomsten gaat de provinciale raad na of de samenwerking in overeenstemming is met de regels van geneeskundige plichtenleer.

De provinciale raad controleert of de arts bij de bekendmaking van zijn activiteit de deontologische en wettelijke regels naleeft, met name de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen.

3° Wat meer bepaald de verstrekkingen van esthetische geneeskunde betreft, verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 20 september 2014, "Problematiek van inrichtingen die patiënten laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep", Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 147.

Voorts verwijst hij naar zijn advies van 16 april 2011, "Toediening van botulinetoxine (botox)", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 133.

Chirurgie20/09/2014 Documentcode: a147006
Problematiek van inrichtingen die patiënten laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft de problematiek van de inrichtingen die niet onder de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen vallen en die patiënten er laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep, onderzocht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 september 2014 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de problematiek van de inrichtingen die niet onder de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen vallen en die patiënten er laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep.

1° Het is jammer dat er nog steeds geen juridisch kader is waarin de architecturale, organisatorische en functionele erkenningsnormen zijn vastgelegd voor deze extramurale inrichtingen waarin allerhande, min of meer invasieve, heelkundige ingrepen worden verricht.

De artsen die werkzaam zijn in deze inrichtingen zijn verantwoordelijk voor het vervullen van de medische veiligheidsvoorwaarden die inherent zijn aan het soort handelingen dat zij verrichten (cardiovasculaire monitoring, reanimatieapparatuur, toegankelijkheid van de lokalen, noodoproepbeantwoording, sterilisatie,...) en die de kwaliteit van de zorg en de veiligheid van de patiënten waarborgen.

2° De wetgever heeft verplicht gesteld dat de functie "chirurgische daghospitalisatie" waarvan sprake in de wet op de ziekenhuizen zich op dezelfde vestigingsplaats bevindt of dat er een functionele binding is met een algemeen ziekenhuis1.

De Nationale Raad meent dat het vanuit deontologisch oogpunt raadzaam is dat de arts die een esthetische chirurgische ingreep verricht of eraan meewerkt in een inrichting die niet onder de wet op de ziekenhuizen valt, zich er tevens van vergewist dat deze inrichting een overeenkomst heeft met een ziekenhuis om eventuele ongelukken of complicaties zo optimaal mogelijk op te vangen. Dit ziekenhuis dient gevestigd te zijn in de nabijheid en over een MUG-eenheid2 te beschikken.

3° Indien een patiënt medisch toezicht vereist na een heelkundige ingreep dient hij te worden opgenomen in een inrichting die onder de voornoemde wet van 10 juli 2008 valt zodat hij een postoperatief toezicht geniet dat voldoet aan de kwaliteitscriteria en dat de mogelijkheid waarborgt om in te grijpen in spoedsituaties.

Indien de toestand van de patiënt geen hospitalisatie vergt, is de arts die de ingreep heeft verricht verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg; hij mag zich niet ontdoen van deze verantwoordelijkheid door de patiënt die hij heeft geopereerd toe te vertrouwen aan een niet-aangepaste inrichting die de patiënt een vals veiligheidsgevoel geeft.

Zoals bij het ontslag uit een functie "chirurgische daghospitalisatie"3, dient steeds een schriftelijk verslag te worden bezorgd aan de behandelend arts of aan de patiënt, waarin de toegediende zorg en de nodige nazorg worden beschreven.

4° De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat4.

Elke overeenkomst tussen artsen of artsenvennootschappen en niet-artsen is verboden wanneer ze aanleiding kan geven tot misbruik of beperking van de diagnostische of therapeutische vrijheid of wanneer ze de kwaliteit van de zorg in het gedrang kan brengen5.

Het uitbaten door een arts van een verblijfshotel dat gekoppeld is aan een extramurale inrichting waarin hij heelkundige esthetische ingrepen verricht, kan leiden tot belangenvermenging met mogelijke impact op de objectiviteit van de therapeutische keuzes en kan een commercieel karakter vertonen.

