keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Ziekenhuizen15/02/2020 Documentcode: a167001
Klinische netwerking tussen ziekenhuizen - deontologische principes
In zijn vergadering van 15 februari 2020 heeft de nationale raad van de Orde der artsen zich beraden over de deontologische principes die de arts in acht moet nemen in de context van de klinische netwerking tussen ziekenhuizen.

1. Inleiding

De wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorginrichtingen, wat de klinische netwerking tussen ziekenhuizen betreft, voorziet dat elk ziekenhuis in België uiterlijk op 1 januari 2020 deel uitmaakt van een locoregionaal klinisch ziekenhuisnetwerk.(1) Hierdoor ontstaat er een nauwere en frequentere samenwerking tussen ziekenhuizen binnen een netwerk en zal de transmurale zorg worden geïntensifieerd.

Binnen elk ziekenhuisnetwerk(2) en over de grenzen heen van de netwerken(3) worden de zorgopdrachten (her)verdeeld volgens zorg-strategische criteria. Het idee bestaat erin dat meer samenwerking zal leiden tot meer efficiëntie en meer zorgkwaliteit.

2. Aandachtspunten

De schaalvergroting vergt een grote aanpassing voor de actoren op het terrein. Zowel de arts, het beheer en de directie van de ziekenhuizen, als de patiënt kunnen hierdoor moeilijkheden ondervinden.

Het is een uitdaging voor de arts om de deontologische beginselen te doen rijmen met deze nieuwe, grotere en complexere structuur. Hij dient hierbij blijvend oog te hebben voor een goede communicatie met de patiënt, zijn collega-artsen en het beheer en de directie van het ziekenhuis.

Daarnaast is het van belang dat de arts erover waakt dat de principes van professionele onafhankelijkheid, zorgcontinuïteit, vrije artsenkeuze van de patiënt en toegang tot de zorg worden gerespecteerd. De arts bekommert zich in de eerste plaats om de kwaliteit van de zorg, in het belang van de patiënt en de maatschappij.

3. Uitdagingen

3.1. Toegankelijkheid van de zorg

Om de zorgkwaliteit te kunnen waarborgen, dient de zorginstelling vlot toegankelijk te zijn. De schaalvergroting leidt ertoe dat zowel de arts als de patiënt zich, voor het verstrekken of het verkrijgen van bepaalde zorg, soms verder zal moeten verplaatsen dan voorheen. In het bijzonder voor een kwetsbare groep van patiënten, die zich moeilijk kunnen verplaatsen, is het van belang dat het subsidiariteitsprincipe(4) correct wordt toegepast, met behoud van voldoende basiszorg op lokaal vlak.

3.2. Zorgcontinuïteit

Spreiding van medische activiteiten mag niet leiden tot een vermindering van de kwaliteit van zorg in de follow-up voor de individuele patiënt. De arts waakt erover dat de continuïteit van de zorg gewaarborgd blijft. Samenwerkingsverbanden tussen artsen onderling, met duidelijke afspraken omtrent de continuïteit van de zorg en gestructureerde informatieoverdracht zijn hiervoor een waardevol hulpmiddel.

3.3. Communicatie met de patiënt

De netwerkvorming vergt, in het bijzonder in de beginperiode, een bijkomende en duidelijke communicatie met de patiënt. De therapeutische mogelijkheden, maar ook de beperkingen en interne verwijzing naar ziekenhuisartsen en -diensten binnen het netwerk worden uitgelegd aan de patiënt, nu hij misschien geconfronteerd wordt met een veranderend ziekenhuislandschap en daarbij horend verwijsgedrag.

3.4. Vrije artsenkeuze

De arts respecteert de vrije artsenkeuze van de patiënt.(5) Dit recht mag geenszins ingeperkt worden louter door de organisatie binnen het netwerk. De patiënt behoudt de vrijheid om zich te laten behandelen door een arts van zijn keuze binnen en buiten het netwerk waarop hij initieel een beroep doet.(6)

3.5. Persoonlijke levenssfeer van de patiënt

De netwerking zal ook de samenwerking tussen de ziekenhuizen bevorderen bij de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie.(7) De arts respecteert het recht op privacy van de patiënt en de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.(8)

3.6. Intercollegiale relaties binnen het ziekenhuis

De schaalvergroting maakt de interactie tussen artsen onderling en tussen artsen, het beheer en de directie van de ziekenhuizen complexer.

De vorming van de ziekenhuisnetwerken vergt een inspanning van de arts voor het behoud van goede relaties met het ziekenhuis en zijn collega-artsen. In deze nieuwe context stelt de arts zich collegiaal op en respecteert hij de specifieke deskundigheid van zijn collega's en andere gezondheidszorgbeoefenaars.(9)

Intercollegiale onenigheden, die nu ziekenhuisgebonden zijn, kunnen een andere en complexere dimensie krijgen. Het is van belang overleg te plegen met collega's en problematische situaties aan te kaarten bij de netwerkhoofdarts en/of de voorzitter van de medische raad van het netwerk. Co-governance structuren zijn een bijkomend hulpmiddel om de dialoog en de interactie tussen de raad van bestuur en de directie van het netwerk met de artsen te bevorderen.

