keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168006
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtelijk deskundige

In zijn vergadering van 20 maart 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit om de deontologische aanbevelingen te kennen betreffende de toepassing vanhet evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtsdeskundige bij het opstellen van zijn verslag.

1. Deze vraag volgt op een beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020 van de Geschillenkamer in een dossier tegen een arts-gerechtsdeskundige[1]. Aan deze laatste werd verweten bij zijn verslag, waartegen de partijen tegenspraak kunnen voeren, het volledige verslag van de deskundige-psychiater gevoegd te hebben dat gevoelige gegevens bevatte die de betrokken persoon niet noodzakelijk achtte voor de uitvoering van de expertiseopdracht.

In dit dossier heeft de Geschillenkamer geoordeeld dat de overmaking door de gerechtelijk deskundige van het verslag van de deskundige-psychiater aan de procespartijen de artikels 6.1 en 9 van de AVG niet schond.

Ze werpt in haar beslissing echter op : (…)de Geschillenkamer stelt vast dat in casu een groot aantal gevoelige persoonsgegevens van de klaagster alsook haar echtgenoot werden verwerkt en ter beschikking gesteld van de tegenpartij in het kader van het rechtsgeding en meer bepaald in uitvoering van een door de rechtbank bevolen medisch deskundigenonderzoek.

De Geschillenkamer stelt vast dat aldus een spanningsveld bestaat tussen, enerzijds, het beginsel van tegensprekelijkheid van gerechtelijke deskundigenonderzoeken, (…) en, anderzijds, het recht op persoonsgegevensbescherming van de bij rechtsgedingen betrokken partijen[2].

Gelet op dit spanningsveld en de toepasselijkheid van het beginsel van tegenspraak in rechtszaken, wijst de Geschillenkamer op het bijzonder belang van het waarborgen van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking ex artikel 5.1 c) AVG door deskundigen bij het uitoefenen van deskundigenonderzoeken en het opstellen van deskundigenverslagen.

(…) wijst de Geschillenkamer erop dat een voorafgaande noodzakelijkheidstoets dient te worden uitgevoerd door (medische) deskundigen belast met de uitvoering van een deskundigenonderzoek, zodat enkel die persoonsgegevens die “ter zake dienend” zijn en “beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt” in de zin van artikel 5.1 c) AVG in deskundigenverslagen worden opgenomen en aan de tegenspraak worden onderworpen en aldus de beginselen van evenredigheid en minimale gegevensverwerking worden gewaarborgd.[3]

2. De arts-gerechtelijk deskundige is gebonden aan de deontologische code van de gerechtsdeskundigen[4] en aan de code van medische deontologie (CMD 2018).

De deontologische code van de gerechtsdeskundigen schrijft voor dat de gerechtsdeskundige het inwinnen van informatie, het aantal en de kostprijs van zijn onderzoeken (…) beperkt tot hetgeen voor het volbrengen van de opdracht absoluut noodzakelijk is[5].

De CMD 2018 bepaalt in ruimere zin dat de arts-gerechtsdeskundigezich strikt houdt aan de hem toevertrouwde opdracht[6].

Ze stelt ook algemeen dat de arts de finaliteit en de proportionaliteit bij de verwerking van gezondheidsgegevens eerbiedigt[7].

Deze deontologische plichten passen met name het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking toe volgens hetwelk persoonsgegevens moeten “toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt”[8].

Ze zijn ook gebaseerd op het medisch geheim waaraan de arts deskundige, zoals elke arts, gehouden is. De elementen waarvan hij in kennis gesteld werd tijdens of ter gelegenheid van het deskundigenonderzoek mogen niet openbaar gemaakt worden indien dit niet gerechtvaardigd is door de vereisten van de opdracht, of door een andere wettige reden.

Fundamenteler worden deze regels ingegeven door de bescherming van de intimiteit van de persoon.

De wet betreffende de rechten van de patiënt, die van toepassing is op de expertisegeneeskunde, herinnert dat de patiënt recht heeft op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie die verband houdt met zijn gezondheid. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover het bij wet is voorzien en nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen[9].

3. Het doel van zijn opdracht en zijn wettelijke en deontologische verplichtingen leiden de deskundige bij elke fase van zijn opdracht : bij het verzamelen van gegevens, het onderzoek van de persoon en het opstellen van het verslag.

Het komt hem toe geval per geval te oordelen hoe deze verplichtingen na te komen, zonder een daarvan te verwaarlozen.

Wanneer de deskundige zelf de persoonsgegevens van de persoon waarover de expertise gaat, verzamelt, informeert hij de persoon waartoe hij zich richt in overeenstemming met de bepalingen van de AVG. Hij vergewist zich ervan dat zijn gesprekspartner zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige, de opdracht waarmee hij belast is, het gebruik dat zal gemaakt worden van de gegevens (met inbegrip van de toegang ertoe) en, in voorkomend geval, de mogelijkheid te weigeren ze hem mee te delen, begrepen heeft.

Hij zorgt ervoor alleen gegevens te verzamelen die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht en die niet verder gaan dan wat nodig is om het medisch advies te geven dat hem gevraagd wordt.

Wanneer een medisch dossier in beslag genomen wordt, sluit de afgevaardigde van de provinciale raad van de Orde de stukken uit die geen verband houden met de zaak in kwestie[10].

De geneeskundige anamnese en het medisch onderzoek uitgevoerd door de deskundige dienen afgestemd te zijn op de aard van het trauma of van het te onderzoeken feit.

De deskundige onthoudt zich van elk onderzoek dat als enig doel heeft een partij tevreden te stellen. Hij behoudt zijn onafhankelijkheid.

De arts-deskundige past strikt dezelfde principes toe bij het opstellen van zijn verslag. Het komt hem toe te oordelen wat hij moet vermelden om zijn advies voldoende met redenen te omkleden en te objectiveren, meer bepaald of hij bepaalde verklaringen van de persoon moet weergeven.

Hetgeen de arts-deskundige zal onthullen, zal ter kennis gebracht worden van de procespartijen, die niet gehouden zijn door een vertrouwelijkheidsplicht.

De arts-deskundige dient toe te zien op de eerbiediging van de waardigheid en de integriteit van het individu dat onderworpen is aan zijn deskundigenonderzoek. De medisch deskundige moet in gedachten houden dat het medisch deskundigenonderzoek, of het nu fysiek of psychiatrisch is, voor de persoon die er het voorwerp van is, een intrusie is in zijn intimiteit door een arts die hij niet noodzakelijk vrij gekozen heeft[11].

Hij richt zich eerbiedvol en beleefd tot deze en ziet af van elk commentaar dat noch zijn opdracht, noch zijn bekwaamheid betreft.