Bijlage : 1

Kopie aan alle provinciale raden

1.Artikel 1, §§ 3 en 4, van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend
2.Koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.
3.Artikel 7, 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend
4.Artikel 10 van de Code van geneeskundige plichtenleer
5.Artikel 173 van de Code van geneeskundige plichtenleer

Chirurgie20/11/2010 Documentcode: a132004
Advies aangaande drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen

Er werden drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen voor advies aan de Nationale Raad voorgelegd. Deze voorstellen hebben tot doel de reclame voor deze cosmetische ingrepen, de medische beroepskwalificaties vereist om deze ingrepen uit te voeren en de instellingen buiten het ziekenhuis waar ze uitgevoerd worden te reglementeren.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 november 2010 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen die u hem ter advies voorgelegd had.

De Nationale Raad is het eens met de beginselen die erin vervat zijn en die tegemoetkomen aan de bekommernissen die hij naar voren bracht in zijn brief van 25 september 2008.

Deze voorstellen zijn in overeenstemming met de geneeskundige plichtenleer en hebben tot doel het belang van de patiënt te beschermen en de kwaliteit van de hem toegediende zorg te bevorderen.

Ze vullen elkaar aan en zijn gerechtvaardigd door de noodzaak ter zake wetten op te stellen op drie gebieden : reclame, kwalificatievereisten van de arts en de vereiste normen voor de instellingen buiten het ziekenhuis.

De Nationale Raad maakt de volgende opmerkingen :

1. Hij acht het onontbeerlijk dat een door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren aangewezen arts deel uitmaakt van het College bedoeld bij artikel 10 van het wetsvoorstel tot regeling van de instellingen buiten het ziekenhuis waar invasieve esthetische ingrepen worden uitgevoerd.

2. Artikel 4 van het wetsvoorstel tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren handelt over ingrepen van invasieve medische cosmetiek bij minderjarigen.

De Nationale Raad meent dat een zo belangrijke bepaling veeleer opgenomen dient te zijn in de wet betreffende de rechten van de patiënt dan in deze betreffende de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren. Ze vormt immers een uitzondering op artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt dat bepaalt dat de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zijn rechten zelfstandig kan uitoefenen.

Hij meent dat de schriftelijke toestemming van alle wettelijke vertegenwoordigers gevraagd dient te worden en niet van één enkele.

Deze bepaling zou moeten stellen dat de minderjarige patiënt bij de beslissing betrokken dient te worden rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De weigering tot instemming van de minderjarige met een invasieve esthetische ingreep, die per definitie (artikel 2, 1°, van het voorstel) geen therapeutisch noch reconstructief doel heeft en waarvoor geen terugbetaling door de verplichte ziekteverzekeringsregeling is bepaald, moet een definitief obstakel voor de uitvoering van dergelijke ingreep vormen.

Het overleg dat voorafgaat aan de uitvoering van een dergelijke ingreep zou het werk moeten zijn van een multidisciplinair team dat ten minste samengesteld is uit de huisarts van de minderjarige, een kinderarts en een (kinder)psychiater of (kinder)psycholoog.

Er zou nader bepaald moeten worden waarover het overleg dient te gaan en er zou minstens gesteld moeten worden dat het tot doel heeft te beoordelen of de geplande esthetische ingreep geen schade berokkent aan de geestelijke en fysieke gezondheid van de minderjarige.

Er zou een minimumtermijn vastgelegd moeten worden tussen het uitbrengen van de toestemming en de uitvoering van de ingreep aangezien deze van nature niet-dringend is wegens niet-therapeutisch.

Artikel 6 voorziet in de invoering van een opleiding in de "niet-chirurgische medische cosmetiek" die leidt tot een bijzondere beroepstitel waarvan het niveau niet nader wordt bepaald.

De Nationale Raad meent dat het niet kan gaan over een titel die is opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde. Deze titel moet zijn opgenomen in artikel 2 van dit koninklijk zodat hij toegankelijk is voor de artsen die reeds een beroepstitel bezitten.

Voorts merkt de Nationale Raad op dat de invoering van een beroepstitel de taak is van de minister onder wiens bevoegdheid de gezondheid valt, op advies van de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen.

Artikel 10 van dit voorstel blijkt overbodig bij de lezing van de artikelen 6 en 7 gezien de definitie die in artikel 2, 2° gegeven wordt van de invasieve medische cosmetiek.