3.7. Intercollegiale relatie tussen eerste- en tweedelijnszorg

Binnen het netwerkgebeuren is de interactie van de tweede lijn met de eerste lijn cruciaal om kwalitatief hoogstaande zorg aan te bieden. In die zin is het creëren van een vast overlegorgaan tussen het klinische ziekenhuisnetwerk en de huisartsenkringen die ermee samenwerken essentieel.

4. Besluit

De klinische netwerking tussen ziekenhuizen bevordert een nauwere en frequentere samenwerking tussen universitaire, gespecialiseerde en lokale ziekenhuizen. Blijvend overleg tussen alle betrokken actoren, waaronder de extramurale zorgverleners, is onontbeerlijk. De arts bekommert zich in de eerste plaats om de kwaliteit van de zorg, in het belang van de patiënt en de maatschappij.



(1) Wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorginrichtingen, wat de klinische netwerking tussen ziekenhuizen betreft; Besluit van 26 april 2019 van de Vlaamse regering betreffende zorgstrategische planning; https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1335076/verslag/1337132

(2) Locoregionale zorgopdrachten zijn zorgopdrachten die in elk locoregionaal klinisch ziekenhuisnetwerk moeten worden aangeboden, art. 5, 3°, wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorginrichtingen, wat de klinische netwerking tussen ziekenhuizen betreft

(3) Supraregionale zorgopdrachten zijn zorgopdrachten die niet in elk locoregionaal klinisch ziekenhuisnetwerk mogen worden aangeboden, art. 5, 4°, wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorginrichtingen, wat de klinische netwerking tussen ziekenhuizen betreft

(4) Het subsidiariteitsprincipe is een vorm van organisatie die ertoe strekt dat lokaal voldoende gespecialiseerde zorg wordt aangeboden aan de patiënt.

(5) Art. 15, Code van medische deontologie 2018

(6) De vrije artsenkeuze kan (binnen een bepaalde ziekenhuisdienst) om organisatorische redenen beperkt zijn (bijvoorbeeld binnen een dienst anesthesie, radiologie, klinische biologie, enz..). Daarnaast is de vrije artsenkeuze in sommige gevallen onmogelijk, bijvoorbeeld bij dringende ingrepen, tijdens de wachtdienst of in de door de wet geregelde situaties, Commentaar bij art. 15 van de Code van Medische Deontologie 2018

(7) "Ziekenhuisnetwerken: van uittekening naar operationalisering: noodzakelijke randvoorwaarden", Zorgnet-Icuro, 7 juni 2018

(8) Art. 27, Code van medische deontologie 2018

(9) Art. 7, Code van medische deontologie 2018

Huisarts20/10/2018 Documentcode: a163003
Voorwaarden voor een patiëntenstop in de huisartsgeneeskunde.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het probleem van een ‘patiëntenstop' door huisartsen onderzocht.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 20 oktober 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de omstandigheden onderzocht waarin een huisarts of een groepering van artsen tijdelijk of definitief nieuwe patiënten kan weigeren.

I. De arts, in het bijzonder wanneer hij de houder van het GMD is, dient de praktijkpermanentie zo te organiseren dat hijzelf of zijn vervanger de patiënten kan voorthelpen binnen een redelijke termijn. De continuïteit van de zorg dient gewaarborgd te worden tijdens de gewone praktijkuren, die wettelijk bepaald zijn en lopen van maandag tot vrijdag, van acht uur tot achttien uur, behalve op wettelijke feestdagen (artt. 26, 27 en 28 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en art. 8 van de code van medische deontologie (CMD 2018)).

Buiten deze uren kan de arts zijn patiënten verwijzen naar de wachtdienst, waarvan de organisatie wettelijk toegekend is aan de huisartsenkringen (art. 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen).

II. De huisarts kan geprangd zitten tussen het aantal hulpvragen van patiënten en de vrijwaring van zijn eigen gezondheid.

Zoals bepaald is in art. 10 CMD 2018 heeft de arts de deontologische plicht te streven naar een evenwicht tussen zijn beroepsactiviteiten en zijn privéleven.

Een overbevraagde en overbelaste arts riskeert gezondheidsproblemen en komt terecht in een situatie die niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van de zorg.

Wanneer de werkdruk groter wordt dan de draagkracht bestaat het gevaar van overbelasting. Persoonlijke redenen, praktijkgebonden redenen (uitval van personeel, stopzetten van activiteiten door collega's bv.), lokale of regionale oorzaken (tekort aan huisartsen) kunnen aan de basis liggen van een werkoverbelasting.

Het uitvallen van overbelaste artsen verhoogt bovendien de werkdruk op collega's.

III. De nationale raad is van mening dat alle betrokken actoren dienen in te grijpen.

Iedere arts dient zijn praktijk zo te organiseren dat de zorgcontinuïteit en de praktijkpermanentie verzekerd zijn en dat de vooraf getrieerde dringende aanvragen beantwoord kunnen worden.

Indien beslist wordt de praktijk in te perken of nieuwe patiënten te weigeren, dienen deze laatste doorverwezen te worden volgens een vooraf vastgesteld plan.

Voor groepspraktijken kan deze doorverwijzing het best "intern" geregeld worden. Volgens art. 13 CMD 2018 dient elke arts, in de mate van het mogelijke, een verhinderde collega te vervangen.

De patiënten dienen op passende wijze geïnformeerd te worden, zowel over de inperking van de praktijk en de weigering van nieuwe patiënten als over de mogelijkheden tot doorverwijzing (art. 32 CMD 2018).