Alle regels die voorafgaan zijn eveneens van toepassing op de arts-deskundige.

Indien de gerechtelijk deskundige zich vragen stelt over de toepassing van het beginsel van procedure op tegenspraak rekening houdend met het recht op eerbiediging van de private levenssfeer, kan hij zich tot de rechter wenden opdat hij het incident zou beslechten.

In een arrest van 2 november 2012 heeft het Hof van Cassatie herinnerd dat de tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek beperkt kan worden door de rechter, in dit geval rekening houdend met het recht op de eerbiediging van het privéleven, op voorwaarde dat er geen schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak uit voortvloeit[12].


[1]https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-51-2020.pdf

[2] Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950

[3] Punten 50, 51, 52 en 59 van de Beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020

[4] Koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 991quater van het gerechtelijk Wetboek werd opgeheven door de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank die een boek V toevoegde in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, dat de artikelen 555/6 tot 555/16 omvat, met als opschrift : "Boek V. Gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken.", zie artikel 555/9, 3°)

[5] Art. 5, lid 3, van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek

[6] Art. 44 CMD 2018

[7] Art. 27, §1er CMD 2018

[8] Art. 5. 1., c) AVG

[9] Art. 10, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[10] Advies van 14 september 2013 van de nationale raad, met als titel Code van geneeskundige plichtenleer – wijziging van artikel 66

[11] Artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat de rechter de deskundigen kan aanwijzen waarover partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen slechts afwijken bij een met redenen omklede beslissing.

Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies over de in het vonnis bepaalde opdracht.

[12] Cass., 2 november 2012, nr. C.11.0018.N

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168005
Inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise

In zijn vergadering van 20 maart 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise in het licht van de regels van de medische deontologie.

Het onderstaande advies neemt geen standpunt in over de regelmatigheid van de gerechtelijke procedure. Het bestudeert evenmin de hypothese waarin de rechter dit punt geregeld heeft.

1. De gerechtelijke medische expertise vormt op zich een ervaring die pijnlijk kan zijn voor de persoon op wie ze betrekking heeft. Deze moet immers gevoelige aspecten van zijn privéleven blootgeven in een conflictsituatie.

De medische gerechtsdeskundige moet toezien op het welzijn van de persoon en op de eerbiediging van zijn waardigheid tijdens de expertisezittingen.

2. Een videoconferentie laat niet toe dat men controle heeft op wie deelneemt aan de vergadering (aanwezige personen aan de andere kant van het scherm) noch op het feit dat ze opgenomen wordt door een van de partijen buiten het medeweten van de andere deelnemers.

3. Tijdens de medische handelingen staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon, en zelfs van derden, onder spanning door de plicht of de wil om mee te werken aan de expertise.

Gegevens die losstaan van het voorwerp van de expertise kunnen bekendgemaakt worden door de spontane verklaringen van de onderzochte persoon die oprecht en spontaan alles ten beste geeft zonder over de medische kennis te beschikken om te weten wat relevant is en zijn uitlatingen bijgevolg te beperken.

4. Wat betreft het fysiek of psychisch onderzoek is de nationale raad gekant tegen de inschakeling van een videoconferentie, ook al wordt de persoon onderzocht in aanwezigheid van de deskundige.

Wat betreft de medische, sociale en professionele anamnese (met inbegrip van de persoonlijke en familiale voorgeschiedenis) is het niet gunstig via videoconferentie te werken.

Indien bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen gebruik te maken van een videoconferentie, moet de toegang ertoe beperkt worden tot de raadslieden (juridische en technische) van de partijen die wettelijk onderworpen zijn aan deontologische beroepsregels en aan een tuchtoverheid. Deze verbinden zich ertoe alleen deel te nemen aan de expertisehandeling en er geen enkel audio- of filmspoor van te bewaren, tenzij zij hiervoor de toestemming gekregen hebben van alle deelnemers.

De persoon die onderworpen wordt aan de expertise moet altijd in aanwezigheid zijn van de deskundige wanneer deze overgaat tot de anamnese.

De medische gerechtsdeskundigen en technische raadslieden (raadgevend artsen en bijstandsartsen) komen overeen geen rekening te houden met de gegevens die niet noodzakelijk zijn voor de expertise en waarvan geen nota genomen wordt, gelet op het beginsel van de minimale gegevensverwerking (artikelen 5.1.c) en 9 van de AVG) en de deontologische regels waaraan ze onderworpen zijn[1].

Wat betreft de discussies over de richtinggevende feiten en over het rapport van de domeindeskundigen meent de nationale raad dat een videoconferentie aanvaardbaar is.

5. De deskundige moet ernstige redenen hebben om aan te nemen dat de videoconferentie hem toelaat de regels van goede (kwaliteits)praktijkvoering na te leven. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van alle concrete gegevens, zowel menselijke als wetenschappelijke en technologische.

Hij vergewist zich ervan dat de partijen in de mogelijkheid verkeren zich voluit uit te drukken en een beroep te doen op de bijstand van hun raadslieden in de meest optimale omstandigheden. De raadslieden van de partijen hebben ook de deontologische plicht toe te zien op dit aspect.

Er moet rekening gehouden worden met de vaardigheden van de medische gerechtsdeskundige en van de deelnemers om gebruik te maken van de technische apparatuur en om te communiceren (verhoor, beheersing van de taal, begrip van de medische en anatomische terminologie, stress, enz.).

6. Het inschakelen van een videoconferentie moet gewettigd zijn door een situatie die ertoe leidt dat de partijen meer baat hebben bij een videoconferentie dan bij een zitting met fysieke aanwezigheid. De deskundige mag de toepassing ervan niet aanmoedigen voor persoonlijk gemak.

Werken via videoconferentie kan alleen met de toestemming van alle partijen die op voorhand ingelicht zijn over onder meer de mogelijkheid om de zitting met fysieke aanwezigheid te houden en de gebruikte technologie.

De toestemming van een partij belet niet dat zij, van haar kant, fysiek aanwezig is op de zitting.

7. De medische gerechtsdeskundige weigert een videconferentie indien hij vaststelt dat ze hem verhindert zijn opdracht goed uit te voeren, om welke reden ook.

8. De nationale raad wijst erop dat, gezien de gevoelige aard van de gezondheidsgegevens, de AVG de medische gerechtsdeskundige ertoe verplicht de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen[2].


[1] Art. 5, 3de lid van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek; art. 27, § 1 en art. 44 van de CMD 2018

[2] Art. 5, § 1, f) en artikel 32 van de AVG

Expertise21/09/2019 Documentcode: a166008
Geneeskundig deskundigenonderzoek - Aanwezigheid van de advocaat tijdens het klinisch onderzoek

De nationale raad van de Orde der artsen brengt het volgende advies uit betreffende het verzoek van een persoon om bij een medische evaluatie in het kader van een Medex expertise door zijn advocaat vergezeld te worden.