De artikelen 13, 14 en 15 waarvan de inhoud essentieel is, zouden eveneens aan relevantie winnen indien ze zouden opgenomen worden in de wet betreffende de rechten van de patiënt in plaats van in de wet betreffende de vereiste beroepskwalificaties van de arts.

3. Artikel 4, 5de lid, van het wetsvoorstel tot regeling van de reclame voor cosmetische ingrepen bepaalt dat "persoonlijke informatie steeds moet vermelden met welke titel de beoefenaar bij de Orde der Geneesheren is ingeschreven".

Aangezien de artsen bij de Orde niet ingeschreven zijn onder een bijzondere titel, zou het gepaster zijn dat de beoefenaar melding dient te maken van de beroepstitel(s), zoals voorzien in het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 die hij bezit.

Het zou zinvol zijn in dit artikel te bepalen dat getuigenissen of afbeeldingen van patiënten niet mogen worden gebruikt.

Artikel 4, 6de lid, gaat over de informatie die betrekking heeft op één of meer welbepaalde cosmetische ingrepen. De Nationale Raad stelt zich vragen over de toelaatbaarheid van dergelijke reclame aangezien het eerste lid van ditzelfde artikel stelt dat reclame voor ingrepen van medische cosmetiek verboden is.

Bovendien schrijft de wet betreffende de rechten van de patiënt voor dat de in dit lid opgesomde informatie aan de patiënt verschaft moet worden.

4. Er bestaat een discrepantie tussen de titels van de teksten in hun Franstalige versie : er wordt ofwel verwezen naar "interventions à visée esthétique" ofwel naar "actes d'esthétique".
Deze discrepantie bestaat eveneens binnen de tekst zelf.

In het Nederlands zou de term "cosmetisch" vervangen moeten worden door "esthetisch".

De definities van de medische esthetische ingreep en van de invasieve medische esthetische ingreep in de verschillende voorstellen overlappen elkaar niet, hetgeen leidt tot verwarring.

Bovendien zou de overeenstemming tussen de Franstalige en Nederlandstalige versies van deze definities herzien moeten worden (zie bv. artikel 5 van het wetsvoorstel tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren).

De Nationale Raad blijft te uwer beschikking voor elk onderhoud of elke informatie die u nuttig zou achten.

Commercialisatie van de geneeskunde02/10/2010 Documentcode: a131013
Draagmoeder

De procureur des Konings van Brussel vraagt de Nationale Raad een advies omtrent de adoptie van een kind geboren uit een draagmoeder.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 2 oktober 2010 heeft de Nationale Raad uw brief betreffende zwangerschap voor een ander, ook draagmoederschap of nog substitutiemoederschap genoemd, besproken.

Uitgezonderd een reeds oud advies van 20 oktober 1990 (TNR nr. 51, blz. 20) in verband met een bijzondere situatie van draagmoederschap, heeft de Nationale Raad geen advies verstrekt over zwangerschap voor een ander. Hij ontving hierover overigens geen enkele vraag, wat laat vermoeden dat de procedure weinig problemen met zich brengt met uitzondering van de zeldzame geschillen bij de overdracht van de ouderschapsrechten en -plichten van de draagmoeder aan het wenskoppel die behandeld werden of worden voor de rechtbank (Burg. Jeugdrechtbank Turnhout, 4 oktober 2000, R.W. 2001-2002, p. 206, en Antwerpen, 14 januari 2008, R.W. 2007-2008, p. 1774). De procedure van draagmoederschap is complex en doet tal van juridische, ethische en deontologische problemen rijzen. Over deze vragen bestaat heel wat literatuur en ze worden in detail geanalyseerd in het advies nr. 30 van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek van 5 juli 2004 waarnaar de Nationale Raad verwijst (zie bijlage).

