keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

2

pagina

Onafhankelijkheid van het beroep16/11/2002 Documentcode: a099007
Relatie artsen met farmaceutische industrie - Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België

Relatie artsen met farmaceutische industrie – Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België

Een provinciale raad stuurt een brief door van een apotheker die er bezwaar tegen heeft mee te werken aan een initiatief van een farmaceutische firma die een reclamecampagne voert voor één van zijn producten. Aangezien dit product alleen wordt afgeleverd op voorschrift meent de provinciale raad dat zich hier ook deontologische problemen stellen voor de artsen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad deelt de bezorgdheid van de Academies voor Geneeskunde aangaande de relaties tussen het medische korps en de farmaceutische industrie en sluit zich aan bij de aanbevelingen die deze hierover formuleerden.

Hij herhaalt dat de onafhankelijkheid van de arts als wetenschapper of als voorschrijver essentieel is voor de kwaliteit van de verzorging. Het belang van de patiënt moet de eerste zorg zijn. Op geen enkele manier mogen financiële of persoonlijke imperatieven invloed hebben op een diagnostische of therapeutische beslissing.

Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België over de relatie tussen artsen en de farmaceutische bedrijven *:

De leden van de Belgische Academies voor Geneeskunde (Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België en Académie Royale de Médecine de Belgique) menen de aandacht te moeten vestigen op het probleem van de relatie tussen artsen en farmaceutische bedrijven. De relaties tussen de farmaceutische industrie, de artsenwereld (onderzoekers, "opinion leaders" en voorschrijvers), het publiek, op de eerste plaats patiënten, de overheid (als organisator/regelaar en financier van gezondheidszorg, en sponsor van wetenschappelijk onderzoek) zijn complex en multidirectioneel. De communicatie tussen al deze geledingen gebeurt onder vele vormen en kan zowel wetenschappelijke, vulgariserende, promotionele als zakelijke vormen aannemen. Hoewel de uiteindelijke bedoeling van alle betrokkenen de bewaring of het herstel van de gezondheid van onze bevolking beoogt, zijn de belangen van de verschillende groepen dikwijls uiteenlopend. Recentelijk is er vernieuwde aandacht gegaan naar de communicatie en de relatie tussen de verschillende betrokkenen, vooral tussen de farmaceutische industrie en de artsen die zouden moeten gebeuren via publicaties die de omschrijving "wetenschappelijke publicatie" waardig zijn. Sinds kort hebben talrijke analyses in het buitenland de problemen bij deze relaties beklemtoond. De leden van de Academies voor Geneeskunde menen dat ook in België zich op dat gebied problemen stellen, zowel voor de arts als klinisch onderzoeker, als voor de arts als voorschrijver van geneesmiddelen.

Wat de artsen in het klinisch onderzoek betreft, werd in september 2001 een gemeenschappelijk editoriaal gepubliceerd in een aantal vooraanstaande klinische tijdschriften (Lancet, British Medical Journal, New England Journal of Medicine, …). In dat editoriaal wordt er om te beginnen de aandacht op gevestigd dat klinisch onderzoek rond geneesmiddelen, om economische redenen (sponsoring heeft meerdere betekenissen en kan begripsverwarring oproepen) zich te veel richt op problemen waarvan de resultaten commercieel interessant zijn (ook al zijn de resultaten interessant), en waarbij meer relevante vragen onbeantwoord blijven. Zo dienen ook oudere middelen opnieuw te worden onderzocht, en in vergelijkende studies met de nieuwe producten worden betrokken. Verder wordt in dit editoriaal ook beklemtoond dat het opstellen van het protocol, de analyse van de resultaten, en de publicatie van het onderzoek meestal in handen zijn van het sponsorend bedrijf, waarbij de onderzoeker te weinig impact heeft of vraagt. Bij de publicatie dienen belangrijke aandachtspunten beklemtoond, zoals de reële winst door de interventie, en hoe die zich vergelijkt met deze van andere interventies. De onderzoeker stelt zich te weinig op als de echte verantwoordelijke voor het onderzoek ten opzichte van alle andere betrokkenen (collega artsen, patiënten, overheid). Onduidelijke afspraken hebben ertoe geleid dat sponsorende bedrijven onderzoekers verbod oplegden hun resultaten te publiceren. Onrust is ook ontstaan omdat bepaalde universitaire onderzoekscentra door quasi-exclusiviteitscontracten hun onafhankelijkheid ten opzichte van de industrie dreigen te verliezen. Zonder de indruk te willen wekken dat een lakse houding veralgemeend zou zijn, lijkt het de leden van de Academies voor Geneeskunde wenselijk dat een nadere analyse van dit probleem in België zou gebeuren met het oog op preventieve maatregelen.