De nationale raad stelt vast dat heel wat huisartsenkringen de problematiek actief behartigen. Sommige kringen houden een lijst bij met praktijken die nieuwe patiënten verwelkomen, andere organiseren het toewijzen van een bepaalde buurt of van een aantal straten aan een bepaalde praktijk waar patiënten ‘zonder huisarts' terecht kunnen.

De nationale raad wil de huisartsenkringen in probleemregio's aanmoedigen deze voorbeelden te volgen.

De nationale raad stelt vast dat de betrokken actoren(1) met de overheden verscheidene strategieën uitwerken om startende huisartsen ertoe aan te sporen zich te vestigen in huisartsarme regio's.

Verscheidene initiatieven die bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van de huisartsgeneeskunde zorgen ervoor dat de artsen meer tijd kunnen vrijmaken en aldus nieuwe patiënten kunnen verwelkomen. Voorbeelden hiervan zijn administratieve hulpkrachten, verlichting van de administratie, deelname van de patiënten aan hun eigen behandeling (empowerment, zelfcontrole, enz.) en telegeneeskunde. Deze evolutie dient aangemoedigd te worden zodat de werkkracht in de huisartsgeneeskunde optimaal ingezet kan worden.

De nationale raad zal met de patiëntenorganisaties overleg plegen om met hen te zoeken naar oplossingen die ‘patient empowerment' programma's een duw in de rug geven.

Tot slot dringt de nationale raad erop aan dat alle actoren en overheden aandacht blijven hebben voor deze problematiek.



(1) ICHO (Interuniversitair Centrum voor Huisarts Opleiding), Domus medica, SSMG (Société scientifique des médecins généralistes), FAGG (Federale Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten), FAMGB (Fédération des Associations de Médecins Généralistes de Bruxelles), Vereniging van Steden en Gemeenten, artsensyndicaten, enz.

Radiografie14/10/2017 Documentcode: a159003
Toegang tot de röntgenbeelden door de artsen

De nationale raad van de Orde der artsen wordt ondervraagd over de toegang tot de röntgenbeelden door de artsen die de patiënt begeleiden of diens toestand of de zorgkwaliteit evalueren.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen wordt ondervraagd over de toegang tot de röntgenbeelden door de artsen die de patiënt begeleiden of diens toestand of de zorgkwaliteit evalueren.

De arts-specialist in radiodiagnostiek die het onderzoek uitvoert is verantwoordelijk voor de opslag en interpretatie van de beelden. Hij is de enige die beste geplaatst is om een diagnose te stellen en een gedetailleerd protocol te maken samen met een beschrijving van de beelden.

Het protocol maakt onlosmakelijk deel uit van het medisch dossier en moet dus bewaard worden.

De analoge beelden nemen veel plaats in en ze zijn niet zeer duurzaam. Ze werden vroeger aan de patiënt gegeven voor bewaring.

Tegenwoordig worden de beelden elektronisch gearchiveerd in de diensten radiologie of in de ziekenhuisinstellingen. Het is mogelijk ze te bewaren, maar het gaat wel om beeldbestanden die veel groter zijn dan tekstbestanden.

De minister van Volksgezondheid heeft op 19 november 2016 tijdens het jaarlijkse symposium van de Belgische Vereniging voor Radiologie (1) het nationaal beschikbaar maken van medische beelden en verslagen gesteund.

De beelden zouden voortaan bewaard moeten worden op dezelfde wijze als de andere elementen van het medisch dossier.

Hun bewaring en terbeschikkingstelling doen technische en economische problemen rijzen die hopelijk zullen verminderen dankzij de technologische vooruitgang.

Het doorgeven van beelden aan andere artsen beoogt naast de diagnose :

1. oriëntatie van de behandeling (bijv. röntgenfoto van een heup om een prothese te plaatsen);
2. continuïteit van de zorg (bijv. evalueren hoe een longontsteking reageert op een antibioticabehandeling);
3. toetsing van de diagnose in functie van de klinische evolutie;
4. evaluatie van de toestand van de patiënt of van de zorgkwaliteit; bij deskundigenonderzoek doet men een zogenaamde "diachronische" studie. Dit is het herbekijken van alle beelden om de evolutie van een pathologie of van een trauma, de kwaliteit van een behandeling of van een diagnose te beoordelen of om te beslissen of een letsel toegeschreven kan worden aan een betwiste gebeurtenis.

De artsen die bij deze functies betrokken zijn hebben recht op toegang tot bruikbare beelden met eerbiediging van de regels inzake bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de patiëntenrechten.
Het beeld dient derhalve opgeslagen te worden in een resolutie die voldoende is voor een correcte interpretatie.

De thans toeganklijke dragers zijn cd-roms of een internettoegang, beveiligd met een onderzoeksnummer en een paswoord dat ook aan de patiënt wordt gegeven.

Cd-roms hebben niet de kwaliteit van de oorspronkelijke beelden weer en hebben een beperkte levensduur.

De toegang via internet is niet altijd eenvoudig en van goede kwaliteit. Bovendien worden de dossiers gearchiveerd. Ze zijn dus na een bepaalde, soms korte tijd niet meer toegankelijk.

