keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Beroepsgeheim12/12/2020 Documentcode: a167039
Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen

Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen - algemene beginselen

Inhoud

1. Inleiding

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

2.2. De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis - patiënt als dader of slachtoffer

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

2.9. Vermiste personen

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend karakter" van de verdwijning

2.9.2. Opsporing van de patiënt

2.9.3. Ten behoeve van het opstellen van een ante-mortem dossier

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

2.11.1. De getuigenis in rechte

2.11.2. casusoverleg

2.11.3. Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

2.11.3.3. Specifieke toepassing: gerechtelijke bloedafname indien het slachtoffer mogelijk besmet is met een ernstige ziekte ter gelegenheid van een strafbaar feit

2.11.3.4. DNA-onderzoek

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

3. Besluit

1. Inleiding

Binnen de context van het ziekenhuisgebeuren, hebben artsen en ziekenhuisinstellingen een andere finaliteit dan politiediensten en parketten. Waar eerstgenoemden tot doel hebben kwaliteitsvolle zorg te verstrekken aan iedere patiënt die zich aanbiedt op de ziekenhuisdienst, hebben laatstgenoemden de taak de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en objectieve vaststellingen te doen om naderhand de waarheidsvinding van de rechter te faciliteren.

Toch komen beiden geregeld met elkaar in aanraking en dwingt de situatie hen om samen te werken, niettegenstaande hun vaak tegenstrijdige doelen en normen. Zo is de arts gehouden tot het beroepsgeheim, terwijl de politie, in de context van een onderzoek, net zo veel mogelijk informatie van een potentiële dader of een slachtoffer poogt te verzamelen. Ook andere fundamentele rechten, zoals het recht op zorg en het recht van verdediging, blijven van toepassing.

Het voorziene wettelijke kader is soms onvoldoende gekend, zowel bij de artsen als de politiediensten, of schept niet genoeg duidelijkheid over hoe beide actoren in een specifieke situatie moeten handelen. In sommige regio's(1) hebben de ziekenhuizen, de politie en het openbaar ministerie een samenwerkingsprotocol opgesteld, dat een aantal afspraken vastlegt over hoe de interactie tussen hen moet verlopen met het oog op maximale efficiëntie en effectiviteit van beide diensten.

Dergelijke samenwerkingsprotocollen bevorderen een vlotte samenwerking tussen de verschillende actoren op het terrein en bieden een antwoord op een aantal specifieke situaties. Het risico bestaat er evenwel in dat iedere regio andere afspraken maakt of dat afspraken worden gemaakt die tegenstrijdig zijn met de bestaande wetgeving of de medische deontologie.

Om dit te voorkomen, geeft de nationale raad in volgend advies een overzicht van welke deontologische beginselen de arts in acht moet nemen in een bijzondere situatie, met respect voor het recht op privacy, het beroepsgeheim, de toegang tot de zorg, de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de menselijke waardigheid en de autonomie van de patiënt.

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

Indien een patiënt zich schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens een andere patiënt, een arts, het ziekenhuispersoneel of het ziekenhuis, mag de arts hiervan aangifte doen bij de politie. Het kan bijvoorbeeld gaan om bedreigingen tegenover de arts, fysiek geweld ten aanzien van medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten, vernielingen aan de praktijkruimte, in het bezit zijn van gevaarlijke wapens(2), e.a.

De arts geeft aan de politie de naam van de dader en de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan. De medische gegevens van de dader worden niet vrijgegeven.

De politie die ter plaatse komt, wordt toegelaten tot de ruimte, waar de patiënt zich bevindt en waar de feiten zich hebben voorgedaan, om de eerste vaststellingen te kunnen doen.

2.2. De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis – patiënt als dader of slachtoffer

Wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep te weten komt dat de patiënt een strafbaar feit heeft gepleegd, valt dit onder het beroepsgeheim.

Ook wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep verneemt dat de patiënt het slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, valt dit onder het beroepsgeheim en respecteert de arts de keuze van het slachtoffer om geen aangifte te doen bij de politie.

Voor sommige misdrijven gepleegd op een minderjarige of een kwetsbare persoon, bepaalt artikel 458bis van het Strafwetboek dat de arts zijn beroepsgeheim mag doorbreken, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden.(3) Het gaat in het bijzonder om misdrijven die een ernstige inbreuk vormen op de fysieke integriteit van een minderjarige of een kwetsbare persoon, zoals mensenhandel, moord of partnergeweld, of misdrijven van seksuele aard, zoals aanranding van de eerbaarheid of verkrachting van een kind of een gehandicapte persoon.(4)

Indien de arts kennis heeft van een voornoemd misdrijf en van oordeel is dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat dat de dader opnieuw zal toeslaan en hij de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de kwetsbare persoon niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, mag hij het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings.(5)

Naast de wettelijke uitzondering van artikel 458bis van het Strafwetboek, is de arts onderworpen aan artikel 422bis van Strafwetboek, dat een wettelijke hulpverplichting inhoudt aan een persoon die in groot gevaar verkeert. In sommige situaties is het niet evident om beide normen, met name het beroepsgeheim en de wettelijke hulpverplichting, met elkaar te verzoenen.(6) Bij dergelijk conflict van plichten kan de "noodtoestand" van toepassing zijn.

De noodtoestand is een begrip ontwikkeld in de rechtsleer en de rechtspraak, dat impliceert dat, in uitzonderlijke omstandigheden, het overtreden van een strafrechtelijke norm (bijvoorbeeld de schending van het beroepsgeheim) niet zal gestraft worden wanneer deze inbreuk kan worden verantwoord ter bescherming van een ander belang met eenzelfde of een hoger geachte waarde of ter voorkoming van een ander misdrijf (bijvoorbeeld moord). Een schending van het beroepsgeheim kan uitzonderlijk worden verrechtvaardigd indien een ernstig, actueel en zeker gevaar op geen enkele andere manier kan worden afgewend.(7) Of er sprake is van een noodtoestand, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Het is aan de arts om de beide normen of belangen tegenover elkaar af te wegen.(8)

Ten slotte is, overeenkomstig artikel 30 van het Wetboek van strafvordering, iedere persoon die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden.(9)

In de context van de zorgrelatie tussen een arts en een patiënt komt deze algemene aangifteplicht van geweld- en eigendomscriminaliteit in strijd met het beroepsgeheim. Bijgevolg werd in de rechtsleer en de rechtspraak de stelling ontwikkeld dat de in artikel 30 Sv. vervatte aangifteplicht niet geldt voor een feit waarvan een patiënt de dader is geweest van een misdrijf.(10)

Indien een patiënt het slachtoffer is van een misdrijf, dient de algemene aangifteplicht, gelezen in samenhang met de uitzonderingen in artikel 458bis van het Strafwetboek, worden genuanceerd. Het kan nooit de bedoeling zijn om aangifte te doen van een misdrijf wanneer dit ingaat tegen de belangen van de patiënt. Binnen de zorgrelatie zal er slechts aangifte worden gedaan na een weloverwogen afweging van verschillende normen. Bijgevolg is er sprake van een spreekrecht en geen spreekplicht.

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

De arts die tijdens het onderzoek of de behandeling verdovende middelen aantreft op of in het lichaam van een patiënt, overhandigt deze zo spoedig mogelijk aan de politiediensten, zonder vermelding van de persoons- of medische gegevens van de patiënt, tenzij er sprake is van een uitzondering op het beroepsgeheim (cf. 2.2). Dit wordt gecommuniceerd aan de patiënt en wordt vermeld in het patiëntendossier. Het is van belang dat de patiënt het vertrouwen in de arts en de zorgverlening behoudt en dat duidelijk wordt uitgelegd aan de patiënt dat de arts geen opsporingsbevoegdheid heeft en de identiteit van de patiënt niet vrij zal geven aan de politiediensten.

De arts mag in deze context rekening houden met het proportionaliteitsbeginsel.

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

Indien de politie van oordeel is dat een door haar begeleide patiënt een bedreiging vormt voor de (fysieke) integriteit van het ziekenhuispersoneel, laat de arts toe dat de politie aanwezig is in de behandelingsruimte of in de onmiddellijke nabijheid.

De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening ernstig hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken zo veilig en kwaliteitsvol mogelijk kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het Strafwetboek.

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

Afhankelijk van de dringendheid van medische zorgen aan de patiënten aanwezig op de spoedafdeling, verleent de arts voorrang aan de patiënt onder politiebegeleiding of aan de politieambtenaar die in de uitoefening van zijn functie zelf gewond is en verzorging nodig heeft.

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

De politie mag de publieke ruimtes, zoals de ontvangsthal, de wachtkamer en de gangen van het ziekenhuis vrij betreden.

De praktijkruimte mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt en de behandelende arts. De behandelende arts zal zich hiertegen slechts verzetten indien het betreden van de ruimte de verzorging ernstig hindert.

De patiëntenkamer mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt, tenzij bij ontdekking op heterdaad of op bevel van de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering.

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

De politiediensten die het politioneel onderzoek voeren, trachten zoveel mogelijk informatie te verzamelen, onder meer medische informatie over een vermoedelijke dader of een slachtoffer.

De behandelende arts is gehouden tot de eerbiediging van het beroepsgeheim en mag in principe geen medische informatie doorgeven aan de politiediensten. Dit bemoeilijkt het onderzoek en is naderhand niet bevorderlijk voor de waarheidsvinding van de rechter, in het bijzonder wanneer de politieambtenaar de medische situatie interpreteert op een wijze die niet volledig strookt met de medische werkelijkheid.(11)

Toch primeert de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt en moet de arts zeer voorzichtig omspringen met het doorbreken van het beroepsgeheim. Een te lakse houding ten aanzien van het beroepsgeheim kan grotere risico's met zich meebrengen dan de gevaren of nadelen die eventueel kunnen worden voorkomen.

