keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Honoraria05/04/2008 Documentcode: a120008
Geschenken in ruil voor medische prestaties door zoon-arts

Een provinciale raad stuurt een brief door met de volgende vragen : “Mag een geneesheer voor prestaties uitgevoerd voor zijn moeder, geschenken aanvaarden in ruil voor het ‘gratis’ behandelen en dit ondanks dat één der kinderen, ook in de medische wereld werkzaam, voorstelt om voor deze prestaties alleen het door de mutualiteiten terugbetaalde bedrag aan te rekenen, zodat eventuele onkosten voor deze prestaties zijn gedekt en de patiënte hierdoor ook geen schulden heeft voor de geleverde prestaties. Is het dan niet gevaarlijk dat de waarde van deze ‘geschenken’ de uiteindelijke onkosten overtreft? Is het dan niet aangewezen om de waarde van deze ‘geschenken’ te laten bepalen om te weten of deze ‘geschenken’ in evenredigheid zijn van de eventuele aangegane onkosten?”

ADVIES VAN DE NATIONALE RAAD :

De Nationale Raad is van mening dat het beoordelen van het geven van “geschenken” onder verwanten – bv. van een moeder aan haar zoon-arts – in de regel niet tot de bevoegdheid van de Orde behoort.

Indien echter aan die “geschenken” een kwalificatie zou kunnen gegeven worden die in verband zou kunnen gebracht worden met het verrichten van medische prestaties onder verwanten en/of het aanrekenen van onkosten daaraan verbonden, brengt de Nationale Raad het geldende deontologische standpunt in herinnering (Code van geneeskundige plichtenleer, art. 79): “Het is gebruikelijk dat een geneesheer geen ereloon aanrekent voor de verzorging van zijn naaste verwanten en zijn medewerkers, alsook van zijn collega’s en de personen ten laste van deze laatste. Niettemin mag een vergoeding gevraagd worden voor de kosten die eruit voortspruiten.”

Betreffende het voorstel om het door de mutualiteiten terugbetaalde bedrag aan te rekenen voor prestaties en/of onkosten, benadrukt de Nationale Raad dat, bij de herziening in 1995 van het voormelde artikel 79, de volgende alinea werd geschrapt: “Behalve aan zijn naaste verwanten, mag de geneesheer tevens een ereloon vragen ten belope van het bedrag dat ten laste valt van derden”. Tot staving van deze schrapping heeft de Nationale Raad geoordeeld dat hij niet kon “ loochenen dat de uitoefening van de geneeskunde kosten met zich brengt die losstaan van de intrinsieke verstrekking van de arts, maar hij heeft elke verwijzing naar de ten laste neming door derden uitgesloten.”

Wat het vragen van een vergoeding voor de kosten betreft, verwijst de Nationale Raad naar adviezen die accuraat blijven: “Het valt klaarblijkelijk niet onder de bevoegdheid van de Nationale Raad noch van de provinciale raden van de Orde der geneesheren om op een algemene manier te bepalen welk het bedrag is van de kosten, dat mag aangerekend worden. Men kan evenwel aannemen dat een bepaalde provinciale raad van de Orde, die kennis krijgt van mogelijke misbruiken in een bepaald geval, de aangelegenheid onderzoekt en, bij bewezen misbruiken, aan de betrokken geneesheer een sanctie oplegt.”

Honoraria16/02/2008 Documentcode: a120004
Telefonisch advies door een arts - Ereloon

Een advocaat vraagt naar het standpunt van de Nationale Raad betreffende het verlenen van telefonisch advies door een huisarts aan patiënten die door hem zeer goed gekend zijn, zonder dat het nodig is dat zij op dat ogenblik lichamelijk onderzocht worden, en het ereloon dat hiervoor kan worden aangerekend.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren nam in zijn vergadering van 16 februari 2008 kennis van uw vraag betreffende “telefonisch advies en ereloon”.

Er werd daaromtrent voorheen door de Nationale Raad geen specifiek standpunt ingenomen.

