keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim29/10/2011 Documentcode: a135013
Beroepsgeheim – Informatie aan de VDAB betreffende de arbeidshandicap

Door een Provinciale raad wordt nadere informatie gevraagd nopens het advies van 30 april 2011 van de Nationale Raad aangaande de informatie aan de VDAB betreffende arbeidshandicap.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 29 oktober 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw schrijven van 19 mei 2011 besproken.

De term "bevrijdende toestemming" als factor die belet dat het misdrijf, met name de schending van het beroepsgeheim, tot stand komt, werd reeds verscheidene malen aangehaald door verschillende gezaghebbende instanties en auteurs 1,2,3.

De interpretatie van de bevrijdende toestemming ten opzichte van het artikel 64 van de Code van geneeskundige plichtenleer is tweeledig. Enerzijds bestendigen de voorwaarden gekoppeld aan de bevrijdende toestemming het artikel 64 van de Code van geneeskundige plichtenleer, meer bepaald dat een verklaring van de patiënt op zich onvoldoende is om de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan. Anderzijds werkt de Nationale Raad aan een herwerking van de Code van geneeskundige plichtenleer, waarbij hij rekening zal houden met de weerslag van de maatschappelijk evolutie betreffende de invulling van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt omtrent zijn informationele privacy.

De summiere vraagstelling ter toetsing van de stukken die reeds door de patiënt aan de bevoegde diensten van de VDAB geleverd werden onderstrepen de centrale en begeleidende rol van de behandelende arts eerder dan deze een rol van deskundige toe te meten.


-------------------------------------------------------------
1. R. v. St. 27 november 1992, nr. 41.211, R.A.C.E.1992.
2. Verklaring van Amsterdam. A declaration on the promotion of patient's rights in Europe, 28-29 march1994, WHO, Regional Office of Europe.
3. Van der Straete I., Put J., Beroepsgeheim en hulpverlening (2005), Brugge, Die Keure, p. 190.

Consent (Fully Informed-)20/02/2010 Documentcode: a129015
Testen voor leeftijdsbepaling bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad een vraag voor met betrekking tot de medische test van de Dienst Voogdij, toegevoegd aan de Federale Overheidsdienst Justitie, met het oog op het bepalen van de leeftijd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

Advies van de Nationale Raad :

Betreft : uw brief van 19 december 2008 betreffende de testen voor leeftijdsbepaling bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen

In zijn vergadering van 20 februari 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de vragen geanalyseerd van professor X betreffende de leeftijdsbepalingtest die uitgevoerd wordt bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

Een leeftijdsbepalingtest kan uitgevoerd worden in verschillende omstandigheden en voor verschillende doeleinden. In het voorliggende geval is de context waarin de vraag van professor X past de volgende.

België heeft een bijzondere regeling ingevoerd voor de wettelijke vertegenwoordiging en bijstand van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV), de Voogdij (programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen).

De voogd begeleidt en vertegenwoordigt de minderjarige tijdens zijn verblijf in België, bij de administratieve stappen die hij onderneemt (zijn verblijfsstatuut, zijn asielprocedure), bij zijn opvang, zijn huisvesting, zijn scholing, zijn recht op maatschappelijke hulp van een OCMW, zijn recht op kinderbeslag, ... Zijn opdracht bestaat erin de minderjarige te helpen bij alle stappen die hij onderneemt en bij het formuleren van een toekomstproject. De minderjarige is niet langer alleen en kan zo, met de hulp van een vertrouwenspersoon, het hoofd bieden aan de verschillende administratieve hindernissen (die vaak lastig en onaangepast zijn aan zijn leeftijd en aan wat hij meegemaakt heeft) en aan de hindernissen van het dagelijkse leven waarmee hij geconfronteerd zal worden.

Deze wet past in het kader van de Resolutie van de Raad van de Europese Unie van 26 juni 1997 inzake niet-begeleide minderjarige onderdanen van derde landen, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid de artikelen 2 en 3 met betrekking tot de non-discriminatie en het hoogste belang van het kind.

Met betrekking tot het verblijf, bovenop de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, organiseert de ministeriële omzendbrief van 15 september 2005 betreffende het verblijf van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen een bijzondere procedure voor de NBMV waarbij gestreefd wordt naar een duurzame oplossing voor de NBMV die zich op het grondgebied bevindt en waarbij erop toegezien wordt dat deze oplossing in overeenstemming is met het belang van het kind en met de eerbiediging van zijn fundamentele rechten

De NBMV is iedere persoon die jonger dan 18 jaar lijkt te zijn of verklaart dat hij jonger is dan 18 jaar, en die :
- niet begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent krachtens de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;
- onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte (E.E.R.);
en die zich in een van de volgende situaties bevindt :
- hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling vraagt;
- hetzij niet voldoet aan de voorwaarden tot toegang en verblijf op het grondgebied vastgelegd bij wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (artt. 1 en 5 van de Programmawet van 24 december 2002).

Het statuut van NBMV hangt af van het vervullen van deze voorwaarden, waaronder de voorwaarde van minderjarigheid. De minderjarigheid kan langs elke weg aangetoond worden, maar in geval van twijfel bepaalt de wet dat een beroep gedaan dient te worden op een medische test teneinde een objectief bewijs te verkrijgen.

De medische test die de dienst Voogdij gekozen heeft en die overigens dezelfde is als die welke in andere omstandigheden uitgevoerd wordt door het Parket, wordt doorgaans de drievoudige test genoemd. Hij bestaat in het maken van drie radiografieën : orthopantomogram (foto van het gehele gebit), radiografie van de pols en radiografie van het sleutelbeen.

De verwezenlijking van de drie onderzoeken doet de ethische vraag rijzen van het gebruik van X-stralen voor niet-medische doeleinden en in het bijzonder voor gerechtelijk-geneeskundige doeleinden. Voorts doet ze de vraag rijzen van het gebruik van wetenschappelijke parameters voor juridische doeleinden.

De Nationale Raad maakt de volgende bemerkingen in dit verband.

X-stralen zijn ioniserende stralen die een gevaar voor de gezondheid kunnen inhouden. In het voorliggende geval is het gevaar miniem indien de regels van goede praktijkvoering nageleefd worden.

Bestraling mag slechts toegepast worden met de nodige omzichtigheid, vooral bij een jonge persoon. Ze dient zo laag en kort mogelijk gehouden te worden en dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen van radioprotectie. Ze mag niet nutteloos herhaald worden.

De interpretatie van een röntgenfoto is geen onfeilbare methode om de leeftijd van een persoon te bepalen.

Voor deze interpretatie is een bijzondere expertise vereist.

De techniek van de botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet vast te stellen; het overeenstemmen met de burgerlijke leeftijd van de persoon is een diagnostische beoordeling.

Verschillende factoren (etnische, genetische, endocrinische, sociaal-economische, nutritionele, medische, ...) kunnen de groei van een individu beïnvloeden.
De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die als referentie dienen, zijn opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde bevolking te behoren.

De dentale criteria hangen in het bijzonder af van de etnische oorsprong en van het sociaal-economisch en nutritioneel niveau van het individu.

Voorts schuilt een moeilijkheid in de reproduceerbaarheid van de interpretatie van de onderzoeken tussen de verschillende deskundigen.

Schatting houdt altijd een onnauwkeurigheidsfactor in en kan bijgevolg slechts leiden tot een betrouwbaarheidsinterval. Twijfel moet altijd uitvallen in het voordeel van de persoon die verklaart minderjarig te zijn.

Blootstelling aan ioniserende stralen is ethisch gezien slechts gerechtvaardigd wanneer ze meer voordelen biedt dan nadelen.

De dienst Voogdij moet het belang van de leeftijdsbepaling bij benadering afwegen tegen het, zij het minieme, gevaar dat de verwezenlijking ervan schade toebrengt aan de gezondheid van het individu.

De Nationale Raad meent om de hierboven uiteengezette redenen dat de andere indicatoren die leeftijdsbepaling van het individu mogelijk maken niet verwaarloosd mogen worden.

In elk geval mag de test niet uitgevoerd worden zonder de toestemming van de persoon, die de nodige informatie verkregen dient te hebben over het doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico's van de test.

Deze informatie dient te worden verstrekt in een duidelijke en begrijpelijke taal, eventueel door bemiddeling van een tolk.

De toestemming dient uitdrukkelijk gegeven te worden.

Bijstand van een voogd of van een referentiepersoon is belangrijk voor de betrokken persoon in dit stadium van de procedure, ofschoon de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat een voogd aangewezen wordt wanneer het statuut van NBMV bewezen is, behalve in uiterst dringende noodzakelijkheid.

De onderzoeker dient te beschikken over de nodige tijd en gunstige omstandigheden om een kwalitatieve test uit te voeren.

Het onderzoek dient uitgevoerd te worden met eerbied voor het individu.