De patiënt kan evenwel vragende partij zijn om medische informatie mee te delen aan de politiediensten of het parket. De patiënt heeft het recht zelf te beschikken over zijn medische informatie en mag zijn medewerking verlenen aan de politiediensten. In dat geval kan de arts een specifiek medisch attest opstellen, met beperkte medische gegevens(12), dat via de patiënt wordt afgeleverd aan de politie. Het is de taak van de arts om de patiënt te beschermen tegen de overdracht van zijn medische gegevens aan derden en hem in te lichten over de mogelijke gevolgen van het overhandigen van zijn medische gegevens aan de politiediensten.

De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud er van is en of hij het heeft afgeleverd aan de patiënt zelf of rechtstreeks aan de politiediensten, op vraag van de patiënt.

Ten slotte informeert de arts de patiënt over de mogelijkheid een uitgebreid medisch verslag op te stellen. De patiënt kan ervoor opteren dit verslag toe te voegen aan het politioneel dossier, eventueel op een later tijdstip. In dat geval wordt door de arts het verslag onder gesloten omslag gericht aan de eventuele arts-gerechtsdeskundige en met vermelding "medisch geheim" overhandigd aan de politiediensten.

In het geval de patiënt wilsonbekwaam is, is het gebruikelijk dat de arts een medisch attest, met een beperkt aantal medische gegevens, overhandigt aan de vertegenwoordiger van de patiënt of, bij afwezigheid van een vertegenwoordiger, aan de familieleden(13).

Bij afwezigheid van een vertegenwoordiger of familieleden, kan de arts, in het belang van de patiënt, na afweging van het principe van proportionaliteit en indien noodzakelijk, een medisch attest met een beperkt aantal medische gegevens rechtstreeks afleveren aan de politiediensten. Voorbeelden van een dergelijk attest zijn terug te vinden in bijlage 1.

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

Indien de politie oordeelt dat het noodzakelijk is de potentiële dader of het slachtoffer te verhoren in het ziekenhuis, verschaft de arts de politie toegang tot de behandelingsruimte of de patiëntenkamer, mits toestemming van de patiënt, en mits de medische situatie van de patiënt dit toelaat.

2.9. Vermiste personen

Wanneer een persoon als vermist wordt opgegeven, heeft de politie tal van redenen om contact op te nemen met de behandelende arts van de vermiste persoon of de naburige ziekenhuizen.

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend" karakter van de verdwijning

De politie kan genoodzaakt zijn om medische informatie van de vermiste persoon op te vragen om het "onrustwekkend karakter" van de vermissing in te schatten. De behandelende arts van de vermiste persoon mag enkel meedelen aan de politiediensten of de vermissing, gezien de medische situatie van de patiënt, potentieel levensbedreigend is, bijvoorbeeld omdat de patiënt suïcidaal is, er een risico bestaat op desoriëntatie, of omdat de patiënt afhankelijk is van levensnoodzakelijke medicatie.

2.9.2. Opsporing van de patiënt

Op basis van de Ministeriële richtlijn "Opsporing vermiste personen" van 26 april 2014, zullen de politiediensten, in geval van een "onrustwekkende verdwijning", de omliggende ziekenhuizen contacteren.

Om te vermijden dat het opsporingsonderzoek onnodig wordt verdergezet, mag de betrokken arts de politiediensten op de hoogte brengen van het al dan niet aanwezig zijn van de patiënt in het ziekenhuis, zonder de medische gegevens van de patiënt vrij te geven.

Concrete problemen rijzen wanneer de patiënt zijn ziekenhuisopname voor zijn omgeving wil geheimhouden. Enerzijds moet het recht op privacy van de betrokken patiënt gerespecteerd worden, anderzijds moet worden voorkomen dat het opsporingsonderzoek wordt verder gezet. In dat geval is het aangewezen een beroep te doen op een tussenpersoon, bijvoorbeeld de voorzitter van een provinciale raad van de Orde der artsen, of een gedelegeerd raadslid, die de bevoegde parketmagistraat meedeelt dat er geen redenen voorhanden zijn om de verdwijning als "onrustwekkend" te beschouwen.(14)

2.9.3. Voor wat betreft de zoektocht naar delinquenten, maakt de arts een afweging tussen het beroepsgeheim en het algemeen belang. Ten behoeve van het opstellen van een ante mortem-dossier

Het Disaster Victim Identification (DVI) van de Federale Politie heeft onder meer de taak om de overleden slachtoffers te identificeren op basis van een vergelijking tussen het ante mortem-dossier en het post mortem-dossier.(15)

Ter voorbereiding van een identificatie van een potentieel slachtoffer, kan, in opdracht van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter een arts-gerechtsdeskundige worden aangesteld, voor het opmaken van een ante mortem-dossier. In dat geval zal de behandelende arts het patiëntendossier van de vermiste persoon overhandigen aan de politiediensten, onder gesloten omslag, gericht aan de arts-gerechtsdeskundige, met als opschrift "medisch geheim". De arts-gerechtsdeskundige zal oordelen welke gegevens uit het patiëntendossier nodig zijn voor het opstellen van het ante mortem-dossier.

De inzage van het patiëntendossier door de politiediensten met het oog op het opstellen van een ante mortem-dossier, houdt een schending in van het beroepsgeheim.

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

De situatie kan zich voordoen dat een persoon gewond raakt tijdens het plegen van een crimineel feit. Wanneer de politiediensten een gewonde persoon arresteren, zal deze in eerste instantie worden overgebracht naar het ziekenhuis voor verzorging. In het geval de politiediensten over gaan tot een vrijheidsberoving, wordt bij gelegenheid aan de behandelende arts gevraagd of de medische situatie van de patiënt het wel toelaat om de patiënt op te sluiten of te verhoren.

Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren dat bepaalt dat de medische situatie van de patiënt het toelaat deze laatste te verhoren of op te sluiten. De behandelende arts heeft immers niet de taak om op te treden als arts-gerechtsdeskundige. De behandelende arts heeft enkel de taak om verzorging te verlenen en kan, via de patiënt, een attest afleveren aan de politiediensten met een beperkt aantal medische gegevens (cf. supra).(16)

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

Het beroepsgeheim is niet absoluut. De wet voorziet in een aantal uitzonderingen die de arts toelaten te spreken (cfr. 2.2.).

Daarnaast hebben de procureur des Konings en de onderzoekrechter wettelijke middelen ter beschikking voor het voeren van een efficiënt en waarheidsgetrouw onderzoek.

2.11.1.De getuigenis in rechte

De arts kan opgeroepen worden om een getuigenis af te leggen voor de onderzoeksrechter of voor een parlementaire onderzoekscommissie.(17)

De arts heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.(18)

Deze wettelijke uitzondering laat evenwel niet toe een getuigenis af te leggen voor de politiediensten of het parket.

2.11.2.Casusoverleg

Artikel 458ter van het Strafwetboek biedt mogelijkheden om tussen diverse dragers van het beroepsgeheim een zogenaamd casusoverleg te organiseren en tot een interdisciplinaire samenwerking te komen, met het oog op de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van een persoon of van derden, of ter voorkoming van terroristische misdrijven of van misdrijven in het raam van een criminele organisatie zoals bepaald in artikel 324bis van het Strafwetboek.

Het overleg wordt georganiseerd bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie, of bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings.(19)

De arts die gevraagd wordt deel te nemen aan het overleg heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.

2.11.3.Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

De procureur des Konings of de onderzoeksrechter kan tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek een arts-gerechtsdeskundige aanstellen om de medische toestand van de potentiële dader of het slachtoffer te onderzoeken.(20)

De arts die als arts-gerechtsdeskundige verslag uitbrengt over de gezondheidstoestand van een persoon, binnen de grenzen van zijn opdracht, schendt het beroepsgeheim niet.

De behandelende arts dient de nodige informatie ter beschikking te stellen aan de arts-gerechtsdeskundige.

De opdrachten als arts-gerechtsdeskundige zijn evenwel onverenigbaar met deze van behandelende arts.(21)

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

De arts die op vordering van de bevoegde overheid een gerechtelijke bloedafname uitvoert en een bijhorend verslag opstelt, maakt zich niet schuldig aan een schending van het beroepsgeheim. Indien enkel de behandelende arts kan worden gevorderd, neemt hij het gerechtelijk bloedstaal af zonder informatie te verschaffen over de eventuele tekens van intoxicatie of andere medische gegevens.

De arts is verplicht de gevorderde handelingen te stellen en kan zich hiervan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra-indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke de betrokkene aanvoert om zich eraan te onttrekken, als gegrond erkent.(22)

De resultaten van de bloedproef en het bijhorende verslag kunnen onder gesloten omslag worden meegegeven aan de politiediensten, die deze aan de opvorderende magistraat zullen overhandigen.

De arts mag geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene die weigert zich te onderwerpen aan de afname van een gerechtelijk bloedstaal.

2.11.3.3. Specifieke toepassing: gerechtelijke bloedafname indien het slachtoffer mogelijk besmet is met een ernstige ziekte ter gelegenheid van een strafbaar feit

Als er ernstige aanwijzingen zijn dat een slachtoffer van een misdrijf bij gelegenheid van dat strafbaar feit besmet kan zijn met een ernstige ziekte die voorkomt op een bij koninklijk besluit vastgestelde lijst(23), kan de procureur des Konings de verdachte vragen een bloedstaal te laten afnemen om te onderzoeken of hij drager is van deze ziekte.