Een medisch advies langs telefonische weg vereist grote voorzichtigheid. Een medisch advies veronderstelt in de regel, ter vermijding van risico’s voor de patiënt, een voorafgaand medisch onderzoek, wat telefonisch is uitgesloten. Derhalve is “zonder dat het nodig is dat ze op dat ogenblik lichamelijk onderzocht worden” zeer omzichtig te beoordelen (zie o.m. als bijlage een bijdrage van dr. Michel Deneyer “Telefoongeneeskunde kan uw gezondheid ernstige schade aanrichten”).

De adviesverlenende (huis)arts draagt ook m.b.t. door een door hem zeer goed gekende patiënt gevraagde adviezen - een niet-gekende patiënt moet uiteraard steeds “gezien” worden - strafrechtelijke, civielrechtelijke en tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de gevolgen van iedere, ook lichte, fout.

Wat het aanrekenen van een ereloon voor een telefonisch medisch advies betreft, dient te worden opgemerkt dat daarvoor geen RIZIV-nomenclatuurnummer bestaat.

Het is de Nationale Raad niet duidelijk wat in de gezegde context een overeenkomst voor ereloon kan zijn. Wat betekent dit inhoudelijk ? Reeds op te merken is dat een betrokken arts elke overeenkomst die de uitoefening van de geneeskunde raakt ter beoordeling dient voor te leggen aan de provinciale raad op wiens Lijst hij is ingeschreven.

Bijlage :

Telefoongeneeskunde kan uw gezondheid ernstige schade aanrichten .

Mededelingen Brabant (N) - Symposium 15.10.2005

Dokter Michel Deneyer
Voorzitter van de Provinciale Raad van Brabant (N)

Telegeneeskunde betekent letterlijk het beoefenen van geneeskunde op afstand.
In verschillende disciplines van de geneeskunde ziet men met de expansie van het internet het voorzetsel "tele" opduiken ( teleradiologie, teledermatologie, telecardiologie, etc. ).

De meest verbreide vorm van telegeneeskunde is zeker het "telefonisch advies". Meer en meer ingeburgerd wordt het door de patiënt als handig , makkelijk en als een verworven recht ervaren .
Dat aan de andere kant van de lijn een geneesheer gesolliciteerd wordt zonder remuneratie, die verantwoordelijk kan gesteld worden zonder te beschikken over de nodige "gegevens" om zijn vak terdege te kunnen uitoefenen , laat de modale "beller" koud .

Recente studies en eigen cijfers tonen de belangrijkheid aan van het fenomeen, dat zich aanvankelijk alleen bij huisartsen en laagdrempelige specialisten afspeelde en zich later verspreidde over alle disciplines. Het aantal adviezen over "acute" symptomen is onrustwekkend hoog. Slechts in een kwart van de gevallen kan een vraag voor advies , waarin spoedeisende zorg aan de orde is , met de nodige overredingskracht omgebogen worden in een raadpleging . Anderzijds wordt het woord " dringend" meermaals "verkracht" , niet in het minst om zijn agenda op te dringen aan die van de arts . Langs deze weg probeert de "beller" meermaals oneigenlijke voordelen af te dwingen zoals welwillendheidsattesten , voorschriften , etc.

Het feit dat patiënten bij hun arts terecht moeten kunnen voor een "pertinente vraag" of een advies kunnen inwinnen kort nadat ze op raadpleging zijn geweest wordt absoluut niet betwist . Daarentegen het telefonisch vragen van raad in geval van acute ziekte om een raadpleging te omzeilen is een dagelijkse werkelljkheid . Dit kan verklaard worden mede door het uitsterven van de mantelzorg alsook door de attitude van de patiënt , die zich opstelt als een consument met als motto " alles moet kunnen".
Vele artsen ervaren het " onterecht" telefonisch consult als storend tijdrovend , gevaarlijk en onnuttig wegens het gebrek aan essentiële elementen waarvan het klinisch onderzoek de hoeksteen is en blijft .
Wanneer de arts vaag blijft in zulke telefonische consulten , wordt hem dikwijls verweten niet inschikkelijk en toegankelijk te zijn. Dit creëert een polarisatie bij het publiek met " goede" en "slechte" artsen " tot gevolg . De "goede" - lees artsen waar de patiënt (consument) de scepter zwaait - en de " slechte" die rechtlijnig streven naar een kwaliteitsgeneeskunde.