Ook de relatie van de arts als voorschrijver met de farmaceutische industrie dient bekeken te worden. Hoe wordt de arts geïnformeerd over de waarde van een geneesmiddel? Het spreekt vanzelf dat de uitgevers van medische tijdschriften er dienen over te waken dat de publicatie van geneesmiddelenstudies, en commentaren en editorialen daaromtrent, objectief zijn. Het feit dat de meeste tijdschriften om te overleven in belangrijke mate geneesmiddelenpubliciteit nodig hebben, leidt tot een ambigue situatie. Belangrijke tijdschriften eisen wel van de auteurs duidelijke uitspraken over mogelijke belangenconflicten. Toch weet men dat sommige academici hun naam lenen als auteurs voor artikels die in werkelijkheid door anderen zijn geschreven. Sinds geruime tijd wordt de arts overstelpt met gratis periodieken die volledig gefinancierd worden door publiciteit, maar de bijdragen worden niet onderworpen aan het advies van experten (peer review); daarenboven is het onderscheid tussen wetenschappelijke bijdragen en publiciteit zeer dikwijls onduidelijk. Er is ook de directe publiciteit, toegestuurd met de post of via gratis ter beschikking gestelde internetabonnementen. Er zijn de medische vertegenwoordigers waaraan ons land zeer rijk is. De opleiding op graduaat en postgraduaat niveau dient de arts deskundigheid en een kritische attitude bij te brengen. De permanente navorming, bijvoorbeeld in het kader van de accreditering, dient deze attitude aan te scherpen. Men verwacht dat lesgevers en voordrachtgevers zich steunen op gecontroleerde studies ("evidence based medicine"), maar regelmatig ziet men dat sommige programma’s, bijvoorbeeld van nascholingsinitiatieven, worden opgesteld en georganiseerd door een farmaceutisch bedrijf, wat zeker de keuze van de onderwerpen en van de sprekers kan beïnvloeden. Over niet correcte directe voordelen voor voorschrijvers, onder de vorm van vergoedingen, reizen, deelneming aan congressen, wordt veel gesproken, maar het is onduidelijk hoever een mogelijke beïnvloeding reikt. Vanzelfsprekend is vergoeding van de kosten aanvaardbaar en zijn niet alle directe voordelen onrechtmatig, maar er moet transparantie zijn.

De farmaceutische bedrijven zijn vanzelfsprekend essentieel bij het ontwikkelen van geneesmiddelen. Ze spelen een onvervangbare rol in de vernieuwing van het diagnostisch en therapeutisch arsenaal door de kennisgeneratie gebaseerd op het recent biomedisch onderzoek, efficiënt om te zetten in nieuwe medische technologieën of medicaties. Dit vergt de inzet van steeds complexere methoden met uiterst grote langetermijnrisico's die het overleven van de betrokken farmaceutische bedrijven in het gedrang kunnen brengen. De farmaceutische bedrijven zijn een partner in het klinisch onderzoek, en vormen een bron van informatie voor de voorschrijver. Farmaceutische bedrijven en artsen dienen zich echter bewust te zijn dat ze elk hun rol hebben. In het klinisch onderzoek zijn het de onderzoekers die de ultieme medische en ethische garantie moeten bieden aan proefpersonen en de gemeenschap; zij moeten erover waken dat alleen relevante vraagstellingen leiden tot klinisch onderzoek, en ze zijn verantwoordelijk voor de objectieve verwerking en publicatie van de resultaten. Transparantie omtrent de afspraken tussen bedrijven en onderzoekers, ook de financiële, is nodig. Bij het voorschrijven van geregistreerde medicaties dient de arts zich te laten leiden door de belangen van de patiënt.