Volgens ons weten is deze aanpak van onvruchtbaarheid verboden in Frankrijk, Spanje en Duitsland. In België, Nederland, Finland en Denemarken wordt hij geduld zonder vastgelegd of omkaderd te zijn door enige wet. In de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zuid-Afrika daarentegen is hij gereguleerd. In België blijft de praktijk beperkt tot een klein aantal centra die overigens betrokken zijn bij in vitro fertilisatie. Deze centra beschikken over de nodige expertise evenals over de nodige psychologische en juridische omkadering. Het aantal zwangerschappen in dit kader is niet gekend, maar blijkbaar zou slechts uitzonderlijk een beroep gedaan worden op deze techniek. In de Verenigde Staten werden sedert 1994 10.000 kinderen geboren dankzij de zwangerschap voor een ander, in Groot-Brittannië vermeldt men 437 geboortes volgens deze procedure tussen 1998 en 2002, d.i. minder dan 1% van de in vitro fertilisatiebehandelingen.

Bij ontstentenis van een legaal kader, wenst de Nationale Raad zich te beperken tot het verstrekken van enkele fundamentele deontologische aanbevelingen voor de artsen die bij deze praktijk betrokken zijn:

1. De indicatie moet beperkt zijn tot onomkeerbare medische situaties die elke zwangerschap bij de wensmoeder onmogelijk maken. Gezien de vooruitgang op het gebied van onvruchtbaarheidsbehandelingen zouden deze situaties in de toekomst alsmaar zeldzamer moeten worden. De Nationale Raad kan niet aanvaarden dat op deze praktijk een beroep gedaan zou worden om gemaks- of esthetische redenen.

2. De kandidaat-gestationele moeder (draagmoeder) dient een medisch, psychologisch en sociaal onderzoek te ondergaan. Dit onderzoek heeft een tweevoudig doel : nagaan wat haar motieven zijn en zich ervan vergewissen dat de zwangerschap geen ernstige risico's inhoudt voor de moeder of voor het kind. Ze moet ingelicht worden over de risico's op medische complicaties die gepaard gaan met het draagmoederschap alsook over de juridische procedures die eraan verbonden zijn. Tot slot wordt gevraagd dat ze reeds een zwangerschap heeft doorgemaakt.

3. Conform het beginsel van de niet-commercialisering van het menselijk lichaam mag deze praktijk geen aanleiding geven tot een commerciële afdwaling. Het lijkt evenwel gerechtvaardigd dat de draagmoeder vergoed wordt voor de tijd en het ongemak die gepaard gaan met de zwangerschap en dat alle kosten voor juridisch advies en psychologische begeleiding en de medische kosten ten laste genomen worden door het wenskoppel.

Deze vergoeding moet redelijk zijn en het bedrag ervan mag niet van dien aard zijn dat het de vrije en vooringelichte toestemming van de gevraagde substitutiemoeder kan beïnvloeden. In dit opzicht beveelt de Nationale Raad aan dat het aantal zwangerschappen per draagmoeder beperkt zou worden. Het verontrust hem dat op het internet sites opduiken voor de rekrutering van kandidaat-draagmoeders. Deze sites lijken commerciële doeleinden te hebben.

4. De Nationale Raad beklemtoont dat in deze procedure het kind de meest kwetsbare partij lijkt te zijn. Afstammend van een draagmoeder van wie het, in geval van in vitro fertilisatie, niet het genetisch patrimonium deelt en geadopteerd door de wensmoeder die het ouderlijk gezag uitoefent, blijken deze kinderen, wat de psychologische evolutie betreft, niet meer problemen te vertonen dan de kinderen die geadopteerd werden volgens de gebruikelijke procedures. De Nationale Raad acht het zinvol erop te wijzen dat de oudsten onder hen nu de kritieke leeftijd van de adolescentie bereiken. De studies die uitgevoerd worden zijn weinig talrijk en moeilijk aangezien ze het risico inhouden het kind te stigmatiseren. Het is dan ook zeer belangrijk te zorgen voor een zo goed mogelijke begeleiding en omkadering van de betrokken kinderen en ouders.