In dit geval valt de medische informatie onder het beroepsgeheim en zal het gevorderde referentielaboratorium het resultaat enkel overmaken aan de behandelende arts van het slachtoffer, en de behandelende arts van de verdachte op diens verzoek. De medische gegevens worden niet overgemaakt aan de procureur des Konings.

2.11.3.4. DNA-onderzoek

De arts kan eveneens gevorderd worden voor het afnemen van haar (met wortels), wangslijmvlies of bloed tot het verrichten van een gerechtelijk DNA-onderzoek.(24) De arts is verplicht deze handelingen te stellen en een verslag op te maken.

Ook voor de uitvoering van een DNA-onderzoek mag de arts geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene. Indien de betrokkene weigert zich te onderwerpen aan de proeven, wordt dit vermeld in het proces-verbaal.

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

Het maken van beeldopnames in de praktijkruimte of de patiëntenkamer is onaanvaardbaar.(25)

Onder de voorwaarden bepaald in de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, kunnen camera's geplaatst worden in ruimten toegankelijk voor het publiek (inkomhal, gangen van het ziekenhuis, enz.), teneinde de veiligheid voor artsen en patiënten in ziekenhuizen te garanderen en bewijzen te verzamelen van een misdrijf. Het beeldmateriaal van het misdrijf kan worden overhandigd aan de politiediensten.

3. Besluit

De samenwerking tussen de arts, het ziekenhuis, de politionele diensten en het openbaar ministerie moet gepaard gaan met respect voor de deontologische beginselen eigen aan ieders beroep. Het is de taak van de arts zich te informeren over de wettelijke bepalingen en de principes van medische deontologie alvorens medische informatie over te dragen aan de gerechtelijke overheid en de politie.

Het is de deontologische plicht van de arts om bij vordering door een magistraat zijn taak als arts-gerechtsdeskundige eerlijk en nauwgezet te vervullen. Een goede communicatie en duidelijke afspraken tussen beide actoren zijn bevorderend voor de goede werking van het justitieel apparaat en de zorgsector.

De deontologische principes in dit advies zijn van toepassing op alle artsen. Daarnaast werkt de nationale raad aan een advies betreffende de samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de huisartsen.

Voor deontologisch advies in concrete situaties kunnen artsen steeds terecht bij hun provinciale raad.

Bijlage 1

Bijlage 2

Bronnen

Wetgeving

- Artt. 422bis, 458, 458bis, 458ter, Strafwetboek

- Artt. 30, 43, 44, 56, Wetboek van Strafvordering

- Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

- Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's

- Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)

Koninklijk Besluit van 16 maart 1968, tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het Wegverkeer

Documentatie

- Code van medische deontologie, versie 2018

- Handboek Gezondheidsrecht Volume II, T. Vansweevelt en F. Dewallens

- Omgaan met beroepsgeheim, B. Hubeau, J. Mertens, J. Put, R. Roose, K. Stas, F. Vander Laenen

- Beroepsgeheim en hulpverlening, I. Van der Straete, J. Put

- Forensische geneeskunde, W. Van de Voorde

- Beroepsgeheim en Politie/Justitie, KNMG

- Samenwerkingsprotocol tussen de Limburgse algemene ziekenhuizen -Limburgse politiediensten - Parket Limburg

- Samenwerkingsprotocol tussen de functies gespecialiseerde spoedgevallenzorg en de lokale politie Antwerpen

- Samenwerkingsprotocol politiezones-huisartsen tussen de lokale huisartsenkring en artsenkring Zennevallei

- Protocolakkoord-organisatie en afspraken wachtdienstregeling artsen gedwongen opnames voor meerderjarigen-Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen-afdeling Dendermonde

Adviezen nationale raad Orde der artsen

- Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk, advies NR van 21 september 2019, a166010

- Drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen, advies NR van 19 maart 2005, a108007

- Opname in een psychiatrisch ziekenhuis-mededeling aan politie of procureur des Konings, advies NR 24 april 1999, a085004

- Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie, advies NR van 20 april 2013, a141014-R

- Begrip ‘ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid' voor het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen - artikel 399 van het Strafwetboek, advies NR 6 mei 2017, a157009

- Medisch geheim en justitie, advies NR 30 september 2013, a144011



(1) Bijvoorbeeld in Antwerpen en Limburg

(2) Zie ook advies nationale raad Orde der artsen, "drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen", 19 maart 2005, a108007

(3) Dit geldt zowel voor de situatie waarbij de patiënt de dader is, als voor de situatie waarbij de patiënt het slachtoffer is.

(4) Artikel 458bis, Strafwetboek

(5) Ibid.

(6) Bijvoorbeeld: een patiënt wil uit het leven stappen en vertrouwt de arts toe dat hij bij thuiskomst eerst zijn echtgenote van het leven zal beroven. De arts is enerzijds gehouden tot het beroepsgeheim, anderzijds is hij verplicht een persoon in groot gevaar te helpen (t.t.z. de patiënt en de echtgenote). De arts kan oordelen dat de wettelijke hulpverplichting doorweegt op het beroepsgeheim en derden op de hoogte brengen (bijvoorbeeld de politiediensten).

(7) Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de patiënt de arts toevertrouwt dat hij van plan is een andere persoon van het leven te beroven.

(8) Bij conflict zal het uiteindelijk de rechter zijn die oordeelt of er sprake is van een noodtoestand.

(9) Art. 30 Wetboek van Strafvordering

(10) Het is evenwel niet uitgesloten dat de bekendmaking van de feiten dan wordt gerechtvaardigd door een beroep te doen op de noodtoestand, bijvoorbeeld wanneer de patiënt de arts, andere medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten ernstig bedreigt of het ziekenhuis vernielt (cf. 2.1.). De arts van de patiënt-dader, die soms de enige getuige zal zijn van het misdrijf, kan de politiediensten oproepen om de veiligheid van collega's en andere patiënten in het ziekenhuis te waarborgen. De arts zal in dergelijke situatie evenwel geen medische informatie van de patiënt doorgeven aan de politiediensten.

(11) Bijvoorbeeld de identificatie van het type letsel.

(12) In dit attest worden opgenomen: naam en voornaam patiënt, geboortedatum, adres, datum van verzorging, naam van het ziekenhuis, algemene beschrijving van de letsels, raming van de ernst, raming van de voorziene duur van arbeidsongeschiktheid

(13) De echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de feitelijk samenwonende partner, de kinderen, de ouders, de zussen of de broers.

(14) Advies nationale raad Orde der artsen, "Opname in een psychiatrisch ziekenhuis - Mededeling aan politie of procureur des Konings", 24 april 1999, a085004

(15) Interpol standing committee on DVI - Resolution AGN/65/res/13; Koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de Civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari betreffende de nood- en interventieplannen; Koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie

(16) Zie ook advies van de nationale raad Orde der artsen, "Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie", 20 april 2013, a141014-R

(17) Art. 458 Strafwetboek

(18) Art. 28 Code van medische deontologie

(19) Art. 458ter Strafwetboek

(20) Art. 43, 44 en 56 Wetboek van strafvordering

(21) Art. 43 Code van medische deontologie

(22) Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

(23) Koninklijk besluit van 17 mei 2018 houdende vaststelling van de besmettelijke ziekten voor dewelke de procedure bedoeld in ‘Hoofdstuk IX - Onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit', van boek II, titel IV, van het Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast en tot vaststelling van de laboratoria aan dewelke deze onderzoeken kunnen worden opgedragen

(24) Art. 44ter e.v. Wetboek van strafvordering

(25) Advies nationale raad Orde der artsen, "Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk", 21 september 2019, a166010

Aangifte bij de politie, de gerechtelijke overheid30/04/2020 Documentcode: a167013
Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – algemene beginselen

Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen - algemene beginselen

Inhoud

1. Inleiding

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

2.2. De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis - patiënt als dader of slachtoffer

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

2.9. Vermiste personen

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend karakter" van de verdwijning

2.9.2. Opsporing van de patiënt

2.9.3. Ten behoeve van het opstellen van een ante-mortem dossier

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

2.11.1. De getuigenis in rechte

2.11.2. casusoverleg

2.11.3. Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

2.11.3.3. Specifieke toepassing: gerechtelijke bloedafname indien het slachtoffer mogelijk besmet is met een ernstige ziekte ter gelegenheid van een strafbaar feit

2.11.3.4. DNA-onderzoek

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

3. Besluit

1. Inleiding

Binnen de context van het ziekenhuisgebeuren, hebben artsen en ziekenhuisinstellingen een andere finaliteit dan politiediensten en parketten. Waar eerstgenoemden tot doel hebben kwaliteitsvolle zorg te verstrekken aan iedere patiënt die zich aanbiedt op de ziekenhuisdienst, hebben laatstgenoemden de taak de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en objectieve vaststellingen te doen om naderhand de waarheidsvinding van de rechter te faciliteren.

Toch komen beiden geregeld met elkaar in aanraking en dwingt de situatie hen om samen te werken, niettegenstaande hun vaak tegenstrijdige doelen en normen. Zo is de arts gehouden tot het beroepsgeheim, terwijl de politie, in de context van een onderzoek, net zo veel mogelijk informatie van een potentiële dader of een slachtoffer poogt te verzamelen. Ook andere fundamentele rechten, zoals het recht op zorg en het recht van verdediging, blijven van toepassing.

Het voorziene wettelijke kader is soms onvoldoende gekend, zowel bij de artsen als de politiediensten, of schept niet genoeg duidelijkheid over hoe beide actoren in een specifieke situatie moeten handelen. In sommige regio's(1) hebben de ziekenhuizen, de politie en het openbaar ministerie een samenwerkingsprotocol opgesteld, dat een aantal afspraken vastlegt over hoe de interactie tussen hen moet verlopen met het oog op maximale efficiëntie en effectiviteit van beide diensten.