In een context waarin de raadpleging van medische gegevens op afstand de regel wordt, dringt de nationale raad aan op de ontwikkeling van initiatieven die de leesbaarheid op afstand van de röntgenbeelden of de overdracht ervan via een blijvende drager, het voortbestaan van de toegang ertoe en hun bewaring als element van het medisch dossier bevorderen.

(1) http://www.deblock.belgium.be/nl/jaarlijks-symposium-belgian-society-radiology

Continuïteit van de zorg15/07/2017 Documentcode: a158001
Voorstel globaal actieplan - Permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens

De nationale raad pleit voor een globaal actieplan m.b.t. de permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens voor het leveren van kwaliteitsvolle zorg en het verbeteren van de relatie tussen de patiënt en de arts.

Advies van de nationale raad :

Noodzaak van permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens voor het leveren van kwaliteitsvolle zorg en het verbeteren van de relatie tussen de patiënt en de arts - Voorstel globaal actieplan.

Gezondheidsgegevens over de patiënt zijn een essentiële bron van informatie waarover de arts dient te beschikken voor een kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Het gaat daarbij niet enkel over de gegevens die de arts zelf vergaart op basis van medische onderzoeken en van wat de patiënt hem toevertrouwt, maar ook over gegevens verzameld door andere artsen.

Het bestaan van een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt rechtvaardigt dat de arts toegang heeft tot de gezondheidsgegevens van deze laatste. Telkens als de arts gezondheidsgegevens van de patiënt gebruikt, dient hij onder meer de principes van de proportionaliteit en de finaliteit te eerbiedigen.

De nationale raad stelt een globaal actieplan voor dat voor elke patiënt de permanente beschikbaarheid mogelijk maakt van up-to-date gehouden gezondheidsgegevens, rekening houdend met de recente evoluties binnen de gezondheidzorg en de maatschappij.

Hierbij wordt gebruikt gemaakt van bestaande begrippen en digitale bouwstenen: GMD-houdende arts (globaal medisch dossier), Sumehr (1) en eHealth-platform.

1/ Naar een geïntegreerd patiëntendossier voor elke patiënt

Een gezondheidssysteem dat vrije keuze en vrije toegang mogelijk maakt leidt tot versnippering van gezondheidsgegevens, waarbij elke zorgverlener een eigen patiëntendossier bijhoudt. Deze versnippering heeft negatieve gevolgen voor de zorgkwaliteit, vooral in acute situaties.

Het is daarom nodig alle gezondheidsgegevens te verzamelen in één geïntegreerd patiëntendossier. Het geïntegreerd patiëntendossier krijgt een meerwaarde voor het leveren van kwalitatieve zorg op maat van de patiënt indien het regelmatig bijgehouden wordt door de arts in samenspraak met de patiënt. Dergelijk concept bestaat reeds in de vorm van het globaal medisch dossier dat de huisarts bijhoudt.

Een noodzakelijk voorwaarde voor de verwezenlijking van het voorgestelde plan is de invoering van een wettelijke verplichting voor de patiënt om een globaal medisch dossier te laten beheren door een zelf gekozen .

2/ Van een geïntegreerd patiëntendossier naar een Sumehr voor elke patiënt

De nationale raad stelt voor dat de arts die verantwoordelijk is voor het GMD door de wet belast wordt met het opmaken van een Sumehr voor elke patiënt.

Het beschikbaar stellen van gezondheidsgegevens uit het geïntegreerd patiëntendossier door de GMD-houdende huisarts gebeurt in overleg met de patiënt. De patiënt heeft het recht te weten wie zijn gezondheidsgegevens kan inzien.

Het verzet van de patiënt tegen het delen van zijn bijgewerkte, noodzakelijke en relevante gezondheidsgegevens kan de zorgkwaliteit en de bescherming van de volksgezondheid in het gedrang brengen (Zo bestaat het risico dat de gezondheidswerkers een ernstige infectie oplopen.).

Er moet gezocht worden naar een evenwicht tussen enerzijds de eerbiediging van de private levenssfeer en van het beroepsgeheim en anderzijds de zorgkwaliteit en de bescherming van de volksgezondheid.

De overheid zou, in overleg met de patiënten en met de gezondheidswerkers, een reflectie moeten voeren over de minimale gezondheidsgegevens die, onder de vorm van een Sumehr, ter beschikking dienen te staan van de arts met wie de patiënt een therapeutische relatie start of al onderhoudt.

Bijkomende informatie in het Sumehr zou een oplossing bieden voor andere maatschappelijke problemen, zoals de rationalisering van de uitgaven voor gezondheidszorg, de veiligheid van de artsen, het geneesmiddelengebruik van de drugsverslaafde patiënten. De nutteloze en soms gevaarlijke herhaling van onderzoeken kan ingeperkt worden door een link naar recent uitgevoerde bijkomende onderzoeken.

Agressie kan ingedijkt worden door het plaatsen van een "red flag" in het Sumehr verwijzend naar mogelijk risicogedrag van een patiënt (2) en ook door de structurele maatregelen van de overheid. De vermelding van het bestaan van toxicomanie in het Sumehr zal het mogelijk maken shopping voor het verkrijgen van geneesmiddelen die een verslaving onderhouden, in het bijzonder tijdens de wachtdienst, te voorkomen.

De uitbreiding van de doelgerichtheid van het Sumehr tot andere gerechtvaardigde doelstellingen dan de gezondheid van de patiënt kan slechts gebeuren binnen een strikt normatief kader.