Onafhankelijkheid van de arts als onderzoeker of als voorschrijver ten opzichte van de industrie is essentieel. Belangenconflicten zijn onvermijdelijk, maar mogen niet leiden tot belangenverstrengeling: transparantie over mogelijke belangenconflicten kan een garantie zijn. De Academies voor Geneeskunde doen een oproep tot alle artsen, klinisch onderzoekers en voorschrijvers, om hun eigen rol op te nemen en daarover naar buiten duidelijkheid te creëren. De oproep gaat speciaal naar academici en anderen die als “opinion leaders” een voorbeeldrol hebben in het onderzoek en bij het voorschrijven: “opinion leader” zijn is een ernstige verantwoordelijkheid, en men moet vermijden dat de term een pejoratieve bijklank krijgt, alsof dit mensen zijn die zich gewild of ongewild laten misbruiken voor het brengen van boodschappen die niet op wetenschappelijke evidentie gebaseerd zijn. België telt een aantal waardevolle medische tijdschriften die een belangrijke rol spelen in de informatie voor de Belgische arts; ook zij dienen hun verantwoordelijkheid op te nemen. De arts dient te weten dat een aantal gratis ter beschikking gesteld brochures en periodieken soms geen onderscheid maken tussen evidentie en publiciteit, ook al worden de boodschappen gestaafd met uitspraken en foto's van vooraanstaande universitairen.
Van de overheid kan verwacht worden dat zij de kwaliteit van de geneesmiddelenbijsluiters garandeert, initiatieven rond objectieve informatie voldoende steunt, toeziet op de objectiviteit van de geneesmiddelenpubliciteit en, wat het klinisch onderzoek betreft, instaat voor een erkenning van ethische comités die een belangrijke rol dienen te spelen.
Van de overheid kan en moet ten slotte ook verwacht worden dat ze de werking van klinische onderzoekers en academische centra zodanig ondersteunt dat deze hun onafhankelijke rol bij het genereren en communiceren van informatie adequaat kunnen vervullen.


* Het gemeenschappelijk advies werd voorbereid door een gemeenschappelijke commissie, samengesteld uit de HH. J. Lauweryns, M. Bogaert, R. Bouillon, A. Herman, G. Mannaerts, S. Scharpé, I. Vergote en H. Goossens voor de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België, en de HH Ch. Van Ypersele de Strihou, A. Dresse, T. Godfraind, G. Rorive, J.C. Demanet en R. Bernard voor de “Académie Royale de Médecine de Belgique”.
Het advies werd goedgekeurd door de Academies tijdens hun respectieve plenaire zittingen op 28 september 2002.

Beroepsgeheim16/11/2002 Documentcode: a099008
Relatie artsen met farmaceutische industrie en experimenten

Een provinciale raad stuurt een adviesaanvraag door met betrekking tot een door een farmaceutische firma uitgevoerde opsporing van osteoporose. Deze firma komt de afspraken niet na betreffende het rechtstreeks meedelen van de resultaten van dit opsporingsonderzoek aan de resp. behandelende artsen en maakt reclame voor een door haar geproduceerd geneesmiddel tegen osteoporose.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 16 november 2002 kennis genomen van de wijze waarop een farmaceutische firma onder de verantwoordelijkheid van een universitaire dienst een opsporing van osteoporose organiseerde met overmaking van de resultaten door de medisch afgevaardigde van de firma. De Nationale Raad is van mening dat deze procedure niet aanvaardbaar is.
Hij onderzocht eveneens het nieuw geplande protocol voor deze opsporing in samenwerking met de plaatselijke groepen huisartsen.

Hij dringt erop aan dat dergelijke initiatieven voornamelijk in het belang van de patiënten georganiseerd worden en geen deel uitmaken van een commerciële of reclamecampagne. De vrije keuze van de patiënt en de therapeutische vrijheid van de arts dienen gewaarborgd te zijn. Alle maatregelen moeten genomen worden opdat de onderzoeken uitgevoerd zouden worden door beoefenaars van de geneeskunde of onder hun rechtstreekse verantwoordelijkheid.

Bovendien moet de geheimhouding van de gegevens zo goed mogelijk gewaarborgd worden. Noch de naam van de patiënt, noch deze van zijn behandelend arts mogen aan de organiserende firma meegedeeld worden.

Dergelijk protocol dient voor advies voorgelegd te worden aan een commissie voor ethiek.

Commercialisatie van de geneeskunde14/02/2001 Documentcode: a091014
Wetsvoorstel van de heer Ph. MONFILS tot wijziging van de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging

Wetsvoorstel van de heer Ph. MONFILS tot wijziging van de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging; doc. nr. 2-126.

Hoorzitting van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden van de Senaat over bovenstaand wetsvoorstel –
14 februari 2001.

De internationalisering van onze leefwereld en de impact van internationale verdragen, richtlijnen, akkoorden en aanbevelingen op de evolutie van waarden en normen binnen onze samenleving en op de organisatie van onze maatschappij is een realiteit die elke modale burger in zijn dagdagelijkse leven voortdurend ondervindt.

Kenmerkend voor de evolutie in de laatste decennia is dat niet enkel de vooruitgang van de medische wetenschap door wereldwijd onderzoek wordt gestuwd maar dat ook een toenemende invloed op het medisch handelen wordt vastgesteld vanuit juridische en economische denkkaders die eveneens een internationaal draagvlak hebben.