Bijlage : advies nr. 30 van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek van 5 juli 2004

Commercialisatie van de geneeskunde30/05/2009 Documentcode: a126018
Preventieve geneeskunde - Service “Total Body Scans” aangeboden door Royal Hospitals

Preventieve geneeskunde – Service “Total Body Scans” aangeboden door Royal Hospitals

In de media kan men lezen dat Royal Hospitals in België systematisch bij een check-up “Total body-Scans” aanbiedt. Senator L. Ide heeft zijn provinciale raad van de Orde van geneesheren over deze problematiek aangeschreven.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft in zijn vergadering van 30 mei 2009 uw brief van 10 februari 2009 besproken aangaande de preventieve “Total body Scans”, een service die ook in België aangeboden wordt door Royal Hospitals en waarbij ziekenhuizen en artsen aangesproken worden om deze service te promoten.

De organisatie van medische preventie is lovenswaardig. In de organisatie van preventie is de overheid beperkt qua financiële middelen en dit brengt met zich dat private niet-commerciële organisaties dit gedeelte van de medische zorg op zich kunnen nemen.

Elke vorm van preventieve geneeskunde, ook al wordt ze aangeboden door een privaat initiatief, moet voldoen aan een aantal wetenschappelijke vereisten.

Dit veronderstelt dat een preventief onderzoek gefundeerd moet zijn op formele, controleerbare wetenschappelijke waardebewijzen (evidence based), dat het positief resultaat op morbiditeit, mortaliteit, levensverwachting en levenskwaliteit onomstotelijk aangetoond moet zijn, dat een preventief onderzoek geen schade mag toebrengen die niet in verhouding staat tot het beoogde nut en dat de patiënt (of hier de cliënt) bewust en geïnformeerd zonder valse verwachtingen of geruststelling moet kunnen opteren voor een preventief gezondheidsonderzoek.

Een formele wetenschappelijke evidentie voor preventie door middel van “Total Body Scans “ is niet terug te vinden in de wetenschappelijk erkende medische literatuur:

  • Het resultaat van deze vorm van screening kan nooit met zekerheid de afwezigheid van een pathologie waarborgen en schept dus valse verwachtingen;
  • Uitgebreide medische beeldvorming zonder vooraf gestelde indicatie roept talloze vragen op. Veel niet-specifieke toevallige bevindingen zullen leiden tot onnodige bijkomende en dure onderzoeken en tot ongerustheid bij de patiënt;
  • De schadeloosheid van MRI op grote schaal en op repetitieve basis is nog niet volledig gedocumenteerd. De risico’s van ioniserende stralen (cfr. CT-scan) zijn daarentegen wel duidelijk vastgesteld. Er is een significante toename van het risico op kanker door een CT-scan;
  • De kostprijs van dergelijk preventief onderzoek staat buiten alle verhouding met de gangbare verzekeringstarieven voor deze onderzoeken, zoals in ons land gehanteerd. Royal Hospitals werkt met eigen financiële middelen en de ziekteverzekering komt niet tussen in de kosten, wat leidt tot onaanvaardbare sociale verschillen.

Men kan bijgevolg stellen dat het uitvoeren van preventieve geneeskundige onderzoeken die niet uitgaan van initiatieven van de overheid, zinvol kunnen zijn als zij voldoen aan een aantal wetenschappelijke en deontologische criteria.

Geenszins mag dit een commerciële geneeskunde worden, gefundeerd op het ronselen en misleiden van “patiënten“.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren is van mening dat het project “Total Body Scans“ van Royal Hospitals niet voldoet aan deze vereisten en de artsen hieraan niet mogen meewerken.

Cc.
dokter Christian DELCOUR, voorzitter van het Consilium Radiologicum Belgicum
professor K. VERSTRAETE

Commercialisatie van de geneeskunde22/12/2007 Documentcode: a119009
Problematiek van de weefsel- en celbanken - winstoogmerk

De Nationale Raad besprak de problematiek van de weefsel- en celbanken, meer bepaald de ontwikkeling van een commerciële uitbating ervan.
De uiterste datum voor het omzetten in Belgisch recht van de door het Europees Parlement in maart 2004 uitgevaardigde Richtlijn 2004/23/EG was 7 april 2006. De Nationale Raad stelt echter vast dat dit tot op heden niet gebeurde. Hij besluit er bij de minister op aan te dringen om hiervan zo snel mogelijk werk te maken.

BRIEF AAN MEVROUW LAURETTE ONKELINX, MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN VOLKSGEZONDHEID :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 22 december 2007 de problematiek van de weefsel- en celbanken besproken.

