keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Discipline17/09/2016 Documentcode: a154013
Hervorming van de Orde der artsen – Wetsvoorstel opgesteld door de nationale raad van de Orde der artsen (17 september 2016)
De nationale raad van de Orde der artsen heeft het volgende voorstel tot hervorming van de Orde gedaan, waarvan hieronder de memorie van toelichting.
Als bijlage vindt u de integrale tekst van het wetsvoorstel.


Wetsvoorstel betreffende de Orde der artsen
TOELICHTING

De Orde der artsen werd opgericht door de wet van 25 juli 1938 tot oprichting van de Orde der geneesheren en werd hervormd door het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen. Deze wet is sindsdien nauwelijks gewijzigd.

Nochtans zijn zowel de bevolking, de politici, als de artsen vragende partij voor een grondige hervorming. Ook de Orde zelf wenst het wettelijke kader aan te passen aan de evolutie van de maatschappij.

Doorheen de jaren werden er wetsontwerpen en -voorstellen met betrekking tot de Orde ingediend. Afhankelijk van de auteur ervan beoogden ze de hervorming van de structuur van de Orde, de oprichting van een hoge raad voor deontologie van de gezondheidszorgberoepen, de modernisering van de tuchtprocedure of nog, een radicalere hervorming van de Orde wat haar rol of zelfs haar bestaan betreft.

Het is tijd om erover te overleggen en te beslissen.

Dit wetsvoorstel wil de Orde anders structureren, meer transparantie waarborgen met betrekking tot haar werking en haar opdracht moderniseren in het belang van de patiënten, de artsen en de gemeenschap.

De Orde heeft een rol te vervullen in de maatschappij. Doordat de menselijke, maatschappelijke, wettelijke en economische uitdagingen van de gezondheidszorg alsmaar complexer worden, is er meer nood aan een deontologisch kader dat de uitoefening van het beroep op een gepaste wijze reguleert.

Dit deontologisch kader dient aangepast te zijn aan de interdisciplinaire en geïntegreerde aard van de gezondheidszorgverlening. Dit wetsvoorstel bevestigt daarom dat de Orde een publiekrechtelijk orgaan is dat de morele waarde en de kwaliteit van het beroep bepaalt en toezicht houdt op de dagelijkse naleving van de waarden ervan door een adequate en open werking.

Tevens dienen nieuwe rechtsmiddelen die tot stand zijn gekomen door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie in het tuchtrecht te worden ingeschreven. Dit om de eerbiediging van de rechten van zowel de vervolgde arts als de klager te waarborgen.

De leden van de Orde blijven onderworpen aan de rechtsmacht van hoven en rechtbanken zoals iedere andere burger. Het staat de benadeelde partij, bijvoorbeeld een patiënt, dan ook vrij om, naast het neerleggen van een klacht bij de Orde, zich eveneens te wenden tot de gewone rechter. Het behoort trouwens niet tot de bevoegdheid van de Orde om een schadevergoeding toe te kennen.

De voornaamste krachtlijnen van de hervorming zijn de volgende:

1. Wettelijke grondslag van de deontologische regels

De wettelijke grondslag van de deontologische regels zal niet langer alleen bestaan in de naleving van de eer en de waardigheid van het beroep.

De Orde beoogt in het belang van de patiënt, de volksgezondheid en het algemeen welzijn te waken over de handhaving van de morele integriteit van het beroep, de correcte invulling van de professionele autonomie van de artsen, de kwaliteit van de zorg op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en de aanbevelingen die hiermee gepaard gaan, het vertrouwen van de burger in de arts en de bijzondere vertrouwensrelatie van de arts met zijn patiënten.

De Orde moet erop toezien dat er kwalitatief hoogstaande geneeskunde in stand wordt gehouden zonder evenwel de middelen die de samenleving kan besteden uit het oog te verliezen. Dit veronderstelt van de artsen beroepsbekwaamheid, empathisch vermogen, integriteit en een verantwoordelijk gedrag in het kader van ons solidariteitsstelsel.

Hiertoe zal een nieuwe code van medische deontologie worden opgesteld.

2. Transparantere werking

Het voorstel bepaalt dat de artsen en het publiek transparanter kennis krijgen van de activiteiten en beslissingen van de Orde.


De nationale raad stelt een jaarverslag betreffende de werking van de Orde op met een overzicht van de werkzaamheden van de organen van de Orde en van het gevolg dat aan klachten wordt gegeven.

Alle organen werken op basis van een identiek huishoudelijk reglement dat werd opgesteld door de nationale raad.

Daarnaast wordt een repertorium van de deontologische adviezen van de provinciale raden en van de nationale raad bijgehouden.

Op financieel gebied zorgt de Orde voor een transparante besteding van de middelen. Met het oog op een meer evenwichtige verdeling ervan en de uniforme werking van de organen legt de nationale raad het bedrag van de bijdrage vast en int deze centraal.

3. Modernisering van de organen

Om jongere kandidaten aan te trekken voor de verschillende organen van de Orde, zal het mogelijk worden om een mandaat op te nemen nadat men slechts drie jaar is ingeschreven op de lijst van de Orde. Bovendien mag de maximumduur voor de uitoefening van verscheidene mandaten binnen eenzelfde orgaan niet meer dan twaalf jaar bedragen.

De samenstelling van elk orgaan van de Orde wordt aangepast aan zijn bevoegdheden en werklast.


Het artsenkorps verkiest rechtstreeks de artsen in de provinciale raden, de tuchtraden van eerste aanleg en de raden van beroep.


Op het moment van de kandidaatstelling voor een mandaat binnen een orgaan van de Orde, maakt de arts de mandaten bekend waardoor een belangenconflict zou kunnen ontstaan. Gedurende het mandaat dient de arts zich ervan te onthouden mandaten aan te nemen die onverenigbaar zijn met het mandaat binnen een orgaan van de Orde. Indien door het opnemen van een dergelijk mandaat, of om andere redenen, er een belangenconflict zou ontstaan, geven de magistraten van het orgaan waarin de arts zetelt, hieraan het passende gevolg.

Het voorzitterschap van de nationale raad wordt waargenomen door twee artsen, verkozen door beide afdelingen van de nationale raad.

Een Franstalige en een Nederlandstalige vertegenwoordiger van de patiëntenorganisaties kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de nationale raad.

4. Opdrachten ten dienste van de arts in het belang van de patiënt en de gemeenschap

De bevoegdheden van de Orde beogen vooral het vervullen van opdrachten van algemeen belang.

Voor de provinciale raden, die dicht bij de artsen staan, zijn deze opdrachten voornamelijk administratief, educatief en informatief. Elke arts kan bij de provinciale raad waartoe hij behoort, terecht voor een concreet deontologisch advies op basis van de code van medische deontologie en de adviezen van de nationale raad.

De nationale raad vervult een normatieve opdracht gericht op een harmonisering van de deontologische regels en praktijken. De nationale raad verstrekt algemene adviezen op eigen initiatief of op verzoek van artsen, provinciale raden, openbare instellingen, beroepsverenigingen of andere betrokkenen en licht het publiek in over het bestaan en de draagwijdte van de deontologische regels.