De evaluatie van de gezondheidstoestand van een persoon door de arts voor een expertise vereist dat deze laatste een neutrale en empathische houding aanneemt. In een context waarin de persoon onderworpen wordt aan een medisch onderzoek door een gezondheidsberoepsbeoefenaar die hij niet vrij gekozen heeft, zijn welwillendheid en respect fundamenteel (artikel 43 van de Code van medische deontologie 2018 en koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het verloop van de evaluatie dient te worden uitgelegd en de persoon moet ermee instemmen.

De persoon die onderzocht wordt in het kader van een medische evaluatie heeft het recht zich te laten bijstaan door zijn advocaat. Dit principe is onder meer van toepassing op de medische expertises uitgevoerd door de artsen verbonden aan Medex.

De arts eerbiedigt dit recht van de patiënt om zich te laten vergezellen door zijn advocaat en ziet toe op het welzijn en de intimiteit van de onderzochte persoon, wat inhoudt dat men over aangepaste lokalen beschikt.

Indien de arts die een eenzijdige evaluatie verricht het zelf wenselijk acht dat het onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een derde, gezondheidsberoepsbeoefenaar, legt hij dit uit aan de onderzochte persoon.

Rekening houdend met de eerbiediging van de waardigheid van de persoon, dient, bij een tegensprekelijk deskundigenonderzoek, de weigering van de persoon dat het klinisch onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een advocaat te worden gerespecteerd. In het licht daarvan gebiedt het beginsel van wapengelijkheid en het juridische tegenspraakprincipe dat alle juridische adviseurs zich in dat geval dienen terug te trekken. De onpartijdigheid van de expert en de aanwezigheid van de adviserende artsen van de partijen bieden immers de nodige waarborgen.

Beroepsgeheim17/11/2018 Documentcode: a163004
Vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en instemming met de behandeling door geïnterneerde personen met een geestesstoornis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de eerbiediging van de vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en de instemming met de behandeling door personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 november 2018 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen de eerbiediging van de vrije artsenkeuze en van de behandelingsinstemming van geïnterneerden(1) in gevangenschap.

Personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden, zijn geen homogene populatie: zij hebben een zeer diverse psychiatrische pathologie en een zeer gevarieerde graad van potentieel gevaar. Zij verblijven bovendien in plaatsen met diverse juridische stelsels (onder toezicht in de gemeenschap, reguliere psychiatrische zorgvoorziening, erkende gerechtelijk-geneeskundige eenheid van psychiatrische centra of.

Voor geïnterneerden die in een erkend hoog beveiligd forensisch psychiatrisch centrum (FPC) verblijven, heeft de nationale raad volgende bedenkingen:

1° De kamer ter bescherming van de maatschappij bepaalt soeverein de plaats waar de geïnterneerde opgenomen en behandeld wordt. Wanneer zijn gezondheidstoestand een behandeling in een algemeen ziekenhuis vergt, is de keuzevrijheid beperkt tot de ziekenhuizen waarmee het FPC een akkoord heeft afgesloten.

De geïnterneerde kan een beroep doen op de zorgverleners van de instelling waar hij verblijft. Hij kan eveneens het advies inwinnen van een externe arts indien hij de erelonen zelf betaalt.

Dergelijke beperkingen aan de vrije artsen- en instellingskeuze zijn inherent aan de vrijheidsberoving en gelden niet alleen voor geïnterneerden.

2° De kamer ter bescherming van de maatschappij spreekt zich niet uit over de inhoud van de behandeling.

De toestemming van de geïnterneerde met de behandeling is een wettelijke en ethische vereiste. Indien de geïnterneerde niet in staat is zijn rechten zelf te laten gelden, is de regeling van de vertegenwoordiging van de patiënt, die vastgelegd is in artikel 14 van de Patiëntenrechtenwet, van toepassing. In dit geval wordt de geïnterneerde betrokken bij de uitoefening van zijn rechten voor zover zijn onderscheidingsvermogen dit toelaat.

In de praktijk gaat het vaak over een ‘genegotieerde toestemming'. De geïnterneerde is niet altijd vragende partij om zorg in de forensische praktijk. De dialoog tussen hem en de zorgverlener vereist vertrouwen, empathisch begrijpen en emotionele ondersteuning met het oog op een maximale patiëntparticipatie voor een gedeelde besluitvorming die nodig is voor het therapeutisch proces. De uitslag van deze ‘negotiatie' wordt vermeld in een behandelplan of behandelovereenkomst waarin de rechten en plichten van de zorgverlener en van de zorgontvanger beschreven worden.

Er bestaat een continuüm van mogelijke drukkingsmaatregelen om de toestemming van de geïnterneerde met de behandeling te beïnvloeden: overtuiging, drang en dwang.

‘Overtuiging', dat het meest gebruikt wordt, doet een beroep op de rede.

‘Psychologische drang' gaat uit van de innerlijke neiging van het individu en werkt met voorwaardelijke voorstellen: (Voorbeeld: wanneer een verslaafde persoon instemt met controles op zijn druggebruik, komt hij in aanmerking voor een uitgangsvergunning. De verslaafde gaat uitdrukkelijk akkoord met de onderhandelde behandelmaatregelen, maar zou deze na enige tijd kunnen ervaren als ‘opgelegd' en zou hierover kunnen klagen bij een ombudsman.)

Dwang' berust op macht.

Zowel drang als dwang zetten de geïnterneerde onder druk om de behandeling te blijven aanvaarden. De vraag blijft controversieel of de geïnterneerde in dergelijke situaties wel ‘vrij' genoeg is om een geldige toestemming te geven.

3°/ De betrokken persoon heeft het recht om de voorgestelde behandeling te weigeren; de arts eerbiedigt deze weigering. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de geïnterneerde niet langer recht heeft op kwalitatieve zorg.

Het uitvoeren van een behandeling waarmee niet ingestemd werd, is onaanvaardbaar indien de geïnterneerde in staat is de informatie over de behandeling te begrijpen en ermee in te stemmen.

Voor psychotische geïnterneerden verwijst de nationale raad naar zijn adviezen van 12 mei 2007(2) en 14 september 2013(3). Deze adviezen, die bijgevoegd zijn, behandelen het probleem van de dwangbehandeling van gedetineerden. Ze beklemtonen dat een psychotische gedetineerde die terug wilsbekwaam is dankzij de medicatie, niet gedwongen kan worden om deze medicatie verder te nemen, al blijkt uit zijn ziektegeschiedenis dat hij terug psychotisch en wilsonbekwaam zou kunnen worden.