Naast de orgaantransplantaties maken de weefseltransplantaties (hoornvlies, beenderen, enz.) maar ook de stamcellen (van perifeer bloed, van de navelstreng, enz.) steeds meer deel uit van de therapie. Zeer waarschijnlijk zijn deze transplantaties geroepen een steeds grotere rol te spelen in de behandeling van deficitaire syndromen, van genetische afwijkingen en van proliferatieve of degeneratieve aandoeningen.

Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek maakt in zijn advies 42 voorbehoud over de ontwikkeling van commerciële banken van navelstrengstamcellen in België. Het koninklijk besluit van 23 december 2002 betreffende het wegnemen, bewaren, bereiden, invoeren, vervoeren, distribueren en afleveren van weefsels van menselijke oorsprong alsook betreffende de banken voor weefsels van menselijke oorsprong verbiedt expliciet in artikel 2 :

“Onverminderd de principes vastgelegd bij de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, inzonderheid op artikel 4, § 1, zijn bovendien verboden, met betrekking tot weefsels;

6° het nastreven van een winstoogmerk; “.

Dit KB werd vernietigd door de Raad van State op basis van argumenten van rechtswege (arrest nr. 141.137 van 24 februari 2005, B.S. 10 april 2006).

In diezelfde materie heeft het Europees Parlement in maart 2004 de Richtlijn 2004/23/EG uitgevaardigd tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (Publicatieblad L102 van 07.04.04, p. 0048-0058).

Naast aanbevelingen om de kwaliteit van de te transplanteren weefsels en cellen te waarborgen en te controleren, stelt de richtlijn in haar artikel 12 :

“De lidstaten beijveren zich om ervoor te zorgen dat het verkrijgen van weefsels en cellen als zodanig zonder winstoogmerk geschiedt.”

Tot op heden werd deze richtlijn niet omgezet in het Belgisch recht. De Nationale Raad is zo vrij aan te dringen op het belang deze richtlijn zo vlug mogelijk om te zetten om de juridische leegte op te vullen en de ontwikkeling van een commerciële uitbating van weefsel- en celbanken te verhinderen. Deze exploitatie zou immers een discriminatie kunnen scheppen binnen de bevolking wat betreft de toegang tot de therapeutische mogelijkheden geboden door de transplantatie van cellen en weefsels.

Commercialisatie van de geneeskunde12/05/2007 Documentcode: a117006
Rubriek "Plastische chirurgie" in de Gouden Gids

Rubriek “Plastische chirurgie” in de Gouden Gids

Verschillende artsen werden door de Gouden Gids gecontacteerd met de vraag om te adverteren in een nieuwe, op vraag van het publiek ingelaste, rubriek “Plastische chirurgie”. Hierin kunnen naast plastische chirurgen ook dermatologen en zelfs niet-artsen staan. Er zijn evenmin beperkingen naar inhoud. Men kan dus publiciteit voeren voor het specifieke terrein van de plastische of esthetische chirurgie waarin men actief is en dit in een regel van 1 mm tot een zone van 5 cm op 10.
Deze artsen vragen aan de Nationale Raad of een dergelijke, louter uit commerciële overwegingen gecreëerde rubriek deontologisch aanvaardbaar is.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren wordt op de hoogte gebracht van de toekomstige plannen om, naast de rubriek “Doctors in de geneeskunde”, een rubriek “Plastische chirurgie” op te nemen in de Gouden Gids voor heel België.

Hij neemt er kennis van dat deze nieuwe rubriek reeds opgenomen is in de Gouden Gids 2006-2007 van Antwerpen en van Mechelen.

De Nationale Raad vindt dit onrustwekkend. Hij stelt vast dat deze rubriek een allegaartje is van personen die “ingrepen met een esthetisch doeleinde” verrichten. Deze personen blijken niet steeds houder te zijn van de beroepstitel van geneesheer-specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische heelkunde, zoals beschermd door het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. Bovendien vermeldt de rubriek “plastische chirurgie” heel wat personen die geen arts zijn of instellingen met een doel dat weinig te maken heeft met plastische chirurgie (thalassotherapie, voedingsadvies om te vermageren, zonnebanken, schoonheidssalons, enz.).