Alvorens advies te verstrekken pleegt hij desgevallend multi- en interdisciplinair overleg met de betrokkenen in de gezondheidszorgsector.

Naast deze adviserende bevoegdheid krijgen zowel de provinciale raden, als de nationale raad wettelijk de opdracht om vormende activiteiten zoals symposia, seminaries en debatten te organiseren voor hun leden.

Bovendien legt het voorstel de nadruk op het belang van preventie zoals begeleiding en oriëntering van artsen, proactief aan (jonge) artsen morele ondersteuning bieden bij het uitbouwen van hun professionele carrière, begeleiding van artsen in psychische nood, enz.


5. Disciplinaire rol

De Orde behoudt haar tuchtrechtelijke bevoegdheid. Wel verleent zij zoveel mogelijk prioriteit aan de minnelijke conflictbeheersing. Wanneer de provinciale raden ambtshalve, na neerlegging van een klacht of op verzoek optreden, spelen zij een verzoenende rol.

De disciplinaire procedure wordt aangepast aan de evolutie van de maatschappij rekening houdend met het specifieke karakter van het tuchtrecht.

De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende :
1° Met het oog op de strikte scheiding tussen het onderzoek en de tuchtbeslissing die noodzakelijk is om de onpartijdigheid te waarborgen, wordt het organigram van de Orde aangevuld met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtraad van eerste aanleg. Deze kunnen een tuchtsanctie uitspreken. De provinciale raden voeren enkel het onderzoek en beslissen tot verwijzing naar de tuchtraad. Het behandelen van dossiers uit verschillende provincies door één tuchtraad (per taalstelsel) verhoogt de juridische zekerheid dankzij een grotere expertise en draagt bij tot een uniforme tuchtrechtspraak.

2° Teneinde de procedure transparanter en toegankelijker te maken, bepaalt het voorstel dat ook de zittingen van de tuchtraden van eerste aanleg openbaar verlopen, zoals nu reeds het geval is bij de raden van beroep.

De Orde stelt een geanonimiseerd repertorium van de belangrijkste disciplinaire beslissingen ter beschikking.

3° De positie van de klager wordt versterkt. Hij heeft het recht om te worden gehoord en om nuttige stukken neer te leggen. Hij wordt op de hoogte gebracht van de plaats en het moment van de zitting en van de in zijn dossier genomen beslissingen.

De klager is geen partij in tuchtzaken. Bijgevolg heeft hij geen inzage in het tuchtrechtelijk dossier en kan hij geen beroep instellen tegen een beslissing van de Orde. Hij krijgt wel de mogelijkheid om zijn opmerkingen kenbaar te maken aan de voorzitters van de nationale raad die beroep kunnen aantekenen tegen beslissingen in tuchtzaken en ook de seponering van een klacht door de provinciale raad kunnen betwisten.

4° Ook de positie van de aangeklaagde arts wordt versterkt door nieuwe procedurewaarborgen. Zo kan de arts zich in alle fasen van de procedure laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon. Hij heeft de mogelijkheid om te worden geconfronteerd met de klager. Hij beschikt over de vrije keuze van de verdedigingsmiddelen. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn gegarandeerd doordat verschillende leden van de Orde deelnemen aan de onderzoekscommissie, desgevallend aan de bemiddelingscommissie, aan de verwijzingsbeslissing van de provinciale raad en aan de tuchtbeslissing van de tuchtraad van eerste aanleg.

Tot de modaliteiten voor de tuchtsancties behoren uitstel van uitvoering van straf of opschorting van uitspraak van sanctie evenals uitwisbaarheid van sancties en herstel in eer en rechten.

Het wetsvoorstel legt ook de verjaringstermijnen vast.

6. Dringende maatregelen

De Orde wordt bij wet gemachtigd om, met respect voor de rechten van de verdediging van de betrokkene, dringende maatregelen te treffen wanneer uit ernstige en eensluidende aanwijzingen blijkt dat de verdere beroepsuitoefening door de arts zware gevolgen kan hebben voor de patiënten of de volksgezondheid.

In geval van imminent risico kan voorlopig een schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen worden uitgesproken zonder de betrokkene te hebben gehoord.


Bijlage : Wetsvoorstel opgesteld door de nationale raad van de Orde der artsen (17 september 2016)

Lijst van de Orde19/03/2016 Documentcode: a152006
Hervorming van de Orde der artsen - Verduidelijking van enkele elementen van de conceptnota van de Orde van 4 juli 2015

De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid vraagt verdere verduidelijking en uitwerking van enkele elementen naar aanleiding van de conceptnota m.b.t. de hervorming van de Orde der artsen.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen brengt u met deze brief op de hoogte van de stand van zaken wat betreft het uitwerken van het hervormingsvoorstel. Een werkgroep binnen de Orde bereidt thans het volledige hervormingsvoorstel voor aan de hand van een strikt werkschema. De nationale raad bezorgt u dit hervormingsvoorstel in de vorm van een wetsvoorstel voor het zomerreces.

Om aan uw bekommernissen tegemoet te komen, vindt u reeds de antwoorden en voorstellen van de Orde op de vier door u voorgelegde aandachtspunten. Deze antwoorden en voorstellen zullen in het wetsvoorstel verwerkt worden.


1.
‘De gezondheidszorg van morgen heeft per definitie een multi- en interdisciplinair karakter. De medische deontologie dient ook daarvan te vertrekken. De Orde is geen voorstander van een Hoge Raad voor Deontologie. Doch, het organiseren van een jaarlijkse interdisciplinaire vergadering is onvoldoende als alternatief.'

1/ De Orde is evenzeer als u ervan overtuigd dat multi- en interdisciplinair overleg in de gezondheidszorg onontbeerlijk is. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de plichtenleer van de verschillende gezondheidszorgberoepen coherent evolueert.

De Orde vernam dat men in de context van de herschrijving van het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen de intentie heeft om de verschillende raden van de beroepsgroepen samen te brengen onder één Federale Raad voor Gezondheidszorgberoepen.(1) In deze Federale Raad zou een transversale kamer ‘Deontologie van de gezondheidszorgberoepen' kunnen worden gecreëerd.
Deze kamer zou dan een interdisciplinaire overlegstructuur zijn die trimestrieel samenkomt en volgens een bottom-up approach werkt. Deze kamer is een louter adviesorgaan, wat iedere beroepsgroep toelaat autonoom in de context van zijn praktijkvoering zijn specifieke deontologische regels te blijven uitwerken en het tuchtrecht uit te voeren.

Deze structuur heeft een vaste agenda die minstens bestaat uit volgende punten:
- Algemene deontologische principes voor de gezondheidszorgberoepen
- Voorstellen van belangrijkste nieuwe adviezen van elke beroepsgroep
- Voorstellen van interdisciplinaire adviezen opgemaakt door verschillende beroepsgroepen
- Denktank over beroepsgroepoverschrijdende thema's:
o Interdisciplinaire samenwerking
o Beroepsgeheim
o Collusie
o Overconsumptie
o Patiëntenrechten
o E-Gezondheid
o ...