Illustrerend voor de verstrengeling van de verschillende modellen binnen onze samenleving is dat wij vorige maand werden gehoord over de Rechten van de Patiënt door de commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en vandaag door de commissie voor Financiën en Economische aangelegenheden van de Senaat betreffende een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging.

Om op de hoogte te blijven van wat buiten onze grenzen leeft en om zijn mening op een internationaal forum kenbaar te maken participeert de Nationale Raad van de Orde van geneesheren aan de werkzaamheden van de belangrijkste overkoepelende artsenorganisaties die begaan zijn met medische ethiek en medische deontologie.

De Richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 oktober 1997 tot wijziging van de Richtlijn 84/450/EEG inzake misleidende reclame teneinde ook vergelijkende reclame te regelen is de Nationale Raad niet ontgaan. De Nationale Raad wenste niet over te gaan tot een onmiddellijke vertaling van deze Richtlijn in gedragsregels voor artsen daar de draagwijdte van de Richtlijn niet duidelijk was en de rechtsleer evenmin eensluidende interpretaties gaf.

Bijkomend argument voor een afwachtende houding was dat de Nationale Raad vernam dat er wetgevende initiatieven waren en geen standpunt wenste in te nemen dat achteraf strijdig zou zijn met de wetgeving.

Naast het voorstel waarover de Nationale Raad vandaag wordt gehoord blijkt uit een persmededeling dat de ministerraad op voorstel van de minister van Justitie zijn goedkeuring verleende aan een voorontwerp van wet in verband met de vrije beroepen. Belangrijk is dat artikel 5 van dit voorontwerp voorziet dat de Koning op voorstel van de tuchtrechtelijke overheden de vergelijkende reclame ten aanzien van vrije beroepen kan verbieden of beperken terwijl het wetsvoorstel ingediend door Senator Monfils restrictieve mededingingsregels die het algemeen belang behartigen van de toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk II van de Wet van 5 augustus 1991 uitsluit voor zover zij zijn uitgevaardigd door een beroepsorde en de Koning vooraf bepaalt welke handelingen van het beroep geacht worden het algemeen belang te dienen.

Naar aanleiding van deze hoorzitting werd een inventaris gemaakt van de deontologische regels die de Orde van geneesheren momenteel voorstaat in het vlak van mededinging en in het bijzonder in het vlak van reclame waarbij telkens zal worden getracht de achterliggende ratio te vermelden.

De Orde kent geen beperkende vestigingsregels. In principe kan elke arts zich vestigen waar hij wil, al zijn hierop toch enkele uitzonderingen. Zo zijn er beperkingen voor de vestiging na vervanging van een zieke collega en zo is er – tenzij akkoord van de stagemeester – een in de tijd beperkt vestigingsverbod na een stage daar er anders een tekort aan opleidingsplaatsen zou ontstaan wat voor de gemeenschap zeer ernstige gevolgen zou meebrengen. Ook de spreiding van de medische activiteiten over verschillende plaatsen is aan beperkingen onderworpen al bestaan hierover geen algemene regels. Een provinciale raad kan elke concrete situatie onderzoeken en nagaan of de spreiding strijdig is met de belangen van de patiënten en de continuïteit van de zorg. In deze beslissing zouden op provinciaal niveau protectionistische overwegingen van gevestigden kunnen meespelen maar de Raden van beroep bestaande uit vijf magistraten waaronder de voorzitter en vijf artsen – één per provincie – kunnen daar moeilijk van worden verdacht.

De bekendmaking van de vestiging brengt ons naar het hoofdstuk reclame. Disciplinair gaat het meestal om misleidende reclame. Een belangrijke regel hierbij is dat de arts geen gewag mag maken van een bevoegdheid die hij niet bezit. Daarnaast is een moeilijk punt de grens tussen reclame en voorlichting van het groot publiek via de pers, radio, tv en nu ook via internet. Dit dient te gebeuren zonder directe reclame voor eigen praktijk noch voor de instelling waaraan men verbonden is. Veel klachten bij de provinciale raden hebben hierop betrekking maar meestal gaat het om misleidende reclame, óf omdat wat meegedeeld wordt wetenschappelijk niet correct is óf omdat men zich een competentie aanmeet of een monopolie voorhoudt die niet juist zijn.

