keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Beroepsgeheim19/09/2020 Documentcode: a167020
Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

De nationale raad van de Orde der artsen werd gecontacteerd door een lid-arts van een Commissie van Toezicht opgericht door de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen betreffende het advies van 20 september 2014 "Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen". Door wijzigende wetgeving en de vernieuwing van de Code van medische deontologie is het betrokken advies achterhaald en wordt het vervangen door hetgeen volgt.

Advies van de nationale raad: Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

  1. Principe: recht op privacy van de gedetineerde

De gedetineerde heeft, overeenkomstig tal van internationale en Europese verdragsteksten(1), de Belgische grondwet(2) en aanvullende nationale wetgeving(3), recht op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder met betrekking tot zijn gezondheidsgegevens. Een derde persoon heeft in principe geen toegang tot de medische gegevens van de gedetineerde.

Ter bescherming van het recht op privacy van de gedetineerde is de behandelende arts (gevangenisarts) gehouden tot het beroepsgeheim.

2. Uitzonderingen

2.1. Schriftelijke instemming van de gedetineerde

De Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden voorziet evenwel in de mogelijkheid voor de leden van de Commissies van Toezicht tot kennisname van de medische gegevens van de gedetineerde en stelt dat eerstgenoemden "het recht hebben om alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde in te zien, voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde".(4)

De verwerking van de gezondheidsgegevens door een derde - in casu de leden van de Commissies van Toezicht - is mede onderworpen aan de principes van medische deontologie, de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.

Zelfs indien de kennisname van het medisch dossier noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken, blijft het deontologisch ontoelaatbaar dat de leden van de Commissies van Toezicht zich (rechtstreeks) toegang verschaffen tot alle medische gegevens van de gedetineerde. De gevangenisarts zal enkel de noodzakelijke medische gegevens van de gedetineerde ter kennis brengen van een lid van de Commissie dat tevens arts is. Deze laatste arts zal autonoom oordelen welke medische gegevens en onder welke vorm deze gegevens kunnen worden meegedeeld aan de leden van de Commissie van Toezicht.

Er wordt hierbij rekening gehouden met de principes van noodzakelijkheid, proportionaliteit en finaliteit.

Daarnaast geldt de vereiste van transparante informatie en wordt de gedetineerde op de hoogte gebracht van welke medische gegevens worden doorgegeven.(5)

2.2. Uitzonderingen op het beroepsgeheim van de gevangenisarts

Ter bescherming van het recht op privacy van de gedetineerde en overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 25 van de Code van medische deontologie is de gevangenisarts gehouden tot het beroepsgeheim.

De uitzonderingen betreffende het beroepsgeheim zijn evenwel ook van toepassing op de gevangenisarts. In sommige gevallen zal de gevangenisarts bepaalde medische gegevens van de gedetineerde ter kennis brengen van de leden van de Commissies van Toezicht, bijvoorbeeld ter zijner verdediging in rechte of in uitzonderlijke omstandigheden, ter vrijwaring van een hoger rechtsgoed en zich beroepend op de noodtoestand.

3. Besluit

De gedetineerde heeft recht op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Ter bescherming van dit recht op privacy is de gevangenisarts gehouden tot het beroepsgeheim en kan deze, in beginsel, geen medische gegevens doorgeven aan de leden de Commissies van Toezicht opgericht door de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.

De Basiswet van 12 januari betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden laten echter toe dat de leden van de Commissies van Toezicht kennis nemen van het medisch dossier, mits dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken en mits voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de gedetineerde. In dat geval worden de medische gegevens doorgegeven door de gevangenisarts aan een arts van de Commissie en wordt rekening gehouden met de principes van noodzakelijkheid, proportionaliteit en finaliteit.

Tenslotte zullen de leden van de Commissie in bepaalde gevallen ook kennis nemen van sommige medische gegevens in geval de gevangenisarts zich beroept op een uitzondering op het medisch geheim, zoals de verdediging in rechte of de noodtoestand.


(1) Onder meer art. 8 EVRM en art. 1 GDPR

(2) Art. 22 Belgische Grondwet

(3) Onder meer de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

(4) Art. 27, § 1 Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

(5) Art. 12 Algemene Verordening Gegevensbescherming

Beroepsgeheim17/11/2018 Documentcode: a163004
Vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en instemming met de behandeling door geïnterneerde personen met een geestesstoornis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de eerbiediging van de vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en de instemming met de behandeling door personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 november 2018 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen de eerbiediging van de vrije artsenkeuze en van de behandelingsinstemming van geïnterneerden(1) in gevangenschap.

Personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden, zijn geen homogene populatie: zij hebben een zeer diverse psychiatrische pathologie en een zeer gevarieerde graad van potentieel gevaar. Zij verblijven bovendien in plaatsen met diverse juridische stelsels (onder toezicht in de gemeenschap, reguliere psychiatrische zorgvoorziening, erkende gerechtelijk-geneeskundige eenheid van psychiatrische centra of.

Voor geïnterneerden die in een erkend hoog beveiligd forensisch psychiatrisch centrum (FPC) verblijven, heeft de nationale raad volgende bedenkingen:

1° De kamer ter bescherming van de maatschappij bepaalt soeverein de plaats waar de geïnterneerde opgenomen en behandeld wordt. Wanneer zijn gezondheidstoestand een behandeling in een algemeen ziekenhuis vergt, is de keuzevrijheid beperkt tot de ziekenhuizen waarmee het FPC een akkoord heeft afgesloten.

De geïnterneerde kan een beroep doen op de zorgverleners van de instelling waar hij verblijft. Hij kan eveneens het advies inwinnen van een externe arts indien hij de erelonen zelf betaalt.

Dergelijke beperkingen aan de vrije artsen- en instellingskeuze zijn inherent aan de vrijheidsberoving en gelden niet alleen voor geïnterneerden.

2° De kamer ter bescherming van de maatschappij spreekt zich niet uit over de inhoud van de behandeling.

De toestemming van de geïnterneerde met de behandeling is een wettelijke en ethische vereiste. Indien de geïnterneerde niet in staat is zijn rechten zelf te laten gelden, is de regeling van de vertegenwoordiging van de patiënt, die vastgelegd is in artikel 14 van de Patiëntenrechtenwet, van toepassing. In dit geval wordt de geïnterneerde betrokken bij de uitoefening van zijn rechten voor zover zijn onderscheidingsvermogen dit toelaat.

In de praktijk gaat het vaak over een ‘genegotieerde toestemming'. De geïnterneerde is niet altijd vragende partij om zorg in de forensische praktijk. De dialoog tussen hem en de zorgverlener vereist vertrouwen, empathisch begrijpen en emotionele ondersteuning met het oog op een maximale patiëntparticipatie voor een gedeelde besluitvorming die nodig is voor het therapeutisch proces. De uitslag van deze ‘negotiatie' wordt vermeld in een behandelplan of behandelovereenkomst waarin de rechten en plichten van de zorgverlener en van de zorgontvanger beschreven worden.