De samenstelling kan overeenkomen met de vertegenwoordigers van de beroepen die werden vermeld in de wetsvoorstellen van de voorbije jaren betreffende de Hoge Raad voor Deontologie (artsen (huisartsen en specialisten), apothekers, tandartsen, kinesitherapeuten, paramedische beroepen, verpleegkundigen (of zorgkundigen), vroedvrouwen, ook psychologen,....).(2) Iedere beroepsgroep vaardigt per taalstelsel zijn vertegenwoordiger(s) af. Als een beroepsgroep over een deontologisch orgaan beschikt, wijst dit orgaan de personen aan die in deze structuur zullen zetelen. De beroepsgroepen die (nog) geen deontologisch orgaan hebben, worden vertegenwoordigd door twee leden die aangewezen worden door de Federale raad (of kamer) van het gezondheidszorgberoep.

Door deze deontologische kamer in te passen binnen een Federale Raad voor Gezondheidszorgberoepen kan vlot aansluiting worden gevonden met andere organen zoals de Federale Commissie voor de Rechten van de Patiënt of nog met de Federale Ombudsdienst. Op die manier is ook de participatie van patiënten(organisaties) binnen een dergelijke structuur gegarandeerd.

2/ De specifieke kenmerken en het behoud van de financiële autonomie van iedere beroepsgroep rechtvaardigen de instandhouding van de bestaande Ordes en de oprichting van deontologische raden voor de beroepen die er geen hebben (tandartsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, psychologen enz...). Wat betreft de Orde der artsen, vervult de arts een centrale rol in de gezondheidszorg. Hij heeft een bijzondere verantwoordelijkheid in het gezondheidszorgproces. Dit vereist een specifieke deontologie.

Deontologische raden per gezondheidszorgberoep zorgen er bovendien voor dat een positieve en toepasbare deontologie kan tot stand komen die een meerwaarde voor een interprofessionele dialoog vormt.(3)


2.
‘In de krachtlijnen vermeldde de Orde dat zij transparanter wil zijn in haar werking. De transparantie van de werking dient o.m. te blijken uit een eensluidend beleid van de Orde. De huidige structuur van de Orde met de provinciale raden biedt onvoldoende garanties om als één uniforme Orde naar buiten te treden.'

1/ De Orde grijpt zijn hervorming aan om meer nadruk te leggen op preventieve taken en initiatieven zoals de begeleiding en de oriëntering van artsen, de bijstand van artsen in nood, ... De Orde wil de deontologie doen evolueren naar een positieve deontologie die de houding en de handelwijze van de artsen stuurt in het belang van de patiënten en de gemeenschap. Om dit te kunnen realiseren gelooft de Orde sterk in de meerwaarde van de provinciale raden als instanties die dichtbij de artsen en het publiek staan. Dit maakt het mogelijk een efficiëntere kwaliteitsservice te bieden.

Op disciplinair gebied zijn de provinciale raden belast met het ontvangen en het nagaan van de gegrondheid van de klachten, met het onderzoek en met de beslissing de arts al dan niet door te verwijzen naar de bevoegde interprovinciale tuchtraad van eerste aanleg. In het licht van de hervorming nemen de provinciale raden bij iedere klacht de initiatieven om via minnelijke conflictbeheersing en bemiddeling tot een oplossing te komen.

Met het oog op de scheiding tussen het onderzoek en de tuchtbeslissing welke noodzakelijk is om de onpartijdigheid te waarborgen, wordt de structuur van de Orde aangevuld met een Nederlandstalige tuchtraad van eerste aanleg en een Franstalige tuchtraad van eerste aanleg. Het behandelen van de dossiers uit verschillende provincies door één tuchtraad (per taalstelsel) verhoogt de juridische zekerheid dankzij een grotere expertise en waarborgt een uniforme tuchtrechtspraak tussen de provincies.

Waar bij de provinciale raden de nadruk ligt op de administratieve, educatieve en informatieve rol in de nabijheid van de arts, vervult de nationale raad ten slotte als centraal orgaan een normatieve rol.

De nieuwe structuur van de Orde der artsen gaat uit van een centraal normatief orgaan (de nationale raad), tien provinciale raden, twee tuchtraden van eerste aanleg (één per taalstelsel) en twee raden van beroep (één per taalstelsel).

2/ De coherentie tussen de provinciale raden die de nodige autonomie genieten voor concrete gevallen en de normerende bevoegdheid van de nationale raad blijft een aandachtspunt. O.m. volgende vernieuwende elementen in zijn hervorming garanderen een transparanter verloop van de werking van de Orde:

• De werking van de organen van de Orde wordt bepaald door een identiek huishoudelijk reglement, opgesteld door de nationale raad.
• Het tableau van de Orde der artsen wordt gevormd door de lijsten opgemaakt door de provinciale raden overeenkomstig de wettelijk bepaalde voorwaarden tot inschrijving. De inschrijvings- en weglatingsprocedures worden op eenvormige wijze toegepast.
• Een gelijk bedrag van bijdrage voor alle artsen wordt vastgelegd, geïnd en beheerd door de nationale raad.
• De openbaarheid van de zitting en de uitspraak in elke aanleg komt de transparantie van het tuchtrecht ten goede.
• Het repertorium van geanonimiseerde tuchtbeslissingen wordt openbaar gemaakt voor het publiek.
• De raden van de Orde stellen een semestrieel verslag op betreffende hun werking.
Dit bevat voor alle raden een activiteitenrapport (vergaderingen van bureau, raad, commissies, ev. activiteiten voor de artsen, ...) en een financieel rapport (uitgaven en inkomsten).
De provinciale raden maken eveneens een rapport van hun beslissingen inzake klachten, gegroepeerd per thematiek (aantal ontvangen klachten, aantal seponeringen/zonder gevolg/doorgestuurd naar de tuchtraad van eerste aanleg).
De tuchtraden van eerste aanleg en de raden van beroep voegen eveneens een rapport van hun beslissingen toe, gegroepeerd per thematiek en per sanctie (aantal behandelde klachten zonder sanctie/met sanctie).
De provinciale raden zorgen voor een overzicht van de adviezen die zij uitbrachten.

De verschillende raden van de Orde hebben intern toegang tot alle activiteitenrapporten van de andere raden.
De nationale raad maakt op basis van de semestriële activiteitenrapporten een publiek jaarrapport van de activiteiten van de Orde.

De Orde zal ook verdere initiatieven nemen voor het ondersteunen van de universitaire artsenopleiding wat betreft medische deontologie. Daarvoor is de benoeming door de Koning in de nationale raad van de leden op voordracht van de universiteiten zeer zinvol.


3.
‘Een overleg met de patiëntenorganisaties is een te lichte garantie om de centrale positie van de patiënt/klager te kunnen garanderen. De verschillende mogelijkheden van de patiënt/klager dienen exhaustief opgesomd te worden.'

1° De patiëntenorganisaties

Historisch gezien werden de patiëntenorganisaties opgericht om specifieke patiëntengroepen te ondersteunen. Het zijn hoofdzakelijk verenigingen die als doel hebben de werkmiddelen gemeenschappelijk te maken, de belangen van de bijzondere groepen te verdedigen en geld in te zamelen voor onderzoek naar de ziekte die hen betreft.