Dergelijke samenwerkingsprotocollen bevorderen een vlotte samenwerking tussen de verschillende actoren op het terrein en bieden een antwoord op een aantal specifieke situaties. Het risico bestaat er evenwel in dat iedere regio andere afspraken maakt of dat afspraken worden gemaakt die tegenstrijdig zijn met de bestaande wetgeving of de medische deontologie.

Om dit te voorkomen, geeft de nationale raad in volgend advies een overzicht van welke deontologische beginselen de arts in acht moet nemen in een bijzondere situatie, met respect voor het recht op privacy, het beroepsgeheim, de toegang tot de zorg, de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de menselijke waardigheid en de autonomie van de patiënt.

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

Indien een patiënt zich schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens een andere patiënt, een arts, het ziekenhuispersoneel of het ziekenhuis, mag de arts hiervan aangifte doen bij de politie. Het kan bijvoorbeeld gaan om bedreigingen tegenover de arts, fysiek geweld ten aanzien van medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten, vernielingen aan de praktijkruimte, in het bezit zijn van gevaarlijke wapens(2), e.a.

De arts geeft aan de politie de naam van de dader en de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan. De medische gegevens van de dader worden niet vrijgegeven.

De politie die ter plaatse komt, wordt toegelaten tot de ruimte, waar de patiënt zich bevindt en waar de feiten zich hebben voorgedaan, om de eerste vaststellingen te kunnen doen.

2.2.De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis - patiënt als dader of slachtoffer

Wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep te weten komt dat de patiënt een strafbaar feit heeft gepleegd, valt dit onder het beroepsgeheim.

Ook wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep verneemt dat de patiënt het slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, valt dit onder het beroepsgeheim en respecteert de arts de keuze van het slachtoffer om geen aangifte te doen bij de politie.

Voor sommige misdrijven gepleegd op een minderjarige of een kwetsbare persoon, bepaalt artikel 458bis van het Strafwetboek dat de arts zijn beroepsgeheim mag doorbreken, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden.(3) Het gaat in het bijzonder om misdrijven die een ernstige inbreuk vormen op de fysieke integriteit van een minderjarige of een kwetsbare persoon, zoals mensenhandel, moord of partnergeweld, of misdrijven van seksuele aard, zoals aanranding van de eerbaarheid of verkrachting van een kind of een gehandicapte persoon.(4)

Indien de arts kennis heeft van een voornoemd misdrijf en van oordeel is dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat dat de dader opnieuw zal toeslaan en hij de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de kwetsbare persoon niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, mag hij het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings.(5)

Naast de wettelijke uitzondering van artikel 458bis van het Strafwetboek, is de arts onderworpen aan artikel 422bis van Strafwetboek, dat een wettelijke hulpverplichting inhoudt aan een persoon die in groot gevaar verkeert. In sommige situaties is het niet evident om beide normen, met name het beroepsgeheim en de wettelijke hulpverplichting, met elkaar te verzoenen.(6) Bij dergelijk conflict van plichten kan de "noodtoestand" van toepassing zijn.

De noodtoestand is een begrip ontwikkeld in de rechtsleer en de rechtspraak, dat impliceert dat, in uitzonderlijke omstandigheden, het overtreden van een strafrechtelijke norm (bijvoorbeeld de schending van het beroepsgeheim) niet zal gestraft worden wanneer deze inbreuk kan worden verantwoord ter bescherming van een ander belang met eenzelfde of een hoger geachte waarde of ter voorkoming van een ander misdrijf (bijvoorbeeld moord). Een schending van het beroepsgeheim kan uitzonderlijk worden verrechtvaardigd indien een ernstig, actueel en zeker gevaar op geen enkele andere manier kan worden afgewend.(7) Of er sprake is van een noodtoestand, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Het is aan de arts om de beide normen of belangen tegenover elkaar af te wegen.(8)

Ten slotte is iedere persoon die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden.(9) In de context van de arts-patiëntrelatie, geldt de in artikel 30 van het wetboek van strafvordering vervatte aangifteplicht voor de arts slechts voor een misdrijf waarvan een patiënt het slachtoffer is geweest. Als de patiënt de dader is, dan geldt het beroepsgeheim wel. Het is evenwel niet uitgesloten dat de bekendmaking van de feiten dan wordt gerechtvaardigd door een beroep te doen op de noodtoestand.(10) De arts zal in dergelijke situatie evenwel geen medische informatie van de patiënt doorgeven aan de politiediensten.

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

De arts die tijdens het onderzoek of de behandeling verdovende middelen aantreft op of in het lichaam van een patiënt, overhandigt deze zo spoedig mogelijk aan de politiediensten, zonder vermelding van de persoons- of medische gegevens van de patiënt, tenzij er sprake is van een uitzondering op het beroepsgeheim (cf. 2.2). Dit wordt gecommuniceerd aan de patiënt en wordt vermeld in het patiëntendossier. Het is van belang dat de patiënt het vertrouwen in de arts en de zorgverlening behoudt en dat duidelijk wordt uitgelegd aan de patiënt dat de arts geen opsporingsbevoegdheid heeft en de identiteit van de patiënt niet vrij zal geven aan de politiediensten.

De arts mag in deze context rekening houden met het proportionaliteitsbeginsel.

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

Indien de politie van oordeel is dat een door haar begeleide patiënt een bedreiging vormt voor de (fysieke) integriteit van het ziekenhuispersoneel, laat de arts toe dat de politie aanwezig is in de behandelingsruimte of in de onmiddellijke nabijheid.

De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening ernstig hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken zo veilig en kwaliteitsvol mogelijk kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het Strafwetboek.

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

Afhankelijk van de dringendheid van medische zorgen aan de patiënten aanwezig op de spoedafdeling, verleent de arts voorrang aan de patiënt onder politiebegeleiding of aan de politieambtenaar die in de uitoefening van zijn functie zelf gewond is en verzorging nodig heeft.

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

De politie mag de publieke ruimtes, zoals de ontvangsthal, de wachtkamer en de gangen van het ziekenhuis vrij betreden.

De praktijkruimte mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt en de behandelende arts. De behandelende arts zal zich hiertegen slechts verzetten indien het betreden van de ruimte de verzorging ernstig hindert.

De patiëntenkamer mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt, tenzij bij ontdekking op heterdaad of op bevel van de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering.

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

De politiediensten die het politioneel onderzoek voeren, trachten zoveel mogelijk informatie te verzamelen, onder meer medische informatie over een vermoedelijke dader of een slachtoffer.

De behandelende arts is gehouden tot de eerbiediging van het beroepsgeheim en mag in principe geen medische informatie doorgeven aan de politiediensten. Dit bemoeilijkt het onderzoek en is naderhand niet bevorderlijk voor de waarheidsvinding van de rechter, in het bijzonder wanneer de politieambtenaar de medische situatie interpreteert op een wijze die niet volledig strookt met de medische werkelijkheid.(11)

Toch primeert de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt en moet de arts zeer voorzichtig omspringen met het doorbreken van het beroepsgeheim. Een te lakse houding ten aanzien van het beroepsgeheim kan grotere risico's met zich meebrengen dan de gevaren of nadelen die eventueel kunnen worden voorkomen.

De patiënt kan evenwel vragende partij zijn om medische informatie mee te delen aan de politiediensten of het parket. De patiënt heeft het recht zelf te beschikken over zijn medische informatie en mag zijn medewerking verlenen aan de politiediensten. In dat geval kan de arts een specifiek medisch attest opstellen, met beperkte medische gegevens(12), dat via de patiënt wordt afgeleverd aan de politie. Het is de taak van de arts om de patiënt te beschermen tegen de overdracht van zijn medische gegevens aan derden en hem in te lichten over de mogelijke gevolgen van het overhandigen van zijn medische gegevens aan de politiediensten.

De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud er van is en of hij het heeft afgeleverd aan de patiënt zelf of rechtstreeks aan de politiediensten, op vraag van de patiënt.

Ten slotte informeert de arts de patiënt over de mogelijkheid een uitgebreid medisch verslag op te stellen. De patiënt kan ervoor opteren dit verslag toe te voegen aan het politioneel dossier, eventueel op een later tijdstip. In dat geval wordt door de arts het verslag onder gesloten omslag gericht aan de eventuele arts-gerechtsdeskundige en met vermelding "medisch geheim" overhandigd aan de politiediensten.

In het geval de patiënt wilsonbekwaam is, is het gebruikelijk dat de arts een medisch attest, met een beperkt aantal medische gegevens, overhandigt aan de vertegenwoordiger van de patiënt of, bij afwezigheid van een vertegenwoordiger, aan de familieleden(13).

Bij afwezigheid van een vertegenwoordiger of familieleden, kan de arts, in het belang van de patiënt, na afweging van het principe van proportionaliteit en indien noodzakelijk, een medisch attest met een beperkt aantal medische gegevens rechtstreeks afleveren aan de politiediensten. Voorbeelden van een dergelijk attest zijn terug te vinden in bijlagen.

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

Indien de politie oordeelt dat het noodzakelijk is de potentiële dader of het slachtoffer te verhoren in het ziekenhuis, verschaft de arts de politie toegang tot de behandelingsruimte of de patiëntenkamer, mits toestemming van de patiënt, en mits de medische situatie van de patiënt dit toelaat.

2.9. Vermiste personen

Wanneer een persoon als vermist wordt opgegeven, heeft de politie tal van redenen om contact op te nemen met de behandelende arts van de vermiste persoon of de naburige ziekenhuizen.