Tot slot heeft de Nationale Raad er geen bezwaar tegen dat het resultaat van de test, zijnde de geschatte leeftijd van het individu, rechtstreeks meegedeeld wordt aan de overheid, maar elk ander gegeven dat aan het licht gekomen is tijdens de test valt onder het beroepsgeheim.

cc. PR Brabant (F)

Consent (Fully Informed-)20/02/2010 Documentcode: a129016
Inspuiten van DHBP bij niet-psychotische vreemdelingen in gesloten centra

De directeur van een NGO die zich ontfermt over vluchtelingen en gedwongen migranten stelt vragen aan de Nationale Raad over het gebruik bij vreemdelingen die in gesloten centra verblijven, zonder hun toestemming, dehydrobenzpéridol of DHBP in te spuiten met het doel ze in toom te houden wanneer ze agressief zijn.
Hij wenst de voorwaarden te kennen waaraan deze handelwijze moet voldoen om in overeenstemming te zijn met de geneeskundige plichtenleer.
In de praktijk maakt hij zich zorgen over het al dan niet aanwezig zijn van de arts bij de inspuiting. Hij vraagt zich af of het volgens de wet betreffende de rechten van de patiënt wel kan inspuitingen toe te dienen bij patiënten die geen psychiatrische zieken zijn.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 februari 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief besproken over het, zonder hun toestemming, inspuiten van DHBP bij niet-psychotische vreemdelingen die in gesloten centra verblijven met het doel ze in toom te houden wanneer ze agressief zijn.

Het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 stelt het regime en de werkingsmaatregelen vast, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

1. Hoofdstuk II onder Titel III van dit koninklijk besluit definieert het tuchtregime waaraan de bewoner van een gesloten centrum onderworpen is.

De dwangmaatregelen worden nauwgezet en beperkend opgesomd door artikel 104 van het koninklijk besluit dat stelt :

Dwang kan enkel gebruikt worden indien het gedrag van de bewoner een risico vormt voor hemzelf, voor de andere bewoners, voor de personeelsleden of voor de veiligheid, de orde of de goederen van het centrum of van derden. Het gebruik van dwang moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.

Dwangmiddelen zijn geen ordemaatregelen, maar middelen om de bewoner onder controle te krijgen.

De toegelaten dwangmiddelen zijn :
1° de fysieke aansporing;
2° de houdgreep;
3° de hand- en/of voetboeien.

Elk dwangmiddel mag slechts worden gebruikt als het vorige dwangmiddel heeft gefaald.

Het gebruik van dwangmedicatie is een aantasting van de fysieke integriteit van het individu die door de wettekst niet toegelaten is als dwangmiddel.

Artikel 105 bepaalt bovendien dat indien een bewoner door zijn gedrag zijn veiligheid, die van andere bewoners, van de personeelsleden of van het centrum in het gedrang brengt of wanneer hij de goede werking van het centrum in gevaar brengt, kan de centrumdirecteur beslissen dat de bewoner naar een ander centrum of een andere instelling moet worden overgebracht.

2. Artikel 53 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 vermeldt dat de arts verbonden aan het centrum zijn beroepsautonomie ten opzichte van de centrumdirecteur behoudt. Zijn evaluaties en beslissingen met betrekking tot de gezondheid van de bewoners worden enkel gefundeerd op medische criteria.

Indien de medische dienst meent dat er, om redenen van gezondheid van de gedetineerde, moet overgegaan worden tot een inspuiting van DHBP, kan dit slechts gebeuren met de toestemming van de patiënt, in overeenstemming met de wet betreffende de rechten van de patiënt.

Noch in een penitentiaire inrichting noch erbuiten is een dwangbehandeling toegelaten wanneer de patiënt over voldoende psychische vermogens beschikt om de informatie te ontvangen en in te stemmen met de voorgestelde behandeling.

Het is slechts in de uitzonderlijke veronderstelling dat de patiënt niet in staat is zijn rechten zelf uit te oefenen dat het systeem van vertegenwoordiging van de patiënt vastgesteld in artikel 14 van de wet betreffende de rechten van de patiënt toegepast wordt. Indien de patiënt geen vertegenwoordiger aangewezen heeft en indien de persoon aangeduid door de wet niet wenst tussen te komen of ontbreekt, behartigt de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, de belangen van de patiënt.

Zelfs in deze hypothese wordt de patiënt zoveel mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn rechten.

Wanneer er in een spoedgeval geen duidelijkheid is omtrent de al dan niet aanwezigheid van een voorafgaande wilsuitdrukking van de patiënt of zijn vertegenwoordiger, gebeurt iedere noodzakelijke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar onmiddellijk in het belang van de gezondheid van de patiënt (art. 8, § 5, van de wet betreffende de rechten van de patiënt).

De noodzaak en de adequatie van de behandeling met medicijnen toegepast op de patiënt moeten in alle omstandigheden kunnen worden aangetoond.
Het voorschrijven moet voorzichtig gebeuren. Er moet des te meer rekening gehouden worden met de aan de geneesmiddelen verbonden risico's daar in voorkomend geval de antecedenten van de patiënt vaak niet gekend zullen zijn.
De patiënt moet nauwgezet medisch toezicht krijgen.

Tot slot bepaalt artikel 61 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 dat, indien de arts verbonden aan het centrum van oordeel is dat de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de bewoner ernstig geschaad wordt door het voortzetten van de opsluiting of door enige daarmee verband houdende omstandigheid, de centrumdirecteur dit advies voorlegt aan de Directeur-generaal, die de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of de maatregel van vrijheidsberoving kan schorsen.

3. Wat betreft het geval van de psychotische gedetineerde, verwijst de Nationale Raad naar de principes die hij uiteenzette in zijn adviezen van 12 mei 2007 (TNR nr. 117, p.5) en van 19 juli 2008 (TNR nr. 122, p. 2), als bijlage.

Bijlagen : adviezen van 12 mei 2007 en 19 juli 2008

Consent (Fully Informed-)06/02/2010 Documentcode: a129013
Medische zorg verstrekt aan minderjarigen – Instemming van beide ouders

Advies van de Nationale Raad naar aanleiding van een vraag van een provinciale raad :

In zijn vergadering van 6 februari 2010 heeft de Nationale Raad uw brief van 7 juli 2009 onderzocht betreffende het probleem van de instemming van beide ouders van een minderjarig kind met het verstrekken van onomkeerbare en niet-dringende zorg aan hun kind.

1. De uitoefening van het ouderlijk gezag bij de zorgverstrekking aan een kind maakte reeds het voorwerp uit van meerdere adviezen van de Nationale Raad, waarvan u als bijlage een kopie zal vinden.

- Advies van 21 maart 2009, Niet samenlevende ouders - artsenkeuze (TNR nr. 125, p. 10);
- Advies van 19 januari 2008, Recht op informatie over de gezondheidstoestand van een kind voor een ouder die het ouderlijk gezag niet uitoefent. (TNR nr. 119 p. 7);
- Advies van 18 oktober 1997, De arts en de kinderen van niet-samenlevende ouders (TNR nr. 79, p. 25);
- Advies van 16 november 1996, De arts en de kinderen van niet-samenlevende ouders en de gewijzigde wetgeving terzake (TNR nr. 76, p. 20).

2. Beide ouders - al dan niet samenlevend - oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun kind tenzij een gerechtelijke beslissing de uitoefening ervan geheel of gedeeltelijk aan één van hen heeft toevertrouwd (artikelen 373 en 374 van het Burgerlijk Wetboek).

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht met het akkoord van de andere ouder te handelen wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dit (ouderlijk) gezag verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen (artikel 373, alinea 2, van het Burgerlijk Wetboek).

Aanvullend bij de hoger genoemde adviezen beveelt de Nationale Raad, in geval van onomkeerbare en niet-dringende zorg verstrekt aan een kind, aan dat de arts die wordt geraadpleegd door één van de ouders, zelfs al kan hij zich beroepen op het vermoeden zoals voorzien in artikel 373, al. 2, van het Burgerlijk Wetboek, voorzichtigheid aan de dag zou leggen en pogen de instemming van beide ouders te verkrijgen.

Ingeval aan de arts ter kennis wordt gebracht dat er onenigheid is tussen de ouders, verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 16 november 1996, punt 2, a van desbetreffend advies.

Indien de minderjarige niet in staat wordt geacht tot een redelijke beoordeling van zijn belangen, zal de arts alles in het werk stellen om de instemming van beide ouders te verkrijgen, eventueel door terug te grijpen naar het advies van een confrater of door middel van multidisciplinair overleg.

Indien de onenigheid aanhoudt, kan elk van de ouders het geschil aan het oordeel van de jeugdrechter onderwerpen.

Alle elementen omtrent de genomen beslissing dienen te worden opgenomen in het medisch dossier.

3. In geval van urgentie primeert het belang van het kind op de onenigheid tussen de ouders.

Overeenkomstig artikel 15, § 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, mag de arts in het kader van een multidisciplinair overleg van de door de ouders genomen beslissing afwijken in het belang van de patiënt en teneinde een bedreiging van diens leven of een ernstige aantasting van diens gezondheid af te wenden.

4. Indien de minderjarige in staat wordt geacht tot een redelijke beoordeling van zijn belangen (overeenkomstig zijn leeftijd en maturiteit), mag hij zelf beslissen de voorgestelde zorg al dan niet te aanvaarden (artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.)