De nationale raad is van mening dat de vertegenwoordigers van de patiënten in de eerste plaats hun belangen dienen te doen gelden tegenover alle gezondheidszorgberoepsbeoefenaars. Hun rol situeert zich derhalve op het niveau van een georganiseerde interdisciplinaire structuur zoals besproken onder punt 1.

Binnen de Orde acht de nationale raad het wenselijk patiëntenorganisaties ad hoc, inzake onderwerpen die hen aanbelangen, te kunnen betrekken. Een vaste plaats voor de patiëntenorganisaties lijkt minder opportuun. Een afgevaardigde van een overkoepelende patiëntenorganisatie van beide taalstelsels en/of een afgevaardigde van een vereniging van ombudspersonen van beide taalstelsels zullen, op hun vraag of op vraag van de Orde, worden uitgenodigd om deel te nemen aan het overleg binnen de Orde.

De Orde staat daarnaast open om waar gevraagd toelichting bij de structuren en de procedures van de Orde te geven en tevens in een open geest kritieken van patiënten en organisaties op de Orde te beluisteren en ter harte te nemen.

Met belangstelling heeft de Orde kennis genomen van initiatieven zoals de "burgerlabo's" die het standpunt van de bevolking over problemen in verband met de gezondheidszorg weerspiegelen.
De Orde zal bij het uitwerken van de deontologische regels en het disciplinair recht rekening houden met de redelijke en evenwichtige opvattingen en vragen die uit deze initiatieven voortkomen.

2° De klager

De Orde wenst de klager een plaats te geven die hem toelaat tussenbeide te komen in de tuchtprocedure en geïnformeerd te worden over het verloop ervan.

In de u meegedeelde conceptnota's betreffende de hervorming van de Orde van 2015 werd de positie van de klager uitgewerkt rekening houdend met de wetsvoorstellen die de laatste tien jaar werden ingediend.

Volgende vernieuwende elementen m.b.t. de klager in het tuchtproces werden in de conceptnota's aangebracht :

1. De klager krijgt mededeling van de gemotiveerde beslissing tot seponering van zijn klacht door de provinciale raad.
Tevens wordt hem meegedeeld dat hij hiertegen geen beroep kan aantekenen.

2. De klager wordt aangeboden deel te nemen aan een bemiddeling betreffende zijn klacht door een bestaande externe ombudsdienst of door een bemiddelaar die een erkende opleiding in bemiddeling heeft genoten en die onafhankelijk van de provinciale raad optreedt.

3. De klager kan zelf vragen om te worden gehoord door de onderzoekscommissie van de provinciale raad. Indien de onderzoekscommissie de klager uitnodigt, is hij vrij dit te weigeren.

4. De klager kan stukken neerleggen die hij nuttig acht voor de onderzoekscommissie van de provinciale raad.

5. De provinciale raad (als verwijzingsraad) deelt zijn schriftelijk gemotiveerde beslissing, zonder gevolg, aanvullend onderzoek of verwijzing naar de tuchtraad van eerste aanleg, mee aan de klager.
Tevens wordt hem meegedeeld dat hij hiertegen geen beroep kan aantekenen.

6. De klager kan stukken neerleggen die hij nuttig acht voor de tuchtraad van eerste aanleg. Hij kan ook vragen om getuigen op te roepen.

7. De klager heeft geen inzage in het tuchtrechtelijke dossier aangezien hij geen partij is in het tuchtproces.

8. De klager kan aanwezig zijn op de zitting van de tuchtraad van eerste aanleg die in principe openbaar verloopt. Bij zitting met gesloten deuren kan enkel de klager worden toegelaten.
Op verzoek van de tuchtraad geeft de klager toelichting bij zijn klacht.

9. De tuchtraad van eerste aanleg deelt schriftelijk aan de klager, voor zover die betrokken is, mee welke tuchtsanctie naar aanleiding van zijn klacht werd opgelegd. Hij waakt erover dat de vertrouwelijkheid van de gegevens over derden wordt gevrijwaard.
Tevens wordt de klager meegedeeld dat hij tegen deze beslissing geen beroep kan aantekenen.

10. De klager ontvangt een kopie van het onderdeel van de tuchtbeslissing dat op hem betrekking heeft.

Bij het opstellen van de uniforme tekst van het huishoudelijk reglement van de provinciale raden zal de nationale raad deze elementen gedetailleerd opnemen.


4.
‘De Orde wil mee instaan voor het toezicht op de kwaliteit van de gezondheidszorg. De mogelijkheden daartoe dienen gedetailleerd uitgewerkt te worden.'

1/ Het is een deontologische plicht voor elke arts om kwaliteitsvolle gezondheidszorg te garanderen. De Orde participeert in het toezicht op en het bevorderen van de kwaliteit van de gezondheidszorg. De evidence based geneeskunde(4) blijft de maatstaf, net als een geactualiseerde medische deontologie(5) .
Indien de arts ervoor zou opteren om complementaire geneeskunde - voor zover wettelijk erkend - uit te oefenen, zal de uitoefening ervan eveneens kwaliteitsvol moeten zijn, teneinde deontologisch te handelen.

2/ Om aan de maatschappij een kwaliteitsvolle gezondheidszorg te garanderen, dient de Orde te beschikken over doeltreffende maatregelen om artsen die een gevaar vormen, hun praktijk te kunnen doen stoppen. In de hervormingsnota's werd hiertoe reeds gesteld: "De Orde wenst dat de provinciale raden voor de op hun Lijst ingeschreven artsen, een gelijkaardige bevoegdheid krijgen wat de inschrijving betreft zoals deze bestaat voor de provinciale geneeskundige commissies wat het visum betreft. De Orde moet maatregelen kunnen nemen wanneer uit ernstige en eensluidende aanwijzingen blijkt dat de verdere beroepsuitoefening door de betrokkene arts zware gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid kan hebben. Het komt aan de provinciale raden toe de nodige maatregelen te nemen. De provinciale raden beslissen bij tweederdemeerderheid gemotiveerde beslissing van de aanwezige leden. Die beslissing blijft geldig zolang de redenen die hem hebben verantwoord, voortduren. Het betreffen hier administratieve maatregelen, geen disciplinaire maatregelen.
De provinciale raad heft de maatregel op wanneer hij vaststelt dat de redenen die hem hebben verantwoord niet meer bestaan. Hij doet dit hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de betrokken arts.
De betrokken arts kan daartoe elke maand vanaf de uitspraak van de maatregel een verzoek indienen.
Voorafgaand aan elke beslissing roept de provinciale raad de betrokken arts op en hoort hem.
Indien er zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid te vrezen vallen, kan de provinciale raad een beslissing nemen zonder de betrokkene voorafgaand te hebben opgeroepen en hem te hebben gehoord. In dat geval wordt de maatregel uitgesproken voor een duur van ten hoogste acht dagen. De beslissing kan slechts worden verlengd nadat de provinciale raad de betrokkene heeft opgeroepen om te worden gehoord."