Er bestaat een continuüm van mogelijke drukkingsmaatregelen om de toestemming van de geïnterneerde met de behandeling te beïnvloeden: overtuiging, drang en dwang.

‘Overtuiging', dat het meest gebruikt wordt, doet een beroep op de rede.

‘Psychologische drang' gaat uit van de innerlijke neiging van het individu en werkt met voorwaardelijke voorstellen: (Voorbeeld: wanneer een verslaafde persoon instemt met controles op zijn druggebruik, komt hij in aanmerking voor een uitgangsvergunning. De verslaafde gaat uitdrukkelijk akkoord met de onderhandelde behandelmaatregelen, maar zou deze na enige tijd kunnen ervaren als ‘opgelegd' en zou hierover kunnen klagen bij een ombudsman.)

Dwang' berust op macht.

Zowel drang als dwang zetten de geïnterneerde onder druk om de behandeling te blijven aanvaarden. De vraag blijft controversieel of de geïnterneerde in dergelijke situaties wel ‘vrij' genoeg is om een geldige toestemming te geven.

3°/ De betrokken persoon heeft het recht om de voorgestelde behandeling te weigeren; de arts eerbiedigt deze weigering. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de geïnterneerde niet langer recht heeft op kwalitatieve zorg.

Het uitvoeren van een behandeling waarmee niet ingestemd werd, is onaanvaardbaar indien de geïnterneerde in staat is de informatie over de behandeling te begrijpen en ermee in te stemmen.

Voor psychotische geïnterneerden verwijst de nationale raad naar zijn adviezen van 12 mei 2007(2) en 14 september 2013(3). Deze adviezen, die bijgevoegd zijn, behandelen het probleem van de dwangbehandeling van gedetineerden. Ze beklemtonen dat een psychotische gedetineerde die terug wilsbekwaam is dankzij de medicatie, niet gedwongen kan worden om deze medicatie verder te nemen, al blijkt uit zijn ziektegeschiedenis dat hij terug psychotisch en wilsonbekwaam zou kunnen worden.

De medicamenteuze behandeling moet noodzakelijk en aangepast zijn. Het voorschrijven moet omzichtig gebeuren, met inachtneming van de medicamenteuze risico's, zeker wanneer de antecedenten van de geïnterneerde niet gekend zijn.

De medicatie moet altijd een voordeel hebben voor de geïnterneerde en aansluiten bij de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis ter zake. Tot slot is een aandachtige medische opvolging van de geïnterneerde vereist.

De veiligheidsmaatregelen (afdelingsarrest, opsluiting in eigen kamer, afzondering en andere) moeten vastgelegd zijn in het huishoudelijk reglement, geregistreerd worden in het dossier van de geïnterneerde en gecontroleerd worden door de overheid.

4°/ De geïnterneerde heeft recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving (art. 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden). De Patiëntenrechtenwet is van toepassing bij internering.

De gebrekkige gezondheidszorg in gevangenissen wordt sedert lang aangeklaagd.

Het gebrek aan medisch personeel, het gebrekkige psychiatrische zorgaanbod, het verlies van de voordelen van de sociale zekerheid, de afhankelijkheid van het veiligheidspersoneel voor een consult dat het medisch geheim eerbiedigt, de toegangsproblemen voor een externe arts tot de instelling door de veiligheids-en organisatievereisten en het gebrek aan geschikte lokalen zijn allemaal belemmeringen voor een kwaliteitsvolle zorgverstrekking.

De evolutie waarbij de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg in de gevangenis toegekend wordt aan de minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid (momenteel ligt de verantwoordelijkheid bij de minister van Justitie), getuigt van werkelijke bereidheid om de toegang en de kwaliteit van de gezondheidszorg voor de geïnterneerden en de gedetineerden te verbeteren.

De internering is een veiligheidsmaatregel die tot doel heeft de gemeenschap te beschermen en de geïnterneerde de vereiste zorg te verstrekken met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

Het onthouden van zorg bij een geïnterneerde bemoeilijkt eveneens zijn re-integratie.

5°/ In verband met de opportuniteit van een bijzondere wettelijke regeling voor de rechten van de geïnterneerden in de forensische psychiatrie, bepaalt artikel 167 van de Basiswet van 12 januari 2005 dat, behoudens andersluidende bepalingen, de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op de geïnterneerden.

Deze basiswet bevat in titel 5 een hoofdstuk VII over de gezondheidszorg, dat voorzag in een beperking van sommige rechten van de patiënt als gedetineerde. De wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken heeft dit hoofdstuk VII hervormd, waarbij het beginsel van de gelijkwaardigheid van de zorg bij gedetineerden met de zorg in de vrije samenleving op de voorgrond geplaatst wordt.

De nationale raad vindt het niet opportuun afstand te nemen van dit beginsel.

Bijlagen


(1) In de betekenis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering

(2) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 117, pag. 5

(3) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 143

Beroepsgeheim06/05/2017 Documentcode: a157010
Aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek

Een provinciale raad heeft de nationale raad een advies gevraagd over de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek in strafzaken zoals bepaald in artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 6 mei 2017 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag over de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek zoals bepaald in artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen (hierna: Interneringswet) (1) onderzocht.

Hieronder vindt u zijn standpunt.


Wettelijke bepalingen
Artikel 7 Interneringswet luidt als volgt: "De persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan zich, op elk moment, laten bijstaan door een arts naar keuze en een advocaat".


Bespreking
De aanwezigheid van een arts naar keuze bij een medisch onderzoek stelt geen deontologisch probleem. Hij kent immers de medische plichtenleer en de technische regels van het psychiatrisch deskundigenonderzoek.
Artikel 7 Interneringswet voorziet in de mogelijkheid dat de persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen, zich altijd kan laten bijstaan niet alleen door een arts, maar ook door een advocaat.

De vraag rijst of de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wel wenselijk is.

De balies hebben tijdens de parlementaire besprekingen van de Interneringswet aangedrongen op de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat (2). Volgens hen moeten de advocaten immers toezien op de regelmatigheid van de procedure en op de eerbiediging van het recht van verdediging.

Hierdoor creëert men een analogie tussen, enerzijds, het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek en, anderzijds, het politionele verhoor.

Anders dan het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek dat enkel betrekking heeft op de gezondheidstoestand van de betrokkene, betreft het politionele onderzoek de waarheidsvinding.

Het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek beoogt een onpartijdig, onafhankelijk en met redenen omkleed psychiatrisch deskundigenadvies.

Een dergelijk onderzoek vereist het aangaan en opbouwen van een relatie tussen de betrokkene en de arts met als doel een dialoog waarbij de betrokkene vrijuit kan praten (3).