Aids21/03/2009 Documentcode: a125016
Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan de partner

Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan de partner

De Nationale Raad verduidelijkte zijn advies van 3 februari 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116 p. 3) betreffende beroepsgeheim en aids m.b.t. de volgende vragen :

1. Welke houding moet een arts aannemen ten opzichte van een hiv-seropositieve patiënt die verklaart dat hij weigert de nodige maatregelen te treffen om te vermijden de partner te besmetten (beschermd seksueel contact of onthouding) ?

2. Kan deze arts, door de noodtoestand in te roepen, de partner inlichten van de seropositiviteit van de patiënt ?

Advies van de Nationale Raad :

1. Het medisch beroepsgeheim geldt voor iedere patiënt en de hiv-seropositiviteit vormt geen uitzonderingscriterium.

De huidige strategie van de strijd tegen aids bestaat uit het opsporen van de hiv-seropositieve patiënten, hun vroegtijdige behandeling en het toepassen van preventiemaatregelen.

Het opsporen van de seropositiviteit is de hoeksteen van deze strategie. In België gebeurt het opsporen op vrijwillige basis, waarbij aan de patiënt medische geheimhouding gewaarborgd wordt.

Het beroepsgeheim van de arts inzake de seropositiviteit baat zowel de gezondheid van de patiënt (via de behandeling van de opgespoorde seropositieve patiënt) als de volksgezondheid (dankzij de preventiemaatregelen die de opsporing mogelijk maakt).

De strijd tegen aids wettigt dat de arts de seropositieve patiënt op de hoogte brengt van de maatregelen die noodzakelijk zijn om een besmetting van de occasionele of gebruikelijke sekspartner te vermijden.

Indien de patiënt verklaart dat hij weigert deze maatregelen toe te passen, dient te arts hem erop te wijzen dat hij zijn partner op de hoogte moet brengen van zijn seropositiviteit op straffe van zijn burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Het is de behoorlijk voorgelichte patiënt die zelf zijn seropositiviteit dient mee te delen aan zijn sekspartner. De arts moet hem alle hulp voor het concretiseren van deze mededeling voorstellen, waaronder de mededeling in zijn aanwezigheid.

In deze omstandigheden is het zinvol dat de arts het advies of de hulp vraagt van een collega die specifiek ervaring heeft met de behandeling van hiv-seropositieve patiënten.

2. De Nationale Raad wordt om advies verzocht over het uitzonderlijke geval waarin de patiënt weigert de nodige maatregelen te nemen of zijn partner op de hoogte te brengen van zijn seropositiviteit en de mogelijkheid voor de arts om de noodtoestand in te roepen ten aanzien van deze situatie.

De noodtoestand wordt gedefinieerd als een uitzonderlijke situatie waarin de schending van strafbepalingen (in casu artikel 458 van het Strafwetboek) en van strafrechtelijk beschermde juridische waarden en belangen het enige middel is om andere hogere juridische waarden en belangen te behoeden.

Er is een alternatief ten aanzien van de noodtoestand : ofwel leeft men de strafwet strikt na en duldt men dat iemands juridische waarden en belangen geschonden worden, ofwel offert men een lager geachte juridische waarde op om een hoger geachte juridische waarde of belang te behoeden.

Het begrip noodtoestand kan toegepast worden met betrekking tot het medisch beroepsgeheim daar aangenomen wordt dat dit laatste niet van absolute aard is en uitzonderlijk in conflict kan treden met andere waarden.

Het is essentieel dat de door een arts ingeroepen noodtoestand met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aanvaard zal worden door de tucht- of strafrechter en de gemeenschap.

Het is even essentieel dat collega’s van de behandelend arts op basis van hun ervaring en hun specifieke kennis van het probleem in kwestie eveneens van oordeel zijn dat de ingeroepen noodtoestand wettigt af te wijken van de regels van het beroepsgeheim. Een advies van deze collega’s na onderzoek van de patiënt zal ongetwijfeld meer doorwegen dan een advies op grond van de medische dossierstukken.

Voorts is het belangrijk zich af te vragen of het doorbreken van het beroepsgeheim niet nadelig zal zijn voor de verdere behandeling van de patiënt en voor de behandelingsmogelijkheden van patiënten die aan dezelfde of een gelijkaardige aandoening lijden. De mededeling aan derden kan immers het vertrouwen in de geneeskunde aan het wankelen brengen.

De arts dient in het medisch dossier van de patiënt zowel de herhaalde pogingen te vermelden als diens volgehouden weigering om de nodige voorzorgen voor de bescherming van de partner te nemen.

* * *

Tot slot kunnen wij stellen dat de hogere waarden die, in het kader van de noodtoestand, de bekendmaking van het medisch geheim wettigen beperkend geïnterpreteerd dienen te worden en dat de arts er nooit toe verplicht wordt te spreken. Alleen de betrokken arts kan gewetensvol en geval per geval beoordelen of er sprake is van een noodtoestand die de schending van het medisch geheim wettigt. Zelfs met de steun van ervaren collega’s is de arts zowel moreel als juridisch persoonlijk aansprakelijk wanneer hij zelf de partner van zijn patiënt op de hoogte brengt.

Consent (Fully Informed-)22/09/2007 Documentcode: a118006
Geldigheid van wilsverklaringen - Palliatieve zorg

In zijn brief aan een provinciale raad van de Orde van geneesheren vroeg een notaris naar de geldigheid van de wilsverklaring van een vrouw die wenst dat, wanneer zij aan een ongeneeslijke ziekte lijdt en niet meer in staat is om haar wil te uiten, haar enkel nog palliatieve zorg zouden worden toegediend.
De betrokken provinciale raad verleende hierop het volgende advies en stuurde het ter kennisgeving door naar de Nationale Raad die dit advies op 22 september 2007 goedkeurde.

Brief van de provinciale raad aan de betrokken notaris :

In zijn zitting van 8 augustus 2007 nam het Bureau van de Provinciale Raad van de Orde der Geneesheren van X kennis van uw schrijven d.d. 4 juli 2007.

De wet van 14 juni 2002 betreffende de palliatieve zorg voorziet geen wilsverklaring zoals geformuleerd in de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.

Art. 2 van de wet betreffende palliatieve zorg luidt als volgt :

“Elke patiënt heeft recht op palliatieve zorg bij de begeleiding van het levenseinde.
Een voldoende ruim aanbod van palliatieve zorg en de criteria voor de terugbetaling van die zorg door de sociale zekerheid moeten er borg voor staan dat dit soort zorg voor alle ongeneeslijk zieke patiënten even toegankelijk is, binnen het geheel van het zorgaanbod. Onder palliatieve zorg wordt verstaan : het geheel van zorgverlening aan patiënten waarvan de levensbedreigende ziekte niet langer op curatieve therapieën reageert. Voor de begeleiding van deze patiënten bij hun levenseinde is een multidisciplinaire totaalzorg van essentieel belang, zowel op het fysieke, psychische, sociale als morele vlak. Het belangrijkste doel van de palliatieve zorg is deze zieke en zijn naasten een zo groot mogelijke levenskwaliteit en maximale autonomie te bieden. Palliatieve zorg is erop gericht de kwaliteit van het resterende leven van deze patiënt en nabestaanden te waarborgen en te optimaliseren.”

Wij dienen u echter te verwijzen naar de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en meer bepaald naar art. 8, § 4 :

« De patiënt heeft het recht om de (…) bedoelde toestemming voor een tussenkomst te weigeren of in te trekken.
Op verzoek van de patiënt of de beroepsbeoefenaar wordt de weigering of intrekking van de toestemming schriftelijk vastgelegd en toegevoegd aan het patiëntendossier.
De weigering of intrekking van de toestemming heeft niet tot gevolg dat het in artikel 5 bedoelde recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking jegens de beroepsbeoefenaar ophoudt te bestaan.
Indien de patiënt toen hij nog in staat was de rechten zoals vastgelegd in deze wet uit te oefenen, schriftelijk te kennen heeft gegeven zijn toestemming tot een welomschreven tussenkomst van de beroepsbeoefenaar te weigeren, dient deze weigering te worden geëerbiedigd zolang de patiënt ze niet herroept op een moment dat hij in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen. »

Het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt wordt gegarandeerd door de medische deontologie en artikel 5 van de wet betreffende de rechten van de patiënt. Hieruit volgt dat een patiënt curatieve zorg kan afwijzen op elk ogenblik van de evolutie van zijn aandoening, ook vóór het terminale stadium, en dat hij op elk ogenblik voor palliatieve zorg kan opteren.

Uw aandacht wordt erop gevestigd dat de wet « een welomschreven tussenkomst » vereist.