De groeiende "telefoonstroom" maakt de arts vleugellam . Om desondanks de patiënten de beste zorg te blijven aanbieden , lassen sommige artsen "een vragenuurtje" in ; anderen neutraliseren de telefoon en laten bv. één oproep binnen per patiëntencontact . Deze uit noodzaak in het leven geroepen lapmiddelen vergemakkelijken het werk , doch lossen de kern van het probleem niet op.

Een campagne met een positieve boodschap naar arts en patiënt zou het aantal telefonische adviezen" beheersbaar" moeten maken .
De arts moet herinnerd worden dat hij enkel advies kan uitbrengen aan een gekende en geïdentificeerde patiënt nadat hij deze onderzocht heeft , in de continuïteit der zorg ( bv. evaluatie , aanpassing medicatie nevenwerkingen, ...).
Aan een ongekende of een niet geïdentificeerde patiënt ( situatie tijdens wachtdienst) zal het telefonisch advies kort en voorzichtig gehouden worden en een consultatie voorgesteld worden. In beide gevallen wordt nota genomen in het dossier respectievelijk wachtverslag .
De patiënt moet geïnformeerd worden over het feit dat een arts onmogelijk een diagnose kan stellen zonder anamnese en fysiek onderzoek . Het telefonisch interpreteren van acute symptomen is onbegonnen werk en houdt risico's in voor de volksgezondheid. Bovendien dat het "zomaar" bellen als storend en afleidend wordt ervaren door de arts en de patiënt die op dat ogenblik op spreekuur is .
De kwaliteit van praktijkvoering wordt alzo uitgehold voornamelijk door de verloren tijd en de opgestapelde ergernis .
Deze informatie zou de stroom aan telefonische adviezen moeten reduceren tot alleen "pertinente" vragen en adviezen volgend op een raadpleging . Andere oproepen kunnen de relatie patiënt-arts alleen maar verzuren. Triviaal gesteld: de éne wil iets bekomen, wat de andere partij met de beste wil niet mag en niet kan geven .

Recentelijk ziet men dat zowel solo- als groepspraktijken , praktijkassistenten en call-centers inlassen om de telefoonstroom te beheersen en toe te laten aan de arts zijn beschikbare tijd maximaal aan de patiënt in zijn spreekkamer te besteden .
Naast vele voordelen, waaronder de " kwaliteit van leven ", zijn er enkele mindere kanten aan deze vorm van praktijkvoering . Deze dienen voorafgaand voldoende bestudeerd om de nodige kwaliteit te verzekeren . Zo het pijnlijke voorval uit een buurland waarbij een schoolgaand kind om het leven komt door een geperforeerde appendicitis met peritonitis . Nochtans hadden de ouders vier dagen ervoor hulp gezocht bij hun arts en van diens praktijkassistenten tot tweemaal toe advies gekregen zoals gebruikelijk aldaar. Een lichamelijk onderzoek kwam er slechts post-mortem aan te pas .
Een analyse van deze casus maakt duidelijk dat men bij het werken met "tussenstations" over een geschreven protocol moet beschikken met de nodige kwaliteitsgaranties zoals de afbakening van de taken, verplichte overdracht van informatie , bepalen van verantwoordelijkheid, opvolging en feedback .
Minimale deontologische vereisten zoals vrije patiëntenkeuze, discretieplicht, effectief gezag op medisch vlak, dienen ook in deze schriftelijke overeenkomst opgenomen te worden . Ter toetsing wordt deze voorafgaandelijk voorgelegd aan de bevoegde Provinciale Raad .

Honoraria21/05/2005 Documentcode: a109011
Artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer

Een geneesheer stelt vast dat meer en meer, vooral jongere, artsen toch erelonen aanrekenen voor de verzorging van hun collega’s, hun familie en hun medewerkers. Hij vraagt aan de Nationale Raad om artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer te herformuleren met meer nadruk op de collegialiteit onder de artsen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 mei 2005 uw verzoek om herziening van artikel 79 van de Code van geneeskundige plichtenleer. Daarbij gaat het niet over de geest van dit artikel, maar in de eerste plaats over de bewoordingen ervan. U vindt namelijk dat de formulering van artikel 79, beginnend met “Het is gebruikelijk”, uiterst beleefd is maar niet duidelijk genoeg aangeeft dat de erelonen of ereloonsupplementen niet van toepassing zijn tussen artsen.