De medicamenteuze behandeling moet noodzakelijk en aangepast zijn. Het voorschrijven moet omzichtig gebeuren, met inachtneming van de medicamenteuze risico's, zeker wanneer de antecedenten van de geïnterneerde niet gekend zijn.

De medicatie moet altijd een voordeel hebben voor de geïnterneerde en aansluiten bij de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis ter zake. Tot slot is een aandachtige medische opvolging van de geïnterneerde vereist.

De veiligheidsmaatregelen (afdelingsarrest, opsluiting in eigen kamer, afzondering en andere) moeten vastgelegd zijn in het huishoudelijk reglement, geregistreerd worden in het dossier van de geïnterneerde en gecontroleerd worden door de overheid.

4°/ De geïnterneerde heeft recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving (art. 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden). De Patiëntenrechtenwet is van toepassing bij internering.

De gebrekkige gezondheidszorg in gevangenissen wordt sedert lang aangeklaagd.

Het gebrek aan medisch personeel, het gebrekkige psychiatrische zorgaanbod, het verlies van de voordelen van de sociale zekerheid, de afhankelijkheid van het veiligheidspersoneel voor een consult dat het medisch geheim eerbiedigt, de toegangsproblemen voor een externe arts tot de instelling door de veiligheids-en organisatievereisten en het gebrek aan geschikte lokalen zijn allemaal belemmeringen voor een kwaliteitsvolle zorgverstrekking.

De evolutie waarbij de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg in de gevangenis toegekend wordt aan de minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid (momenteel ligt de verantwoordelijkheid bij de minister van Justitie), getuigt van werkelijke bereidheid om de toegang en de kwaliteit van de gezondheidszorg voor de geïnterneerden en de gedetineerden te verbeteren.

De internering is een veiligheidsmaatregel die tot doel heeft de gemeenschap te beschermen en de geïnterneerde de vereiste zorg te verstrekken met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

Het onthouden van zorg bij een geïnterneerde bemoeilijkt eveneens zijn re-integratie.

5°/ In verband met de opportuniteit van een bijzondere wettelijke regeling voor de rechten van de geïnterneerden in de forensische psychiatrie, bepaalt artikel 167 van de Basiswet van 12 januari 2005 dat, behoudens andersluidende bepalingen, de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op de geïnterneerden.

Deze basiswet bevat in titel 5 een hoofdstuk VII over de gezondheidszorg, dat voorzag in een beperking van sommige rechten van de patiënt als gedetineerde. De wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken heeft dit hoofdstuk VII hervormd, waarbij het beginsel van de gelijkwaardigheid van de zorg bij gedetineerden met de zorg in de vrije samenleving op de voorgrond geplaatst wordt.

De nationale raad vindt het niet opportuun afstand te nemen van dit beginsel.

Bijlagen


(1) In de betekenis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering

(2) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 117, pag. 5

(3) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 143

Expertise15/09/2018 Documentcode: a162009
Aanwijzing van een psycholoog als enige deskundige in een juridisch dossier voor de beoordeling van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit.

De nationale raad van de Orde der artsen werd om advies verzocht over de aanwijzing van een psycholoog als enige deskundige in een juridisch dossier voor de beoordeling van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 15 september 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag besproken betreffende de aanwijzing van een psycholoog als enige deskundige in een juridisch dossier voor de beoordeling van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit.

1°/ Enerzijds mag de deskundige de vereiste handelingen waarop het deskundigenonderzoek betrekking heeft niet uitvoeren indien hij niet over de vereiste beroepstitel of de nodige competenties beschikt.

Anderzijds mag hij sommige handelingen niet veronachtzamen door de grenzen van zijn competenties.

Indien het deskundigenonderzoek gepaard gaat met handelingen waarvoor de competentie van verscheidene beroepen vereist is, dient het opgesplitst te worden tussen meerdere deskundigen of dient de aangewezen deskundige de hulp in te roepen van een domeinspecialist.

2°/ De gezondheidsberoepen, waarvan de uitoefening gereglementeerd is, zijn vastgelegd in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Indien een letsel of een ziekte beoordeeld dient te worden door een deskundigenonderzoek, moet de deskundige een arts zijn (artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidzorgberoepen). De deskundige niet-arts mag in geen geval een opdracht vervullen die onder de uitoefening van de geneeskunde valt; indien tijdens de opdracht blijkt dat bij de beoordeling medische elementen komen kijken, moet hij een beroep doen op een gespecialiseerde arts om hem in te lichten.

Bij een aantasting van de fysieke en psychische integriteit kan het noodzakelijk zijn andere aspecten te beoordelen.

Zo is de aanwijzing gerechtvaardigd van een psycholoog voor de beoordeling van de psychologische of psychotechnische[1] gevolgen (cognitieve stoornissen ten gevolge van schedeltrauma's, psychisch-affectieve stoornissen, beoordeling van chronische pijn, enz.) of van een ergoloog[2] om te bepalen welke beroepen het slachtoffer nog kan uitoefenen en wat zijn concurrentievermogen voor deze beroepen op de arbeidsmarkt is.



[1] De Mol J., « Intérêts et limites des tests psychotechniques », Revue belge du dommage corporel et de médecine légale, 2017/2, p. 59

De Mol J. en Lutte I., « Troubles douloureux chroniques : de la clinique à l'évaluation », Revue belge du dommage corporel et de médecine légale, 2008/2, p. 9

[2] "De term ergoloog maakt deel uit van het juridisch taalgebruik. De ergologie is het onderdeel van de technologie met als doel het kennen en uitleggen van arbeidsgerelateerde feiten" (N.v.d.v.: vrije vertaling van Larousse 2017. De termen ergoloog/ergologie komen niet voor in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal Van Dale, maar worden wel gebruikt in gerechtelijk-geneeskundige teksten).

Expertise18/11/2017 Documentcode: a159006
Onderzoek te voeren i.v.m. de fysieke geschiktheid van een verzekerde in het kader van een medische expertise - Privédetective

De nationale raad van de Orde der artsen wordt ondervraagd over het feit dat een verzekeringsmaatschappij gebruik maakt van de diensten van een privédetective om een onderzoek te voeren i.v.m. de fysieke geschiktheid van een verzekerde in het kader van een medische expertise.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen is een advies gevraagd over het feit dat een verzekeringsmaatschappij beroep doet op de diensten van een privédetective om bij een medische expertise de fysieke geschiktheid van haar verzekerde na te gaan.

1°/ Wanneer de arts fraude of simulatie vermoedt, dient hij zijn vaststellingen op objectieve wijze vermelden in zijn expertiseverslag. Dit verslag is toegankelijk voor alle partijen en is onderworpen aan tegenspraak.