3/ De Orde wenst mee te zoeken naar nauwere functionele banden met de provinciale geneeskundige commissies en naar complementaire bevoegdheden van de Orde en van de provinciale geneeskundige commissies. Beide instanties delen de verantwoordelijkheid tot het waarborgen van de individuele geschiktheid van de zorgverleners op het gebied van kennis en gedrag en de zogenaamde "licence to practise". Een collaboratief model voor toezicht op de uitoefening van de geneeskunde, waarbij de Orde een essentiële adviserende bevoegdheid heeft over de maatregelen die het visum betreffen, mag niet zover gaan dat het de onpartijdigheid en onafhankelijkheid in het gedrang brengt. Een collaboratief model zal zich bijgevolg dienen te beperken tot een louter aangeven van mogelijke "probleem"-artsen of beperkt uitwisselen van objectieve informatie.

De Orde is ervan overtuigd dat de multidisciplinariteit waardoor de huidige gezondheidszorg wordt gekenmerkt de kwaliteit van de zorg ten goede komt en staat hier geheel voor open.


1.Presentatie Prof. dr. K. Vandewoude, "Zorgberoepen in evolutie. Naar een geïntegreerde gezondheidszorg", VBS-Symposium 20 februari 2016, Brussel.
2.Wetsvoorstel (M. Detiège e.a.) tot opheffing van de Orde der artsen en de Orde der apothekers en tot oprichting van een Hoge Raad voor deontologie van de gezondheidszorgberoepen, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 1443/001, p. 13: "Teneinde het aantal vertegenwoordigers te bepalen werd rekening gehouden met twee criteria, namelijk het aantal beoefenaars en de graad van autonomie waarmee het beroep door het merendeel van de beoefenaars wordt uitgeoefend. Het spreekt vanzelf dat, naarmate deze graad van zelfstandigheid toeneemt, de deontologie een meer uitgesproken plaats inneemt in de uitoefening van het beroep."
3.Hierbij kan als voorbeeld gegeven worden, een gezamenlijk advies van de Orde der artsen en de Orde der apothekers over een beroepsgrensoverschrijdend topic zoals de problematiek van Doktersonline.be
4.De wetenschappelijke oriëntatielijnen worden uitgezet door de academiën, de wetenschappelijke verenigingen en de universiteiten.
5.De Orde zal hiertoe haar code van geneeskundige plichtenleer blijven actualiseren om aan te sluiten bij de actuele tendensen binnen de gezondheidszorg.

Discipline19/09/2015 Documentcode: a150017
Bijstand van de klager of een getuige door een advocaat of een vertrouwenspersoon voor de onderzoekscommissie

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld of ook de klager of een getuige het recht hebben zich te laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon wanneer hij wordt gehoord door de onderzoekscommissie van de provinciale raad.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 19 september 2015 heeft de Nationale Raad van de Orde der artsen uw brief van 20 mei 2015 onderzocht waarin u vraagt of ook de klager of een getuige het recht hebben zich te laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon wanneer zij worden gehoord door de onderzoekscommissie van de provinciale raad.

Aangezien de positie van de klager in het huidig medisch tuchtrecht beperkt is, is er geen juridisch verankerd "recht" om zich te laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon.

De Nationale Raad merkt samen met u op dat er echter geen bezwaren zijn tegen de aanwezigheid van een advocaat of een vertrouwenspersoon bij het onderhoud met de klager of getuige met de onderzoekscommissie.

Net als voor de bijstand voor de beklaagde arts geldt evenwel dat de rol van de advocaat of de vertrouwenspersoon eerder van passieve aard is. Hij zal niet tussenkomen tijdens het onderhoud. Hij kan tijdens het onderhoud of na het beëindigen van het onderhoud slechts opmerkingen maken omtrent schendingen die hij meent te hebben vastgesteld en deze doen noteren.

Lijst van de Orde04/07/2015 Documentcode: a150001
Hervorming van de Orde der geneesheren - Conceptnota

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren werd door het kabinet van Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Maggie De Block eind april gevraagd een conceptnota voor te bereiden die laat zien hoe de Orde zelf haar hervorming ziet.

Tijdens de vergadering van de Nationale Raad van 30 mei 2015 werd de tekst van de conceptnota, die u als bijlage vindt, goedgekeurd.

De krachtlijnen van deze hervormingsnota kunnen als volgt worden samengevat:

1° De huidige reguleringsmodaliteiten betreffende de uitoefening van de geneeskunde zijn niet langer aangepast aan de vereisten van een beroep dat sedert een halve eeuw aanzienlijk is geëvolueerd. Om tegemoet te komen aan deze evolutie is het noodzakelijk de opdrachten, de werking en de structuur van de Orde te moderniseren.

De Orde is noodzakelijk om de uitoefening van het medische beroep te regelen omdat dit beroep van algemeen belang is.

De regulering streeft ernaar te waarborgen dat de beroepsbeoefenaars zich gedragen zoals de maatschappij het terecht van hen verwacht, in het belang van de patiënt, de volksgezondheid en het algemeen welzijn.

Ze moet uitgevoerd worden door een toegankelijke, transparante, dynamische en onafhankelijke Orde.

De regulering impliceert enerzijds het voorkomen van moeilijkheden aan de hand van een positieve deontologie die de houding van de artsen preventief en proactief oriënteert, anderzijds de mogelijkheid de arts een houding op te leggen in overeenstemming met de geneeskundige plichtenleer en tot slot, het bestrijden van misbruiken door middel van het tuchtrecht.

Indien de verdere uitoefening van de geneeskunde door een arts een ernstig gevaar inhoudt voor de volksgezondheid, moet de Orde dringende en voorlopige maatregelen kunnen opleggen.

De Orde is verantwoordelijk voor het bijhouden van de lijst.

2° De geneeskundige plichtenleer moet het respect voor de patiënt, de kwaliteit van de zorg, de loyale samenwerking tussen de gezondheidszorgbeoefenaars en het belang van de gemeenschap waarborgen.

Ethiek, professionalisme en morele integriteit liggen aan de basis van de uitoefening van de geneeskunde.

De hoge morele waarde, het algemene karakter en de maatschappelijke impact van de deontologie wettigen dat ze besproken en toegepast wordt op federaal niveau. De Orde wenst om die reden het behoud van de samenwerking van de beide taalafdelingen binnen de Nationale Raad.

De inhoud van de Code van plichtenleer dient beperkt te worden tot algemene principes die toegelicht worden door de adviezen van de Nationale Raad.

3° De Orde wil de deontologie laten evolueren naar een positieve deontologie gericht op het preventief en proactief begeleiden en oriënteren van de artsen.

Deze positieve en preventieve aanpak dient toegepast te worden van bij de opleiding van de jonge artsen.

Ze vereist dat de Orde een open oor heeft voor haar leden en te hunner beschikking staat.

De Orde wil zoveel als mogelijk jonge artsen betrekken bij haar werking en hen wegwijs maken in de deontologie.

De Orde besteedt ruimere aandacht aan de ondersteuning van artsen die zich in moeilijkheden bevinden.

In geval van conflict moedigt de Orde aan de weg van de verzoening te nemen. Ze is een plaats van dialoog.

De Orde speelt een actieve rol in de permanente opleiding en in het toezicht op de geschiktheid de geneeskunde uit te oefenen.

4° Transparantie, toegankelijkheid, dynamisme en onafhankelijkheid moeten de kenmerken zijn van de werking van de Orde.