Het is goed eraan te herinneren dat de bepalingen van de Code een leidraad zijn. Ze hebben tot doel de beginselen, de regels en de gebruiken te formaliseren die door iedere arts dienen nageleefd te worden of waardoor hij zich dient te laten leiden bij de uitoefening van zijn beroep. De bewoordingen van de artikelen ervan dienen genuanceerd te zijn. Het is de taak van de provinciale raden de dwingende voorschriften en de dwingende aard van de Code geval per geval te beoordelen.

Wat artikel 79 in het bijzonder betreft, moet men weten dat het op 18 maart 1995 gewijzigd werd na een lange discussie. In hoofdzaak werd enerzijds de zin “De geneesheer mag niettemin een vergoeding vragen voor zijn kosten” vervangen door deze nieuwe zin, die ruimer is en rekening houdt met de alsmaar toenemende kosten inzake techniek en infrastructuur : “Niettemin mag een vergoeding gevraagd worden voor de kosten die eruit voortspruiten.” Anderzijds werd de alinea : “Behalve aan zijn naaste verwanten, mag de geneesheer tevens een ereloon vragen ten belope van het bedrag dat ten laste valt van derden” geschrapt.

Uit de analyse van deze evolutie blijkt dat de vrees die u uit, namelijk het ontstaan van financiële relaties (van commerciële aard) tussen collega’s, vermeden werd met de wijziging van dit artikel 79. Het vragen van een vergoeding voor zijn kosten door de geneesheer werd geschrapt. De Nationale Raad kon daarentegen niet loochenen dat de uitoefening van de geneeskunde kosten met zich brengt die losstaan van de intrinsieke verstrekking van de arts, maar hij heeft elke verwijzing naar de tenlasteneming door derden uitgesloten.

Na reflectie meent de Nationale Raad dat het niet nodig is artikel 79 van zijn Code te wijzigen. Hij maakt echter van uw verzoek gebruik om met alle middelen waarover hij beschikt (brief aan de provinciale raden, publicatie in zijn Tijdschrift, publicatie op zijn site), te herinneren aan de collegialiteitplicht van iedere arts met betrekking tot de erelonen.

Honoraria13/12/2003 Documentcode: a103010
Hibo-opleiding - disponibiliteitsvergoeding voor de wachtdiensten

Hibo-opleiding – disponibiliteitsvergoeding voor de wachtdiensten

Artikel 15.6 van de "Standaard Opleidingsovereenkomst tussen praktijkopleider en HIBO" van het ICHO bepaalt dat de Hibo vanwege de praktijkopleider de disponibiliteitsvergoeding ontvangt voor de wachtdiensten die hij effectief heeft gepresteerd. Krachtens art. 3, §1, van het KB van 25 november 2002 tot vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een beschikbaarheidshonorarium betaalt aan de artsen die deelnemen aan georganiseerde wachtdiensten komt deze disponibiliteitsvergoeding uitsluitend toe aan erkende huisartsen.
Een provinciale raad vraagt aan de Nationale Raad of er deontologische bezwaren zijn tegen een werkwijze waarbij de stagemeester het volledige of een gedeelte van het beschikbaarheidshonorarium aan de HIBO overmaakt.

Op 13 december 2003 bracht de Nationale Raad advies uit over de bovenstaande problematiek.

Kort nadien werd de Raad in kennis gesteld van een mededeling van het Riziv dat de disponibiliteitsvergoeding in rekening mag gebracht worden hetzij op naam van de stagemeester hetzij op naam van de stagiair.

Dientengevolge heeft de Nationale Raad in zijn vergadering van 17 januari 2004 beslist de tweede alinea van zijn advies van 13 december 2003 aan te vullen.
De wijziging werd schuin gedrukt.

Advies van 13 december 2003 (aangevuld op 17 januari 2004) :

In zijn zitting van 13 december 2003 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de in uw brief van 29 oktober 2003 vervatte problematiek omtrent het beschikbaarheidshonorarium dat door het Riziv wordt voorzien in het kader van de wettelijk georganiseerde huisartsenwachtdiensten.