De arts moet zich bewust zijn van de gevolgen van zijn verklaringen en zich dus voorzichtig en bedachtzaam uitdrukken.

Het is niet zijn taak de verzekeringsmaatschappij voor te stellen beroep te doen op de diensten van een privédetective.

De arts mag een detective geen inlichting geven die gedekt zijn door het medisch beroepsgeheim.

2°/ De wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective verbiedt de privédetective informatie in te winnen omtrent de gezondheid (artikel 7, derde lid).

Artikel 7, § 5, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens schrijft voor dat de persoonsgegevens betreffende de gezondheid moeten worden ingezameld bij de betrokkene.

De hoven en rechtbanken beoordelen of de detective eventueel deze bepalingen overtreedt.

Arts (Adviserend-)06/05/2017 Documentcode: a157007
Aanwezigheid van de persoon wiens gezondheidstoestand aan een expertise onderworpen wordt bij de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserende artsen in het kader van een minnelijk medisch of een gerechtelijk contradictoir deskundigenonderzoek.

De nationale raad van de Orde der artsen werd om advies verzocht betreffende de aanwezigheid van de aanvrager van een erkenning van een handicap of ongeschiktheid bij de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserend artsen in het kader van een deskundigenonderzoek bevolen door de rechtbank.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 6 mei 2017 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag betreffende de aanwezigheid van de aanvrager van een erkenning van een handicap of ongeschiktheid bij de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserende artsen in het kader van een deskundigenonderzoek bevolen door een rechtbank, onderzocht.

Dit advies gaat in ruimere zin over het buitensluiten van de persoon wiens gezondheidstoestand aan een expertise onderworpen wordt uit de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserende artsen in het kader van een minnelijk medisch of een gerechtelijk contradictoir deskundigenonderzoek.

Zoals de federale commissie ‘Patiëntenrechten' herinnerd heeft in haar advies van 9 oktober 2009, is de Patiëntenrechtenwet van 22 augustus 2002 van toepassing op de expertisegeneeskunde. Deze wet bepaalt in artikel 7 dat de patiënt recht heeft op alle informatie die hem aanbelangt (1).

De nationale raad ziet dan ook geen enkele rechtvaardigingsgrond om de betrokken persoon uit te sluiten uit de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserende artsen in het kader van een deskundigenonderzoek op tegenspraak.

Naast de juridische argumenten wijst de nationale raad erop dat de geneeskundige plichtenleer een arts-patiëntrelatie naar voren schuift die gebaseerd is op eerbied en vertrouwen. Indien een patiënt uitgesloten wordt uit een gesprek dat over hem gaat, getuigt dit van een gebrek aan waardering, wordt zijn autonomie beknot en wordt achterdocht gewekt.

De nationale raad verzoekt de artsen-deskundigen en de adviserende artsen aan de betrokken persoon wiens gezondheidstoestand aan een expertise onderworpen wordt uitdrukkelijk te laten weten dat hij de discussie tussen de artsen-deskundigen en de adviserende artsen mag bijwonen in het kader van een minnelijk medisch of een gerechtelijk contradictoir deskundigenonderzoek.

1. Zie ook het artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

Beroepsgeheim06/05/2017 Documentcode: a157010
Aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek

Een provinciale raad heeft de nationale raad een advies gevraagd over de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek in strafzaken zoals bepaald in artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 6 mei 2017 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag over de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek zoals bepaald in artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen (hierna: Interneringswet) (1) onderzocht.

Hieronder vindt u zijn standpunt.


Wettelijke bepalingen
Artikel 7 Interneringswet luidt als volgt: "De persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan zich, op elk moment, laten bijstaan door een arts naar keuze en een advocaat".


Bespreking
De aanwezigheid van een arts naar keuze bij een medisch onderzoek stelt geen deontologisch probleem. Hij kent immers de medische plichtenleer en de technische regels van het psychiatrisch deskundigenonderzoek.
Artikel 7 Interneringswet voorziet in de mogelijkheid dat de persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen, zich altijd kan laten bijstaan niet alleen door een arts, maar ook door een advocaat.

De vraag rijst of de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wel wenselijk is.

De balies hebben tijdens de parlementaire besprekingen van de Interneringswet aangedrongen op de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat (2). Volgens hen moeten de advocaten immers toezien op de regelmatigheid van de procedure en op de eerbiediging van het recht van verdediging.

Hierdoor creëert men een analogie tussen, enerzijds, het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek en, anderzijds, het politionele verhoor.

Anders dan het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek dat enkel betrekking heeft op de gezondheidstoestand van de betrokkene, betreft het politionele onderzoek de waarheidsvinding.

Het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek beoogt een onpartijdig, onafhankelijk en met redenen omkleed psychiatrisch deskundigenadvies.

Een dergelijk onderzoek vereist het aangaan en opbouwen van een relatie tussen de betrokkene en de arts met als doel een dialoog waarbij de betrokkene vrijuit kan praten (3).

Een advocaat zal het forensisch psychiatrisch onderzoek daarentegen voornamelijk benaderen met het oog op de vrijwaring van de juridische belangen van de betrokkene. De aanwezigheid van derden vooral als die geen gezondheidszorgbeoefenaars zijn, brengt de dialoog en de totstandkoming van een onderzoeksrelatie tussen de psychiater en de betrokkene in het gedrang.

Door de aanwezigheid van de advocaat kunnen er tijdens het medische onderzoek juridische discussies ontstaan terwijl de psychiater niet bevoegd is zich daarover uit te spreken.

De advocaat zou wel bij de start van het deskundigenonderzoek aanwezig kunnen zijn om bijvoorbeeld administratieve gegevens uit te wisselen, het strafblad en de beschikbare gegevens van het dossier te overlopen en na te gaan of er medische informatie dient aangevraagd te worden bij vroegere zorgverstrekkers.

De Interneringswet voorziet trouwens in een expliciete vorm van tegenspraak die het recht van verdediging vrijwaart en waardoor de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch onderzoek niet noodzakelijk is.


Besluit
De nationale raad van de Orde der artsen is van oordeel dat:
• de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, zoals voorzien in artikel 7 Interneringswet, een degelijk deskundigenonderzoek in de weg staat en niet bijdraagt tot een goede rechtsbedeling;
• artikel 7 Interneringswet dient aangepast te worden;
• de als deskundige aangestelde psychiater het deskundigenonderzoek mag weigeren wanneer hij oordeelt dat de aanwezigheid van derden de degelijkheid van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek in het gedrang brengt.

Graag had de nationale raad een onderhoud met u om zijn standpunt toe te lichten.