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend" karakter van de verdwijning

De politie kan genoodzaakt zijn om medische informatie van de vermiste persoon op te vragen om het "onrustwekkend karakter" van de vermissing in te schatten. De behandelende arts van de vermiste persoon mag enkel meedelen aan de politiediensten of de vermissing, gezien de medische situatie van de patiënt, potentieel levensbedreigend is, bijvoorbeeld omdat de patiënt suïcidaal is, er een risico bestaat op desoriëntatie, of omdat de patiënt afhankelijk is van levensnoodzakelijke medicatie.

2.9.2. Opsporing van de patiënt

Op basis van de Ministeriële richtlijn "Opsporing vermiste personen" van 26 april 2014, zullen de politiediensten, in geval van een "onrustwekkende verdwijning", de omliggende ziekenhuizen contacteren.

Om te vermijden dat het opsporingsonderzoek onnodig wordt verdergezet, mag de betrokken arts de politiediensten op de hoogte brengen van het al dan niet aanwezig zijn van de patiënt in het ziekenhuis, zonder de medische gegevens van de patiënt vrij te geven.

Concrete problemen rijzen wanneer de patiënt zijn ziekenhuisopname voor zijn omgeving wil geheimhouden. Enerzijds moet het recht op privacy van de betrokken patiënt gerespecteerd worden, anderzijds moet worden voorkomen dat het opsporingsonderzoek wordt verder gezet. In dat geval is het aangewezen een beroep te doen op een tussenpersoon, bijvoorbeeld de voorzitter van een provinciale raad van de Orde der artsen, of een gedelegeerd raadslid, die de bevoegde parketmagistraat meedeelt dat er geen redenen voorhanden zijn om de verdwijning als "onrustwekkend" te beschouwen.(14)

Voor wat betreft de zoektocht naar delinquenten, maakt de arts een afweging tussen het beroepsgeheim en het algemeen belang.

2.9.3. Ten behoeve van het opstellen van een ante mortem-dossier

Het Disaster Victim Identification (DVI) van de Federale Politie heeft onder meer de taak om de overleden slachtoffers te identificeren op basis van een vergelijking tussen het ante mortem-dossier en het post mortem-dossier.(15)

Ter voorbereiding van een identificatie van een potentieel slachtoffer, kan, in opdracht van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter een arts-gerechtsdeskundige worden aangesteld, voor het opmaken van een ante mortem-dossier. In dat geval zal de behandelende arts het patiëntendossier van de vermiste persoon overhandigen aan de politiediensten, onder gesloten omslag, gericht aan de arts-gerechtsdeskundige, met als opschrift "medisch geheim". De arts-gerechtsdeskundige zal oordelen welke gegevens uit het patiëntendossier nodig zijn voor het opstellen van het ante mortem-dossier.

De inzage van het patiëntendossier door de politiediensten met het oog op het opstellen van een ante mortem-dossier, houdt een schending in van het beroepsgeheim.

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

De situatie kan zich voordoen dat een persoon gewond raakt tijdens het plegen van een crimineel feit. Wanneer de politiediensten een gewonde persoon arresteren, zal deze in eerste instantie worden overgebracht naar het ziekenhuis voor verzorging. In het geval de politiediensten over gaan tot een vrijheidsberoving, wordt bij gelegenheid aan de behandelende arts gevraagd of de medische situatie van de patiënt het wel toelaat om de patiënt op te sluiten of te verhoren.

Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren dat bepaalt dat de medische situatie van de patiënt het toelaat deze laatste te verhoren of op te sluiten. De behandelende arts heeft immers niet de taak om op te treden als arts-gerechtsdeskundige. De behandelende arts heeft enkel de taak om verzorging te verlenen en kan, via de patiënt, een attest afleveren aan de politiediensten met een beperkt aantal medische gegevens (cf. supra).(16)

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

Het beroepsgeheim is niet absoluut. De wet voorziet in een aantal uitzonderingen die de arts toelaten te spreken (cfr. 2.2.).

Daarnaast hebben de procureur des Konings en de onderzoekrechter wettelijke middelen ter beschikking voor het voeren van een efficiënt en waarheidsgetrouw onderzoek.

2.11.1.De getuigenis in rechte

De arts kan opgeroepen worden om een getuigenis af te leggen voor de onderzoeksrechter of voor een parlementaire onderzoekscommissie.(17)

De arts heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.(18)

Deze wettelijke uitzondering laat evenwel niet toe een getuigenis af te leggen voor de politiediensten of het parket.

2.11.2.Casusoverleg

Artikel 458ter van het Strafwetboek biedt mogelijkheden om tussen diverse dragers van het beroepsgeheim een zogenaamd casusoverleg te organiseren en tot een interdisciplinaire samenwerking te komen, met het oog op de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van een persoon of van derden, of ter voorkoming van terroristische misdrijven of van misdrijven in het raam van een criminele organisatie zoals bepaald in artikel 324bis van het Strafwetboek.

Het overleg wordt georganiseerd bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie, of bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings.(19)

De arts die gevraagd wordt deel te nemen aan het overleg heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.

2.11.3. Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

De procureur des Konings of de onderzoeksrechter kan tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek een arts-gerechtsdeskundige aanstellen om de medische toestand van de potentiële dader of het slachtoffer te onderzoeken.(20)

De arts die als arts-gerechtsdeskundige verslag uitbrengt over de gezondheidstoestand van een persoon, binnen de grenzen van zijn opdracht, schendt het beroepsgeheim niet.

De behandelende arts dient de nodige informatie ter beschikking te stellen aan de arts-gerechtsdeskundige.

De opdrachten als arts-gerechtsdeskundige zijn evenwel onverenigbaar met deze van behandelende arts.(21)

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

De arts die op vordering van de bevoegde overheid een gerechtelijke bloedafname uitvoert en een bijhorend verslag opstelt, maakt zich niet schuldig aan een schending van het beroepsgeheim. Indien enkel de behandelende arts kan worden gevorderd, neemt hij het gerechtelijk bloedstaal af zonder informatie te verschaffen over de eventuele tekens van intoxicatie of andere medische gegevens.

De arts is verplicht de gevorderde handelingen te stellen en kan zich hiervan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra-indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke de betrokkene aanvoert om zich eraan te onttrekken, als gegrond erkent.(22)

De resultaten van de bloedproef en het bijhorende verslag kunnen onder gesloten omslag worden meegegeven aan de politiediensten, die deze aan de opvorderende magistraat zullen overhandigen.

De arts mag geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene die weigert zich te onderwerpen aan de afname van een gerechtelijk bloedstaal.

2.11.3.3.Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

Als er ernstige aanwijzingen zijn dat een slachtoffer van een misdrijf bij gelegenheid van dat strafbaar feit besmet kan zijn met een ernstige ziekte die voorkomt op een bij koninklijk besluit vastgestelde lijst(23), kan de procureur des Konings de verdachte vragen een bloedstaal te laten afnemen om te onderzoeken of hij drager is van deze ziekte.

In dit geval valt de medische informatie onder het beroepsgeheim en zal het gevorderde referentielaboratorium het resultaat enkel overmaken aan de behandelende arts van het slachtoffer, en de behandelende arts van de verdachte op diens verzoek. De medische gegevens worden niet overgemaakt aan de procureur des Konings.

2.11.3.4. DNA-onderzoek

De arts kan eveneens gevorderd worden voor het afnemen van haar (met wortels), wangslijmvlies of bloed tot het verrichten van een gerechtelijk DNA-onderzoek.(24) De arts is verplicht deze handelingen te stellen en een verslag op te maken.

Ook voor de uitvoering van een DNA-onderzoek mag de arts geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene. Indien de betrokkene weigert zich te onderwerpen aan de proeven, wordt dit vermeld in het proces-verbaal.

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

Het maken van beeldopnames in de praktijkruimte of de patiëntenkamer is onaanvaardbaar.(25)

Onder de voorwaarden bepaald in de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, kunnen camera's geplaatst worden in ruimten toegankelijk voor het publiek (inkomhal, gangen van het ziekenhuis, enz.), teneinde de veiligheid voor artsen en patiënten in ziekenhuizen te garanderen en bewijzen te verzamelen van een misdrijf. Het beeldmateriaal van het misdrijf kan worden overhandigd aan de politiediensten.

3. Besluit

De samenwerking tussen de arts, het ziekenhuis, de politionele diensten en het openbaar ministerie moet gepaard gaan met respect voor de deontologische beginselen eigen aan ieders beroep. Het is de taak van de arts zich te informeren over de wettelijke bepalingen en de principes van medische deontologie alvorens medische informatie over te dragen aan de gerechtelijke overheid en de politie.

Het is de deontologische plicht van de arts om bij vordering door een magistraat zijn taak als arts-gerechtsdeskundige eerlijk en nauwgezet te vervullen. Een goede communicatie en duidelijke afspraken tussen beide actoren zijn bevorderend voor de goede werking van het justitieel apparaat en de zorgsector.

De deontologische principes in dit advies zijn van toepassing op alle artsen. Daarnaast werkt de nationale raad aan een advies betreffende de samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de huisartsen.

Voor deontologisch advies in concrete situaties kunnen artsen steeds terecht bij hun provinciale raad.