Een heikel punt is de deontologische verplichting dat een arts bij het naar buiten treden bescheiden moet blijven en dit zowel naar vorm als naar inhoud. Dit is geen beperking van de mededelingen maar een beperking van de wijze van reclamevoering. De beoordeling van deze "bescheidenheid" is in voortdurende evolutie en de Orde evolueert mee : logo's waren vroeger ondenkbaar en nu zijn er provinciale raden die zelf een logo hebben. Vermoedelijk accepteert iedereen dat er in dat vlak grenzen zijn maar over de grens zelf kan men van mening verschillen.

In de rechtsliteratuur staat te lezen dat bepaalde beroepsorden zich zouden verzetten tegen multidisciplinaire samenwerking. Dit gaat zeker niet op voor de Orde van geneesheren. Niet alleen in ziekenhuizen maar ook in de ambulante sector bestaan multidisciplinaire teams en dit zowel in de gesubsidieerde als in de vrije sector. De Orde heeft er geen problemen mee dat zo wordt gewerkt en zo naar buiten getreden wordt. Deze samenwerking kan nuttig zijn voor het patiënteel en het ligt voor de hand dat dit kenbaar kan gemaakt worden. In dit verband dient trouwens vermeld dat de Orde de vrije keuze van de patiënt en de diagnostische en therapeutische vrijheid voorstaat voor zover deze geen misbruik in de hand werkt en de bestaande wetgeving en reglementering respecteert.

Ook in de literatuur kan men lezen dat beroepsorden mededingingsbeperkende maatregelen kunnen voorstaan door verregaande bemoeienissen met honoraria. Het gros van de afgesproken tarieven in de medische sector komt tot stand door onderhandelingen tussen ziekenfondsen en erkende artsensyndicaten. Bij deze onderhandelingen is voor de Orde zelfs geen stoel als waarnemer voorzien.

Bijzonder aspect is wel de reclamevoering rond wat botweg "de prijs" van de te verstrekken zorg wordt genoemd. In dit verband moet gezegd dat de Orde in tegenstelling tot wat sinds jaar en dag wordt beweerd nooit heeft gesteld dat zelfs het systematisch werken aan terugbetalingstarieven een deontologische fout zou zijn. Daarvoor is trouwens nooit een arts gesanctioneerd. Wel is het zo dat de Orde niet accepteert dat een arts cliënteel werft door te afficheren dat hij kosteloos zorgen verstrekt. Vooreerst is dit misleidend daar de arts wel degelijk wordt betaald voor de verstrekte zorg. Vervolgens kan men zich afvragen tot welke surconsumptie een prijzenslag zou leiden en welk prijskaartje de gemeenschap zou betalen. Tenslotte verbiedt de Wet Geneeskundige Verzorging en Uitkeringen in artikel 127, §3, publiciteit waarin de kosteloosheid van de verstrekkingen wordt vermeld of waarin wordt verwezen naar de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van die verstrekkingen.

Een aspect van de mededinging dat typisch is voor de artsenwereld en waarover in het kader van de mededinging zelden gesproken wordt is de relatie tussen de verwijzende arts en de arts waarnaar verwezen wordt. Artsen zijn immers bij hun praktijkuitoefening voortdurend op elkaar aangewezen en kunnen mits de nodige afspraken beletten dat sommige specialisten een cliënteel verwerven of daar enkel in slagen door een nog hoger percentage van hun ereloon aan de verwijzers te retourneren. Deze ontiegelijke kwaal heeft in het verleden mateloos brokken gemaakt en de Orde is erin geslaagd deze terug te dringen. Dit misbruik had niet enkel een onrechtvaardige verdeling van erelonen tot gevolg maar werkte ook een surconsumptie in de hand. Het was een aanfluiting van het deontologisch principe dat geneeskunde beoefenen geen handeldrijven is. Volledigheidshalve moet worden gezegd dat deze aan de kaak gestelde praktijken ook wettelijk verboden zijn.

Uit het overzicht van de deontologische regels blijkt dat zij nauwelijks tot niet de mededinging beperken. De beperkende regels in het vlak van reclame beoogden niet de mededinging te bemoeilijken maar waren ingegeven door motieven die in hun historische context moeten worden gezien.

Reclame voeren riep vroeger associaties op met handeldrijven. Artsen zijn geen handelaars en worden door hun cliënteel niet als zodanig beleefd. Maar wanneer men onder reclame ook verstaat iedere vorm van mededeling bij de uitoefening van een vrij beroep, die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft door een correcte informatie meer cliënteel aan te trekken krijgt het woord een ruimere, meer genuanceerde en aanvaardbare betekenis. In het licht van deze verruimde betekenis is het paradoxaal in de Code van geneeskundige plichtenleer te lezen dat rechtstreekse en onrechtstreekse reclame verboden zijn en in een volgend artikel wat op naamborden, briefhoofden enzovoort mag staan alsof dat geen reclame zou zijn.