Consent (Fully Informed-)12/05/2007 Documentcode: a117007
Dwangbehandeling van psychotische patiënten in de gevangenis

Een provinciale raad stuurt een vraag door van een gevangenispsychiater die meer en meer wordt geconfronteerd met psychotische patiënten, voornamelijk paranoïde schizofrenen, die omwille van een gewelddadig delict in de gevangenis terechtkomen onder het statuut van geïnterneerde.
Meestal weigeren deze patiënten medicatie in te nemen. De keuzevrijheid van de patiënt werd tot hiertoe als primordiaal beschouwd maar dit leidt ertoe dat men sommige patiënten ziet wegkwijnen en/of dat zij agressief gedrag vertonen dat niet alleen aan hen zelf schade toebrengt maar ook voor de celgenoten bedreigend is.
Deze arts vraagt of er therapeutisch én preventief toch geen antipsychotica kunnen worden toegediend op voorwaarde dat de betrokkene duidelijk en herhaaldelijk medicatie heeft geweigerd en op voorwaarde dat de noodzaak van medicatie wordt aangetoond op basis van een gedetailleerd schriftelijk verslag aan de psychiater waarin de directie het gevaarlijk gedrag van de patiënt voor hemzelf en voor de anderen beschrijft.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 12 mei 2007 beëindigde de Nationale Raad de bespreking van het schrijven van een provinciale raad van 9 februari 2006 over de behandeling van geïnterneerden die door plaatsgebrek in speciale voorzieningen van de gevangenis verblijven.

De vraag betreft psychotische patiënten, voornamelijk paranoïde schizofrene patiënten, die omwille van een gewelddadig delict in de gevangenis terechtkomen onder het statuut van geïnterneerde en elke medicatie-inname weigeren. Deze psychotische patiënten maken het voorwerp uit van disciplinaire maatregelen door de directie wanneer de veiligheid van andere celgenoten bedreigd wordt door hun agressief of psychotisch gedesintegreerd gedrag. De vraag wordt gesteld of deze onbehandelde psychotische patiënten, die min of meer langdurig in een geïsoleerde veiligheidscel verblijven, tegen hun wil in en dus onder dwang kunnen behandeld worden met antipsychotica.

In zijn schrijven van 9 maart 2006 heeft het Bureau van de Nationale Raad geantwoord dat de toediening van antipsychotica als dwangbehandeling enkel aanvaard kon worden in een medisch-verpleegkundig kader dat voldoende professioneel toezicht op deze patiënten garandeert. Het Bureau besliste tevens deze vraag te verwijzen naar de Nationale Raad voor verdere behandeling aangezien disciplinaire maatregelen nemen wegens psychotisch gedrag een medisch niet te accepteren situatie is. De Nationale Raad betreurt dat sommige penitentiaire instellingen in ons land zodanig onderbemand zijn dat de medische basisnoden van zowel geïnterneerden als gedetineerden niet steeds adequaat kunnen ingewilligd worden. Het is de plicht van de overheid hieraan te remediëren en ervoor te zorgen dat in alle penitentiaire instellingen waar geïnterneerden of gedetineerden verzorgd worden tenminste één gespecialiseerde eenheid zou bestaan om dergelijke gevallen adequaat te behandelen.

Zowel de medische deontologie als de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bevestigen dat artsen werkzaam in het gevangeniswezen hun professionele onafhankelijkheid behouden en dat hun evaluaties en beslissingen met betrekking tot de gezondheid van de gedetineerden enkel op medische criteria gefundeerd worden (art. 96, § 1, van de wet). Diezelfde wet formuleert in art. 88 het fundamentele gelijkheidsprincipe tussen de gezondheidszorg in en buiten een gevangenisomgeving en voegt eraan toe dat men rekening dient te houden met de specifieke noden van de gedetineerden.

Geïnterneerden zijn psychiatrisch gestoorde delinquenten die ontoerekeningsvatbaar verklaard werden en daarom verwezen voor behandeling in een inrichting die daarvoor geschikt is uit het oogpunt van veiligheid en verzorging (1). Het deontologisch beginsel dat patiënten niet tegen hun wil in behandeld worden is ook geldig voor geïnterneerden maar het blijft voor artsen medisch onaanvaardbaar psychiatrisch gestoorde patiënten onbehandeld te bewaken zonder de nodige zorg te kunnen toedienen.

De World Psychiatric Association (2) stelt dat: ‘no treatment should be provided against the patient’s will, unless withholding treatment would endanger the life of the patient and/or those who surround him or her. Treatment must always be in the best interest of the patient.’ De regel van de geïnformeerde toestemming van de patiënt veronderstelt een beslissingsbekwame patiënt die over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om tot een autonome behandelingskeuze te komen. Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek stelt in zijn advies n° 21 van 10 maart 2003 over ‘Gedwongen behandeling bij gedwongen opname’ dat gedwongen behandelen mogelijk moet zijn als de psychiatrische patiënt door zijn mentale stoornis niet in staat is om vrij en geïnformeerd in te stemmen met de verzorging die noodzakelijk is gezien zijn toestand.

Het probleem van de gedwongen behandeling kan zich voordoen in verschillende medische settings: het betreft zowel de vrij opgenomen patiënt (gebruik van de isolatiekamers), de ambulante patiënt (juridisch opgelegde behandeling van seksuele delinquenten of verslaafden) als de geïnterneerde of gedwongen opgenomen patiënt (3). De Belgische wetgeving kent geen specifieke regelgeving met betrekking tot de gedwongen behandeling. In dit advies zullen wij ons beperken tot de gedwongen behandeling van opgesloten geïnterneerden die een medisch noodzakelijke behandeling weigeren.

De ethische verantwoording voor het gebruik van externe dwang om een psychotische patiënt zonder zijn toestemming te behandelen is drieërlei van aard:

  1. de behandeling met antipsychotica herstelt de tijdelijk verloren beslissingsbekwaamheid van de patiënt. Dankzij de ingestelde behandeling en het verbeteren van de psychopathologische symptomen komt de patiënt in een mentale toestand die hem beter in staat stelt om autonome beslissingen te nemen en de verdere behandeling met de behandelende arts te bespreken zoals voorzien in de wet betreffende de rechten van de patiënt;

  2. de behandeling vermindert het risico op geweld en aantasting van de fysieke integriteit van derden;

  3. de behandeling betekent een gezondheidsvoordeel voor de patiënt. Wetenschappelijk onderzoek heeft voldoende aangetoond dat hoe langer een actieve psychotische patiënt onbehandeld blijft hoe slechter de prognose op langere termijn is.

De behandeling onder dwang van een opgesloten psychotisch geïnterneerde patiënt dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • Een dwangbehandeling kan enkel aanvaard worden in een medisch-verpleegkundig kader dat voldoende professioneel toezicht op de patiënt waarborgt. Indien de penitentiaire instelling waar de geïnterneerde verblijft niet over voldoende gekwalificeerd medisch en verpleegkundig geschoold personeel beschikt moet de betrokken patiënt overgeplaatst worden naar een geschikte psychiatrische dienst binnen of buiten het gevangeniswezen. Het verwijzen van psychotische geïnterneerden die een gevaar betekenen voor zichzelf of derden naar een geïsoleerde veiligheidscel om disciplinaire redenen is medisch onaanvaardbaar.
  • De dwangbehandeling moet de gezondheid van de geïnterneerde ten goede komen, aangepast zijn aan de ernst van zijn psychiatrische toestand, het herstellen van zijn beslissingsbekwaamheid als doel hebben en de psychopathologische symptomen verbeteren zoals het onder controle krijgen van agressief of gevaarlijk gedrag. Zodra de psychiatrische toestand van de patiënt verbetert zal hij geïnformeerd worden over de ingestelde behandeling en wordt de gewone procedure gevolgd voor de verdere planning van de behandeling.
  • De psychiater moet zorgvuldig en gewetensvol enkel die psychiatrische zorg onder dwang toedienen die strookt met de door zijn vakgenoten algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis.
  • De behandelende psychiater zal, voor zoveel als mogelijk, de vertegenwoordiger(s) van de patiënt inlichten over de geplande of al ondernomen gedwongen behandeling.
  • Alle gegevens betreffende de dwangbehandeling worden zorgvuldig bijgehouden in het patiëntendossier. De maatregel van gedwongen behandeling wordt op regelmatige tijdstippen geëvalueerd.
  • Idealiter zou de betrokken patiënt over de mogelijkheid moeten beschikken om een tweede opinie in te winnen van een beroepsbeoefenaar van zijn keuze. Deze mogelijkheid bestaat principieel maar blijkt in de praktijk moeilijk haalbaar.
1. Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemis-dadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten.
2. WPA, ‘Declaration of Madrid’ 1997.
3. Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
Informatica03/03/2007 Documentcode: a116004
Advies van de Nationale Raad in verband met het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het Gezondheidsinformatiesysteem

SAMENVATTING AANBEVELINGEN AAN DE ARTSEN

Wat het operationele luik betreft

- De toestemming

De Nationale Raad zet de artsen ertoe aan het systeem van de afzonderlijke toestemming te volgen zoals beschreven in artikel 19, § 3, van het decreet van 16 juni 2006, bij gebrek aan een andersluidende overeenkomst met de patiënt.

De zogenaamde “algemene” toestemming kan slechts toegepast worden rekening houdend met de redelijke verwachtingen van de patiënt.

- Het beroepsgeheim

De Nationale Raad herinnert er bovendien aan dat de principes van het gedeeld beroepsgeheim niet de facto het recht inhouden medische dossiers uit te wisselen. Enkel de gegevens die “noodzakelijk zijn om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te verzekeren” (artikel 19) mogen worden uitgewisseld.

- Inzage in het individuele gezondheidsdossier

De Nationale Raad is van oordeel dat de inzage in het medisch dossier slechts mogelijk is op uitdrukkelijke vraag van de patiënt.