Bronnen

Wetgeving

- Artt. 422bis, 458, 458bis, 458ter, Strafwetboek

- Artt. 30, 43, 44, 56, Wetboek van Strafvordering

- Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

- Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's

- Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)

Koninklijk Besluit van 16 maart 1968, tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het Wegverkeer

Documentatie

- Code van medische deontologie, versie 2018

- Handboek Gezondheidsrecht Volume II, T. Vansweevelt en F. Dewallens

- Omgaan met beroepsgeheim, B. Hubeau, J. Mertens, J. Put, R. Roose, K. Stas, F. Vander Laenen

- Beroepsgeheim en hulpverlening, I. Van der Straete, J. Put

- Forensische geneeskunde, W. Van de Voorde

- Beroepsgeheim en Politie/Justitie, KNMG

- Samenwerkingsprotocol tussen de Limburgse algemene ziekenhuizen -Limburgse politiediensten - Parket Limburg

- Samenwerkingsprotocol tussen de functies gespecialiseerde spoedgevallenzorg en de lokale politie Antwerpen

- Samenwerkingsprotocol politiezones-huisartsen tussen de lokale huisartsenkring en artsenkring Zennevallei

- Protocolakkoord-organisatie en afspraken wachtdienstregeling artsen gedwongen opnames voor meerderjarigen-Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen-afdeling Dendermonde

Adviezen nationale raad Orde der artsen

- Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk, advies NR van 21 september 2019, a166010

- Drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen, advies NR van 19 maart 2005, a108007

- Opname in een psychiatrisch ziekenhuis-mededeling aan politie of procureur des Konings, advies NR 24 april 1999, a085004

- Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie, advies NR van 20 april 2013, a141014-R

- Begrip ‘ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid' voor het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen - artikel 399 van het Strafwetboek, advies NR 6 mei 2017, a157009

- Medisch geheim en justitie, advies NR 30 september 2013, a144011



(1) Bijvoorbeeld in Antwerpen en Limburg

(2) Zie ook advies nationale raad Orde der artsen, "drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen", 19 maart 2005, a108007

(3) Dit geldt zowel voor de situatie waarbij de patiënt de dader is, als voor de situatie waarbij de patiënt het slachtoffer is.

(4) Artikel 458bis, Strafwetboek

(5) Ibid.

(6) Bijvoorbeeld: een patiënt wil uit het leven stappen en vertrouwt de arts toe dat hij bij thuiskomst eerst zijn echtgenote van het leven zal beroven. De arts is enerzijds gehouden tot het beroepsgeheim, anderzijds is hij verplicht een persoon in groot gevaar te helpen (t.t.z. de patiënt en de echtgenote). De arts kan oordelen dat de wettelijke hulpverplichting doorweegt op het beroepsgeheim en derden op de hoogte brengen (bijvoorbeeld de politiediensten).

(7) Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de patiënt de arts toevertrouwt dat hij van plan is een andere persoon van het leven te beroven.

(8) Bij conflict zal het uiteindelijk de rechter zijn die oordeelt of er sprake is van een noodtoestand.

(9) Art. 30 Wetboek van Strafvordering

(10) Bijvoorbeeld wanneer de patiënt de arts, andere medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten ernstig bedreigt of het ziekenhuis vernielt (cf. 2.1.). De arts van de patiënt-dader, die soms de enige getuige zal zijn van het misdrijf, kan de politiediensten oproepen om de veiligheid van collega's en andere patiënten in het ziekenhuis te waarborgen.

(11) Bijvoorbeeld de identificatie van het type letsel.

(12) In dit attest worden opgenomen: naam en voornaam patiënt, geboortedatum, adres, datum van verzorging, naam van het ziekenhuis, algemene beschrijving van de letsels, raming van de ernst, raming van de voorziene duur van arbeidsongeschiktheid

(13) De echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de feitelijk samenwonende partner, de kinderen, de ouders, de zussen of de broers.

(14) Advies nationale raad Orde der artsen, "Opname in een psychiatrisch ziekenhuis - Mededeling aan politie of procureur des Konings", 24 april 1999, a085004

(15) Interpol standing committee on DVI - Resolution AGN/65/res/13; Koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de Civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari betreffende de nood- en interventieplannen; Koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie

(16) Zie ook advies van de nationale raad Orde der artsen, "Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie", 20 april 2013, a141014-R

(17) Art. 458 Strafwetboek

(18) Art. 28 Code van medische deontologie

(19) Art. 458ter Strafwetboek

(20) Art. 43, 44 en 56 Wetboek van strafvordering

(21) Art. 43 Code van medische deontologie

(22) Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

(23) Koninklijk besluit van 17 mei 2018 houdende vaststelling van de besmettelijke ziekten voor dewelke de procedure bedoeld in ‘Hoofdstuk IX - Onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit', van boek II, titel IV, van het Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast en tot vaststelling van de laboratoria aan dewelke deze onderzoeken kunnen worden opgedragen

(24) Art. 44ter e.v. Wetboek van strafvordering

(25) Advies nationale raad Orde der artsen, "Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk", 21 september 2019, a166010

Beroepsgeheim08/05/2010 Documentcode: a130014
Medisch geheim tegenover de politiediensten in ziekenhuizen

In zijn vergadering van 8 mei 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 12 januari 2010 onderzocht waarin u hem het antwoord meedeelt dat u richtte aan de ombudsdienst van een algemeen ziekenhuis.

U herinnerde in deze brief terecht dat in dit soort omstandigheden het medisch geheim tegenover de politiediensten moet worden geëerbiedigd.

Hij wenst echter uw aandacht te vestigen op het volgende punt.

Het begrip ‘getuigenis in rechte', dat een wettelijke uitzondering vormt op het beroepsgeheim bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek, moet restrictief begrepen worden. Het is enkel voor een rechter (burgerlijke, straf- of onderzoeksrechter) en op een mondelinge of schriftelijke vraag van deze laatste dat een arts, onder eed, informatie gedekt door het beroepsgeheim mag onthullen.

Het is in hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie dat de procureur des Konings en zijn substituten de inbreuken opzoeken en vaststellen.

Het verhoor van een persoon in het kader van het "vooronderzoek" (d.w.z. het onderzoek van de politie onder de leiding en het gezag van de procureur des Konings) is geen getuigenis in rechte in de zin van het artikel 458 van het Strafwetboek.

Behoudens wettelijke uitzonderingen zijn de personen gebonden door het medisch beroepsgeheim dus verplicht te zwijgen voor de politieambtenaren of de leden van het openbaar ministerie die inlichtingen verzamelen in het kader van het vooronderzoek .

Beroepsgeheim06/02/2010 Documentcode: a129008
Vermoeden van kindermoord - Beroepsgeheim

In het kader van een door een onderzoeksrechter ingesteld onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het levenloos lichaam van een tot op heden niet-geïdentificeerd pasgeboren kind neemt de onderzoeksrechter zich voor aan een aantal geneesheren een brief te richten om hem alle voor het onderzoek nuttige gegevens, waaronder de identiteit van de moeder, te doen kennen. Hij raadpleegt in dit verband de Nationale Raad van de Orde der geneesheren.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 6 februari 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief besproken van 23 november 2009 betreffende een onderzoek binnen het artsenkorps.

De Nationale Raad verwijst naar artikel 458 van het Strafwetboek en naar de artikelen 55 en 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer, waarvan een kopie als bijlage, alsook naar het artikel 63 van deze Code volgens hetwelk de voor de gerechtelijke overheid gedagvaarde geneesheer mag weigeren getuigenis af te leggen over door het beroepsgeheim gedekte feiten, door zich te beroepen op dit beroepsgeheim.

In een arrest van 12 april 1976 (Pas. 1976, I, p. 900) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de persoon die door een onderzoeksrechter wordt gevraagd hem een mondelinge of schriftelijke verklaring af te leggen, in de betekenis van artikel 458 van het Strafwetboek wordt opgeroepen om een getuigenis in rechte af te leggen.

Wij sturen u bijgaand een nota die door prof. dr. jur. Nys werd opgesteld toen hij deel uitmaakte van de juridische dienst van de Nationale Raad, over Getuigenis in rechte en medisch beroepsgeheim (TNR nr. 36, p.53).

De Nationale Raad heeft niet de taak zich te mengen in de onderzoeksverrichtingen die u zinvol acht voor het onderzoek in kwestie.

Rekening houdend met de wettelijke en deontologische voorschriften, de rechtspraak en de rechtsleer, dient de opgeroepen arts in eer en geweten te oordelen welk gevolg hij geeft aan de oproeping : getuigenis afleggen of zich beroepen op zijn zwijgplicht.

De Nationale Raad verzoekt u aan de aan geneesheren met het gezegde oogmerk toegestuurde brieven een kopie van huidig schrijven te willen toevoegen.

Bijlagen.

Beroepsgeheim19/03/2005 Documentcode: a108004
Vragen van de politie aan ziekenhuisdiensten - Beroepsgeheim

Een provinciale raad stuurt een adviesaanvraag door van een geneesheer, lid van een commissie voor medische ethiek van een ziekenhuis, betreffende open vragen die de politie stelt aan ziekenhuisdiensten aangaande “het aandoen van de instelling door potentiële consultanten” die betrokken zijn bij een strafzaak.

Advies van de Nationale Raad :

Vroeger heeft de Nationale Raad reeds verschillende adviezen uitgebracht over deze problematiek. Gezien de talrijke vragen denkt hij dat het nodig is het deontologisch standpunt dat aanvaard en gemotiveerd werd door een overvloedige rechtspraak terzake, in herinnering te brengen.

De Nationale Raad wil nogmaals krachtig onderstrepen dat het medisch geheim niet alleen een deontologische verplichting is, vastgelegd door de artikelen 55 tot 90 van de Code van geneeskundige plichtenleer, maar ook een wettelijke verplichting vastgelegd door artikel 458 van het Strafwetboek.

Er wordt algemeen aangenomen dat het beroepsgeheim gerechtvaardigd wordt door de nood aan een vertrouwensrelatie en dat, wat de geneeskunde betreft, dat vertrouwen een vereiste is.