Een advocaat zal het forensisch psychiatrisch onderzoek daarentegen voornamelijk benaderen met het oog op de vrijwaring van de juridische belangen van de betrokkene. De aanwezigheid van derden vooral als die geen gezondheidszorgbeoefenaars zijn, brengt de dialoog en de totstandkoming van een onderzoeksrelatie tussen de psychiater en de betrokkene in het gedrang.

Door de aanwezigheid van de advocaat kunnen er tijdens het medische onderzoek juridische discussies ontstaan terwijl de psychiater niet bevoegd is zich daarover uit te spreken.

De advocaat zou wel bij de start van het deskundigenonderzoek aanwezig kunnen zijn om bijvoorbeeld administratieve gegevens uit te wisselen, het strafblad en de beschikbare gegevens van het dossier te overlopen en na te gaan of er medische informatie dient aangevraagd te worden bij vroegere zorgverstrekkers.

De Interneringswet voorziet trouwens in een expliciete vorm van tegenspraak die het recht van verdediging vrijwaart en waardoor de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch onderzoek niet noodzakelijk is.


Besluit
De nationale raad van de Orde der artsen is van oordeel dat:
• de aanwezigheid van een advocaat bij het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, zoals voorzien in artikel 7 Interneringswet, een degelijk deskundigenonderzoek in de weg staat en niet bijdraagt tot een goede rechtsbedeling;
• artikel 7 Interneringswet dient aangepast te worden;
• de als deskundige aangestelde psychiater het deskundigenonderzoek mag weigeren wanneer hij oordeelt dat de aanwezigheid van derden de degelijkheid van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek in het gedrang brengt.

Graag had de nationale raad een onderhoud met u om zijn standpunt toe te lichten.

Cc. Mevrouw De Block, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Beleidscel van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

1. De Interneringswet is in werking getreden op 1 oktober 2016. Op dit ogenblik ontbreken nog tal van uitvoeringsbesluiten.
2. Dit argument van de Vlaamse Balies is gebaseerd op het recht van de verdachte om zich tijdens een verhoor te laten bijstaan door een advocaat.
3. De anamnese is zeer uitgebreid en omvat thema's zoals de somatische en psychiatrische voorgeschiedenis, en familieanamnese, zijn biografische ontwikkelingsgeschiedenis en het verhaal van de betrokkene in verband met de aangeklaagde feiten. Het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek omvat niet alleen wat de betrokkene zegt maar ook hoe het gezegd wordt, de gezichtsuitdrukking, de toon, de mimiek en andere non-verbale waarnemingen. De psychiater probeert de betrokkene empathisch te begrijpen en deze laat zich door de gesprekshouding van de psychiater intiemer kennen op emotioneel en cognitief vlak. Tijdens het onderzoek worden de gevoelens van de betrokkene aangesproken, zijn motieven getoetst en zijn cognitieve functies getest. De psychiater verzamelt diagnostische gegevens die eventueel kunnen gekoppeld worden aan de ten laste gelegde feiten, ook in het eigen belang van de betrokkene. De betrokkene kan ook tijdens het onderzoek overgaan tot zelfkritische beschouwingen over de feiten en deze kunnen in het verslag vermeld worden. De betrokkene kan steeds zijn keuzes maken over wat hij wel of niet aan de psychiater meedeelt.

Gedetineerden21/05/2016 Documentcode: a153004
Toegang tot de gezondheidszorg door de staking van de gevangenisbewaarders

De nationale raad van de Orde der artsen is bezorgd over de toegang tot de gezondheidszorg door de staking van de gevangenisbewaarders.

Advies van de nationale raad :

Persbericht
De staking van de cipiers heeft ernstige gevolgen voor alle getroffen gevangenissen, voornamelijk voor de toegang tot de gezondheidszorg die nog zwaarder wordt aangetast. In sommige gevangenissen kunnen gedetineerden geen arts raadplegen noch worden verzorgd. De nationale raad van de Orde der artsen is bezorgd over deze onwaardige toestand in een Rechtsstaat, die afbreuk doet aan de internationale verplichtingen van België. De sanitaire en sociale hoogdringendheid vereist dat onmiddellijk maatregelen worden genomen om dit humanitaire drama te verhelpen, waaronder de invoering van een minimale dienstverlening.

Bovendien, de behoeften en eisen overschrijden sterk het reactievermogen van de medische teams, ondanks hun inzet voor de gezondheid van de gedetineerden. De medische praktijk heeft te kampen met een gebrek aan middelen en aansturing. De gedetineerden zijn fysiek, maar vooral mentaal, een bijzonder kwetsbare bevolkingsgroep. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de preventie en de behandeling van hun ziekte.

De nationale raad herinnert aan de dringende overheveling van de bevoegdheden inzake gezondheid in de gevangenissen van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Beroepsgeheim20/09/2014 Documentcode: a147007
Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren werd gecontacteerd door de FOD Justitie i.v.m. zijn advies van 22 februari 2014 "Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen" waarin een onjuistheid staat m.b.t. de toestemming van de gedetineerde om toegang te verlenen tot het medisch dossier.

Advies van de Nationale Raad :

ADVIES "TOEGANG TOT HET MEDISCH DOSSIER VAN DE GEDETINEERDEN DOOR DE COMMISSIES VAN TOEZICHT VAN DE GEVANGENISSEN"

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren werd gecontacteerd door de FOD Justitie i.v.m. zijn advies van 22 februari 2014 "Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen" waarin een onjuistheid staat m.b.t. de toestemming van de gedetineerde om toegang te verlenen tot het medisch dossier.

De Nationale Raad heeft zijn advies van 22 februari 2014 aangepast, als volgt:

In zijn vergadering van 22 februari 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het verbod voor de artsen van de Commissies van Toezicht van de gevangenissen op toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden onderzocht. Hij heeft beslist de adviezen van de Nationale Raad van 22 september 2007 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen" (TNR 118, p.5) en van 20 september 2008 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen ten aanzien van de leden van de Commissies van Toezicht" (TNR 122, p.4) te herbekijken.
Het artikel 55 van de Code van geneeskundige plichtenleer bepaalt dat het beroepsgeheim dat de arts moet bewaren, van openbare orde is en dat de door patiënten geraadpleegde of om zorgen of raad verzochte practici in alle omstandigheden, dus ook in een gevangenissetting, door het beroepsgeheim gebonden zijn (zie ook art. 458 van het Strafwetboek).
De inzage van medische gegevens door een derde valt onder het toepassingsgebied van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens (art. 1, § 2).
Persoonsgegevens dienen toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt (artikel 4 van de wet van 8 december 1992).
De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, is verboden (art. 7, § 1, van de wet van 8 december 1992).
Dit verbod is evenwel niet van toepassing wanneer de betrokkene schriftelijk heeft toegestemd in een dergelijke verwerking. Hiervan wordt toepassing gemaakt op grond van het artikel 138quater van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende het algemeen reglement van de strafinrichtingen op grond waarvan de voorafgaande schriftelijke instemming van de gedetineerde noodzakelijk is, opdat de leden van de Commissie van Toezicht de individuele gegevens van de gedetineerde kunnen inkijken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken.
Echter, wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte of wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, dan is de toestemming van de gedetineerde, overeenkomstig het artikel 7, § 2, van de wet van 8 december 1992, niet noodzakelijk opdat inzage zou kunnen worden bekomen.
De in heroverweging te nemen adviezen kunnen onderschreven worden wanneer ze stellen dat de gevangenisarts medische inlichtingen kan overmaken aan een arts, lid van een Commissie van Toezicht, indien het voor hem het enige middel is om zich te verdedigen tegen een verdenking of betichting van fout. Tevens bevestigt de Nationale Raad de overweging dat "in uitzonderlijke omstandigheden de gevangenisarts van oordeel kan zijn dat de ernst en de consequenties van de vernomen feiten een noodtoestand vormen die hem toelaat af te zien van het beroepsgeheim ten voordele van principes van hoger belang."
* * *
Het raadplegen van medische informatie betreffende een gevangene door de Commissie van Toezicht kan als noodzakelijk worden beschouwd opdat de functie van toezicht binnen de Commissie correct kan worden uitgevoerd onder de volgende deontologische voorwaarden.
- Het raadplegen van deze medische inlichtingen kan enkel gebeuren door de arts van de Commissie van Toezicht die weliswaar geen behandelend arts is en niet is betrokken bij de diagnostische of therapeutische handelingen.
- De arts zal autonoom oordelen welke medische gegevens en onder welke vorm deze gegevens kunnen worden meegedeeld aan de leden van de Commissie van Toezicht.
- De medische informatie mag door de gevangenisarts alleen aan de arts van de Commissie van Toezicht worden meegedeeld.
- Uit hoofde van collegialiteit pleegt de arts van de Commissie van Toezicht overleg met de gevangenisarts over de verstrekte informatie.
- De gedetineerde wordt op de hoogte gebracht dat bepaalde hem betreffende medische informatie wordt meegedeeld aan de arts van de Commissie van Toezicht.

Beroepsgeheim22/02/2014 Documentcode: a145005
Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende het verbod voor de artsen van de Commissies van Toezicht van de gevangenissen op toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden. Hij heeft beslist de adviezen van de Nationale Raad van 22 september 2007 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen" (TNR 118, p.5) en van 20 september 2008 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen ten aanzien van de leden van de Commissies van Toezicht" (TNR 122, p.4) te herzien.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 februari 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het verbod voor de artsen van de Commissies van Toezicht van de gevangenissen op toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden onderzocht. Hij heeft beslist de adviezen van de Nationale Raad van 22 september 2007 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen" (TNR 118, p.5) en van 20 september 2008 "Beroepsgeheim van gevangenisartsen ten aanzien van de leden van de Commissies van Toezicht" (TNR 122, p.4) te herbekijken.

De Nationale Raad wijst er vooreerst op dat anders dan in de vermelde adviezen wordt gesteld, de leden van de Commissie voor Toezicht op grond van artikel 30, § 1 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, voor zover dit voor de uitoefening van hun wettelijk omschreven taken noodzakelijk is, het recht hebben om, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle stukken in te zien die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde, zonder dat hiervoor de toestemming van deze laatste dient bekomen te worden.

Het artikel 55 van de Code van geneeskundige plichtenleer bepaalt dat het beroepsgeheim dat de arts moet bewaren, van openbare orde is en dat de door patiënten geraadpleegde of om zorgen of raad verzochte practici in alle omstandigheden, dus ook in een gevangenissetting, door het beroepsgeheim gebonden zijn (zie ook art. 458 van het Strafwetboek).

De inzage van medische gegevens door een derde valt onder het toepassingsgebied van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens (art. 1, § 2).

Persoonsgegevens dienen toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt (artikel 4 van de wet van 8 december 1992).

De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, is verboden (art. 7, § 1, van de wet van 8 december 1992).

Dit verbod is evenwel niet van toepassing wanneer de betrokkene schriftelijk heeft toegestemd in een dergelijke verwerking, wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte of wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg (artikel 7, § 2, van de wet van 8 december 1992).

De in heroverweging te nemen adviezen kunnen onderschreven worden wanneer ze stellen dat de gevangenisarts medische inlichtingen kan overmaken aan een arts, lid van een Commissie van Toezicht, indien het voor hem het enige middel is om zich te verdedigen tegen een verdenking of betichting van fout. Tevens bevestigt de Nationale Raad de overweging dat "in uitzonderlijke omstandigheden de gevangenisarts van oordeel kan zijn dat de ernst en de consequenties van de vernomen feiten een noodtoestand vormen die hem toelaat af te zien van het beroepsgeheim ten voordele van principes van hoger belang."

* * *

Het raadplegen van medische informatie betreffende een gevangene door de Commissie van Toezicht kan als noodzakelijk worden beschouwd opdat de functie van toezicht binnen de Commissie correct kan worden uitgevoerd onder de volgende deontologische voorwaarden.

- Het raadplegen van deze medische inlichtingen kan enkel gebeuren door de arts van de Commissie van Toezicht die weliswaar geen behandelend arts is en niet is betrokken bij de diagnostische of therapeutische handelingen.
- De arts zal autonoom oordelen welke medische gegevens en onder welke vorm deze gegevens kunnen worden meegedeeld aan de leden van de Commissie van Toezicht.
- De medische informatie mag door de gevangenisarts alleen aan de arts van de Commissie van Toezicht worden meegedeeld.
- Uit hoofde van collegialiteit pleegt de arts van de Commissie van Toezicht overleg met de gevangenisarts over de verstrekte informatie.
- De gedetineerde wordt op de hoogte gebracht dat bepaalde hem betreffende medische informatie wordt meegedeeld aan de arts van de Commissie van Toezicht.

Continuïteit van de zorg26/10/2013 Documentcode: a143012
PERSBERICHT : Staking van de gevangenisartsen
PERSBERICHT

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren drukt zijn bezorgdheid uit met betrekking tot de situatie die is ontstaan naar aanleiding van de stakende gevangenisartsen.

1/ De Nationale Raad betreurt dat het uitblijven van een overeenkomst tussen de minister van Justitie en de gevangenisartsen waartoe de Nationale Raad in zijn advies ‘Wachtdiensten in de gevangenissen' van 21 november 2009 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 128) reeds aanspoorde, heeft geresulteerd in deze zorgwekkende situatie. De veranderingen die de organisatie van de medische dienstverlening in de gevangenissen de afgelopen maanden heeft ondergaan, hebben deze situatie bovendien enkel maar verergerd. Het in artikel 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden verwoorde recht ‘op een gezondheidszorg, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving en die aangepast is aan zijn specifieke noden', kan in de huidige omstandigheden niet meer worden gegarandeerd.