In het licht van de gangbare opvattingen omtrent de begrippen "arbeidstijd" en "beschikbaarheidstijd" komt het de Nationale Raad voor dat, in geval de wachtdienst effectief wordt uitgevoerd door de HIBO, en dit onder de supervisie bij beschikbaarheid van de stagemeester, het aan de stagemeester dan wel aan de stagiair uitgekeerde beschikbaarheidshonorarium collegiaal dient te worden gedeeld door HIBO en stagemeester, en dit in verhouding tot de door elk van de partijen geleverde inspanningen en prestaties gedurende het verloop van de betreffende wachtdienst.

De wettelijke regeling inzake de toekenning van het beschikbaarheidshonorarium staat deze ordinale stellingname niet in de weg.

Continuïteit van de zorg16/06/2001 Documentcode: a093012
Overeenkomst tussen een wijkgezondheidscentrum en een orthopedagogisch centrum

Een geneeskundige kring van huisartsen en specialisten maakt aan de Unie van Huisartsenkringen (UHAK) een aantal kritische bedenkingen over met betrekking tot een door een wijkgezondheidscentrum opgesteld abonnementsformulier dat ter ondertekening wordt voorgelegd aan de ouders van kinderen die verblijven in een orthopedagogisch centrum.
UHAK is van oordeel dat een dergelijke bilaterale overeenkomst tussen één enkele huisartsenpraktijk – ongeacht het gevoerde praktijkmodel – en één school en/of instelling volstrekt ontoelaatbaar is en vraagt de Nationale Raad richtlijnen te formuleren.

Advies van de Nationale Raad :

Naar aanleiding van een overeenkomst tussen een wijkgezondheidscentrum en een orthopedagogisch centrum worden door de Raad van beheer van de Unie van Huisartsenkringen aan de bevoegde provinciale raad en de Nationale Raad van de Orde een reeks vragen voorgelegd voor deontologisch advies. Aan de Nationale Raad wordt gevraagd de problematiek globaal te behandelen gezien het grote aantal analoge centra in Vlaanderen. Het behoort tot de bevoegdheid van de aangeschreven provinciale raad na te gaan of de concrete overeenkomst strookt met de medische deontologie.

In zijn vergaderingen van 19 mei en 16 juni 2001 besprak de Nationale Raad de gestelde problematiek.

Na het doornemen van het overgemaakte bundel stelt zich de cruciale vraag wie de huisarts is van cliënten die verblijven in de bedoelde instellingen. Het ligt voor de hand dat de cliënten gedurende hun aanwezigheid in deze instellingen de geschikte medische hulp dienen te krijgen waarvan zeker een gedeelte tot het specifieke domein van de eerste lijn behoort. Hoe deze zorg concreet gerealiseerd wordt dient instelling per instelling bekeken te worden daar deze onderling sterk verschillen door onder meer de taakverdeling tussen de beoefenaar van de huisartsgeneeskunde en andere medische disciplines, de grootte van de instelling, de leeftijd van de cliënten, de afstand tussen de instelling en hun woonplaats, de aard van de handicap, de duur van het verblijf per dag en in de tijd en de wijze van financiering door de overheid als onder meer de afgesloten overeenkomst met het Vlaams Fonds waarin al dan niet is voorzien in een aantal uren aanwezigheid van artsen en hun honorering.

Tot vandaag wordt algemeen aanvaard dat hij/zij die huisarts was bij de inschrijving van een cliënt in één van de beoogde voorzieningen, de huisarts blijft. Vooreerst kent hij de patiënt meestal sinds jaren en is er, afhankelijk van de leeftijd, de aard en de ernst van de handicap, een vertrouwensrelatie ontstaan. Vervolgens is de huisarts meestal ook de huisarts van het gezin waarvan de cliënt deel uitmaakt zodat hij niet alleen door directe contacten met de patiënt/cliënt maar ook door indirecte informatie via de gezinsleden op de hoogte blijft van de evolutie van zijn patiënt. Tenslotte is hij/zij als vertrouwensfiguur van het gezin zeer goed geplaatst voor de psychologische en psycho-sociale begeleiding van zowel de patiënt/cliënt als het gezin. Bij deze begeleiding kan hij enerzijds contact nemen met de artsen die vanuit de instelling interveniëren en anderzijds kan hij zo nodig ambulante gespecialiseerde hulpverleners inschakelen bij vragen naar alternatieve voorzieningen en vragen naar de wijze van benadering binnen de voorziening. Dit bevordert de communicatie over de cliënt en van de patiënt met de buitenwereld en komt de transparantie van het leven binnen de instelling ten goede.