Dit standpunt wordt eveneens verdedigd in recente werken betreffende het medisch recht. Zo citeren Y.-H. Leleu en G. Genicot het hof van beroep te Brussel dat in een arrest van 23 oktober 1990 het volgende beslist : “Het medisch geheim heeft zijn plaats in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de persoon die de geneeskundebeoefenaar raadpleegt; het heeft tot doel alle vertrouwelijke mededelingen te beschermen die gedaan werden wegens het nodige vertrouwen dat tot stand moet komen tussen de patiënt die verzorgd wil worden en de arts. Het beroepsgeheim is een regel van openbare orde, die niet alleen de vertrouwenspersoon en zijn cliënt betreft, maar de ganse maatschappij en die zo de essentiële belangen van de Staat raakt”. (niet-officiële vertaling)

Het gaat niet om een voorrecht maar om een aan de artsen opgelegde verplichting.

De arts, gebonden door het beroepsgeheim, kan dus niet de naam van de personen die op hem een beroep doen, noch a fortiori de aard van de medische verstrekkingen die hen betreffen, aan derden doorgeven.

Indien de opname echter het gevolg is van een ongeval op de openbare weg of op openbare plaatsen waarbij de dienst 100 opgetreden is, mag de arts op grond van de adviezen van de Nationale Raad terzake de ziekenhuisopname aan de politie bevestigen.

Het beroepsgeheim kan nadelen hebben, bijvoorbeeld voor de uitvoering van gerechtelijke vervolgingen. Het is in het volle besef hiervan dat de maatschappij zich uitgesproken heeft ten gunste van het geheim. Ze vond het voor haar eigen voortbestaan uiterst belangrijk de speciale bescherming van de vertrouwelijke mededeling aan bepaalde beroepsbeoefenaars te waarborgen .
Verschillende rechterlijke beslissingen hadden de verdienste erop te wijzen dat zelfs de ernstige belemmering van de eisen van de beteugeling, door de verplichting de wettelijke procedures te eerbiedigen, op zich niet de buitengewone omstandigheid vormt die de agent ervan ontslaat de wettelijke garantie te respecteren .

De uitzonderingen vervat in artikel 458 Strafwetboek verdienen enige commentaar. Ze betreffen in eerste orde de situatie waarin de arts opgeroepen wordt om in rechte te getuigen. De rechtspraak en de vroegere adviezen van de Nationale Raad stellen dat alleen een rechter dit getuigenis kan aanhoren en niet bijvoorbeeld een politiebeambte. De zwijgplicht primeert tegenover iedereen die geen rechter is. Rechters zijn: de burgerlijke rechter, de strafrechter of de onderzoeksrechter. Er dient onderstreept te worden dat, indien hetgeen hem gevraagd wordt gedekt is door het medisch beroepsgeheim, de arts kan weigeren te getuigen door zich te beroepen op zijn zwijgplicht. Het is dan mogelijk dat de rechter oordeelt dat zijn weigering niet verantwoord is en in dat geval zal de arts moeten spreken op straffe van een boete .

De andere in artikel 458 vervatte wettelijke uitzonderingen zijn vooral administratief en worden opgesomd in artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer. Ze hebben geen betrekking op de voorgelegde situatie.

Artikel 61 van deze Code, gewijzigd op 16 november 2002, bepaalt echter dat als een arts vermoedt dat een kind of een door ziekte, handicap of leeftijd weerloze patiënt wordt mishandeld, misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd, en indien de patiënt in ernstig gevaar verkeert en er geen andere middelen zijn om hem te beschermen, de arts de procureur des Konings in kennis kan stellen van zijn bevindingen. Een nagenoeg identieke bepaling vindt men terug in artikel 458 bis van het Strafwetboek. De Nationale Raad is de mening toegedaan dat zo’n aanvraag in de regel niet kan gebeuren zonder medeweten van de patiënt en dat de arts, die perfect op de hoogte is van de familiale situatie, moet oordelen over de opportuniteit van de aanvraag.

Tot slot, ofschoon zwijgen de regel is, kan hiervan afgeweken worden in uitzonderlijke situaties waarbij de noodtoestand ingeroepen kan worden. Het is nuttig eraan te herinneren dat de noodtoestand voornamelijk de kritieke, buitengewone, moeilijk voorspelbare situatie betreft die gekenmerkt wordt door een belangenconflict waarbij het ene belang slechts behoed kan worden indien het andere opgeofferd wordt. De arts moet beseffen dat hij zijn beslissing desgevallend zal dienen te verantwoorden tegenover een rechter.

De lijst van de personen opgenomen in artikel 458 is niet beperkend en kan de medewerkers van de arts omvatten. Het administratief ziekenhuispersoneel is overigens gehouden tot een strikte discretieplicht. De Code van geneeskundige plichtenleer bepaalt in artikel 70 dat het de taak is van de arts erover te waken dat het medisch geheim door zijn helpers dwingend wordt nageleefd. In een recent advies (advies van 26 juni 2004, Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 105, p. 4) heeft de Nationale Raad voorgesteld de zwijgplicht op te nemen in de arbeidsovereenkomst of in het huishoudelijk reglement van de instelling.

Referenties :
Advies van de Nationale Raad 14.09.1991, Tijdschrift Nationale Raad nr. 54, p. 45.
Advies van de Nationale Raad 07.09.1996, Tijdschrift Nationale Raad nr. 75, p. 19.
Advies van de Nationale Raad 24.04.1999, Tijdschrift Nationale Raad nr. 85, p. 10.
Advies van de Nationale Raad 25.04.1998, Tijdschrift Nationale Raad nr. 81, p. 12.
Advies van de Nationale Raad 21.10.1995, Tijdschrift Nationale Raad nr. 71, p. 22.
Advies van de Nationale Raad 24.08.1991, Tijdschrift Nationale Raad nr. 54, p. 28.
Artikel prof. dr. J. Farber, 1987, Tijdschrift Nationale Raad nr. 35, p. 29.

  1. Leleu, Y.-H., & Genicot, G., Le droit médical, De Boeck Université 2001, pp. 147-15.
  2. Advies van de Nationale Raad van 13 juni 1981, Tijdschrift Nationale Raad nr. 29, p. 42 en van 21 oktober 1995, Tijdschrift Nationale Raad nr. 71, p. 22.
  3. Hannequart, Y., J.L.M.B. 1987, p. 1171.
  4. Hennau-Hublet, C., & Verhaegen, J., Recherche policière et secret médical, Journal des Tribunaux 1988, p.165.
  5. Nys, H., Getuigenis in rechte en medisch beroepsgeheim, Tijdschrift Nationale Raad nr. 36, p. 57.
Beroepsgeheim30/10/1999 Documentcode: a087008
Ministerie van Justitie - Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt (1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2) . Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen (3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt (4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen (5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Tenslotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6) . De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen (7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen (8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen (9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen (10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft (11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt (12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

(1) p. 45 Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij.
(2) p. 49 en p. 50 Eindverslag.
(3) eveneens p. 49 Eindverslag.
(4) p. 48 en ook p. 49 Eindverslag.
(5) p. 46 en p. 47 Eindverslag.
(6) p. 45 Eindverslag.
(7) p. 74 Eindverslag.
(8) p. 74 Eindverslag.
(9) p. 92, p. 93, p. 94 Eindverslag.
(10) p. 94 en p. 95 Eindverslag.
(11) p. 96 Eindverslag.
(12) p. 97 en p. 98 Eindverslag.

Beroepsgeheim01/01/1987 Documentcode: a036030
Getuigenis in rechte en medisch beroepsgeheim

Prof. Dr Jur. H. NYS
Studiedienst Nationale Raad

Artsen die worden gedagvaard om voor een rechter te komen getuigen, weten vaak niet goed welke houding zij moeten aannemen. In dit artikel worden de verschillende mogelijkheden nader belicht.(*)


1. Algemene richtlijnen

De arts die gedagvaard wordt om in rechte getuigenis af te leggen, moet in de eerste plaats uitmaken of hetgeen hem wordt gevraagd al dan niet door het medisch beroepsgeheim is gedekt.

  1. Indien dat niet het geval is, zal hij getuigenis afleggen;

  2. Indien dat naar zijn mening wel het geval is, kan hij twee houdingen aannemen:

    1. Hij kan zich op zijn zwijgplicht beroepen en weigeren te getuigen. Het is dan mogelijk dat de rechter oordeelt dat zijn weigering niet verantwoord is. In dat geval zal hij moeten spreken. Blijft hij weigeren omdat naar zijn oordeel het feit wel onder de zwijgplicht valt, dan riskeert hij een geldboete en eventueel een schadevergoeding.
    2. Hij kan beslissen getuigenis af te leggen, ook al valt het feit onder zijn zwijgplicht. Artikel 458 van het Strafwetboek garandeert hem straffeloosheid. Tuchtrechtelijk zou hij wel het risico kunnen lopen te worden veroordeeld wegens schending van het beroepsgeheim.

De beste raad die algemeen kan worden gegeven is de volgende:
bij dagvaarding als getuige kan de arts zich het best beroepen op zijn zwijgplicht om te weigeren getuigenis af te leggen. Het is dan aan de rechter voor wie de arts wordt gedagvaard om uit te maken of de weigering terecht is of niet.
Een getuigenis in rechte kan slechts worden afgelegd tegenover iemand die werkelijk rechter is en niet tegenover bijvoorbeeld, een politieagent of politiecommissaris, een rijkswachter, enz. Tegenover iedereen die geen rechter is primeert de zwijgplicht.
Rechter zijn: de burgerlijke rechter, de strafrechter en de onderzoeksrechter.

In geval van twijfel kan de arts steeds het advies van de provinciale raad van de Orde der geneesheren inwinnen over de aan te nemen houding.


2. Toelichtingen

2.1. De verplichting het beroepsgeheim te bewaren of zwijgplicht

Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt dat artsen die hun beroepsgeheim schenden, kunnen worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van 100 tot 500 (x60) B.F.