Cc. Mevrouw De Block, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Beleidscel van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

1. De Interneringswet is in werking getreden op 1 oktober 2016. Op dit ogenblik ontbreken nog tal van uitvoeringsbesluiten.
2. Dit argument van de Vlaamse Balies is gebaseerd op het recht van de verdachte om zich tijdens een verhoor te laten bijstaan door een advocaat.
3. De anamnese is zeer uitgebreid en omvat thema's zoals de somatische en psychiatrische voorgeschiedenis, en familieanamnese, zijn biografische ontwikkelingsgeschiedenis en het verhaal van de betrokkene in verband met de aangeklaagde feiten. Het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek omvat niet alleen wat de betrokkene zegt maar ook hoe het gezegd wordt, de gezichtsuitdrukking, de toon, de mimiek en andere non-verbale waarnemingen. De psychiater probeert de betrokkene empathisch te begrijpen en deze laat zich door de gesprekshouding van de psychiater intiemer kennen op emotioneel en cognitief vlak. Tijdens het onderzoek worden de gevoelens van de betrokkene aangesproken, zijn motieven getoetst en zijn cognitieve functies getest. De psychiater verzamelt diagnostische gegevens die eventueel kunnen gekoppeld worden aan de ten laste gelegde feiten, ook in het eigen belang van de betrokkene. De betrokkene kan ook tijdens het onderzoek overgaan tot zelfkritische beschouwingen over de feiten en deze kunnen in het verslag vermeld worden. De betrokkene kan steeds zijn keuzes maken over wat hij wel of niet aan de psychiater meedeelt.

Beroepsgeheim07/02/2015 Documentcode: a148005
Ontwerp met het oog op het ontvangen van alle informatie met betrekking tot een schadegeval, in het kader van een gerechtelijke expertise

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft een ontwerp met het oog op het ontvangen van alle informatie met betrekking tot een schadegeval, in het kader van een gerechtelijke expertise, onderzocht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 7 februari 2015 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw ontwerp onderzocht dat, in het kader van een gerechtelijke expertise waarin u tussenkomt op aanwijzing van de rechtbank, aan het slachtoffer wil voorstellen zijn toestemming te geven opdat de deskundige rechtstreeks bij elke derde alle informatie met betrekking tot het schadegeval die hij nuttig acht zou kunnen vragen en ontvangen.

1° Het raadplegen en het kopiëren van een medisch dossier is een verwerking van persoonsgegevens in de betekenis van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (artikel 1, §2).

Behoudens uitzonderingen is de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen verboden. Dit verbod is met name niet van toepassing wanneer de patiënt zijn toestemming voor dergelijke verwerking heeft gegeven.

Uit het door u voorgelegde model blijkt dat het akkoord van het slachtoffer betrekking heeft op alle informatie aangaande het schadegeval, d.w.z. de opgelopen letsels, hun behandeling(en) en evolutie, evenals de vooraf bestaande toestand voor zover deze volgens de deskundige een mogelijk verband kan hebben met de vermelde letsels, die bekomen zouden kunnen worden bij de behandelende arts(en), paramedici, ziekenfondsen, werkgever(s) en andere instanties.

Het voorgelichte karakter van de toestemming van de persoon roept vragen op omdat de gegevensverwerking waarop ze slaat onbeperkt is, zowel wat betreft de derden waarop beroep gedaan wordt als wat betreft de documenten die mogen worden opgevraagd. De reikwijdte ervan wordt aan uw waardering overgelaten.

2° De persoonsgegevens dienen toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt (artikel 4).

Artikel 62, b, van de Code van geneeskundige plichtenleer stelt : binnen de perken van volstrekte noodzaak, mag een diagnose of een inlichting van geneeskundige aard worden medegedeeld aan de arts met een gerechtelijk-geneeskundig onderzoek belast, voor zover de inlichtingen beperkt blijven tot de objectieve medische gegevens die rechtstreeks verband houden met het doel van het onderzoek en de patiënt daarmee instemt;

Daar de typebrief die u voorstelt te doen ondertekenen door het slachtoffer u toelaat aan alle instanties te vragen u informatie te verschaffen die potentieel een verband zou kunnen hebben met het schadegeval, bestaat er een risico dat de doorgegeven informatie de voornoemde beperkingen te buiten gaat.

De communicatie ervan aan de tegenpartij, op basis van de eerbiediging van het principe van tegenspraak, vormt een bijkomende inbreuk op de eerbiediging van de private levenssfeer van de patiënt.

3° Zelfs al is het aan de vragende partij zijn schade te bewijzen, toch behoudt ze toch de vrije beoordeling van de stukken die ze hiervoor neerlegt.

Door aan de gerechtelijke deskundige de toestemming te geven om aan elke derde alle informatie te vragen die hij nuttig acht om de opgelopen letsels te beoordelen, ziet de vragende partij volledig af van de controle over de stukken ingediend om haar vraag te staven.

De Nationale Raad is bijgevolg van mening dat het akkoord van het slachtoffer met het opheffen van het medisch geheim of met het meedelen van persoonsgegevens niet algemeen maar specifiek moet zijn. Het moet de derden (al dan niet artsen) die het slachtoffer ontslaat van het beroepsgeheim en de stukken die moeten doorgegeven worden aan het slachtoffer met naam en toenaam vermelden.

Elke arts aan wie gevraagd wordt medische inlichtingen in verband met de expertise mee te delen dient artikel 62, b, van de Code van geneeskundige plichtenleer te eerbiedigen. Het akkoord van de patiënt en de beschikking van de rechter die de opdracht van de deskundige preciseert dienen gericht te worden aan de derde aan wie gevraagd wordt stukken door te geven.

Tot slot herinnert de Nationale Raad u in deze materie zijn adviezen van 28 mei 2011, getiteld "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 134, en 24 maart 2012, getiteld "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter", Tijdschrift Nationale Raad nr. 137.

Onafhankelijkheid van het beroep20/09/2014 Documentcode: a147008
Aanwijzing van artsen als deskundigen in een rechtsprocedure

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren onderzocht het advies van de Commissie verzekeringen en aansprakelijkheidsrecht van de Balie van Brussel betreffende de aanwijzing van artsen als deskundigen in het kader van een rechtsprocedure.

Advies van de Nationale Raad :

ADVIES BETREFFENDE DE AANWIJZING VAN ARTSEN ALS DESKUNDIGEN IN HET KADER VAN EEN RECHTSPROCEDURE

In zijn vergadering van 20 september 2014 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het advies van de Commissie verzekeringen en aansprakelijkheidsrecht van de Balie van Brussel betreffende de aanwijzing van artsen als deskundigen in het kader van een rechtsprocedure.

Probleem van de aanwijzing van artsen als deskundigen in een rechtsprocedure.