3/ Van een Sumehr naar een digitaal beschikbaar Sumehr.

Actueel bestaat de mogelijkheid om Sumehrs te bewaren in beveiligde gezondheidskluizen (Vitalink, Brusafe, Intermed) (3) onder toezicht van beroepsbeoefenaars en de patiënt. Deze kunnen nu enkel geconsulteerd worden indien de patiënt voorafgaandelijk zijn "ehealthConsent" (4) heeft gegeven of in urgente situaties door het toepassen van de "break the glass"-procedure.

Huisartsen worden momenteel door de overheid aangemoedigd om een bepaald aantal Sumehrs per jaar op te laden naar de gezondheidskluizen door de toekenning van een telematicapremie. Patiënten worden door verhoogde terugbetalingsmodaliteiten aangemoedigd om zich te laten in te schrijven bij een GMD-houdende arts. De nota omtrent het eGezondheidslandschap in 2019 (5) start met een intentieverklaring: "Alle huisartsen zullen een elektronisch medisch dossier (EMD) hebben van al hun patiënten, ze zullen voor alle patiënten een Sumehr publiceren in de beveiligde kluis (Vitalink, Intermed of BruSafe) en up-to-date houden."

De nationale raad vindt deze intenties en incentives te vrijblijvend. Het Sumehr dient regelmatig geüpdatet te worden door de GMD-houdende arts en de bijgewerkte versie dient op de digitale platforms geladen te worden.

Besluit

De nationale raad wil resoluut meewerken aan het leveren van een hoogstaande kwalitatieve gezondheidszorg. De permanente beschikbaarheid van noodzakelijke en relevante gezondheidsgegevens is daar een belangrijk onderdeel van. Het voorgestelde plan om tegemoet te komen aan de bekommernis dat het bijgewerkte kerndossier van elke patiënt toegankelijk zou zijn voor de beroepsbeoefenaars met een therapeutische relatie, maakt gebruik van bestaande begrippen en digitale bouwstenen.

Meer heikele problemen zoals agressie tegen artsen en instandhouding van toxicomanie kunnen eveneens aangepakt worden door een uitbreiding van het Sumehr.
De uitvoering van dit plan vereist een normatief kader met een wettelijke verplichting voor de patiënt een GMD-houdende arts te kiezen die ermee belast wordt een Sumehr op te stellen, waarvan de minimale inhoud opgelegd zal zijn.

De nationale raad vraagt de wetgever hiermee rekening te houden bij de uitwerking van het eGezondheidslandschap en blijft ter beschikking van de overheid om dit plan vorm te geven.

1- Sumehr staat voor Summarized Electronic Health Record. Het is een elektronisch document dat de minimale gegevens bevat die een arts nodig heeft om de gezondheidstoestand van een patiënt snel in te schatten en zo de best mogelijke zorg te bieden.
Actuele Inhoud:
• Naam, geboortedatum, moedertaal, ...
• De contactgegevens van een contactpersoon in noodgevallen
• Informatie over risicofactoren (allergieën, reacties op medicatie, sociale risicofactoren enz.)
• Een overzicht van de medische voorgeschiedenis (antecedenten genoemd)
• Een overzicht van actuele problemen
• Een overzicht van de medicatie
• Een overzicht van de vaccinaties
2- Procedure voor het plaatsen van een "red flag"
Omwille van het stigma dat het aanbrengen van een "red flag" in het Sumehr van de patiënt met zich kan meebrengen dient de patiënt hiervan op de hoogte te worden gebracht. In geval van agressie kan een markering pas aangebracht worden na overleg met de voorzitter van de huisartsenkring of de hoofdarts, in functie van de praktijkvoering. In werkomstandigheden waar de arts niet kan overleggen met een collega of overste kan de provinciale raad van inschrijving geraadpleegd worden. Ook dient voorzien te worden in het verwijderen van de markering.
3- Vitalink, BruSafe,Intermed : zie http://www.plan-egezondheid.be/lexicon/
4- eHealthConsent-Geïnformeerde toestemming : zie http://www.plan-egezondheid.be/lexicon/
5- http://www.plan-egezondheid.be/egezondheidslandschap-in-2019/

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155002
Stopzetting van werkzaamheden in ziekenhuis - Mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier aan de arts

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier wanneer een arts zijn activiteit in een ziekenhuis stopzet en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier met het oog op de continuïteit van de zorg wanneer een arts zijn activiteit stopzet in een ziekenhuis en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Het ziekenhuisdossier van de patiënt, dat samengesteld is uit het medische en het verpleegkundige dossier, wordt in het ziekenhuis bewaard onder de verantwoordelijkheid van de hoofdarts (art. 25 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

Wanneer een arts een ziekenhuis verlaat blijft het ziekenhuisdossier dat hij deels heeft opgesteld in dat ziekenhuis.