Bij wat voorafgaat wordt ervan uitgegaan dat de mogelijkheid tot regelmatig contact van de patiënt/cliënt met zijn huisarts bestaat. Dit staat buiten alle discussie bij dagverblijven en semi-internaten zodat de vraag zich beperkt tot de contactmogelijkheden bij een residentieel verblijf. Het is duidelijk dat elke geëngageerde huisarts probleemloos contact kan en zal nemen met zijn patiënt/cliënt wanneer deze de weekends en de vakanties in zijn thuismilieu doorbrengt terwijl contacten nauwelijks mogelijk zullen zijn wanneer patiënt/cliënt nooit of hooguit enkele dagen in het jaar thuis is. Tussen deze twee uitersten liggen een reeks eventualiteiten die al naargelang het geval dienen beoordeeld te worden.

Hieruit mag niet worden afgeleid dat de frequentie van de contactmogelijkheden het bepalend criterium is voor het huisarts zijn van een patiënt/cliënt. De grote misvatting in dit vlak is dat de verstrekker van zorgen die tot het terrein van de huisartsgeneeskunde behoren daaruit besluit dat hij de huisarts is. Artsen die deze zorgen verstrekken in psychiatrische ziekenhuizen of therapeutische gemeenschappen nemen deze specifieke zorg op zich op vraag van de psychiaters die van oordeel zijn dat het voor de patiënt en de kwaliteit van de zorg beter is dat de zorg die tot de eerste lijn behoort wordt verstrekt door artsen die daarin een specifieke kennis en ervaring hebben. Deze verstrekkers van zorgen die tot de huisartsgeneeskunde behoren worden echter nooit de huisarts van de patiënt. Gedurende hun verblijf in psychiatrische ziekenhuizen en therapeutische gemeenschappen behouden deze patiënten hun huisarts, die, wanneer de geneeskunde conform de medische deontologie beoefend wordt, op de hoogte gehouden wordt van alle belangrijke veranderingen in de toestand van de patiënt en waarmee overlegd wordt bij alle ernstige beslissingen vooral op somatisch vlak. Dit fundamenteel onderscheid tussen huisarts zijn en zorgen verstrekken die tot de huisartsgeneeskunde behoren, is de essentie van het antwoord op de gestelde vragen.

Het bepalend criterium bij de aanduiding van de huisarts zijn niet de omstandigheden van het verblijf, zijn niet de mogelijkheden tot contactname maar is de vrije keuze van huisarts door de patiënt. Dit is een basisprincipe in de arts-patiëntrelatie en een belangrijke voorwaarde voor de uitbouw van een vertrouwensrelatie. De Code van geneeskundige plichtenleer stelt in artikel 27 expliciet dat "elke geneesheer deze vrije keuze moet eerbiedigen en ervoor zorgen dat zij geëerbiedigd wordt". Artikel 28 van de Code handelt over de vrijheid van de arts, die, behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten zou tekort schieten, om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling kan weigeren en zijn taak aan een andere geneesheer, die hij alle nuttige inlichtingen verstrekt, kan overdragen. Bij de aanwijzing van deze geneesheer dient de patiënt niet alleen inspraak te hebben maar moet hij vrij kunnen beslissen bij de keuze van de opvolger van zijn arts. Het is overduidelijk dat in het vlak van vrije keuze de ouders of de voogd in de plaats van de patiënt beslissen wanneer deze door zijn leeftijd of handicap niet bekwaam is zelf tot een redelijke keuze te komen.