Context

De geneeskundig-gerechtelijke expertise als onderzoeksmaatregel vormt een van de instrumenten die de rechter heeft om de gegevens te verzamelen die hij nodig heeft voor de oplossing van het bij hem aanhangig gemaakte geschil. Het nut van deze onderzoeksmaatregel is afhankelijk van de kwaliteit van de expertisewerkzaamheden.

"Bij gebrek aan een officiële lijst van deskundigen wordt de keuze ervan volledig overgelaten aan de rechtbank. De rechter kan een arts kiezen om zijn faam of een beroep doen op een oordeelkundig aangelegde lijst binnen zijn rechtbank." (Hoge Raad voor de Justitie, ambtshalve advies over het statuut en de kwaliteit van gerechtsdeskundigen, goedgekeurd op 30 maart 2011, p. 3).

De keuze van de deskundige is essentieel voor de oplossing van het geschil. . "Indien de deskundige zijn opdracht uitvoert op een naarstige, bekwame, strikte, onpartijdige en menselijke wijze bewerkstelligt hij dat het slachtoffer volledig en correct zal worden vergoed. De voortreffelijkheid van zijn tussenkomst hangt niet alleen af van de menselijke en wetenschappelijke kwaliteiten die hem inherent zijn, maar ook van een multidisciplinaire basisopleiding die verankerd zit in een beroepspraktijk die zijn ervaring voedt." ( vrije vertaling : TH. PAPART, "La formation, le statut et le rôle de l'expert" in "Préjudices extra-patrimoniaux vers une évaluation plus précise et une plus juste indemnisation », Actes du colloque du 16 septembre 2004, Liège, éd. Jeune barreau, 2004, p. 122).

«De partijen in het geschil en de rechter hebben het recht een objectief, met redenen omkleed en onpartijdig advies te verwachten » (vrije vertaling, G. CLOSSET-MARCHAL, "les garanties du procès équitable en droit judiciaire privé", JT, 2011, p. 1316). Dergelijke eisen inzake objectiviteit en onafhankelijkheid dragen bij tot een goede rechtsbedeling.


Onpartijdigheid en gewettigde verdenking

Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat "de onpartijdigheid van een deskundige niet kan worden gelijkgesteld met het (...) vereiste van een onpartijdig en onafhankelijk rechter, nu deze na het debat over de zaak beslist, terwijl gene vóór het debat alleen maar een advies verstrekt, dat voor de rechter kan worden aangevochten" (Cass., 15 maart 1985, A.C., 1985, nr. 428, Pas., 1985, p. 873).

Zowel de rechtsleer als de rechtspraak zijn het eens over een dergelijke taakverdeling tussen de rechter en de deskundige: de deskundige verstrekt slechts een niet-dwingend advies dat de rechter niet moet volgen indien het strijdig is met zijn overtuiging (Gerechtelijk wetboek, art. 962, tweede lid). De rechter van zijn kant kan zijn rechtsmacht niet overdragen (Gerechtelijk wetboek, art. 11, eerste lid) zodat "de aan een deskundige toegewezen opdracht beperkt moet blijven tot het verzamelen van de feitelijke gegevens die noodzakelijk zijn om de rechter in staat te stellen de pertinente rechtsregels toe te passen" (Cass. 10 juni 2010, Pas. 2010, p. 1794, A.C., 2010, nr. 408; Cass. 19 februari 2010, Pas., 2010, p. 499, A.C., 2010, nr. 112, R.W., 2011-2012, nr. 16, p. 742, noot; Cass. 7 juni 2007, A.C., 2007, nr. 312, Pas., 2007, p. 1167; H. VAN BOSSUYT & J-F VAN DROOGHENBROECK, L'expertise, RPRJ, 2013, p. 65-70).

Men moet zich echter niet alleen afvragen of de situatie waarin de deskundige zich bevindt, meer bepaald op economisch vlak, van dien aard is dat ze hem belet zijn opdracht onpartijdig, sereen en belangeloos te vervullen, maar ook of deze situatie van dien aard is dat ze een gewettigde verdenking teweegbrengt met betrekking tot de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige (J.VELU en R. ERGEC, "Convention européenne des droits de l'homme", R.P.D.B., complément VII, 1990, nr. 543 en volgende, D. MAYERUS en P. STAQUET, "L'expertise en droit médical" in L'expertise, Commentaires pratiques, Kluwer, 2007, Titre IV, chapitre 1er, p. 56-57).

De gewettigde verdenking alleen al, dit wil zeggen de vrees van een van de partijen dat de deskundige geen technisch advies kan verstrekken op objectieve en onpartijdige wijze, brengt de werkzaamheden van deze laatste in diskrediet. De afwezigheid van gewettigde verdenking houdt, subjectief gezien, in dat een deskundige niet partijdig of afhankelijk mag zijn, maar ook, objectief gezien, dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te sluiten (RvS, voltallige verg., nr. 169.314, 22 maart 2007, JLMB, 2007, p. 677; Rb. Antwerpen, 12 december 2006, Bull.ass;, 2007, p. 475).

Cumulatie van de functies van deskundige en technisch adviseur

Mag een arts die technisch adviseur van een van de partijen was, een opdracht als deskundige aanvaarden?

In een advies van 12 april 2003, heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het volgende verklaard: "Zo kan alleen uit het feit dat een gerechtelijk deskundige als technisch adviseur van een arts of van een verzekeringsmaatschappij optreedt in een of meerdere geschillen die gelijkaardig zijn aan dat waarover de expertise handelt waarmee hij belast is, niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat deze deskundige niet over de vereiste onafhankelijkheid of onpartijdigheid beschikt om zijn opdracht te vervullen." (Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 101, p. 3).

De rechtspraak blijft verdeeld. Sommige beslissingen zijn in overeenstemming met dit advies (Rb. Luik, 20 mei 2008, Bull.ass.., p.179; Rb. Veurne, 13 november 2009, TGR-TWVR, 2010, p. 3555; Arbh. Antwerpen, 25 januari 2006, LRL, 2006, p. 134). Andere stellen daarentegen dat "de omstandigheid dat de gerechtsdeskundige een van de partijen in een andere zaak bijstaat als technisch adviseur op een objectieve wijze de gewettigde verdenking van de andere partij rechtvaardigt en bijgevolg de wraking van de deskundige" (Rb. Brussel (6de kamer), 5 oktober 2010, J.T., 2011, nr. 6440, p.453; Luik, 3 februari 2009, JLMB, 2010, p. 1316).