Wat het epidemiologische luik betreft

- De informatie

Bij gebrek aan uitdrukkelijke toestemming dient de zorggebruiker ten minste volledig geïnformeerd te worden en de mogelijkheid te krijgen zijn recht op verzet te doen gelden.

- Het verzet

De Nationale Raad spoort de artsen ertoe aan de patiënt op de hoogte te brengen van de mogelijkheid zich te verzetten tegen de verwerking van zijn gegevens in het kader van het epidemiologische informatiesysteem evenals van de vorm van dit verzet.

De arts moet ervoor zorgen dat de gegevens waarvan de patiënt de verwerking weigerde niet opgenomen worden in de elektronische registratie noch in het bronbestand.

Hetzelfde geldt voor de gegevens betreffende derden.

AANBEVELINGEN AAN DE VLAAMSE REGERING EN/OF VLAAMSE PARLEMENTSLEDEN

- De toestemming

De Nationale Raad vraagt meer duidelijkheid over de mogelijkheid gebruik te maken van de stilzwijgende toestemming en over de modaliteiten ervan.

Hij is in elk geval van oordeel dat het principe van stilzwijgende toestemming zeker niet algemeen toegepast kan worden.

- De informatie

De Nationale Raad spoort de Vlaamse Regering ertoe aan, met eerbiediging van de deontologische regels, de wijze vast te leggen waarop de artsen concreet de patiënten zullen dienen in te lichten in de zin van artikel 42 van het decreet.

- Het verzet

De Nationale Raad vraagt de afschaffing van de voorwaarde die wordt gesteld om zich te kunnen verzetten tegen de verwerking van persoonlijke gegevens, met name zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met een bijzondere situatie.

De vorm van het verzet dient bovendien aanzienlijk vereenvoudigd te worden : het gewoon vermelden van het verzet in het medisch dossier zou moeten volstaan.

De Nationale Raad dringt er ook op aan dat de gelabelde software gebruikt in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem op eenvoudige wijze de mogelijkheid zou bieden bepaalde gegevens niet op te nemen in de automatische registratie.

- Rechten van de minderjarige patiënt

De Nationale Raad vraagt meer duidelijkheid aangaande de bestaande tegenstrijdigheden tussen de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en het decreet van 16 juni 2006 inzake :

  • het begrip “ouders”
  • de leeftijdsgrens voor de zelfstandige uitoefening van zijn rechten door de minderjarige patiënt.
- Het beroepsgeheim

De Nationale Raad dringt er bij de Vlaamse regering op aan dat de definitie van de aard en het type van de pseudo-identiteiten, in toepassing van artikel 14, duidelijk zou zijn.

De Nationale Raad vraagt ook dat de informatieknooppunten en de intermediaire organisaties niet zelf een link kunnen leggen tussen de pseudo-identiteiten en de identiteiten.

De bescherming van de persoonlijke levenssfeer

De Nationale Raad verwerpt de centralisatie bij één enkele instantie van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten en in het bijzonder van de gegevensoverdracht (zie het advies van de Nationale Raad van 26 november 2005 over het BeHealthproject, TNR nr. 111, p.5).

De Nationale Raad zal nauwlettend toezien hoe de Vlaamse Regering de onafhankelijkheid van de verschillende instanties zal bewerkstelligen.

De Nationale Raad vraagt ook om vertegenwoordigd te zijn in de toezichtcommissie, en, vervolgens, in het sectorale comité, bedoeld in artikel 88.

ADVIES

In zijn vergadering van 20 januari 2007 heeft de Nationale Raad het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem besproken.

De Raad betreurt niet geraadpleegd te zijn geweest in de voorbereidende fase van het decreet daar dit belangrijke gevolgen kan hebben in verband met de rechten van de patiënt alsook in verband met het beroepsgeheim.

De Nationale Raad acht het noodzakelijk enkele – niet exhaustieve - opmerkingen omtrent het decreet te formuleren, die op een constructieve wijze kunnen bijdragen aan het tot stand brengen van de toekomstige uitvoeringsbesluiten van het decreet.

A/ RECHTEN VAN DE PATIENT

De voornaamste begunstigden van het gezondheidsinformatiesysteem zouden in principe de patiënten moeten zijn, zowel in het operationele als in het epidemiologische informatiesysteem.

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt is een belangrijke stap geweest in de erkenning van deze rechten. Deze wet heeft de belangrijkste rechten van de patiënten omschreven.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat het decreet onvoldoende getoetst werd aan de vereisten uitgaande van de rechten van de patiënt.

1/Toestemming

Artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 bepaalt :

“De patiënt heeft het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.
Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden”.

Dit artikel streeft naar transparantie in de relatie arts-patiënt. De vrije en vooringelichte toestemming van de patiënt is een voorwaarde van het vertrouwen tussen de zorggebruiker en de beroepsbeoefenaar.
Het gezondheidsinformatiesysteem brengt dit vertrouwen in gevaar zowel in het operationele als in het epidemiologische informatiesysteem.

1.1 Het operationele informatiesysteem

Artikel 19 van het decreet legt de toestemming van de zorggebruiker op als voorwaarde voor de uitwisseling van gegevens in het kader van het operationele informatiesysteem.

De derde, vierde en vijfde paragrafen van dit artikel zijn echter verontrustend.

De Nationale Raad maakt hieromtrent de volgende opmerkingen :

De “afzonderlijke toestemming”

Artikel 19, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 luidt als volgt : “De zorggebruiker kan vragen dat zijn toestemming wordt gevraagd voor elke specifieke overzending van gegevens afzonderlijk. Hij kan evenwel ook aan een zorgverstrekker of organisatie met terreinwerking een toestemming geven voor alle specifieke overzendingen van gegevens in een bepaalde of onbepaalde periode, met dien verstande dat hij die toestemming kan beperken tot bepaalde categorieën van gegevens en bepaalde categorieën van zorgverstrekkers of organisaties met terreinwerking en dat hij ze op elk ogenblik kan intrekken”.

De Nationale Raad verheugt zich erover dat de patiënt kan vragen dat zijn toestemming afzonderlijk wordt gevraagd voor elke specifieke overzending van gegevens. Bij gebrek aan andersluidende overeenstemming is het de evidentie zelve dat het regime van de “afzonderlijke toestemming” gevolgd dient te worden.

De “algemene toestemming”

De Nationale Raad kan niet aanvaarden dat de zorggebruiker, voor een onbepaalde periode, zijn toestemming geeft voor alle specifieke uitwisselingen (artikel 19, §3). Een dergelijke toestemming komt overeen met het geven van een blanco volmacht aan de arts. In dit geval kan er geen sprake zijn van “vooringelichte toestemming”.

Uit artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 volgt duidelijk dat de arts de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt dient te verkrijgen wanneer hij, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming niet kan afleiden.

De Nationale Raad leidt hieruit af dat de arts, binnen het systeem van de “algemene toestemming”, altijd rekening zal moeten houden met de redelijke verwachtingen van de individuele patiënt : de uitdrukkelijke toestemming van de zorggebruiker is vereist voor alle gegevensuitwisselingen waaraan de patiënt zich niet redelijkerwijze kan verwachten. De Nationale Raad beveelt de artsen aan bijzonder voorzichtig te zijn hieromtrent.

De “stilzwijgende toestemming”

Artikel 19, § 4, van het decreet betreffende het gezondheidsinformatiesysteem bepaalt :
“ In afwijking van § 1 en voor zover de zorggebruiker zich niet tegen het overzenden van de gegevens verzet, wordt de toestemming verondersteld stilzwijgend verkregen te zijn als de overzending van de gegevens gebeurt :

  1. naar aanleiding van een verwijzing die deel uitmaakt van de lopende zorgverlening;
  2. in het kader van samenhangende activiteiten van zorgverlening;
  3. in het kader van samenhangende activiteiten van een preventieprogramma”.

De Nationale Raad deelt principieel het volgende standpunt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer :
“Artikel 19, § 4, van het voorontwerp van decreet stelt dat de toestemming 'stilzwijgend' kan verkregen zijn wanneer de overzending gebeurt naar aanleiding van een verwijzing binnen een lopende behandeling of preventieactiviteit.
De uitwisseling van persoonsgegevens tussen de leden van een behandelingsteam en de beroepsbeoefenaars die daarin worden opgenomen met instemming van de zorgontvanger behoort tot de normale verwachting van de zorgontvanger en behoeft geen expliciete toestemming.
Wanneer het echter gaat om een doorverwijzing naar een ander behandelingsteam, is de Commissie van oordeel dat het niet langer vanzelfsprekend is om de toestemming te veronderstellen”
(1).

De Nationale Raad kan vanuit deontologisch standpunt aanvaarden dat de toestemming voor gegevensuitwisseling tussen de leden van een bepaald behandelingsteam stilzwijgend wordt gegeven, voor zover het behoort tot de normale verwachtingen van de patiënt.

Wettelijk is dit niet evident. Zoals de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer opmerkt : “Elke vorm van stilzwijgende toestemming is onwettig in het licht van art. 7 van de wet van 8 december 1992.”(2).