Uit artikel 28 kan worden afgeleid dat een huisarts van mening kan zijn dat hij niet langer de taak van huisarts kan vervullen van een cliënt die in een bepaalde voorziening verblijft. Dan dient hij dit met zijn patiënt/cliënt te bespreken die na overleg vrij beslist wie zijn nieuwe huisarts wordt. Uit artikel 27 volgt dat artsen dienen na te gaan of zij kunnen meewerken aan initiatieven die de vrije keuze van de huisarts door de patiënt/cliënt niet eerbiedigen en dit geldt des te meer wanneer mocht blijken dat derden uit eigenbelang patiënten/cliënten onder druk zetten en de vrijheid van keuze van huisarts daardoor beïnvloeden en beperken.

Getuigschrift19/08/2000 Documentcode: a090016
Aanrekenen van administratieve kosten voor medische verslagen en attesten

Een provinciale raad stuurt de Nationale Raad een brief door van een arts die vraagt of de administratieve kosten die het opstellen van medische attesten en verslagen met zich brengt niet kunnen worden doorgerekend aan de aanvragende instantie, in casu de mutualiteiten en de verzekeringsmaatschappijen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 19 augustus 2000 de brief van dr. X betreffende het aanrekenen van administratieve onkosten aan de instantie die getuigschriften en verslagen vraagt bestemd voor sociale voorzieningen of voor de terugbetaling van medicatie.

Naar zijn weten bestaan er noch wettelijke basis noch deontologische richtlijnen om deze onkosten in rekening te brengen aan de verzekeringsinstelling.
De artikels 58 en 102 van de Code van geneeskundige plichtenleer kunnen niet in die zin geïnterpreteerd worden.
De Nationale Raad is zich wel bewust van deze steeds toenemende aanvraag en van de werklast die eruit voortvloeit voor de arts, maar wijst erop dat de arts verplicht is dit te aanvaarden om zijn patiënt te verzekeren van de beste zorg die zijn gezondheidstoestand vergt.

Bij het codenummer 109012 ("advies") van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen wordt bepaald dat het slaat op het opmaken en ondertekenen, buiten welk onderzoek van de zieke ook, van getuigschriften, farmaceutische voorschriftbriefjes en allerlei bescheiden. Dit honorarium voor advies mag nooit samengevoegd worden met dat voor raadpleging of bezoek.

De interpretatieregel 200-5 heeft nader bepaald dat de verzekerde bij het opmaken van het bescheid aanwezig moet zijn; er werd ook aan toegevoegd dat vragen om inlichtingen vanwege de adviserend geneesheer daarin niet bedoeld zijn en dat geen verzekeringsvergoeding mag verleend worden aan de behandelende arts die ze verstrekt.

Een wijziging van de nomenclatuur die aan uw opmerkingen zou tegemoetkomen behoort tot de bevoegdheid van de ad-hocdiensten van het Riziv (Dienst voor Geneeskundige Verzorging en Technische Raad) waar het probleem kan aangekaart worden door de beroepsverenigingen.

Art. 58 a) en b) (Gewijzigd op 22 september 1993) van de Code van geneeskundige plichtenleer

Binnen uitdrukkelijk vastgelegde perken, gelden wettelijke uitzonderingen voor de hierna opgesomde gevallen. De geneesheer moet in geweten oordelen of hij door het beroepsgeheim toch niet wordt verplicht bepaalde gegevens niet mede te delen.

a) Het verstrekken van inlichtingen, in het kader van de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aan de geneesheren-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, in zoverre die inlichtingen noodzakelijk zijn voor hun controle-opdracht en binnen de perken ervan blijven.

Het verstrekken van deze inlichtingen en het aanwenden ervan door de geneesheren-inspecteurs zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het beroepsgeheim.

b) Het verstrekken van inlichtingen of medische gegevens over de verzekerde, aan de geneesheren-adviseurs van verzekeringsinstellingen tegen ziekte en invaliditeit en binnen de perken van de medisch-sociale raadplegingen.

De geneesheer-adviseur van een verzekeringsinstelling is, zoals elke andere geneesheer, gebonden door het beroepsgeheim; hij moet aan die instelling uitsluitend zijn besluiten op administratief vlak mededelen.

Art. 102 van de Code van geneeskundige plichtenleer

De geneesheer moet gewetensvol en in alle objectiviteit elk voor het verkrijgen van sociale voordelen vereist document opstellen.