2/ De gevolgen van deze staking zijn niet te onderschatten.
Verscheidene gevangenisartsen hebben aan hun respectievelijk bevoegde provinciale raad laten weten dat zij na de normale werkuren, tijdens de weekends en op vakantiedagen niet meer zullen tegemoetkomen aan medische oproepen vanuit de gevangenissen. Meerdere gevangenisartsen vermeldden hierbij dat het aan de geografisch bevoegde huisartsenkring toekomt ook in de gevangenis de medische dienstverlening tijdens deze uren te garanderen. In uiterste nood kan men eveneens een beroep doen op de dienst 100. Onder meer omwille van de praktische belemmeringen die een artsenbezoek aan de gevangenis met zich meebrengt (verbod van gsm, verbod van bepaalde medische apparatuur, tijdverlies wegens de beveiligingsmaatregelen), is het begrijpelijk dat verschillende huisartsenkringen weigeren deze taken over te nemen.

De Nationale Raad merkt op dat een weigering deel te nemen aan een wachtdienst onder de voorgaande constellatie door huisartsenkringen en/of individuele huisartsen niet noodzakelijk tot schuldig verzuim leidt in de zin van het artikel 422bis van het Strafwetboek.

3/ In bovenvermeld advies van 21 november 2009 spoorde de Nationale Raad aan tot het tot stand brengen van samenwerkingsovereenkomsten tussen de huisartsenkringen en de gevangenissen als voorlopige oplossing voor het uitblijven van een overleg met de bevoegde minister. De Nationale Raad wees daarbij tevens op de mogelijkheid van individuele initiatieven. Het eenzijdig afschuiven van de verantwoordelijkheid tot het voorzien van medische dienstverlening door de gevangenisartsen en/of de gevangenisdirecties druist in tegen dit advies en de deontologische verplichting tot collegialiteit die in verschillende bepalingen van de Code van geneeskundige plichtenleer wordt gewaarborgd. Bovendien wordt niet voldaan aan de wettelijk en deontologisch gewaarborgde verplichting tot continuïteit van de zorg. Dit leidt tot ernstige gevaren voor de gedetineerden en brengt de bevolkingswachtdienst in het gedrang.

4/ De Nationale Raad neemt kennis van de communicatie van een procedure die door de adviseur beleidscel van de minister van Justitie recent werd overgemaakt aan alle gevangenisinrichtingen en waarin volgende punten worden vermeld:

De procedure houdt in dat
- men lokaal eerst contact opneemt met de eigen arts
- als deze niet bereikbaar is of niet wil tussenkomen, moet de lokale bevoegde wachtpost worden gecontacteerd
- als deze weigert, moet de 100 worden gecontacteerd

Indien de lokale wachtpost wel reageert, moet men met een aantal zaken rekening houden :
- De arts van wacht kan zijn gsm niet afgeven. Hij is immers in een wachtsysteem ingeschakeld en moet continu bereikbaar zijn. Hij moet dus zijn telefoon mee binnen kunnen nemen.
- De arts van wacht moet zijn tas met eigen medisch materiaal en zijn persoonlijke urgentietrousse (medicatie) mee kunnen nemen.
- De duur van de toegang tot de inrichting en tot de patiënt moeten tot een minimum beperkt worden gelet op het feit dat de dokter van wacht zo snel mogelijk opnieuw beschikbaar moet zijn voor andere externe patiënten.

De Nationale Raad is van oordeel dat deze procedure geen adequate oplossing biedt voor een staking van de gevangenisartsen.

Dergelijke procedure kan evenwel een inhoudelijk onderdeel zijn van een onderhandelde overeenkomst tussen enerzijds de gevangenisartsen en hun gevangenisdirecties, en anderzijds de huisartsenkringen en/of individuele artsen; de modaliteiten moeten schriftelijk worden vastgelegd en ter nazicht en goedkeuring worden voorgelegd aan de betrokken provinciale raad van de Orde, zoals verwoord in het bovenvermelde advies.

5/ De Nationale Raad deelt mee als bemiddelaar te willen optreden tussen de gevangenisartsen en de huisartsenkringen enerzijds, en de gevangenisartsen en de minister van Justitie anderzijds, teneinde:

1° samenwerkingsakkoorden te bewerkstelligen die voldoen aan de deontologische principes van collegialiteit en continuïteit van de zorg;
2° een daadwerkelijk overleg op te starten teneinde de kwaliteit van de gezondheidszorg binnen gevangenissen op een evenwaardig niveau te brengen als deze die erbuiten wordt aangeboden.

Gedetineerden20/04/2013 Documentcode: a141014-R
Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie
Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende het afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft in zijn vergadering van 20 april 2013 uw brief van 13 september 2012 m.b.t. de adviesaanvraag van Dr. ... i.v.m. de problematiek van het afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie onderzocht.

Het door u aangehaalde advies van de Nationale Raad van 11 december 2010 "Dienst spoedgevallen - Attest aan de politie m.b.t. dwang- of tuchtmaatregel" is naar analogie van toepassing op de omschreven problematiek.

Artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen heeft het over wachtdiensten die de bevolking een regelmatige en normale toediening van gezondheidszorgen, zowel in het ziekenhuis als ten huize, waarborgen.

De huisartsenwachtdienst past in dat wettelijk kader.

Huisartsen met wachtdienst hebben de taak de passende verzorging te verlenen die de gezondheidstoestand van de patiënt voor wie zij werden opgeroepen, noodzaakt.

Zij hebben daarentegen niet de taak als deskundige op te treden en, op verzoek van de politie, te attesteren dat er al dan niet medisch bezwaar bestaat tegen de opsluiting in een doorgangscel. Zulke functie als deskundige is immers niet verenigbaar met de primordiale verzorgingsfunctie.

Wanneer de politie een huisarts met wachtdienst oproept, zal de arts zijn verzorgingstaak opnemen en zal hij nagaan welke dringende zorg eventueel noodzakelijk is.

Een behandelende arts mag geen medewerking verlenen aan een dwang- of tuchtmaatregel t.a.v. zijn patiënt voor wie hij een noodzakelijke vertrouwenspersoon is.

Dit advies belet evenwel niet dat per regio door de organiserende beroepsorganisaties dient gestreefd te worden naar lokale oplossingen, wat best gebeurt in overleg met de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het betreffende gerechtelijk arrondissement, de politie, de provinciale raad van de Orde van geneesheren en de provinciale geneeskundige commissie.

Gedetineerden08/12/2012 Documentcode: a140005
Voorstel “Heimans” tot wijziging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis
Advies van de Nationale Raad in verband met het voorstel "Heimans" tot wijziging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis.

Advies van de Nationale Raad :

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2007, maar is na meer dan vijf jaar nog niet in werking getreden.