Indien de patiënt zijn therapeutische relatie met deze arts voortzet in een ander kader (privépraktijk of ziekenhuis) rechtvaardigt de continuïteit van de zorg dat deze arts, na een verzoek aan de hoofdarts en met de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt, een afschrift ontvangt van het deel van het ziekenhuisdossier dat hij mee samengesteld heeft, alsook alle inlichtingen die nuttig en noodzakelijk zijn voor het voortzetten van de behandeling (artikel 33 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155005
Contacteren van lost to follow-up patiënten om hen te informeren over het bestaan van nieuwe behandeling

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 heeft de nationale raad van de Orde der artsen uw e-mail van 4 augustus 2016 onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Het huidig wettelijk kader voorziet geen regeling om een patiënt te contacteren in situaties waarin de patiënt op een bepaald ogenblik uitbehandeld is, er een tijd erna een nieuwe behandeling mogelijk is en bijgevolg de vraag rijst of de patiënt terug kan gecontacteerd worden.

1/ Recht op kwaliteitsvolle dienstverlening

Het artikel 5 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt geeft de patiënt het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening die beantwoordt aan zijn behoeften.

Het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening impliceert ook dat, indien de patiënt een bepaalde tussenkomst niet wenst voort te zetten, de rechtsverhouding tussen de patiënt en de arts niet noodzakelijk wordt beëindigd. De arts dient dan alternatieve tussenkomsten voor te stellen, eventueel in een doorverwijzing te voorzien of nog de noodzakelijke zorgen verder te zetten.

Het artikel 5 verwoordt het algemene zorgvuldigheidsbeginsel dat op elke gezondheidszorgbeoefenaar rust als een recht voor de patiënt.

Het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel is een evolutief begrip en het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening evolueert bijgevolg mee. Dit heeft tot gevolg dat een recht op kwaliteitsvolle dienstverlening vandaag en in reactie op uw vraag, als volgt wordt ingevuld.

Een arts zal vandaag en in de toekomst rekening moeten houden met de snelle wijze waarop de geneeskunde evolueert. Zeker in het geval van uitbehandelde patiënten betekent dit dat de arts de patiënt vraagt of deze in de toekomst wil gecontacteerd worden wanneer een nieuwe behandeling zou gevonden worden, ook indien de therapeutische relatie tussen deze arts en de patiënt beëindigd is.

De patiënt heeft het recht "om vergeten te worden". Als de patiënt dit recht uitspreekt, dient de arts de patiënt op de hoogte te brengen van de gevolgen van deze beslissing, namelijk dat elke link tussen de arts, de patiënt en de diagnose/behandeling doorgeknipt wordt. Het zal in de toekomst onmogelijk zijn dat de patiënt door deze arts nog gecontacteerd wordt in verband met een nieuwe behandeling.

De arts en de patiënt dienen beiden overtuigd te zijn dat dit de wil is van de patiënt.

De arts maakt hiervan melding in het patiëntendossier.

2/ Nieuwe behandeling in de toekomst

a/ Na toestemming van de patiënt tot contact

De arts neemt contact op met de patiënt wanneer zich een nieuwe behandeling aandient. De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om te worden geïnformeerd, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.

b/ Indien de arts de toestemming van de patiënt tot contact niet heeft kunnen krijgen

- Indien de patiënt zijn recht "om vergeten te worden" heeft geëxpliciteerd, dient dit recht gerespecteerd te worden.

- Indien de arts in het verleden de patiënt nooit heeft kunnen bevragen over een contact in de toekomst, kan de arts enkel de patiënt contacteren voor zover hij, idealiter na multidisciplinair overleg en desgevallend na het ethisch comité hierover te hebben bevraagd, van mening is dat dit in het belang is van de patiënt.

Er wordt dan toepassing gemaakt van het artikel 7, §2, j), van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens dat stelt dat ‘de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid - hetgeen de naam en contactgegevens van een patiënt zijn - betreffen, is toegelaten zonder de toestemming van de patiënt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor (...) het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een verwant, of het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg'.

De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om geïnformeerd te worden, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.


Continuïteit van de zorg20/09/2014 Documentcode: a147004
Weigering van opname van een patiënt in therapeutische onderbreking wegens gedragsproblemen (time-out)

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een psychiatrisch ziekenhuis een patiënt met in therapeutische onderbreking wegens gedragsproblemen (time-out) kan weigeren zonder de voorheen bestaande zorgrelatie te miskennen.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 september 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 20 mei 2014 samen met uw antwoord ter verduidelijking van 28 juli 2014 besproken.

U stelt concreet de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, een psychiatrisch ziekenhuis een patiënt in therapeutische onderbreking wegens gedragsproblemen (time-out) kan weigeren zonder de voorheen bestaande zorgrelatie te miskennen.

Wat de verplichting voor een psychiatrisch ziekenhuis om een psychiatrische patiënt op te nemen betreft dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een gedwongen opname en een opname op initiatief van de patiënt zelf.

Bij een gedwongen opname is een ziekenhuis dat een dienst uitbaat zoals bedoeld in het artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 1991 ter uitvoering van artikel 36 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke 1, overeenkomstig het artikel 2 van dit koninklijk besluit verplicht een patiënt jegens wie op grond van artikel 9 van de wet op de geesteszieke een gedwongen opname is gelast, op te nemen. Een weigering kan leiden tot een strafrechtelijke veroordeling overeenkomstig artikel 37 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

De verantwoordelijke arts van het psychiatrisch ziekenhuis kan bovendien op grond van het artikel 422ter van het Strafwetboek specifiek worden veroordeeld wegens het weigeren van hulp aan personen die in gevaar verkeren, na hiertoe te zijn opgevorderd.