Over het artikel 19, § 4, van het decreet schrijft deze Commissie het volgende :
“De Commissie meent dat het niet mogelijk is om in decretale regelgeving afwijkingen van federale regels op te nemen die aan de rechtsonderhorige een lager beschermingsniveau zou verstrekken. De wettelijke bepaling die in het hoogste beschermingsniveau voor de burger voorziet, primeert.”(3).

Gezien de strijdigheid tussen, enerzijds, artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, anderzijds, artikel 19, § 4, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem, beveelt de Nationale Raad aan de uitdrukkelijke toestemming van de zorggebruikers te vragen alvorens gegevens uit te wisselen binnen het operationele informatiesysteem.

In dat opzicht vraagt de Nationale Raad aan de wetgever meer duidelijkheid.

Het epidemiologische informatiesysteem

De uitwisseling van gezondheidsgegevens binnen het epidemiologische informatiesysteem vergt wettelijk geen toestemming van de zorggebruiker.

Artikel 47 van het decreet bepaalt dat de patiënt zich wel kan verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie of in het bronbestand, maar dit enkel wegens “zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie”(4).

Informatieplicht

De uitwisseling van gegevens is noodzakelijk om het Vlaamse gezondheidsbeleid zo veel mogelijk op evidentie te steunen en om zijn doeltreffendheid en doelmatigheid te evalueren.

Dit belet niet dat de rechten van de patiënt geëerbiedigd dienen te worden. Bij gebrek aan uitdrukkelijke toestemming dient de zorggebruiker ten minste volledig geïnformeerd te worden en de mogelijkheid te krijgen zijn recht van verzet te doen gelden.

Artikel 42 van het decreet regelt de kennisgeving van het gezondheidsinformatiesysteem aan de zorggebruiker.

Dit artikel luidt als volgt :

Ҥ 1. De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier brengt de zorggebruiker en, als de zorggebruiker jonger is dan 14 jaar, zijn ouders ervan op de hoogte dat een elektronische registratie wordt bijgehouden en dat de gegevens die daarin voorkomen, kunnen worden aangewend in het kader van het operationele en het epidemiologische informatiesysteem.
Als een zorggebruiker zich in een wettelijke of kennelijke toestand van onbekwaamheid tot uiten van zijn wil bevindt, gebeurt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de persoon zoals bepaald in artikel 19, § 2.
§ 2. Onverminderd de informatie die meegedeeld wordt overeenkomstig de regelgeving ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en voor zover de zorggebruiker er nog niet van op de hoogte is, worden bij de kennisgeving ten minste de volgende inlichtingen verstrekt :

  1. de categorieën van gegevens die in de elektronische registratie worden bijgehouden, met opgave van de categorieën van gegevens die in het bronbestand worden opgenomen;
  2. de categorieën van zorgverstrekkers en organisaties met terreinwerking aan wie in het kader van het operationele informatiesysteem gegevens kunnen worden overgezonden;
  3. de naam van de intermediaire organisatie waaraan gegevens worden overgezonden in het kader van het epidemiologische informatiesysteem;
  4. de wijze waarop het recht van inzage van de gegevens in het individuele gezondheidsdossier en in de elektronische registratie uitgeoefend kan worden;
  5. de wijze waarop tegen de aanwending van de gegevens in het operationele of het epidemiologische informatiesysteem verzet kan worden aangetekend;
  6. de wijze waarop met de toezichtcommissie in contact kan worden getreden.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop ze gebeurt”.

De Nationale Raad hecht bijzonder veel belang aan de wijze waarop de Vlaamse Regering deze kennisgeving zal organiseren.

Het spreekt voor zich dat het verschaffen van al de voorziene informatie bij elke raadpleging praktisch niet haalbaar is.

Het kenbaar maken van de wettelijk vereiste informatie in de wachtkamers van artsen beantwoordt niet aan de deontologische regels betreffende de informatieplicht.

Redenen van verzet

Artikel 47 voorziet dat de patiënt zich kan verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie en in het bronbestand “wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie”.

De relatie arts-patiënt wordt hierdoor ernstig geschaad. Een patiënt zou zich bv. niet kunnen verzetten tegen de opname van zijn gegevens als hij/zij geen vertrouwen heeft in de anonimisering van de gegevens : het heeft geen verband met zijn bijzondere situatie. De Nationale Raad kan dit niet aanvaarden en wenst de afschaffing van de voorwaarden tot verzet.

Artikel 47 brengt ook grote moeilijkheden met zich wat betreft de automatische extractie van de gegevens uit het individuele gezondheidsdossier, zoals voorzien in artikel 13, §1, 2de lid, van het decreet5. De Nationale Raad merkt ook op dat de patiënt zich zelden verzet tegen de opname van zijn gegevens maar wel tegen de uitwisseling ervan. De zorgverstrekker moet erover waken dat de gegevens in het elektronisch dossier waarvan de patiënt de uitwisseling weigert, niet opgenomen worden in de elektronische registratie. Indien de gegevens uit het individuele gezondheidsdossier automatisch worden omgezet zou de gebruikte software voor de automatische extractie de mogelijkheid moeten bieden bepaalde gegevens niet op te nemen.

Vorm van het verzet

Artikel 47, §2, bepaalt :
”Het verzet, bedoeld in § 1, wordt schriftelijk meegedeeld aan de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier. Het wordt gedagtekend en ondertekend en de voor het verzet ingeroepen redenen die verband houden met de bijzondere situatie van de zorggebruiker, worden gemotiveerd.
De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier maakt melding van het verzet in het individuele gezondheidsdossier”.

De Nationale Raad is van mening dat de vormvoorwaarden van het verzet te zwaar zijn : deze zijn van aard de patiënt te ontmoedigen hun recht op verzet te doen gelden.

Het louter vermelden van het verzet in het gezondheidsdossier dient te volstaan.

2/ Inzage in het individueel gezondheidsdossier en in de elektronische registratie

Het recht op inzage in het individueel gezondheidsdossier en in de elektronische registratie is voorzien in artikel 43.

De eerste paragraaf ervan bepaalt :
“De zorggebruiker heeft het recht om, rechtstreeks of door tussenkomst van een vrij door hem gekozen beroepsbeoefenaar van de gezondheidszorg, inzage te nemen van de gegevens die over hem worden bijgehouden in het individuele gezondheidsdossier en in de elektronische registratie. Gegevens die betrekking hebben op een derde zijn uitgesloten van dat recht van inzage.
De zorggebruiker heeft ook het recht om inzage te nemen van de persoonlijke notities die hem betreffen, mits die inzage onrechtstreeks gebeurt door tussenkomst van een vrij door de zorggebruiker gekozen beroepsbeoefenaar van de gezondheidszorg”.

De Nationale Raad is van oordeel dat de inzage slechts kan gebeuren op verzoek van de patiënt, gericht aan de arts die het dossier heeft opgesteld. De redenen hiervoor zijn dat de arts wettelijk verplicht is de gegevens die derden betreffen uit te sluiten van het recht op inzage (artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt) en dat de arts in het belang van de patiënt de therapeutische exceptie zal kunnen toepassen (artikel 7, § 4, wet van 22 augustus 2002).

De Nationale Raad verwijst hieromtrent naar zijn hierbij gevoegde advies van 20 januari 2007 betreffende de rechtstreekse inzage door de patiënt in zijn elektronisch medisch dossier.

3/ Rechten van de minderjarige patiënt.

Hoofdstuk IV van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt gaat de vertegenwoordiging van de patiënten aan.

Wat de minderjarige patiënten betreft, stelt artikel 12 het volgende :
“§ 1. Bij een patiënt die minderjarig is, worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in deze wet opgesomde rechten kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend”.

3.1. Over het begrip “ouders”

Het decreet van 16 juni 2006 bepaalt dat in het kader van het gezondheids-informatiesysteem, de rechten van de patiënt jonger dan veertien jaar, uitgeoefend worden door zijn ouders (zie artikelen 19, 42, 43, 47).

De term “ouders” wordt in het decreet in artikel 2, 13°, als volgt gedefinieerd :
“de titularissen van het ouderlijke gezag of de personen die in rechte of in feite een minderjarige onder hun hoede hebben”.

Krachtens de wet betreffende de rechten van de patiënt worden de rechten van de minderjarige patiënt uitgeoefend door de “ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen”. Krachtens het decreet zouden bv. de stiefouder in een nieuw samengesteld gezin deze rechten ook kunnen uitoefenen.

De strijdigheid tussen de Federale en de Vlaamse wetteksten moet worden opgelost, in het belang van de minderjarigen. Een overleg tussen de federale en decretale wetgevers is dan ook noodzakelijk. De federale commissie “Rechten van de patiënt” zou ook bij dit overleg betrokken kunnen worden.

Over de leeftijdsgrens

De Nationale Raad stelt ook vast dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de zelfstandige uitoefening van zijn rechten door de minderjarige patiënt.

De wet betreffende de rechten van de patiënt legt in tegenstelling tot het decreet hiervoor geen leeftijdsgrens vast,.