Dat het hoofdstuk van de Code over reclame aan herziening toe is staat al lang vast maar welke tekst in de plaats moet komen is de vraag.

Dat bepaalde vormen van reclame toegelaten zijn en andere niet, is duidelijk. De wetgeving volgend kan worden gezegd dat misleidende reclame en niet geoorloofde vergelijkende reclame niet kunnen. Moeten er beperkingen zijn voor het verstrekken van wezenlijke, relevante, objectieve en controleerbare informatie aan het publiek dat toch mag en moet weten wat een arts kent en kan?

Nochtans roept deze stelling weerstand op. Men vreest dat zelfs deze vorm van reclame de geneeskundige zorg gaat reduceren tot een consumptieartikel met shopping en overconsumptie als gevolg en een torenhoge factuur voor de gemeenschap. Reclame die tot commercialisatie van de geneeskunde en tot overconsumptie leidt is onaanvaardbaar.

De Nationale Raad is geneigd reclame die zich beperkt tot correcte informatie van het publiek toe te laten met grendels voor de verwoording en de vormgeving van deze informatie evenals voor de wijze van reclamevoering. Artsen mogen geen onrealistische verwachtingen scheppen daar zij enkel een optimale zorgverlening kunnen waarborgen wat niet altijd het gewenste resultaat garandeert. Patiënten, die ten allen prijze willen geholpen worden en in elk bericht een sprankeltje hoop lezen, zijn door ingenieuze aanprijzingstechnieken gemakkelijk te misleiden zelfs wanneer uit een nauwkeurige en letterlijke analyse van de verstrekte informatie blijkt dat deze niet onwaar is.

Als commissie voor Financiën en voor Economische Aangelegenheden hebt u al heel wat geïnvesteerd in de bescherming van de consument en dit is ook de bedoeling van de Europese Richtlijn inzake reclame maar het zou paradoxaal zijn wanneer de belangen van de zieke consument en het belang van de volksgezondheid door een zuiver economische benadering mochten geschaad worden. Vanuit budgettair oogpunt zou trouwens ook de gemeenschap het slachtoffer kunnen zijn.

Wat het wetsvoorstel Monfils betreft twijfelen wij eraan of de uitoefening van de geneeskunde beantwoordt aan de definitie van de onderneming en de wet tot bescherming van de economische mededinging van toepassing is.

Vervolgens stelt zich de vraag of de Orde van geneesheren een ondernemingsvereniging is. Hierbij dient opgemerkt dat de voorzitter van de Nationale Raad geen arts is, dat hij de agenda bepaalt, de handtekening heeft en hoger beroep kan instellen tegen elke beslissing van de tuchtraad al heeft hij wat dit laatste betreft ook de handtekening van één van de twee ondervoorzitters nodig.

En wanneer de mededingingswet toch van toepassing mocht zijn op de Orde van geneesheren blijkt dat er, behoudens de wettelijke verbodsbepalingen, nauwelijks tot geen restrictieve mededingingsregels zijn.

Commercialisatie van de geneeskunde20/09/1997 Documentcode: a079030
Vennootschap die preventieve gezondheidsonderzoeken aanbiedt aan bedrijven of particulieren - Medewerking van artsen

Een arts vraagt een aantal preciseringen bij het advies over preventieve gezondheidsonderzoeken dat de Nationale Raad uitbracht op 7 december 1996 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 76, juni 1997, 27). Daarin stelde hij dat "geen enkel geneesheer zijn medewerking mag verlenen aan een vennootschap waarvan het maatschappelijk doel van commerciële aard is, aangezien dit strijdig is met de geneeskundige plichtenleer."
De arts vraagt wat de Nationale Raad verstaat onder "vennootschap waarvan het maatschappelijk doel van commerciële aard is" en of preventieve onderzoeken uitgevoerd voor verzekeringsmaatschappijen en preventieve onderzoeken uitgevoerd in poliklinieken of andere lokalen van mutualiteiten ook onder dit verbod vallen.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 september 1997 uw vraagstelling onderzocht.

Een vennootschap waarvan het maatschappelijk doel van commerciële aard is, is naar luid van artikel 1 van Boek I, Titel IX (Handelsvennootschappen) van het Wetboek van Koophandel een vennootschap die de uitoefening van een handelsactiviteit tot doel heeft.
Een handelsactiviteit bestaat uit het verrichten van daden van koophandel zoals deze worden bepaald door de artikelen 2 t.e.m. 3 van Boek I, Titel I (Kooplieden) van het Wetboek van Koophandel.