Wanneer een patiënt daarentegen zelf het initiatief neemt om te worden opgenomen in een psychiatrische instelling bestaat een dergelijke expliciet verwoorde verplichting voor het psychiatrisch ziekenhuis niet.

Aangezien de Orde van geneesheren enkel deontologische bevoegdheid heeft over artsen en niet over ziekenhuizen, kan de Nationale Raad slechts opmerken dat een patiënt aan wie een psychiatrisch ziekenhuis een opname weigert hiervan melding kan maken bij de ombudsdienst.

Wat betreft de artsen die een dergelijke opname weigeren, verwijst de Nationale Raad naar het artikel 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer dat stelt:

"Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de arts steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren.
De arts mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de arts die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt."

Dit leidt ertoe dat in geval van dringendheid een arts de opname van de patiënt niet kan weigeren.

Wanneer de situatie niet dringend is en de instelling niet voldoende uitgerust is om de gepaste verzorging toe te dienen met waarborgen voor de veiligheid van het gehele personeel, kan de arts de patiënt doorverwijzen naar een beter uitgeruste instelling. In deze omstandigheden moet de arts de patiënt nauwkeurig en volledig inlichten over de redenen van zijn beslissing en erop toezien dat de toediening en de continuïteit van de verzorging daadwerkelijk verzekerd worden.

Het medische verleden van de patiënt mag op zich geen reden vormen om de opname en de verzorging per definitie te weigeren.

Teneinde in een dergelijke situatie tot een evenwichtige oplossing te komen is de Nationale Raad in navolging van zijn advies "Medewerking aan een medische handeling en recht op niet-medische gegevens van de patiënt" (TNR 2008, nr. 120, p.4), van mening dat in dergelijke gevallen door een voorafgaande open dialoog tussen alle betrokkenen onder toezicht van en in overleg met de lokale commissie voor medische ethiek en de medische raad, een protocol dient te worden opgesteld en te worden toegepast dat de in de artikelen 5 en 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer bedoelde rechten van zorgverstrekker en patiënt garandeert, zonder hierbij noch de éne, noch de andere te gijzelen of te stigmatiseren.

1.- Een A-dienst: een dienst neuro-psychiatrie voor observatie en behandeling, erkend als A-dienst overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen;
- Een T-dienst: een dienst neuro-psychiatrie voor behandeling, erkend als T-dienst overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen;
- Een K-dienst: een dienst neuro-psychiatrie voor kinderen, erkend als K-dienst overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen.

Continuïteit van de zorg14/12/2013 Documentcode: a144001
PERSBERICHT : Nieuwe regeling voor de wachtdiensten
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft kennis genomen van het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, m.b.t. een nieuwe regeling voor de wachtdiensten


PERSBERICHT

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft kennis genomen van het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen m.b.t. een nieuwe regeling voor de wachtdiensten.

1/ De Nationale Raad verwerpt het voorstel tot wetswijziging wat betreft het tenietdoen van de bevoegdheid van de Orde van geneesheren erop toe te zien dat de artsen de continuïteit van de verzorging garanderen, zoals omschreven in het huidige artikel 8, § 1, lid 3, van het koninklijk besluit nr. 78.

Hoewel de Orde van geneesheren actief deelnam aan de besprekingen rond de wijzigingen m.b.t.de organisatie van de wachtdiensten, werd er tijdens deze besprekingen nooit melding gemaakt van het tenietdoen van deze bevoegdheid.. Het optreden van de provinciale raden in deze materie werd bovendien nooit in vraag gesteld.

2/ Het artikel 38, § 3, a), van het koninklijk besluit nr. 78 geeft specifiek de mogelijkheid aan de provinciale raden van de Orde van geneesheren tuchtmaatregelen op te leggen teneinde de continuïteit van de verzorging te garanderen. Het is bovendien de taak van de provinciale raden erover te waken dat alle artsen een sluitende regeling voor de verzekering van de continuïteit van de verzorging kunnen aantonen en deze ook naleven.

De Nationale Raad vraagt zich af welke middelen de provinciale geneeskundige commissies zouden krijgen om uitvoering te geven aan de in het voorstel van het nieuwe artikel 8bis toegekende bevoegdheid.

3/ Het principe van de continuïteit van de verzorging is één van de belangrijkste deontologische principes dat door iedere arts in alle omstandigheden dient gerespecteerd te worden. Het artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren legt aan de Orde daartoe de verplichting op in de Code van geneeskundige plichtenleer regels op te nemen betreffende de continuïteit van de verzorging.

De artikelen 113 en 114 van de Code van geneeskundige plichtenleer verwoorden daartoe uitdrukkelijk dit principe als een deontologische plicht voor de arts en stellen: "Elke arts moet, naargelang van het geval, de nodige maatregelen nemen om de continuïteit van de verzorging van zijn zieken te waarborgen."

De Nationale Raad acht het hoogstnoodzakelijk dat de Orde van geneesheren in een nieuwe wettelijke regeling betreffende de continuïteit van de verzorging bevoegd blijft te waken over de continuïteit van de verzorging door de artsen teneinde in alle omstandigheden een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt te kunnen garanderen.

Continuïteit van de zorg26/10/2013 Documentcode: a143012
PERSBERICHT : Staking van de gevangenisartsen
PERSBERICHT

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren drukt zijn bezorgdheid uit met betrekking tot de situatie die is ontstaan naar aanleiding van de stakende gevangenisartsen.