Deze wet van 2007 was aan herziening toe en de Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn advies van 11 december 2010 ‘Wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis' (Tijdschrift Nationale Raad nr. 132) meerdere bezwaren geuit en voorstellen geformuleerd. Meerdere nieuwe versies werden uitgewerkt in de loop der jaren.

Dit advies is gebaseerd op de laatste versie ‘04.10.2012 Henri Heimans' en beperkt zich tot de deontologische implicaties van het psychiatrische deskundigenonderzoek en de tenuitvoerlegging van de internering.

1/ Deze nieuwe versie benadrukt meer dan de vorige de doelstelling van de wet: rekening houdend met het veiligheidsrisico moet de nodige zorg aangeboden worden die gericht is op maatschappelijke re-integratie via een zorgtraject waarin de geïnterneerde telkens zorg op maat aangeboden wordt (art. 2). De oorspronkelijke wet van 2007 was niet werkbaar vanuit behandelstandpunt. Deze nieuwe versie is meer gericht op het effectief ter beschikking stellen van de behandelmogelijkheden van de psychiatrische zorg.

2/ In zijn advies van 11 december 2010 vroeg de Nationale Raad een vereenvoudiging en versoepeling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 21 april 2007. Van vereenvoudiging is er nauwelijks sprake. De huidige versie telt 120 artikelen tegen 156 artikelen in de versie van 2007 en slechts 32 artikelen in de wet van 1 juli 1964 die tot de dag van vandaag van toepassing is. De vraag naar een versoepeling en meer behandelgerichtheid van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering werd echter wel duidelijk positief beantwoord in deze nieuwe versie.

De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen een inverdenkinggestelde of een beschuldigde die geïnterneerd wordt, bij afzonderlijk gemotiveerde beslissing, onmiddellijk in vrijheid stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden.

De strafuitvoeringskamer kan beslissen tot de ‘plaatsing' of ‘overplaatsing' van de geïnterneerde in een psychiatrische afdeling van de gevangenis of een Federale inrichting tot bescherming van de maatschappij. De wet voorziet een ‘onderhandelde plaatsing of onderhandelde overplaatsing' als het gaat om een forensisch psychiatrisch centrum of een privé- of gemeenschapsinstelling (artikelen 19 en 20). In dergelijk geval verklaart de inrichting zich akkoord met de opname van de geïnterneerde. De inlassing van deze regel in de wet is positief.

De verschillende concrete modaliteiten ter uitvoering van de rechterlijke beslissing tot internering kunnen voortaan in elke fase van de uitvoering van de internering toegekend worden door de strafuitvoeringskamer uitsluitend bevoegd voor interneringszaken. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met voorwaarden of tegenaanwijzingen, maar dit is een zeer positieve wijziging van de oorspronkelijke wet van 2007 die veel te rigide opgesteld was. De concrete modaliteiten waarvan sprake zijn zowel de uitgangsvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef, de voorlopige invrijheidstelling of de vervroegde invrijheidstelling.

3/ Naast het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, voorziet deze nieuwe versie van de wet de alternatieve mogelijkheid van een ‘psychologisch deskundigenonderzoek' uitgevoerd door ‘een forensisch psycholoog die de erkende titel van psycholoog draagt en geregistreerd is bij de psychologencommissie' (art. 5, § 2). De Nationale Raad onderschrijft zonder reserve het feit dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek in college en/of met bijstand van andere gedragswetenschappers kan uitgevoerd worden onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. In de mate dat de taak van de deskundige er ook in bestaat een medische diagnose te stellen en behandeladviezen te geven kan de Nationale raad niet akkoord gaan met het voorstel om die taak ook toe te vertrouwen aan zorgverleners die niet erkend zijn door voornoemd koninklijk besluit. Het betreft immers diagnostische en behandeladviezen over patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening zoals geclassificeerd in de DSM-IV. Dit dient te gebeuren door een psychiater of door een multidisciplinair team onder leiding en verantwoordelijkheid van een psychiater.

4/ Het artikel 6, § 1, voorziet in de mogelijkheid van een psychiatrisch deskundigenonderzoek met opneming ter observatie in de psychiatrische afdeling van de gevangenis of het forensisch psychiatrisch centrum. De opnamemogelijkheid in een psychiatrische afdeling van de gevangenis bestond reeds in de wet van 1964, maar kon nooit uitgevoerd worden omdat de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen hiervoor nooit uitgerust geweest zijn en zij zijn het nog steeds niet. Deze leemte moest worden ingevuld door het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot de instelling van een Penitentiair onderzoek- en klinisch observatiecentrum (POKO). Dit centrum moest de opneming ter observatie zoals bepaald door de wet mogelijk maken maar het werd nooit opgericht. De huidige wet tracht dit te omzeilen door de opname ter observatie mogelijk te maken in een forensisch psychiatrisch centrum.

De Nationale Raad heeft ernstige bezwaren tegen dit voorstel. De bedoelde forensische psychiatrische centra zijn behandelinstellingen voor geïnterneerden en dreigen door het gebrek aan alternatieven binnen de gevangenis misbruikt te worden door deze wet voor deskundigendoeleinden. De Nationale Raad pleit steeds voor een strikte scheiding tussen enerzijds behandeling en anderzijds expertise, hierin gesteund door artikel het 100, § 3, van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden dat stelt dat de functie van adviserende arts onverenigbaar is met een opdracht als zorgverlener in de gevangenis.

De Nationale Raad herhaalt bijgevolg advies tot oprichting van het POKO, wat de kwaliteit van het psychiatrisch deskundigenonderzoek in problematische gevallen zeker ten goede zal komen. Deze deskundigenopdracht gewoon doorschuiven naar extrapenitentiaire zorgverlenende instellingen is niet verantwoord.

5/ De Nationale Raad stelt met tevredenheid vast dat er binnen de strafuitvoeringsrechtbank een kamer opgericht wordt die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken. Een aangepaste samenstelling van deze kamer is verantwoord door het feit dat de internering geen straf maar en beschermingsmaatregel is. Het ware wenselijk in de wet te specificeren dat de strafuitvoeringsrechter in deze kamer bijgestaan wordt door een assessor gespecialiseerd in interneringszaken.

6/ De Nationale Raad onderschrijft het voorstel betreffende het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek (art. 7bis) en betreffende de delicate situatie waarbij een persoon zowel een vrijheidsstraf, als een internering ondergaat (artt. 114 en 114bis). Er wordt niet meer verwezen naar de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

In zijn advies van 11 december 2010 heeft de Nationale raad zich positief uitgesproken over de nieuwe formulering van de gestelde vragen aan de deskundige, het voorzien van een erkenning van de deskundigen door de minister bevoegd voor volksgezondheid en het opstellen van een verslag overeenkomstig het door de Koning vastgelegde model. Dit blijft ongewijzigd in het laatste voorstel en zal de kwaliteit van de rapportages ten goede komen.