Artikel 35 quater van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt : “Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort hiertoe te zijn erkend.” Hieruit volgt dat het wettelijk niet toegelaten is een van de in het koninklijk besluit van 25 november 1991 opgenomen titels te vermelden zonder hiertoe erkend te zijn door de bevoegde overheid. Bijgevolg dient de rubriek “plastische chirurgie” voorbehouden te zijn aan de geneesheren die erkend zijn als specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische chirurgie.

Voorts meent de Nationale Raad dat de opname van niet-artsen en van artsen die niet erkend zijn als specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische chirurgie misleidende reclame vormt, wat strijdig is met artikel 4 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de de misleidende en vergelijkende reclame (1).

De Nationale Raad meent dat deze reclame van aard is in de perceptie van de bevolking de esthetische en reconstructieve chirurgie te banaliseren wat schadelijk is voor de volksgezondheid.

De Nationale Raad is van oordeel dat Promedia de bevolking een grote dienst zou bewijzen door voor elk erkend medisch specialisme een bijzondere rubriek in te lassen. Elk van deze rubrieken zou slechts personen mogen vermelden die gemachtigd zijn de beroepstitel van de rubriek in kwestie te dragen.

De Nationale Raad maakt zijn standpunt over aan Promedia, het bedrijf dat de Gouden Gids uitgeeft.

1. Dit artikel luidt als volgt : “Onverminderd de toepassing van strengere wetten, is inzake vrije beroepen elke misleidende reclame verboden. Misleidende reclame is elke vorm van reclame die op enigerlei wijze, daaronder begrepen de opmaak ervan, de personen tot wie ze zich richt of die ze aanbelangt, misleidt of kan misleiden en die door haar misleidend karakter hun economisch gedrag kan beïnvloeden, of die daardoor aan een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen.”
Commercialisatie van de geneeskunde12/05/2007 Documentcode: a117003
Medewerking van artsen aan beurzen in verband met cosmetische behandelingen

Een product manager wil een infobeurs inrichten waar allerhande schoonheidsproducten, -behandelingen en –operaties worden voorgesteld in combinatie met een lezingenprogramma waarin alle voor- en nadelen ten behoeve van het grote publiek besproken worden. Zij vraagt welke de richtlijnen van de Nationale Raad zijn met betrekking tot de medewerking van artsen aan dergelijke cosmetische beurzen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad verwijst in de eerste plaats naar artikel 10 van de Code van geneeskundige plichtenleer onder titel I, hoofdstuk II betreffende de algemene plichten van de geneesheer, en naar de artikels 12 tot 17 van de Code onder titel I, hoofdstuk III betreffende publiciteit. De teksten van deze artikels luiden als volgt:

“Titel I, Hoofdstuk II Algemene plichten van de geneesheer.

Art. 10

De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat.

Titel I, Hoofdstuk III Publiciteit.

Art. 12

Mits naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen geneesheren hun medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

Art. 13

§1. De verstrekte informatie dient waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk te zijn. Zij mag in geen geval misleiden. Zij mag niet vergelijkend zijn.
Resultaten van onderzoeken en behandelingen mogen niet voor publicitaire doeleinden worden aangewend.

§2. Publiciteit mag het algemeen belang inzake de volksgezondheid niet schaden. Zij mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen.
Ronseling van patiënten is niet toegelaten.
De campagnes voor preventie en vroegdetectie dienen wetenschappelijk onderbouwd te zijn en vereisen de voorafgaande toelating van de bevoegde ordinale instantie.

§3. Bij het voeren van publiciteit dienen de geneesheren de regels van het medisch beroepsgeheim te eerbiedigen.

Art. 14

De verwoording en vormgeving van de publiciteit evenals de hierbij gebruikte methoden en technieken - inclusief internetsites, naamborden, briefhoofden en vermeldingen in gidsen - moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 13.

Art. 15

Geneesheren dienen zich daadwerkelijk te verzetten tegen elke door derden gevoerde publiciteit, betreffende hun medische activiteit, die de bepalingen van dit hoofdstuk niet naleeft.