De Nationale Raad deelt hieromtrent het standpunt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer :
“Aangaande de invoering in het ontwerp van decreet van een vaste leeftijdsgrens, vastgelegd op veertien jaar, voor de overzending van gegevens (art. 19) en de uitoefening van het inzagerecht (art. 43), wenst de Commissie op te merken dat dergelijke leeftijd weliswaar kan worden aangewend als leeftijd waarnaar men zich kan richten, maar deze niet mag worden aangewend als een absoluut criterium waarvan afwijking niet mogelijk zou zijn. Gelet op de onmogelijkheid om voor alle individuen op eenvormige wijze het ogenblik vast te stellen waarop deze geacht worden over voldoende maturiteit te beschikken om op volledig zelfstandige wijze hun rechten uit te oefenen, dient steeds in de mogelijkheid te worden voorzien dat de zorgverstrekker ten opzichte van jongeren die zich onder deze leeftijdsgrens bevinden, kan oordelen dat voldoende maturiteit werd verworven om zelfstandig op te treden”(6).

B/ BEROEPSGEHEIM

Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem streeft naar optimalisering van de gegevensuitwisseling tussen zorgverstrekkers om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te “verzekeren” en om de gezondheidszorg beter te kunnen evalueren (artikel 4).

De leden van de Nationale Raad leiden uit hun geneeskundige ervaring af dat de uitwisseling van gegevens nuttig is voor de kwaliteit van de zorg.

Zij weten ook dat het beroepsgeheim een voorwaarde vormt voor het - niet minder noodzakelijke - vertrouwen in de arts-patiëntrelatie.

De Nationale Raad vreest dat enkele bepalingen van het decreet van 16 juni 2006 het beroepsgeheim op de helling zetten.

1/ Het operationele informatiesysteem

1.1. toegankelijkheid tot gegevens vs. toegankelijkheid tot het dossier

Het decreet van 16 juni 2006 voorziet in de uitwisseling van gezondheidsgegevens. Nooit is er sprake van uitwisseling van gezondheidsdossiers. De artikelen 10 en 19 laten hieromtrent geen twijfel bestaan. De gegevens die in aanmerking komen voor uitwisseling zijn deze die “noodzakelijk zijn om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te verzekeren” (artikel 19).

In de praktijk is het duidelijk dat de gebruiksvriendelijkheid van de software doorslaggevend zal zijn voor de effectieve uitwisseling van gegevens uit het individuele gezondheidsdossier. De software moet de mogelijkheid bieden de gegevens uit de gezondheidsdossiers gemakkelijk te klasseren enerzijds, en gegevens gemakkelijk uit te sluiten van de uitwisseling, anderzijds. Om in de praktijk te worden gebruikt moet de software gebruiksvriendelijk genoeg zijn om de arts toe te laten het beroepsgeheim te eerbiedigen.

De Nationale Raad vraagt aan de voor het labelen van de software bevoegde overheden om hiermee rekening te houden.

1.2. voorwaarden van het gedeeld beroepsgeheim

Het beroepsgeheim kan onder bepaalde omstandigheden gedeeld worden.

Deze mogelijkheid wordt echter door enkele voorwaarden afgebakend. De toepassing van het begrip “gedeeld beroepsgeheim” vergt niet alleen dat de bestemmeling van de vertrouwelijke informatie gebonden is door het beroepsgeheim. Enkel de informatie nodig voor de continuïteit en voor de kwaliteit van de zorg van de patiënt dient gedeeld te worden. De overdracht van de gegevens moet tevens gebeuren met toestemming van de patiënt.

De praktische toepassing hiervan vergt dat de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier, in geval van een gezamenlijk gezondheidsdossier zoals bedoeld in artikel 6 van het decreet, uitsluitend een behandelende arts mag zijn.

Deze opmerking geldt ook voor de verantwoordelijke voor het individueel gezondheidsdossier waarvan sprake in de artikelen 44, 45 en 46.

Wat betreft de toepassing van de voorwaarden van het gedeeld beroepsgeheim in de centra voor leerlingenbegeleiding verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 21 oktober 2006 (7) .

1.3. Medische dossiers zoals bedoeld in artikel 11 van het decreet

De Nationale Raad merkt ook op dat artikel 11 van het decreet niet de nodige garanties biedt voor de efficiëntie van het operationele informatiesysteem en de eerbiediging van het beroepsgeheim.

Het multidisciplinair dossier

Artikel 11, § 1, van het decreet bepaalt voor de centra voor leerlingenbegeleiding dat het multidisciplinair dossier bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding als individueel gezondheidsdossier geldt in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem.

In zijn advies van 21 oktober 2006 betreffende het beheer van medische dossiers in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft de Nationale Raad aangetoond dat in toepassing van de regels van het gedeeld beroepsgeheim, de CLB-arts een medisch dossier dient bij te houden naast het multidisciplinair dossier, dat beperkt dient te blijven tot de gegevens die relevant zijn voor de pedagogische begeleiding van het kind (8).

De gegevens die relevant zijn voor de continuïteit van de zorg van het kind, alsook trouwens voor de epidemiologische onderzoeken, worden dus niet altijd geregistreerd in het multidisciplinair dossier bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1998.

Het algemeen medisch dossier (AMD)

Artikel 11, § 4, bepaalt :
“Voor de huisartsen geldt het algemene medische dossier, bedoeld in artikel 35duodecies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, als individueel gezondheidsdossier en zijn, voor zover ze afwijken van artikelen 6 tot en met 9 en artikel 10, tweede lid, de bepalingen van dat dossier van toepassing. “

Het algemeen medisch dossier zoals bedoeld in artikel 35duodecies van het KB nr. 78, ook globaal medisch dossier genoemd (zie artikel 1, §4, van het KB 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier), belet niet dat een patiënt meerdere huisartsen kan raadplegen. Bovendien is de patiënt niet verplicht een huisartsbeheerder van het algemeen medisch dossier aan te duiden : de patiënt heeft dus niet altijd een AMD.

Uit artikel 11, § 4, van het decreet blijkt dat het gezondheidsinformatiesysteem slechts gebruikt zal worden voor patiënten waarvan een AMD bijgehouden wordt.

2/ Het epidemiologische informatiesysteem

De Nationale Raad stelt vast dat de eerbiediging van het beroepsgeheim in het kader van het epidemiologische informatiesysteem grotendeels afhangt van de aard van de gegevens opgenomen in het bronbestand.

De bronbestanden die aan de intermediaire organisaties en aan de informatieknooppunten worden meegedeeld bevatten niet enkel anonieme gegevens (zie artikel 2, 10°).

De meeste gegevens in bezit van de informatieknooppunten en van de intermediaire organisaties kunnen nog in verband worden gebracht met een geïdentificeerde of een identificeerbare persoon.

De Nationale Raad betreurt dat de gegevens niet anoniem worden meegedeeld. Noch de wetenschappelijke, noch de economische belangen kunnen het door de patiënt genomen risico op het gebied van zijn persoonlijke levenssfeer rechtvaardigen.

Daar het decreet nu gestemd en gepubliceerd is, dringt de Nationale Raad er bij de Vlaamse Regering op aan om, op een grondige wijze, de aard en het type van pseudo-identiteiten te bepalen, in toepassing van artikel 14.

De Nationale Raad wenst ook dat de informatieknooppunten en de intermediaire organisaties niet zelf een link kunnen leggen tussen de pseudo-identiteiten en de identiteiten.

De beroepsbeoefenaren moeten ervoor zorgen dat de elektronische registratie inhoudelijk niet verwijst naar de identiteit van de patiënt. De patiënt zou slechts via zijn pseudo-identiteit geïdentificeerd kunnen worden. Zij moeten er ook over waken dat de gegevens betreffende derden niet opgenomen worden in de elektronische registratie.

C/ PERSOONLIJKE LEVENSSFEER

Het decreet van 16 juni 2006 brengt verschillende vragen met zich op het gebied van de bescherming van de privacy van de patiënten.

Vooral de onafhankelijkheid van de informatieknooppunten en van de intermediaire organisaties ten opzichte van de latere verantwoordelijke voor de verwerking wordt in vraag gesteld.

De Nationale Raad verwerpt de centralisatie, bij één enkele instantie, van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten, en in het bijzonder, van de gegevensoverdracht (zie het advies van de Nationale Raad van 26 november 2005 over het Behealthproject, TNR nr. 111, p. 5).

De Nationale Raad zal nauwlettend toezien hoe de Vlaamse Regering de onafhankelijkheid van deze verschillende instanties zal bewerkstelligen.

De Nationale Raad vraagt ook om vertegenwoordigd te zijn in de toezichtcommissie, voorzien in het hoofdstuk VI en, vervolgens, in het sectorale comité, bedoeld in artikel 88.

D/ HAALBAARHEID

Bij het lezen van de bepalingen van het decreet, heeft de Nationale Raad twijfels over de praktische uitvoerbaarheid ervan.

De informatisering

Het decreet berust volledig op het postulaat dat de gezondheidsberoepsbeoefenaren over het aangepaste informaticamateriaal beschikken en hun patiëntendossiers beheren via specifieke programma’s die onderling compatibel zijn. De volledige en georganiseerde informatisering van alle gezondheidsberoepsbeoefenaren vraagt tijd en wilskracht. We mogen gerust twijfelen aan de reële toepassingsmogelijkheden op het terrein, momenteel en op middellange termijn, van de maatregelen waarop het decreet aandringt.