Gedetineerden11/12/2010 Documentcode: a132009
Wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis

Advies over de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis.

De wet werd gepubliceerd in het Staatsblad van 13 juli 2007 maar is nog niet in werking getreden in december 2010 en is blijkbaar aan herziening toe.

1. Zij situeert zich in het verlengde van de wetten van 9 april 1930 en 1 juli 1964 op het sociaal verweer en heeft een dubbele doelstelling: "Tegelijk de maatschappij beschermen en aangepaste therapeutische steun garanderen voor de personen die een misdaad of misdrijf pleegden, die lijden aan een geestesstoornis die op een ernstige wijze hun onderscheidingsvermogen heeft aangetast en die een gevaar betekenen voor de maatschappij".

In dit advies schenkt de Nationale Raad vooral aandacht aan de deontologische implicaties van het psychiatrische deskundigenonderzoek en de tenuitvoerlegging van de internering met als doel de behandeling van de psychiatrisch gestoorde delinquent.

2. De nieuwe wet omvat 156 artikelen in tegenstelling tot de vorige wet van 1 juli 1964 die er slechts 32 telde.

Titel III "De gerechtelijke fase van de internering" blijft bescheiden in omvang (12 artikels) maar het is vooral Titel IV "Tenuitvoering van rechterlijke beslissingen tot internering" door de strafuitvoeringsrechtbanken (SUR) die aanzienlijk toegenomen is (65 artikels). Dit deel is uiterst gedetailleerd met als wettig doel de bescherming van de maatschappij en de belangen van de slachtoffers, maar het is dikwijls zo gedetailleerd en bedwingend dat de kwaliteit van de zorgverlening aan de geïnterneerde "met het oog op zijn reïntegratie in de maatschappij" (art. 2) duidelijk in het gedrang komt.

De Nationale Raad meent dat bij herziening van de wet hierin best vereenvoudiging en versoepeling worden aangebracht.

3. De aanstellingsprocedure van de deskundige en de nieuwe formulering van de hem gestelde vragen vertonen geen problemen op deontologisch vlak. De vragen zijn preciezer, beter omschreven dan vroeger en conform de huidige stand van de wetenschap. De Nationale Raad onderschrijft volledig art. 5, § 2 dat in een erkenning voorziet van de deskundigen door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, en § 3 dat aan de deskundige oplegt een omstandig verslag op te maken "overeenkomstig het model vastgesteld door de Koning". In vroegere adviezen heeft de Nationale Raad (o.a. advies 30 oktober 1999 [1]) reeds de nadruk gelegd op het belang van het statuut, de vorming en de registratie van gerechtsdeskundigen, wat de kwaliteit van de rapportage ten goede zal komen. Dit artikel zou door de overheid best spoedig uitgevoerd worden, liefst in samenspraak met de beroepsgroep.

Art. 5, § 4, bepaalt dat de wet van 22 augustus betreffende de rechten van de patiënt, met uitzondering van artikel 6 (de vrije keuze van arts) van toepassing is op het psychiatrisch deskundigenonderzoek. Er moet in een tweede uitzondering voorzien worden betreffende het inzagerecht van het expertisedossier door de patiënt. De federale commissie "Rechten van de patiënt" heeft hierover een advies goedgekeurd [2] . Dit standpunt wordt bijgetreden door de Nationale Raad in zijn advies van 26 juni 2010 waarin gesteld wordt dat "naargelang het stadium van de procedure, het de taak is van de procureur des Konings, van de onderzoeksrechter of van de feitenrechter om te oordelen over het recht op inzage in het medisch dossier dat bijgehouden wordt door de expertisearts" [3]. Deze laatste uitzondering betreft uitsluitend deskundigenopdrachten in strafrechtelijke procedures en niet in burgerrechtelijke procedures.

4. Artikel 6 voorziet in de mogelijkheid van een psychiatrisch deskundigenonderzoek met inobservatiestelling in de psychiatrische afdeling van de gevangenis. Deze mogelijkheid bestond reeds in de vorige wet maar kon nooit uitgevoerd worden omdat de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen hiervoor niet uitgerust zijn, en zij zijn het nog steeds niet. Het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot de instelling van een Penitentiair Onderzoek- en Klinisch Observatiecentrum (POKO) moest de inobservatiestelling zoals bepaald door de wet mogelijk maken [4]. Dit centrum is nooit opgericht en zonder dit centrum blijft dit artikel 6 een dode letter. De oprichting van het POKO zou een belangrijke leemte invullen en de kwaliteit van het psychiatrisch deskundigenonderzoek in moeilijke gevallen ten goede komen. Zoniet dient artikel 6 geschrapt te worden.

5. Voortaan zijn de strafuitvoeringsrechtbanken (SUR) bevoegd inzake alle beslissingen in verband met de uitvoering van de internering. Zij zullen dus de huidige Commissies tot Bescherming van de Maatschappij (CBM) vervangen.

Op zich stelt dit geen probleem, met toch een belangrijk voorbehoud : in de CBM zetelt één psychiater maar in de SUR is hierin niet voorzien. De Nationale Raad is van mening dat dit een lacune is die niet bevorderend is voor de kwaliteit van de werking van de SUR die uitspraken moet doen over delinquente psychiatrische patiënten in behandeling. Het ware wenselijk om binnen de SUR een bijzondere kamer voor internering te voorzien met een aangepaste samenstelling. De internering is eigenlijk geen straf maar wel een beschermingsmaatregel.

6. De analyse van het zeer omvangrijk "tenuitvoeringsluik" van de wet toont aan dat juridische overwegingen het halen boven de therapeutische noodwendigheden. De rigiditeit van de wettelijke regelgeving staat haaks op de noodzakelijke flexibiliteit van het therapeutisch handelen.

Meerdere artikels betekenen een achteruitgang vergeleken met de wet van 1964:
• Artikel 19 beperkt de verlofmogelijkheden tot "maximum zeven dagen per maand" terwijl de huidige praktijk leert dat langere periodes vaak aangewezen zijn vanuit therapeutisch standpunt. Deze termijnbeperking wordt best verlaten.
• Volgens artikel 25 kan de geïnterneerde niet meer onmiddellijk op proef in vrijheid worden gesteld en moeten er verplicht eerst andere modaliteiten van internering toegepast worden, al zijn die vanuit behandelstandpunt overbodig of achterhaald. Meerdere geïnterneerden verschijnen nu vrij voor de CBM en deze kan onmiddellijk een vrijheid op proef beslissen. Dit zal voortaan niet meer mogelijk zijn en dus aanleiding geven tot talrijke overbodige en nutteloze administratieve verwijzingen voor residentiële verblijven die geen zin hebben. Dit kan alleen bijdragen tot een nodeloze verzadiging van het forensisch zorgnetwerk. Bovendien leert de medische ethiek dat patiënten die gedwongen behandeld worden, dienen verwezen te worden naar de minst restrictieve omgeving rekening houdend met hun pathologie en de veiligheidsvereisten. Ambulante behandelingen of opnames van geïnterneerden in de reguliere psychiatrie als ‘vrij op proef' moeten verder kunnen beslist worden zonder te voldoen aan de eisen gesteld door art. 25 van de nieuwe wet. Dit artikel wordt best afgeschaft of zo herschreven dat de SUR, mits een aangepaste motivatie gegeven wordt, de invrijheidstelling op proef kan beslissen zonder te voldoen aan de huidige voorwaarden van art. 25 [5].