De onafhankelijkheid van de Orde ten opzichte van politieke en syndicale organisaties is een wezenlijke voorwaarde voor de doelmatigheid van haar werking.

De representativiteit van het artsenkorps (gender- en leeftijddiversiteit, territoriale diversiteit, diversiteit wat betreft specialisme/praktijktype) binnen de organen van de Orde moet nagestreefd worden.

Artsen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie moeten verkiesbaar zijn onder dezelfde voorwaarden als de Belgische artsen.

Er moeten regels opgesteld worden die de duur, de cumulatie en de onverenigbaarheid van mandaten vastleggen.

De adviesbevoegdheid van de Orde dient uitgebreid en vereenvoudigd te worden om ze toegankelijk te maken voor de artsen en het publiek.

De Orde zal jaarlijks een activiteitenverslag publiceren en een databank met tuchtrechtspraak online plaatsen.

De bijdragen van de artsen zijn de garantie voor de onafhankelijkheid van de Orde.

5° De Orde dient actiever te luisteren naar de patiënten en samen te werken met de instanties die bevoegd zijn op gezondheidsgebied.

Medische deontologie moet onder meer uitgaan van een interdisciplinaire gezondheidszorg. Daarom zal de Orde permanent overleggen met de verscheidene actoren binnen deze gezondheidszorg, onder meer inzake bijzondere beroepsoverschrijdende problemen.

Aangezien medische zorg en medische deontologie primordiaal gericht zijn op de patiënt dient dit regelmatig overleg ook gevoerd te worden met de patiëntenorganisaties.

De Orde wil een wettelijk kader waarin de uitwisseling van tuchtinformatie op nationaal en internationaal niveau wordt geregeld met eerbied voor het privéleven van de betrokken artsen en patiënten.

In het kader van het vrije verkeer dient beschreven te worden wat de impact is in België van een beslissing van een lid van de EER (of Zwitserland) met als sanctie de schorsing, de schrapping of de beperking in het recht om de geneeskunde uit te oefenen. Dezelfde denkoefening moet gemaakt worden voor de tuchtrechtelijke, administratieve of gerechtelijke beslissingen die de schorsing in het recht om de geneeskunde uit te oefenen, de schrapping of de beperking in het recht om de geneeskunde uit te oefenen in een land buiten de EER (of Zwitserland), bevatten.

6° Om de kwaliteit van het tuchtrecht te verbeteren, dient de procedure gemoderniseerd en de structuur van de Orde aangevuld te worden met een tuchtraad in eerste aanleg.

De tuchtopdracht dient strikt te worden gescheiden van de andere opdrachten van de Orde en dient op transparante wijze te worden uitgeoefend.

De procedure moet respect hebben voor de beklaagde arts, in de uitoefening van zijn recht zich te verdedigen, en voor de klager, wiens plaats binnen deze procedure gedefinieerd moet worden.

De scheiding tussen het onderzoek en de tuchtbeslissing is noodzakelijk om de onpartijdigheid te waarborgen en wettigt dat de structuur van de Orde aangevuld wordt met een Nederlandstalige tuchtraad van eerste aanleg en een Franstalige tuchtraad van eerste aanleg. Door de dossiers uit verschillende provincies te centraliseren binnen een tuchtraad vergroot de juridische zekerheid dankzij een grotere expertise en wordt de tuchtrechtspraak tussen de provincies uniform gemaakt.

De openbaarheid van de zitting en de uitspraak moeten ingevoerd worden in eerste en tweede aanleg van het tuchtrecht.

Er dient werk te worden gemaakt van de openbaarheid, de onafhankelijkheid en de transparantie van de uitoefening van het tuchtgezag met eerbiediging van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de beklaagde arts, de klager en de derden.

In ernstige omstandigheden kan de tuchtoverheid kennisnemen van handelingen uit het privéleven.

De Orde dient over de nodige onderzoeksmiddelen te beschikken om haar opdracht te vervullen.

De modernisering van het tuchtrecht rechtvaardigt dat wordt voorzien in de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van de sanctie op te schorten of uit te stellen of om er bijzondere voorwaarden aan te verbinden, en in manieren om de veroordelingen na een bepaalde termijn te laten uitdoven.

De mogelijkheid verzet aan te tekenen tegen een bij verstek uitgesproken beslissing dient afgeschaft te worden.

De conceptnota werd op 23 juni 2015 door het Bureau van de Nationale Raad aan het Kabinet, in aanwezigheid van de kabinetschef en adjunct-kabinetschef, voorgesteld en toegelicht waar nodig.

Op 2 juli 2015 ontving de Nationale Raad een brief van Minister De Block met de vraag om tegen 30 september 2015 volgende punten verder uit te werken :

- de positie van de klager dient beter omschreven te worden en de vraag rijst of de klager geen uitdrukkelijke plaats dient te krijgen binnen de tuchtprocedures;
- de plaats van de patiëntenorganisaties in de werking van de Orde dient uitgewerkt te worden, mogelijks als een adviesorgaan;
- in het kader van het toezicht op de uitoefening van de geneeskunst zou in overleg met de FOD Volksgezondheid een essentiële adviserende bevoegdheid voor de Orde moeten worden uitgewerkt. Aansluitend daarbij zouden aan de inschrijving op de lijst van de Orde bepaalde voorwaarden kunnen worden gekoppeld;
- de bemiddelende rol die de Orde wenst op te nemen, dient te worden uitgeklaard, o.m. in overleg met de reeds bestaande instanties, zoals de ombudspersoon in het kader van de rechten van de patiënt. Hierbij dienen goede garanties voor onpartijdigheid en onafhankelijkheid te worden ingebouwd;
- de Minister vraagt de inzichten van de Orde m.b.t. interdisciplinaire generieke ontwikkeling van deontologie en de toetsing ervan.

Tijdens de bespreking van de Gezondheidswet in de vergadering van de Commissie Volksgezondheid en in de plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, benadrukte de Minister dat concrete hervormingsvoorstellen van de Orde zelf dienen te komen en dat deze dienen te worden voorgelegd aan het Parlement ter bespreking.

In de komende maanden zal het Bureau van de Nationale Raad de vraag tot verdere uitwerking van de Minister beantwoorden en de antwoorden toevoegen aan de conceptnota.

In de schoot van het Bureau van de Nationale Raad zal in het najaar 2015 een concreet wetsvoorstel tot hervorming van de Orde der artsen worden voorbereid dat voortbouwt op de in de conceptnota overeengekomen principes.

Discipline19/07/2014 Documentcode: a146007
Wijzigingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren onderzocht de wijzigingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bij wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 19 juli 2014 onderzocht de Nationale Raad de artikelen ingevoegd in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (verder : Patiëntenrechtenwet) bij wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Deze invoegingen passen in het kader van de omzetting van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg.