2.2. De verplichting getuigenis in rechte af te leggen of spreekplicht
2.2.1. In strafzaken

Artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wie gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, verplicht is te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen. Aan wie deze verplichting niet nakomen kan de onderzoeksrechter een geldboete opleggen van 100 frank: de onderzoeksrechter kan bevelen dat de gedagvaarde zal worden gedwongen om zijn getuigenis te komen afleggen.

2.2.2. In burgerlijke zaken

Artikel 926 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een gedagvaarde getuige die niet verschijnt, bij beschikking van de rechter kan worden veroordeeld tot een geldboete van 100 tot 10.000 frank en eventueel tot een schadevergoeding.

2.3. Geen schending van zwijgplicht als spreekplicht primeert

De arts die in een strafzaak of een burgerlijke zaak wordt gedagvaard, moet dus voor de rechter verschijnen. Als getuige komt hij daardoor in een situatie terecht waar twee verplichtingen elkaar tegenspreken: enerzijds dient hij zijn beroepsgeheim te respecteren en anderzijds, dient hij zijn medewerking te verlenen aan het goede verloop van de rechtsbedeling en getuigenis af te leggen.
Artikel 458 van het Strafwetboek bevat voor dit conflict de volgende oplossing: een arts die geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen en die hieraan gevolg geeft, kan niet worden gestraft wegens schending van zijn beroepsgeheim.

2.4. Geen schending van spreekplicht als zwijgplicht primeert: het zwijgrecht

Artikel 458 van het Strafwetboek bevat echter geen duidelijke oplossing voor het geval dat de arts meent dat zijn zwijgplicht primeert boven zijn spreekplicht als getuige. Toch neemt men aan dat de arts die zijn zwijgplicht laat primeren op zijn spreekplicht niet strafbaar is, noch in burgerlijke zaken, noch in strafzaken. Men noemt dit het zogenaamde zwijgrecht: het recht om geen getuigenis in rechte af te leggen door zich te beroepen op zijn beroepsgeheim.

Waarop steunt dit zwijgrecht?

2.4.1.

In burgerlijke zaken kan men zich beroepen op artikel 929 van het Gerechtelijk Wetboek dat het volgende bepaalt: "indien de getuige aantoont dat hij een wettige reden heeft om te worden ontslagen van het afleggen van (...) het getuigenis (...) beslist de rechter over het tussengeschil. Als wettige reden wordt onder meer beschouwd het beroepsgeheim waarvan de getuige bewaarder is".

2.4.2.

In strafzaken daarentegen, wordt het zwijgrecht nergens uitdrukkelijk geformuleerd. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen analoge bepaling als artikel 929 van het Gerechtelijk Wetboek. Toch wordt algemeen aanvaard dat ook in strafzaken, de als getuige gedagvaarde arts zich op een zwijgrecht kan beroepen. Dit blijkt duidelijk uit de voorbereidende werken van het Strafwetboek: van 1867:
"Ces personnes (waaronder de arts) peuvent s'abstenir de déposer; elle peuvent invoquer, avant de prêter serment, I'obligation qui leur incombe de garder le secret qui leur a été confié en raison de leur état ou de leur profession et dans l'exercice de cet état ou de cette profession". (Geciteerd in LAMBERT, P., Le secret professionnel, 1985, p. 56). Ook artikel 63 van de Code van geneeskundige Plichtenleer aanvaardt het zwijgrecht.

2.5. De keuze tussen zwijgen en spreken

De arts die als getuige wordt gedagvaard in een burgerlijke of strafzaak beschikt dus over de volgende mogelijkheden:

* Hij laat zijn spreekplicht primeren boven zijn zwijgplicht en legt getuigenis af voor de rechter. In dat geval waarborgt artikel 458 van het Strafwetboek straffeloosheid. Of de betrokken arts in een dergelijk geval door een raad van de Orde kan worden vervolgd en gestraft wegens schending van zijn beroepsgeheim is een betwiste vraag. Maréchal en Legros menen beiden dat een disciplinaire sanctie onwettig is omdat de strafwet aan de arts straffeloosheid garandeert (geciteerd door Lambert, a.w., p.139).
Lambert is het daar niet mee eens: het tuchtrecht staat los van het strafrecht en niets belet dat een tuchtrechtelijke sanctie wordt opgelegd aan de arts die zijn spreekplicht heeft laten primeren boven zijn zwijgplicht. (Lambert, a.w. p.139‑140).
Voor dit specifieke probleem bevat de Code van geneeskundige Plichtenleer geen bepaling (artikel 69 houdt verband met het afleggen van getuigenis in tuchtzaken; wij spreken over burgerlijke zaken en strafzaken).

* Hij roept zijn zwijgplicht in om te weigeren getuigenis af te leggen. Of deze weigering verantwoord is zal door de rechter voor wie hij is gedagvaard, worden beoordeeld. Het zogenaamde zwijgrecht is dus niet absoluut en hangt af van het oordeel van de rechter. Het arrest van het Hof van cassatie van 23 juni 1958 heeft hierover geen twijfel laten bestaan:
"Het behoort de rechter na te gaan, volgens de verzamelde bewijsstukken, of het zwijgen van de geneesheer welke gedagvaard wordt om in rechte te getuigen, niet op verkeerde gronden berust en of dit zwijgen niet voor doel heeft om schuldige gedragingen van een derde te dekken".
Het arrest van 30 oktober 1978 heeft dit bevestigd.


3. Een analoog probleem: het overmaken van documenten aan de burgerlijke rechtbank

Wat staat de arts te doen die door de burgerlijke rechter wordt gevraagd om bepaalde documenten of een bepaald dossier te overhandigen ? (Het gaat hier NIET om de inbeslagneming van dossiers bij een arts door de onderzoeksrechter in het kader van een strafzaak; dat is een andere problematiek).

Kan de arts weigeren daaraan gevolg te geven met een beroep op zijn zwijgplicht ?

Overeenkomstig artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de burgerlijke rechter bevelen dat een stuk of een kopie ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd wanneer er "gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde" een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een terzake dienend feit.
Overeenkomstig artikel 822 van het Gerechtelijk Wetboek, kan degene die zonder wettige reden (o.a. het beroepsgeheim) nalaat het stuk of een kopie aan de rechter over te maken, worden veroordeeld tot een "schadevergoeding als behoort".

Het Hof van cassatie heeft in zijn arrest van 30 oktober 1978 deze verplichting gelijkgesteld met de verplichting een getuigenis in rechte af te leggen. Zoals de arts die wordt gedagvaard om over een feit dat onder de zwijgplicht valt, een getuigenis af te leggen de keuze heeft tussen spreken of zwijgen, zo kan de arts die het bevel krijgt een document dat onder het beroepsgeheim valt te overhandigen, de afgifte weigeren met een beroep op zijn zwijgplicht. Ook in dit geval zal de rechter nagaan of deze weigering verantwoord is of niet.

Indien een stuk in handen is van een derde kan de rechter hem vooraf uitnodigen het stuk te overhandigen op grond van artikel 878 van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen dit vonnis kan door de derde geen cassatieberoep worden ingesteld, volgens een arrest van het Hof van cassatie van 23 juni 1986.


4. Het afleggen van getuigenis in tuchtzaken

Zie artikel 69, lid 2, van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

"De geneesheren die verzocht worden getuigenis af te leggen in tuchtzaken zijn, voor zover de regels van het beroepsgeheim jegens hun patiënten het toelaten, ertoe gehouden alle feiten die het onderzoek aanbelangen, bekend te maken."

Beroepsgeheim14/05/1983 Documentcode: a031026
Getuigenis in rechte

Een provinciale raad vraagt de Nationale Raad om verduidelijking van het begrip "getuigenis in rechte" en wenst te weten of een arts verplicht is voor de gerechtelijke politie te getuigen.

In zijn vergadering van 14 mei 1983, verleent de Nationale Raad volgend advies:

De Nationale Raad bevestigt zijn vroegere adviezen in die aangelegenheid.

De getuigenis in rechte is een getuigenis onder eed, voor de hoven en rechtbanken of voor de onderzoeksrechter.

Normaal worden geneesheren door de onderzoeksrechter verhoord voor inlichtingen over patiënten die zij in behandeling hebben. De onderzoeksrechter mag evenwel een officier van de gerechtelijke politie opdracht geven tot het verhoren van de geneesheer. Deze mag weigeren aan de gerechtelijke politie een verklaring af te leggen en moet weigeren een verklaring af te leggen wanneer zijn beroepsgeheim in het gedrang komt.

Hieronder geven wij U een vrije vertaling van een uittreksel uit het "Traité de l'instruction préparatoire en matière pénale" (Jacques Hoeffler, Substitut de l'auditeur général près le Conseil d'Etat, UGA, 1956, p. 200, nr. 203).

"De verplichting te getuigen.

De getuigen zijn onmisbare helpers van het gerecht: daarom, zowel in strafzaken als in burgerlijke zaken, zijn zij niet vrij hun getuigenis te weigeren.

De wet legt hen de plicht op de eed af te leggen en de gehele waarheid te zeggen en niets anders dan de waarheid; de getuige die niet verschijnt kan gedwongen worden te komen getuigen en bij onthouding stelt hij zich bloot aan strafsancties.

De getuige moet echter zijn getuigenis alleen verstrekken aan het gerecht. De onderzoeksrechter, als orgaan van het gerecht, kan een getuige dwingen onder eed te getuigen, maar een officier van gerechtelijke politie heeft een dergelijke macht niet: de gerechtelijke politie heeft het recht een getuige te interpelleren om een verklaring van hem te bekomen, maar de getuige is in dat geval vrij te weigeren enige verklaring af te leggen.

Bovendien is, zelfs voor het gerecht, het recht om een getuige te dwingen een verklaring af te leggen aan sommige beperkingen onderworpen."