De financiering

De veralgemeende informatisering van de gezondheidsdossiers vertegenwoordigt een belangrijke kostprijs.
Het decreet preciseert niet hoe de maatregelen die erin vooropgesteld worden gefinancierd zullen worden en welk budget eraan besteed zal worden. Het ligt echter voor de hand dat de praktische toepassing van de bepalingen van het decreet grotendeels zal afhangen van de toegekende financiering.
De Nationale Raad stelt zich bijgevolg vragen bij de financiële haalbaarheid van het decreet.

De informatieplicht

Artikel 42 van het decreet regelt de kennisgeving van het gezondheidsinformatiesysteem aan de zorggebruiker. De Nationale Raad verwijst hieromtrent naar zijn hierboven gemaakte opmerkingen.

De vraag stelt zich concreet hoe de artsen al de verplichte informaties t.a.v.de patiënten gaan kunnen verschaffen.

Gezondheidsinformatiesysteem/ BeHealth

De Nationale Raad stelt zich vele vragen over de toekomstige compatibiliteit van het gezondheidsinformatiesysteem met het Behealth-platform.

De artsen vrezen administratieve overbelasting door het registreren van al de gegevens voor het gezondheidsinformatiesysteem. Een dubbele registratie dient absoluut vermeden te worden.

De Nationale Raad heeft geen kennis van een overleg tussen de Federale overheid en de Vlaamse Regering hieromtrent (zie artikel 23, § 2, van het decreet).

Administratieve overbelasting

De Nationale Raad stelt ook vast dat het registreren van de persoonsgegevens in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem, een belangrijke toename van het administratief werk met zich zal brengen.

De arts mag de gegevens betreffende derden alsook zijn persoonlijke notities niet in zijn elektronisch medisch dossier registreren indien de elektronische registratie op een automatische extractie van de gegevens uit dat dossier berust.

Hij moet erover waken dat het recht van verzet van de patiënt geëerbiedigd wordt, en dat de gegevens in het bronbestand niet rechtstreeks naar een identiteit verwijzen.


1 Advies nr. 05/2004 van 10 mei 2004 “Voorontwerp van decreet van de Vlaamse Regering betreffende het gezondheidsinformatiesysteem”, online : www.privacycommission.be.
2 Ibid.
3 Ibid.
4 Artikel 47 luidt als volgt:
Ҥ 1. De zorggebruiker kan zich, wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie. Dat verzet heeft automatisch als gevolg dat de gegevens niet worden opgenomen in het bronbestand.
De zorggebruiker kan zich, wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, verzetten tegen de opname in het bronbestand van de gegevens die over hem zijn opgenomen in de elektronische registratie.
§ 2. Het verzet, bedoeld in § 1, wordt schriftelijk meegedeeld aan de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier. Het wordt gedagtekend en ondertekend en de voor het verzet ingeroepen redenen die verband houden met de bijzondere situatie van de zorggebruiker, worden gemotiveerd.
De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier maakt melding van het verzet in het individuele gezondheidsdossier.
§ 3. Is de zorggebruiker jonger dan 14 jaar, dan kan het in § 1 bedoelde verzet ook uitgeoefend worden door zijn ouders. In voorkomend geval wordt de zorggebruiker zo veel mogelijk betrokken bij de beoordeling van de door zijn ouders ingeroepen reden voor het verzet en wordt met zijn mening rekening gehouden in verhouding tot zijn maturiteit en beoordelingsvermogen.
Als de zorggebruiker zich in een wettelijke of kennelijke toestand van onbekwaamheid tot uiten van zijn wil bevindt, wordt het in § 1 bedoelde verzet uitgeoefend door de persoon zoals bedoeld in artikel 19, § 2”.
5 Artikel 13, § 1, bepaalt:
“Het individuele gezondheidsdossier vormt de basis van een elektronische registratie, waarin de gegevens uit dat dossier op een uniforme en gestandaardiseerde wijze worden samengevat.
Als het individuele gezondheidsdossier in een elektronische vorm wordt bijgehouden, mag de elektronische registratie ermee samenvallen en berusten op een automatische extractie of omzetting van gegevens uit dat dossier”.
6 Advies nr. 05/2004 van 10 mei 2004 “Voorontwerp van decreet van de Vlaamse Regering betreffende het gezondheidsinformatiesysteem”, online : www.privacycommission.be.
7 online : www.ordomedic.be
8 In het advies van 21 oktober 2006 wordt het volgende bepaald :
“Het multidisciplinair team van de CLB heeft niet tot taak de leerling medisch op te volgen, maar wel pedagogisch. De medische gegevens die enkel belangrijk zijn voor de medische opvolging van het kind, zonder relevant te zijn voor de schoolse begeleiding van de leerling, dienen dan ook niet opgenomen te worden in het multidisciplinair dossier.
De Nationale Raad blijft dan ook van mening dat de de CLB-arts een medisch dossier dient bij te houden naast het aldus beperkte multidisciplinair dossier”.

Aids03/02/2007 Documentcode: a116001
Beroepsgeheim en aids - Mededeling aan partner

Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan partner

Naar aanleiding van de vraag van een arts betreffende het inlichten van de partner(s) van een hiv-seropositieve patiënt bestudeerde een provinciale raad de adviezen die de Nationale Raad hieromtrent verleende. Op 16 december 2000 bevestigde de Nationale Raad zijn advies van 16 oktober 1993 waarin werd gesteld dat, “behoudens uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, het beroepsgeheim verbiedt dat de arts de partners van een seropositieve persoon van de besmetting op de hoogte brengt”.
Op 25 mei 2002 stelde de Nationale Raad dat “in bepaalde omstandigheden andere waarden op het beroepsgeheim kunnen primeren” en dat de noodtoestand die “eerder uitzonderlijk” is maar kan worden ingeroepen wanneer er door de arts een rechtvaardigingsgrond wordt ingeroepen die “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal geaccepteerd worden door de tuchtrechter, de strafrechter en de gemeenschap”.
De provinciale raad meent dat hier toch een zeer zware verantwoordelijkheid bij de arts wordt gelegd en vraagt aan de Nationale Raad om de problematiek omtrent het al dan niet informeren van derden die een belangrijk gezondheidsrisico lopen opnieuw te willen onderzoeken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 3 februari 2007 heeft de Nationale Raad de volgende vragen onderzocht : welke houding moet een arts aannemen ten opzichte van een hiv-seropositieve patiënt die verklaart dat hij weigert de nodige maatregelen te treffen om te vermijden de partner te besmetten (beschermd seksueel contact of onthouding). Kan deze arts, door de noodtoestand in te roepen, de partner inlichten van de seropositiviteit van de patiënt ? Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we verscheidene overwegingen maken.

1. Volgens de jongste voorschriften van de deontologie en van de wet (Strafwetboek) geldt het medische beroepsgeheim voor iedere patiënt en vormt de hiv-seropositiviteit op zich geen uitzonderingscriterium.

2. De huidige strategie tegen aids bestaat uit het opsporen van de hiv-seropositieve patiënten, hun vroegtijdige behandeling en het toepassen van preventiemaatregelen. Het opsporen van de seropositiviteit is de hoeksteen van deze strategie. In België gebeurt het opsporen op vrijwillige basis. Het wordt bevorderd door de waarborg van het medische geheim en zou waarschijnlijk afgeremd worden door het vertrouwensverlies dat de systematische schending van het medische geheim zou meebrengen.

3. Het beroepsgeheim van de arts inzake de seropositiviteit blijkt zowel de gezondheid van de patiënt (de behandeling van de opgespoorde seropositieve patiënt) als de volksgezondheid te baten (dankzij de preventiemaatregelen die de opsporing mogelijk maakt).

4. Het specifieke geval van de bescherming van de vaste seksuele partner kan voor de arts een noodtoestand tot stand brengen die hem toelaat het medische geheim te doorbreken. Dit initiatief kan slechts bij wijze van uitzondering en wanneer de verschillende hiernavolgende stappen ondernomen werden

  1. Herhaaldelijk de patiënt ertoe aanmanen zelf zijn seropositiviteit aan zijn seksuele partner mee te delen.
  2. Alle hulp nodig voor het concretiseren van deze mededeling voorstellen, waaronder de mededeling in aanwezigheid van de arts.
  3. De patiënt op de hoogte brengen van zijn burgerlijke en strafwettelijke aansprakelijkheid wanneer hij/zij handelt op een manier die de gezondheid van zijn/haar seksuele partner ernstig in gevaar brengt.
  4. In het medische dossier van de patiënt zowel de herhaalde pogingen vermelden als zijn volgehouden weigering om de nodige voorzorgen voor de bescherming van de partner te nemen.
  5. Het advies vragen van een collega die specifieke ervaring heeft met de behandeling van hiv-seropositieve patiënten.
  6. De patiënt inlichten over de morele plicht van de arts de partner op de hoogte te brengen teneinde deze te beschermen tegen het gevaar dat het gevolg is van de weigering de nodige maatregelen te treffen voor zijn/haar bescherming.
  7. De mededeling doen na de patiënt ervan verwittigd te hebben.