Artikel 4, lid 2, aanhef, b, van die richtlijn bepaalt :

"De Lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, draagt er zorg voor dat:
b) de zorgaanbieders relevante informatie om individuele patiënten te helpen om met kennis van zaken een keuze te maken, onder meer over mogelijke behandelingen, over de beschikbaarheid, de kwaliteit en de veiligheid van de gezondheidszorg die zij in de Lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, verlenen en dat zij ook duidelijke facturen opstellen en duidelijke informatie verschaffen over de prijzen, alsmede over hun vergunnings- of registratiestatus, hun verzekeringsdekking of andere individuele of collectieve vormen van bescherming met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid. Voor zover zorgaanbieders patiënten die wonen in de Lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, hierover al de nodige informatie verstrekken, verplicht deze richtlijn de zorgaanbieders niet patiënten uit andere Lidstaten uitgebreider voor te lichten."

Deze bepaling werd omgezet naar Belgisch recht door de invoering van de artikelen 8/1 en 8/2 in de Patiëntenrechtenwet.

De Patiëntenrechtenwet maakt een onderscheid tussen het recht van de patiënt op informatie betreffende zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie ervan (artikel 7) en het recht op informatie betreffende een welbepaalde handeling teneinde erin toe te stemmen (artikel 8).

De artikelen 8/1 en 8/2 Patiëntenrechtenwet passen in het kader van de informatieplicht van de beroepsbeoefenaar ten opzichte van de patiënt met het oog op het verkrijgen van zijn vrije en geïnformeerde toestemming voor een welbepaalde handeling.

1° Artikel 8/1 Patiëntenrechtenwet bepaalt : "De beroepsbeoefenaar informeert de patiënt of hij al dan niet beschikt over een verzekeringsdekking of een andere individuele of collectieve vorm van bescherming met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid."

De Nationale Raad wijst erop dat, ofschoon een verzekeringsdekking met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid wettelijk niet verplicht is, ze daarentegen deontologisch wel verplicht is op grond van artikel 34, § 2, van de Code van geneeskundige plichtenleer. Dit artikel bepaalt dat een slachtoffer van een medische fout recht heeft op vergoeding van de door die fout veroorzaakte schade en dat elke arts hiervoor verzekerd dient te zijn.

Het feit dat de arts de patiënt ervan in kennis stelt dat hij geen verzekering heeft, stelt de arts die zorg verstrekt aan een patiënt, zonder dat zijn beroepsaansprakelijkheid verzekerd is, niet vrij van zijn fout op deontologisch gebied.

2° Artikel 8/2 Patiëntenrechtenwet bepaalt : "De beroepsbeoefenaar informeert de patiënt omtrent zijn vergunnings- of registratiestatus."

De patiënt moet ingelicht worden omtrent de beroepsbekwaamheden van de arts die hem gezondheidszorg verleent.

De arts die niet gerechtigd is te praktiseren en dat verbod niet respecteert, maakt zich schuldig aan het onwettig uitoefenen van de geneeskunde, zelfs als de patiënten die kennis hebben van het verbod, ermee instemmen zorg van hem te ontvangen. De toestemming van het slachtoffer van een strafbaar feit rechtvaardigt de overtreding niet in hoofde van diegene die de overtreding begaat. Zo mag een arts met een beroepsbeperking deze niet negeren.

Discipline26/10/2013 Documentcode: a143011
PERSBERICHT : Spoedprocedure voor de onmiddellijke schorsing van artsen die het leven van hun patiënten in gevaar brengen
PERSBERICHT

Spoedprocedure tot onmiddellijke schorsing van beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg ter voorkoming van ernstige gevaren voor de patiënten en de volksgezondheid.

Al verschillende jaren is de Orde van geneesheren voorstander van het invoeren van een procedure tot het nemen van spoedmaatregelen ter voorkoming van ernstige gevaren voor de patiënten en de volksgezondheid.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren werd via de persmededeling van de Ministerraad van 18 oktober 2013 ervan in kennis gesteld dat de Orde van geneesheren en de Orde van apothekers niet de bevoegdheid zullen krijgen in spoedeisende situaties een arts of apotheker een voorlopige schorsing van de beroepsbeoefening op te leggen. Een gelijkwaardige bevoegdheid zal enkel toegekend worden aan de Provinciale Geneeskundige Commissies, die afhankelijk zijn van het Ministerie van Volksgezondheid.

Zoals in een schrijven in antwoord aan de Minister op haar raadpleging terzake door de Orde werd verwoord, is de Orde van geneesheren vragende partij in deze materie zijn rol t.a.v. artsen volwaardig te spelen. De provinciale raden van de Orde zijn immers het meest geschikt dergelijk spoedprocedures te organiseren. Enerzijds wordt elke provinciale raad bijgestaan door een magistraat, wat borg staat voor een oordeelkundige afwikkeling van dergelijke schorsingsprocedure. Anderzijds is elke provinciale raad samengesteld uit een voldoende aantal verkozen leden met een ruime vertegenwoordiging van de verschillende medische praktijken.
De Nationale Raad houdt eraan op te merken dat deze bevoegdheid was voorzien in het oorspronkelijke voorontwerp dat werd voorgelegd door de Minister van Volksgezondheid.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren verzoekt de parlementsleden tijdens de debatten de keuze om de beroepsordes in het proces op te nemen opnieuw in overweging te nemen.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)26/10/2013 Documentcode: a143010
Hervorming van de Orde van geneesheren
Brief aan mevrouw L. ONKELINX, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

Mevrouw de Minister,

In het licht van de evolutie van de gezondheidszorgverstrekking is een hervorming van de wetgeving van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren en van het medisch tuchtrecht onontbeerlijk.

Het is vanzelfsprekend dat deze hervorming wordt uitgewerkt rekening houdend met de ervaring van de leden van de organen van de Orde en in overleg met de betrokken zorgverstrekkers.

De Nationale Raad vraagt daarom deel te nemen aan de discussie betreffende deze hervorming om er de moeilijkheden en de struikelblokken van de huidige werking toe te lichten en om de voorstellen af te toetsen aan de concrete invulling van zijn opdrachten.

Teneinde een aanzet te geven tot deze denkoefening, legt hij u enkele krachtlijnen voor waaraan de hervorming van de Orde van geneesheren en van het medisch tuchtrecht moet beantwoorden.

Ze vloeien voort uit het voorstel dat de Orde u in 2009 overmaakte (cf. bijlage), uit een bestudering van de wetsontwerpen en -voorstellen tot hervorming van de Orde en uit de ontwikkeling van de Europese wetgeving en rechtspraak, en vormen een tegemoetkoming aan de kritiek uitgebracht in de media.

1. De morele integriteit en het verantwoordelijkheidsbesef van de artsen, de kwaliteit van de zorg en de vertrouwensrelatie tussen de arts en zijn patiënten in een kader van geïntegreerde gezondheidszorg zijn de grondslagen van de werking van de Orde van geneesheren en van de regels van de geneeskundige plichtenleer.

Gelet op de toenemende mobiliteit van de zorgverstrekkers en van de patiënten, onder meer in het kader van grensoverschrijdende gezondheidszorg, dienen de bevoegdheden en de werking van de Orde van geneesheren een waarborg te bieden voor het vrije verkeer van artsen, het recht op informatie van de patiënten en de uitwisseling van tuchtinformatie tussen de overheidsinstanties.