Art. 16

Geneesheren mogen hun medewerking verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek. Hierbij dienen de bepalingen van dit hoofdstuk nageleefd te worden.

De geneesheer zal voorafgaandelijk de provinciale raad waarbij hij ingeschreven is inlichten over zijn medewerking met de media.

Art. 17

Wanneer patiënten door de media betrokken worden bij het informeren van het publiek mogen geneesheren alleen meewerken voor zover de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van deze patiënten geëerbiedigd worden. In die omstandigheden dienen de geneesheren er zich van te vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd werden en vrij toestemden tot medewerking.”

Op grond van artikel 10 stelt de Nationale Raad dat de medewerking van artsen aan beurzen met handelskarakter niet aanvaardbaar is. Noch de medewerking van artsen op dergelijke beurzen, noch het vermelden van de namen van artsen en/of ziekenhuizen op de beurs of de aankondiging/folders zelf is deontologisch aanvaardbaar.

De Nationale Raad meent daarenboven dat de deelname van artsen aan een seminarieprogramma met voor het brede publiek toegankelijke infosessies tijdens dergelijke beurzen in de regel niet aangewezen is. In eerste instantie kan een patiënt best informatie inwinnen bij zijn huisarts of behandelend arts die beter geplaatst is om de individuele toestand te beoordelen.

Uitzonderlijk kan de deelname van een arts aan een seminarieprogramma met infosessies in overweging genomen worden mits de betrokken arts een op wetenschappelijk vlak erkende autoriteit is, zijn naam niet vermeld wordt noch in de aankondiging, noch in folders of brochures, en ook niet nadien in enige vorm van verslaggeving.

De Nationale Raad verwijst in het bijzonder ook naar alinea 1 van artikel 16 van de Code van geneeskundige plichtenleer, volgens dewelke geneesheren hun medewerking mogen verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek. Dit betekent dat de deelname enkel kan indien het informatieve karakter niet bijkomstig is. Bovendien herinnert de Nationale Raad eraan dat de arts zijn deelname dient te melden aan de Provinciale Raad waarbij hij ingeschreven is.

Commercialisatie van de geneeskunde14/12/2002 Documentcode: a099011
Vergoeding van gametendonoren

De voorzitter van de commissie voor medische ethiek van een ziekenhuis vraagt welke de richtlijnen zijn van de Nationale Raad met betrekking tot een vergoeding voor gametendonoren.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van oordeel dat een billijke vergoeding van de gametendonoren in overweging kan genomen worden. Deze compensatie dient gebaseerd te zijn op onder meer een redelijke evaluatie van de bestede tijd, de ongemakken, de risico’s die geassocieerd zijn met het geven van bijvoorbeeld ovocyten en kan niet gezien worden als een betaling voor de gameten zelf. Hierbij dient er evenwel rekening mee gehouden te worden dat noch het menselijk lichaam noch bepaalde delen ervan het voorwerp mogen uitmaken van een commerciële activiteit. Het is aangewezen dat fertiliteitscentra omtrent de voorgestelde billijke vergoeding afspraken maken.

De Nationale Raad herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 88, al. 3, van de Code van geneeskundige plichtenleer “ieder experiment op het vlak van procreatie een hoogstaande competentie, een buitengewone omzichtigheid, de instemming van de betrokken personen en het te rade gaan bij een commissie voor ethiek vereist”. Gezien het zeer lange tijdsinterval vooraleer betwistingen ontstaan, is een schriftelijke instemming van zowel receptoren als donoren aangewezen. Deze informed consent dient ook de juridische aspecten, o.a. het onvoorwaardelijk afstand doen van het (de) hieruit geboren kind(eren), ondubbelzinnig te regelen.

Meer informatie vindt u in het artikel “Financial incentives in recruitment of oocyte donors”, opgesteld door “The Ethics Committee of the American Society for Reproductive Medicine” (Fertility and Sterility, vol. 74, nr. 2, augustus 2000).
De Nationale Raad verwijst in dit verband eveneens naar het advies nummer 18 van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek van België betreffende het onderzoek op het menselijk embryo in vitro, uitgebracht op 16 september 2002.