Deze tegenstelling is een vertolking van de malaise die voortvloeit uit de situatie waarin eenzelfde arts zowel gerechtsdeskundige als technisch adviseur van een van de partijen is. Niet alleen de onpartijdigheid maar tevens de schijn van dergelijke onpartijdigheid moet worden nagegaan. Deze dubbele vereiste vindt men terug in de regel van artikel 121, §3, van de Code van geneeskundige plichtenleer : "De arts die als raadgever van een partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij niet aanvaarden. "

De rechtsleer maakt een onderscheid tussen de functionele onpartijdigheid en de persoonlijke onpartijdigheid.

De functionele (objectieve) onpartijdigheid kan in twijfel worden getrokken wanneer de deskundige reeds in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen van de zaak. De deskundige kan niet onpartijdig zijn indien hij zich in andere omstandigheden reeds een oordeel heeft kunnen vormen over het geschil waarvan hij kennis moet nemen.

"De persoonlijke (subjectieve) onpartijdigheid kan in twijfel worden getrokken wanneer de deskundige een band heeft met een van de partijen of met de zaak in het geschil. Men kan dus stellen dat de deskundige zijn opdracht moet weigeren of zich moet terugtrekken wanneer hij een van de partijen in het geding kent of heeft gekend in een andere hoedanigheid" (vrije vertaling, J.L. FAGNART, Ethique et médecine d'expertise, Con M, 2011/4, p. 149). Artikel 121, § 1, van de Code van geneeskundige plichtenleer heeft eveneens voor deze oplossing gekozen door te stellen dat "de arts die belast is met één van de opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel zouden kunnen beïnvloeden.".

Advies

De commissie kan aannemen dat een deskundige, ondanks zijn beroepsrelaties met een van de partijen of zijn verzekeraar, naar gelang van de concrete omstandigheden van het geval, zijn opdracht kan vervullen in volledige objectiviteit. Zij merkt echter op dat de kwesties die onder de geneeskunde vallen technische en zeer specifieke kwesties zijn. De door de deskundige verstrekte antwoorden zijn dikwijls verwoord in een technische, soms hermetische taal voor leken die niet vertrouwd zijn met de geneeskunde. Deze techniciteit en specificiteit verklaren waarom juristen zich doorgaans baseren op de conclusies van de deskundige zonder noodzakelijkerwijze de relevantie ervan te kunnen beoordelen. Gelet op deze realiteit is het dan ook niet alleen belangrijk dat de arts-deskundige zijn opdracht op een gewetensvolle, objectieve en onpartijdige wijze uitvoert, maar ook dat geen enkele gewettigde verdenking rijst over zijn objectiviteit en onpartijdigheid.

De commissie is van oordeel dat dergelijke verdenking onvermijdelijk rijst wanneer de deskundige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een situatie van economische afhankelijkheid bevindt omdat hij diensten ook aanbiedt aan een van de partijen - of het nu een verzekeringsmaatschappij is of zijn werkgever (bijv. een ziekenhuis) of om het even welke andere rechtspersoon of natuurlijke persoon met wie hij zakenrelaties onderhoudt.

Ook een hiërarchische afhankelijkheid kan dergelijke verdenking doen ontstaan. Dit is het geval wanneer de adviserende arts van een van de partijen in het ziekenhuis waarin hij zijn beroep uitoefent, het diensthoofd is van de deskundige of wanneer de deskundige en de persoonlijk in het geding betrokken arts in hetzelfde ziekenhuis werken (J.L. FAGNART, Ethique et médecine d'expertise, Con M, 2011/4, p. 150).

Tot besluit kunnen stelt de commissie dat de vereiste van onpartijdigheid en van afwezigheid van gewettigde verdenking bijdragen tot de sereniteit van de expertisewerkzaamheden en dus tot een goede rechtsbedeling. De commissie meent dat, ook al verstrekt de deskundige slechts een niet-dwingend advies, de doorslaggevende invloed die dit advies in de praktijk heeft, vergt dat de deskundige blijk geeft van onpartijdigheid en objectiviteit en geen gewettigde verdenking ten aanzien van zijn persoon op grond van zijn professionele en persoonlijke situatie mag wekken. In dergelijke context van verdenking zou een als deskundige aangewezen arts met reden oordelen dat hij de expertiseopdracht beter weigert.

Het geringe aantal artsen-deskundigen is geen reden om deze vereiste van onpartijdigheid en van de afwezigheid van gewettigde verdenking te nuanceren of zelfs af te zwakken. Het toont integendeel aan hoe belangrijk het is dat de verschillende faculteiten geneeskunde bijzondere aandacht schenken aan de opleiding van dit medisch specialisme (bedoeld bij ministerieel besluit van 22 januari 2007 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise).

Met het oog op een betere informatie van de partijen over de beroepssituatie van de deskundige, stelt de commissie voor dat iedere deskundige bij de aanvaarding van zijn opdracht een curriculum vitae voorlegt met een overzicht van zijn beroepsactiviteiten (opleidingen, publicaties, werkzaamheden inzake technisch advies als bijstandsarts of als adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, klinische werkzaamheden, werkzaamheden als arts-ambtenaar, onderzoekswerkzaamheden, enz. ), evenals een verklaring op eer aangaande het al dan niet bestaan van een belangenconflict.

De commissie meent dat de arts dergelijke informatie eveneens zou moeten verstrekken als hij wordt aangewezen als enige deskundige of als derde-scheidsrechter in minnelijke medische expertises.

De Nationale Raad is het eens met het advies van deze commissie en heeft, in samenspraak met de Balie van Brussel, beslist dit advies te publiceren op zijn website.

Hij formuleert de volgende opmerkingen in verband met de opleiding van de artsen die zich specialiseren in het vlak van de expertise.

1° De geneesheren-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, (ministerieel besluit van 27 februari 2002 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van gerechtelijke geneeskunde) krijgen een opleiding in de expertisegeneeskunde die rechtvaardigt dat zij regelmatig door de rechtbank worden aangewezen als deskundige om adviezen te formuleren inzake lichamelijke schade.

2° Het specialisme in verzekeringsgeneeskunde en medische expertise (ministerieel besluit van 22 januari 2007 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise) omvat een specifieke opleiding op universitair niveau die met name betrekking heeft op de deontologie en ethiek van de verzekeringsgeneeskunde en medische expertise.

De meeste houders van deze beroepstitel hebben deze verkregen op basis van verworven rechten.

De Nationale Raad dringt erop aan dat de opleiding van de artsen die voor dit specialisme kiezen, effectief voorziet in een sensibilisering aangaande de specifieke deontologie en ethiek van de expertisegeneeskunde, zoals bepaald door de wetgever.

3° Op langere termijn zou een evolutie van het beroep van gerechtelijk deskundige naar specialisaties binnen het beroep zelf toelaten om de artsen te identificeren die de gerechtelijke expertise, de bijstandsgeneeskunde of de verzekeringsgeneeskunde beoefenen, waardoor belangenconflicten zouden worden vermeden.