7. De SUR duidt de inrichting aan waar de geïnterneerde zal worden "geplaatst" (art. 17) voor behandeling. Dit is zowel mogelijk in inrichtingen van de federale overheid (bv. Paifve, Merksplas, Turnhout,...) als in niet-federale inrichtingen tot bescherming van de maatschappij (bv. Les Marronniers te Doornik) of privé-instellingen (bv. psychiatrische ziekenhuizen). De overheid heeft bovendien beslist om een forensisch zorgnetwerk te organiseren en te financieren met in Vlaanderen, in Gent en Antwerpen, onder andere de bouw van twee hoogbeveiligde inrichtingen tot bescherming van de maatschappij. Het is de bedoeling van de overheid en de beroepsgroep om behandelingsmogelijkheden te bieden aan geïnterneerden volgens de huidige stand van de wetenschap en op een niveau vergelijkbaar met dat van de reguliere psychiatrie (art. 88 basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de geïnterneerden).

De SUR moet de plaatsing (of overplaatsing) van een geïnterneerde kunnen vorderen in een federale of niet-federale hoogbeveiligde inrichting tot bescherming van de maatschappij maar de plaatsing/opname of behandeling in de overige schakels van het zorgnetwerk gebeurt in overleg en niet onder de vorm van een eenzijdige vordering. Het huidige art. 17 maakt geen onderscheid tussen de verschillende schakels van het netwerk en dit is een tekortkoming. Het is duidelijk dat een psychiatrische eenheid van een regulier psychiatrisch ziekenhuis alleen geïnterneerden kan opnemen waarvoor zij een behandelproject hebben en op voorwaarde dat de geïnterneerde zich hierbij kan aansluiten. Zoals thans het geval is moet de opname van een geïnterneerde in privé-instellingen in overleg plaatsvinden met garanties voor alternatieve oplossingen in geval van mislukking.

8. Art. 38 stelt dat het de taak is van de directeur van de zorginrichtingen van de federale overheid of van de verantwoordelijke van een niet federale zorginrichting om regelmatig zijn advies over te maken aan de SUR. De Nationale Raad heeft in zijn advies d.d. 30 oktober 1999 over het eindverslag van de Commissie Internering benadrukt dat een strikte scheiding tussen de taken van een deskundige en die van zorgverlener aangewezen is. De hierboven vermelde basiswet bevestigt de onverzoenbaarheid van de functie van expert en die van zorgverlener (art. 100 en art. 101) [6].

9. In de gevangenis functioneren de penitentiaire zorgequipes onafhankelijk van de adviesverlenende psycho-sociale dienst. Adviezen uitbrengen over een geïnterneerde aan de SUR behoort tot de functie van de expert en niet tot deze van de zorgverlener. De Nationale Raad onderschrijft deze zienswijze maar het feit dat beide functies inherent zijn aan de forensische context kan aanleiding geven tot deontologische problemen. Daarom vindt de Nationale Raad het raadzaam dat elke zorginstelling voor geïnterneerden een intern document zou uitwerken waarin vastgelegd wordt hoe een advies tot stand komt en wat de verantwoordelijkheid is van elke medewerker. Tot slot herinnert de Nationale Raad aan art. 458 SWB dat stelt dat een arts het beroepsgeheim niet kan schenden als hij ‘in rechte' getuigt, bv. voor de strafuitvoeringsrechter.

10. Art. 112 regelt het moeilijke probleem van de "geïnterneerde-veroordeelde" die einde "straf" is en volgens de SUR een ernstige bedreiging zou vormen voor andermans leven of integriteit. Thans ressorteert de geïnterneerde-veroordeelde onder de bevoegdheid van de CBM maar dit wordt in strijd geacht zowel met artikel 7 van de Grondwet als met artikel 5 van het EVRM. Zonder enig overleg met de beroepsgroep heeft de wetgever beslist dat in dergelijke gevallen de gevaarlijke geestesgestoorde geïnterneerde delinquent behandeld zou worden overeenkomstig een aangepaste vorm van de wet van 26 juni 1990 op de bescherming van de persoon van de geestesgestoorde. Dit is een burgerlijke procedure (geen strafrechtelijke) die de gedwongen opname van psychiatrische patiënten regelt. De aanpassing van de wet van 26 juni 1990 vergroot de macht van de vrederechter en bindt die van de psychiater, hoofd van de psychiatrische dienst, die bijvoorbeeld (artikel 141) niet meer mag beslissen over ontslag van de gedwongen opgenomen geïnterneerde of over het niet verlengen van de maatregel. De vrederechter neemt de functie over van de SUR. Dit is een juridische schijnoplossing want het bestaande burgerlijke systeem voor de gedwongen opname is geenszins geschikt voor de opvang en behandeling van deze gevaarlijk geachte geestesgestoorde delinquente patiëntenpopulatie. De Nationale Raad dringt aan op een voor deze doelgroep aangepast wettelijk kader.

[1] Advies NR d.d. 30 oktober 1999: Ministerie van Justitie - Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering, Tijdschrift Nationale Raad nr. 87 p. 17.

[2] Federale commissie “Rechten van de patiënt”, advies d.d. 9 oktober 2009 “Advies betreffende de consultatie van het medische dossier dat wordt bijgehouden door de geneesheer-expert in het kader van een strafzaak”.

[3] Nationale Raad Orde van geneesheren, advies d.d. 26/06/2010, “Inzage door de patiënt in zijn medisch dossier opgesteld door een expertise arts”.

[4] Het POKO moest het statuut krijgen van wetenschappelijke instelling van de Staat en niets wijst erop dat het ooit zal opgericht worden. De Franse benaming van het POKO is “Centre pénitentiaire de recherche et d’observation clinique” (CPROC)

[5] Voor meer informatie over dit schadelijk artikel 25, zie pp. 338-339 en p. 362 van het artikel van O. Vandemeulebroeke, « Un autre régime d’internement des délinquents atteints d’un trouble mental. La loi du 21 avril 2007 », Revue de droit pénal et de criminologie, avril 2008, 308-363.

[6] Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de geïnterneerden, Belgisch Staatsblad 01.02.2005, pp. 2815-2850.