1/ De Nationale Raad betreurt dat het uitblijven van een overeenkomst tussen de minister van Justitie en de gevangenisartsen waartoe de Nationale Raad in zijn advies ‘Wachtdiensten in de gevangenissen' van 21 november 2009 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 128) reeds aanspoorde, heeft geresulteerd in deze zorgwekkende situatie. De veranderingen die de organisatie van de medische dienstverlening in de gevangenissen de afgelopen maanden heeft ondergaan, hebben deze situatie bovendien enkel maar verergerd. Het in artikel 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden verwoorde recht ‘op een gezondheidszorg, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving en die aangepast is aan zijn specifieke noden', kan in de huidige omstandigheden niet meer worden gegarandeerd.

2/ De gevolgen van deze staking zijn niet te onderschatten.
Verscheidene gevangenisartsen hebben aan hun respectievelijk bevoegde provinciale raad laten weten dat zij na de normale werkuren, tijdens de weekends en op vakantiedagen niet meer zullen tegemoetkomen aan medische oproepen vanuit de gevangenissen. Meerdere gevangenisartsen vermeldden hierbij dat het aan de geografisch bevoegde huisartsenkring toekomt ook in de gevangenis de medische dienstverlening tijdens deze uren te garanderen. In uiterste nood kan men eveneens een beroep doen op de dienst 100. Onder meer omwille van de praktische belemmeringen die een artsenbezoek aan de gevangenis met zich meebrengt (verbod van gsm, verbod van bepaalde medische apparatuur, tijdverlies wegens de beveiligingsmaatregelen), is het begrijpelijk dat verschillende huisartsenkringen weigeren deze taken over te nemen.

De Nationale Raad merkt op dat een weigering deel te nemen aan een wachtdienst onder de voorgaande constellatie door huisartsenkringen en/of individuele huisartsen niet noodzakelijk tot schuldig verzuim leidt in de zin van het artikel 422bis van het Strafwetboek.

3/ In bovenvermeld advies van 21 november 2009 spoorde de Nationale Raad aan tot het tot stand brengen van samenwerkingsovereenkomsten tussen de huisartsenkringen en de gevangenissen als voorlopige oplossing voor het uitblijven van een overleg met de bevoegde minister. De Nationale Raad wees daarbij tevens op de mogelijkheid van individuele initiatieven. Het eenzijdig afschuiven van de verantwoordelijkheid tot het voorzien van medische dienstverlening door de gevangenisartsen en/of de gevangenisdirecties druist in tegen dit advies en de deontologische verplichting tot collegialiteit die in verschillende bepalingen van de Code van geneeskundige plichtenleer wordt gewaarborgd. Bovendien wordt niet voldaan aan de wettelijk en deontologisch gewaarborgde verplichting tot continuïteit van de zorg. Dit leidt tot ernstige gevaren voor de gedetineerden en brengt de bevolkingswachtdienst in het gedrang.

4/ De Nationale Raad neemt kennis van de communicatie van een procedure die door de adviseur beleidscel van de minister van Justitie recent werd overgemaakt aan alle gevangenisinrichtingen en waarin volgende punten worden vermeld:

De procedure houdt in dat
- men lokaal eerst contact opneemt met de eigen arts
- als deze niet bereikbaar is of niet wil tussenkomen, moet de lokale bevoegde wachtpost worden gecontacteerd
- als deze weigert, moet de 100 worden gecontacteerd

Indien de lokale wachtpost wel reageert, moet men met een aantal zaken rekening houden :
- De arts van wacht kan zijn gsm niet afgeven. Hij is immers in een wachtsysteem ingeschakeld en moet continu bereikbaar zijn. Hij moet dus zijn telefoon mee binnen kunnen nemen.
- De arts van wacht moet zijn tas met eigen medisch materiaal en zijn persoonlijke urgentietrousse (medicatie) mee kunnen nemen.
- De duur van de toegang tot de inrichting en tot de patiënt moeten tot een minimum beperkt worden gelet op het feit dat de dokter van wacht zo snel mogelijk opnieuw beschikbaar moet zijn voor andere externe patiënten.

De Nationale Raad is van oordeel dat deze procedure geen adequate oplossing biedt voor een staking van de gevangenisartsen.

Dergelijke procedure kan evenwel een inhoudelijk onderdeel zijn van een onderhandelde overeenkomst tussen enerzijds de gevangenisartsen en hun gevangenisdirecties, en anderzijds de huisartsenkringen en/of individuele artsen; de modaliteiten moeten schriftelijk worden vastgelegd en ter nazicht en goedkeuring worden voorgelegd aan de betrokken provinciale raad van de Orde, zoals verwoord in het bovenvermelde advies.

5/ De Nationale Raad deelt mee als bemiddelaar te willen optreden tussen de gevangenisartsen en de huisartsenkringen enerzijds, en de gevangenisartsen en de minister van Justitie anderzijds, teneinde:

1° samenwerkingsakkoorden te bewerkstelligen die voldoen aan de deontologische principes van collegialiteit en continuïteit van de zorg;
2° een daadwerkelijk overleg op te starten teneinde de kwaliteit van de gezondheidszorg binnen gevangenissen op een evenwaardig niveau te brengen als deze die erbuiten wordt aangeboden.