Preventieve onderzoeken uitgevoerd in opdracht van verzekeringsmaatschappijen ter inschatting van een risico vallen buiten dit bestek : zie in verband hiermee art. 128 par. 2 van de Code.

Preventieve onderzoeken uitgevoerd in poliklinieken of lokalen van mutualiteiten vallen onder de artikelen 107, 119 en 120 van de Code.

Artikel 128 par.2 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Binnen het welomlijnde kader van hun opdracht zijn de geneesheren, verbonden aan maatschappijen voor levens- of ongevallenverzekeringen, niettemin gemachtigd hun opdrachtgevers in te lichten over alle nuttige vaststellingen gedaan bij kandidaat-verzekerden, of bij verzekerde zieken, gekwetsten of slachtoffers.

Artikel 107 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Geneesheren werkzaam in centra of instellingen voor preventieve geneeskunde zijn gebonden door de bepalingen van onderhavige code.

Artikel 119 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

De geneesheer belast met een deskundig onderzoek naar de lichamelijke of geestelijke bekwaamheid of geschiktheid van een persoon of met om het even welk klinisch onderzoek, met de controle van een diagnose of met het toezicht op een behandeling, of nog met een onderzoek naar de medische prestaties voor rekening van een verzekeringsinstelling, moet de bepalingen van deze code naleven.
Hij mag geen opdracht aanvaarden die tegen de medische ethiek indruist.

Artikel 120 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

De onder artikel 119 bedoelde geneesheren die voormelde functies geregeld uitoefenen, moeten hun uitoefeningsvoorwaarden doen vastleggen in een geschreven contract of statuut dat vooraf moet worden voorgelegd aan de raad van de Orde van de provincie waar zij zijn ingeschreven tenzij hun opdracht door de wet of door een gerechtelijke beslissing werd vastgelegd.

Commercialisatie van de geneeskunde01/01/1978 Documentcode: a027001
De commercialisatie van de geneeskunde

De medische ethiek steunt op enkele fundamentele beginselen die, in de Code, in praktische levensregels werden omgezet.

Eén van deze principes wordt geformuleerd in art. 10 van de Code: «De geneeskunde mag, in geen geval, en op geen enkele manier, als een handelszaak worden opgevat».

Er bestaat, inderdaad, een volstrekte onverenigbaarheid tussen handelsgeest en eerlijke geneeskunde.

In de handelspraktijk is het normaal zijn produktie op te drijven, publiciteit te maken, procenten of kommissielonen op te strijken, zijn verkoopspunten te vermenigvuidigen. In één woord zijn eigen materieel belang na te streven.

In de geneeskunde is het juist andersom.

De patiënt moet er vast kunnen op rekenen dat de verrichte onderzoeken, en voorgeschreven behandelingen zullen beperkt worden tot wat strikt nodig is voor zijn genezing.

Elke afspraak of overeenkomst, die de geneesheer zou kunnen aanzetten om zijn materieel voordeel te stellen boven het heil van zijn patiënt, is daarom uit den boze. Ze ondermijnt het vertrouwen van de patiënt en kan zelfs zijn physische integriteit aantasten.

Daarom werd elke dichotomie, onder welke vorm dan ook, of met om het even wie, steeds streng veroordeeld.

Als dichotomie dient beschouwd elke winst, rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel, die de geneesheer zou verwerven bij, of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep, behoudens natuurlijk zijn rechtmatig ereloon.

Deze deontologische principes werden ten andere zowel door de wet, de rechtsleer, en de jurisprudentie bevestigd.

Dit werd zeer kernachtig samengevat in een vonnis van de burgerlijke rechtbank van Antwerpen die het aldus formuleerde: «Benevens wetenschappelijke kennis en medische geschiktheid zijn immers de onafhankelijkheid en de belangloosheid van de geneesheer de grondbeginselen voor de uitoefening van goede geneeskunde en gelden dan ook als medische gedragsregelen. Omdat zij de nodige waardigheid van de geneesheer jegens zijn patiënten, en hun vertrouwen jegens hem waarborgen, en vooral omdat zij het recht zijner patiënten op dergelijke medische behandeling en op zijn lichamelijke integriteit beschermen. Deze grondbeginselen en gedragsregels zijn daarom zelfs van openbare orde, en elke overeenkomst die er afbreuk aan doet is aldus van rechtswege nietig». Burg. Antwerpen 23.12.1953 J.T. 1954 blz. 263/264.