2. Er moet worden gestreefd naar transparantie op het gebied van de uitoefening van het tuchtgezag, a) naar de klager toe, wiens positie in de tuchtprocedure versterkt dient te worden; b) naar de aangeklaagde arts toe door middelen die borg staan voor een eenvormige tuchtrechtspraak; en c) ruimer, naar de bevolking toe, door de publicatie van anoniem gemaakte tuchtbeslissingen.

De tuchtprocedure en de actiemiddelen van de Orde dienen relevanter en doeltreffender te worden gemaakt.
Enkele voorbeelden van aanpassingen zijn: onmiddellijke uitvoerbaarheid van de schorsing van het recht om de geneeskunde uit te oefenen in geval van ernstig gevaar voor de samenleving, uitstel van uitvoering van straf, opschorting van sanctie, probatiemaatregelen, uitwisbaarheid van sancties en eerherstel.

Rekening houdend met de recente debatten over onder meer sektarische praktijken en seksueel misbruik, kan de tuchtbevoegdheid niet beperkt blijven tot de traditionele beroepsuitoefening.

De samenwerking en de complementariteit van de provinciale geneeskundige commissies en de Orde van geneesheren dienen uitgebreid te worden zodat sneller en efficiënter gereageerd wordt op spoedeisende situaties om te allen tijde kwaliteitsvolle gezondheidszorg te waarborgen.

3. De structuur van de Orde dient te worden aangepast aan die van de Federale Staat, zonder de overeenstemming van de regels van medische deontologie met de toepassing ervan uit het oog te verliezen. De huidige Orde van geneesheren wordt vervangen door een Vlaamse Orde van Artsen en een Ordre francophone et germanophone des médecins.

In de context van de multidisciplinaire en geïntegreerde zorg zou een overkoepelende instantie fundamentele, beroepsoverschrijdende waarden kunnen aanbrengen aan de gezondheidszorgberoepen.
Deze instantie zou een adviserende functie kunnen hebben in nauwe samenwerking of samenvallend met het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Haar bevoegdheden mogen het optreden van de beroepsordes niet verzwakken of bemoeilijken, maar moeten dit integendeel aanvullen.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren vraagt u gehoord te worden bij ieder initiatief met als doel de huidige structuur van de Orde van geneesheren aan te passen en het medisch tuchtrecht te hervormen. Hij hoopt dat u de hier uiteengezette krachtlijnen in overweging neemt gezien het dringende karakter van de hervorming.

Hoogachtend,
...

Beroepsgeheim14/09/2013 Documentcode: a143006
Inbeslagname van een tuchtdossier door een onderzoeksrechter
Inbeslagname van een tuchtdossier door een onderzoeksrechter op de zetel van een provinciale raad van de Orde van geneesheren.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 14 september 2013 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 12 juli 2013 betreffende de inbeslagneming van een tuchtdossier door een onderzoeksrechter in de lokalen van een provinciale raad van de Orde van geneesheren.

Alle stukken die in een tuchtdossier zitten, vallen onder het beroepsgeheim (artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

Tot deze stukken behoren de verklaringen van de betrokken arts.

In tegenstelling tot het gemeenrecht heeft de arts in het tuchtrecht een plicht tot oprechtheid en de plicht om mee te werken aan het onderzoek.

Om die reden zou de mededeling van het tuchtdossier of van de tekst van de beslissing aan de strafrechter of aan de burgerlijke rechter de rechten van de verdediging schenden.

De inbeslagneming van het tuchtdossier zou bijgevolg een schending uitmaken van het beroepsgeheim bedoeld bij artikel 30 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 79 en van de rechten van verdediging van de betrokken arts.

Indien de onderzoeksrechter, ondanks het verzet van de provinciale raad, toch meent dat het tuchtdossier in beslag dient te worden genomen, moet de voorzitter of een lid van de provinciale raad aanwezig zijn bij de inbeslagneming en moet akte worden genomen van zijn bezwaren.

Het voorgaande is geenszins in tegenspraak met het advies van de Nationale Raad van 25 mei 2002, met als titel Gebruik van stukken uit het disciplinair dossier, Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 97, p. 5, in zoverre dit het volgende bepaalt met betrekking tot het gebruik van stukken uit het disciplinair dossier door de betrokken arts voor zijn verdediging in rechte in een geschil :

Algemeen wordt aanvaard dat een arts stukken van het medisch dossier, ook wanneer die onder het beroepsgeheim vallen, voor de rechtbank kan gebruiken wanneer dit voor zijn verdediging strikt noodzakelijk is. Naar analogie kan worden gezegd dat dit ook geldt voor het gebruik door de betrokken arts van alle hem dienstige stukken uit het disciplinair dossier.

De arts die tuchtrechtelijk wordt vervolgd, ontvangt een afschrift van zijn verklaringen, van de stukken uit het dossier waarom hij verzoekt en van de gewezen beslissing.

In de veronderstelling dat hij daarna voor dezelfde feiten wordt vervolgd voor de gewone rechtbanken, kan de arts gebruik maken van zijn recht om zich te verdedigen door op eigen initiatief de hem betreffende tuchtbeslissing en de stukken uit het tuchtdossier die strikt noodzakelijk zijn voor zijn verdediging, voor te leggen.

Code van medische deontologie (Interpretatie van de-)13/07/2013 Documentcode: a142003
Code van geneeskundige plichtenleer – Wijziging van artikel 158

In zijn vergadering van 13 juli 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren beslist het artikel 158 van de Code van geneeskundige plichtenleer te wijzigen.

Geactualiseerde versie van dit artikel en memorie van toelichting betreffende het gewijzigde artikel :

CODE VAN GENEESKUNDIGE PLICHTENLEER
Art. 158
§ 1. Een arts aan wie door een wettelijk bevoegde instantie een verbod is opgelegd om de geneeskunde uit te oefenen, ontvangt geen inkomsten verbonden aan de uitoefening.

§ 2. De geschorste arts moet bovendien maatregelen treffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren.
Daartoe kan de arts zich tijdens de periode van het verbod laten vervangen door één of meerdere artsen met dezelfde wettelijke kwalificatie.

De maatregelen worden vooraf schriftelijk medegedeeld aan de bevoegde Provinciale Raad, die ze goedkeurt of aanpassingen ervan oplegt.

§ 3. Alle overeenkomsten of statuten moeten de navolging van de bepalingen van dit artikel expliciet vermelden.


Memorie van toelichting:

Financiële implicaties:
Tijdens de periode van het verbod, mag de geschorste arts geen inkomsten (ereloon, inkomstenpool, forfaitaire honoraria) verbonden aan de ‘uitoefening van de geneeskunde' ontvangen. Uiteraard is ereloondeling met de vervangende arts ook uitgesloten.

Andere inkomsten verbonden aan het verzorgen van de continuïteit, i.c. bv. bij vervanging het gebruik van lokalen/materialen, moeten vooraf medegedeeld worden aan de provinciale raad ter nazicht en/of goedkeuring - voor zover die bepalingen niet reeds vermeld worden in overeenkomsten of statuten (cf. art. 159) van samenwerkingsverbanden, associaties, groepspraktijken, etc.

Toegang tot medische dossiers:
Aan de vervangende arts of aan de arts aangeduid door de patiënt moet alle medische informatie worden bezorgd die nuttig en noodzakelijk is voor de continuïteit van de zorgen.