Men mag dus terecht besluiten dat commerciële praktijken, als het ware, indruisen tegen het wezen zelf van de geneeskunde, en daarom, ook zowel door de deontologie, als door het recht veroordeeld worden.

Uit de parlementaire besprekingen, die de wettelijke oprichting van de Orde der geneesheren, in 1938 voorafgingen, blijkt dan ook dat de strijd tegen de commercialisatie, als een van de bijzonderste opdrachten van de Orde werd gezien, omdat het gerecht hier meestal machteloos staat.

Toen in 1947 de Orde eindelijk kon in werking treden, werd dit ook zo begrepen door de toenmalige Voorzitter van de Hoge Raad, die als inleiding op de Code van 1950 schreef: «Het kan niet langer meer geloochend worden dat in zekere milieu's de geneeskunde als een handelszaak wordt opgevat. Dergelijke praktijken moeten dan ook streng disciplinair beteugeld worden».

De strijdvaardige intenties van de Orde, en zijn voorzitter, werden echter in de kiem gesmoord door het verbreken van de Code door de Raad van State. Door de geneesheren werd dit verkeerdelijk geïnterpreteerd alsof de inhoud zelf van deze Code werd verworpen.

Intussen woekerden de misbruiken verder. Des te meer dan dat met het ontstaan van de Z.l.V. sommige personen en instanties in de geneeskunde de mogelijkheid zagen om er politiek philosophisch en ook financieel voordeel uit te halen.

Wanneer in 1970 de Nationale Raad door de wetgever werd belast met het opstellen van een nieuwe Code leek het wel onbegonnen werk tegen deze wantoestanden op te roeien.

Uiteindelijk heeft de Nationale Raad zijn verantwoordelijkheid genomen met de overweging dat zoals men in de U.S.A. zegt: «The wide extent of an unethical practice does not make it ethical». De grote verspreiding van ondeontologische praktijken maakt ze niet deontologisch.

Zo werd o.m. het systeem van de procentuele afhoudingen verworpen, dat, gekombineerd met de gratuiteit gans de gezondheidszorg bederft. Met dit systeem is het niet langer meer de beroepsbekwaamheid van de geneesheren, het belang van de zieke, de kwaliteit van de geneeskunde die centraal staan maar integendeel de gemeenschapelijke materiële belangen van instellingen EN geneesheren.

De Nationale Raad heeft nooit gedacht dat aldus onmiddellijk een einde kon gesteld worden aan wantoestanden, die bijna 40 jaar bestaan. Welbewust heeft hij echter de vinger gelegd op een etterende wonde, en het roer radikaal omgegooid. Het is duidelijk dat men hier staat voor een reuzetaak die, in samenspraak en samenwerking met alle betrokken instanties, tot een goed einde moet worden gebracht.

Dat men zou ongelijk hebben de armen te vlug te laten zakken wordt bewezen door een konkreet voorbeeld.

In 1964 ging de Hoge Raad ten strijde tegen de dichotomie over het algemeen, en de dichotomie in de heelkunde in het bijzonder. Daarbij werd beroep gedaan op de beroepsorganisaties. Het resultaat was dat de schande van de heelkundige dichotomie vrijwel verdwenen is.

Meer recent is nu een nieuwe plaag opgedoken, namelijk, de misbruiken in verband met de klinische biologie.

Het gaat van de brutale dichotomie, over allerhande varia, tot meer listige vormen als bijvoorbeeld het oprichten van allerhande verenigingen, waar alleen een doorgedreven studie van de statuten en vooral de praktijk de kollusie kan aan het licht brengen. Minstens twee jaar voor het huidige perskabaal, heeft de Orde hier ingegrepen, door herhaalde omzendbrieven van de Nationale Raad, en door het disciplinair optreden van de provinciale Raden.

Het lijkt wel of de strijd tegen de commercialisatie van de geneeskunde nooit af zal zijn. Eigenlijk hoeft dit, in deze wereld, geen verwondering te baren. Liet reeds Shakespeare, in zijn tijd, Hamiet niet zeggen: «To be honest, is to be one man pickt out of tenthousand».

Het gaat echter om een grondregel, om het wezen zelf van ons beroep.

Daarom zal de Orde, in al zijn geledingen zijn krachten inzetten, om ons beroep te bewaren: een bij uitstek humanitair beroep, ten dienste van de patiënt.

Dr. Alex De Bruyn,
Lid van de Nationale Raad.

Vorige pagina

2

pagina