keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...18/10/1997 Documentcode: a079038
Erkenning en subsidiëring van residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen (Waals gewest)

Verscheidene artsen hebben hun provinciale raad aangeschreven in verband met een ontwerp van Besluit van de Waalse Regering betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen.
Deze artsen zijn van oordeel dat een toepassing van de ontworpen bepalingen ernstig nadeel zou kunnen toebrengen aan de patiënten en aan het omkaderingspersoneel van de betrokken instellingen. Zij vragen derhalve de steun en de tussenkomst van de Orde van geneesheren bij het Riziv en bij het Waals Agentschap voor de Integratie van Gehandicapte Personen.

De betrokken provinciale raden wensen hierover het advies van de Nationale Raad te bekomen en willen ook weten of er geen tegenspraak is met de artikelen 82 en 166 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

Antwoord van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 18 oktober 1997 heeft de Nationale Raad een voorontwerp van Arrest van de Waalse regering bestudeerd waarvan een gedeelte de medische omkadering betreft (subsidieregeling van de MPI's, van de woondiensten evenals van de dagopvangdiensten voor volwassen gehandicapten).

De Nationale Raad heeft inderdaad aandacht voor de aangehaalde problemen, maar, bij afwezigheid van gepubliceerde referentiewetteksten die op een precieze manier de gestelde vragen behandelen, kan hij zich moeilijk uitspreken.

De Nationale Raad herinnert dat het respect van de artikels 82 en 166 onder de bevoegdheid vallen van de provinciale raden en dat de arts, bij het lezen van een contract dat men hem voorstelt, erover moet waken dat hij in staat moet zijn de bepalingen van de Code van geneeskundige Plichtenleer na te leven en meer bepaald artikel 35.

Het zijn de organisaties voor beroepsverdediging die waakzaam moeten zijn over de bepalingen van een decreet in deze materie en meer bepaald inzake de omkadering en de bezoldiging.

Artikel 82 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Wanneer de geneesheer een forfaitaire vergoeding krijgt, mag zijn beroepsactiviteit daardoor niet ondergeschikt worden aan de financiële belangen van de natuurlijke of rechtspersonen die hem bezoldigen. Laatstgenoemden mogen geen enkel voordeel halen uit een mogelijk verschil tussen het ereloon dat zij innen als gemachtigden van de geneesheer en zijn forfaitaire vergoeding.
Enkel de normale kosten die voortvloeien uit de medische activiteiten kunnen, indien zij door de geneesheer gekend en goedgekeurd zijn, een dergelijk verschil rechtvaardigen. De forfaitaire vergoeding mag niet lager liggen dan het overeenkomstige inkomen van een geneesheer die voor gelijkwaardige activiteiten per prestatie wordt vergoed.
Elk contract of statuut, dat in forfaitaire vergoeding van de geneesheer voorziet, moet vóór de afsluiting of goedkeuring ervan door de geneesheer, voor advies aan de bevoegde provinciale raad van de Orde worden voorgelegd.

Artikel 166 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Elke overeenkomst gesloten tussen geneesheren en verzorgingsinstellingen moet door een schriftelijk contract worden geregeld.
De statuten, contracten en huishoudelijke reglementen moeten stroken met de bepalingen van de geneeskundige plichtenleer.
Elke bepaling die indruist tegen de plichten die ontstaan uit het stilzwijgend verzorgingscontract dat de geneesheer met zijn zieke verbindt, is verboden.

Artikel 35 van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Behalve in geval van overmacht mag de geneesheer zijn beroep enkel uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorgen en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen.

  1. Behoudens in spoedeisende gevallen mag de geneesheer slechts zoveel personen in behandeling nemen als hij aankan om aan ieder van hen gewetensvol, zorgvuldig en met eerbied voor de menselijke persoon zorgen te verstrekken.

  2. De geneesheer mag zijn bevoegdheid niet overschrijden. Hij moet het advies inwinnen van confraters, onder meer van specialisten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de patiënt, telkens wanneer dit binnen de diagnostische of therapeutische context nuttig of noodzakelijk blijkt.

  3. Wanneer de toestand van de patiënt dit vereist laat de geneesheer zich bijstaan door bevoegde verpleegkundige, paramedische, technische en sociale medewerkers.

Honoraria24/08/1996 Documentcode: a074003
Rusthuizen en verzorgingstehuizen - RVT's

Rusthuizen en verzorgingstehuizen (RVT's)

De deontologische kant van het uitoefenen van de geneeskunde in rusthuizen en verzorgingstehuizen is opnieuw onder de aandacht van de Nationale Raad gekomen. De Nationale Raad heeft beslist het in januari 1992 uitgebrachte advies te herzien.

Advies van de Nationale Raad:

Een patiënt die opgenomen wordt in een RVT, moet beantwoorden aan enkele criteria die vastgelegd zijn bij KB. De geneesheer-adviseur gaat na of de patiënt beantwoordt aan de gestelde criteria, en kan desgevallend de bijzondere tegemoetkoming wegens opname weigeren of toelaten.
Een RVT is in wezen een gezinsvervangend tehuis. De aandoening van de patiënt is gekend en specialistische tussenkomst is niet nodig, tenzij eventueel bij verwikkeling of nieuwe situaties. Daarom wordt algemeen aangenomen dat patiënten in een RVT medisch begeleid worden door hun huisarts, uitgaande van de vrije artsenkeuze.

Aan de RVT geneeskunde zijn nochtans enkele bijzondere aspecten verbonden die niet voorkomen indien een patiënt in eigen familiekring verzorgd wordt.
Een RVT, om erkend te worden, moet namelijk voldoen aan een aantal normen qua inrichting en werking, die vastgesteld zijn door de wetgever. De normen die belangrijk zijn voor geneesheren houden voornamelijk verband met het medisch dossier, het register en de coördinatie.

De wetgever verplicht de RVT's:

  1. een medisch en een verpleegkundig dossier per verzorgingsbehoevende aan te leggen en bij te houden;

  2. het aantal geneeskundige prestaties en de aard ervan voor deze zelfde verzorgingsbehoevenden centraal te registreren.

De verantwoordelijkheid voor de organisatie van deze twee voorwaarden ligt bij de beheerder van het RVT.
Elke tekortkoming aan deze organisatie kan voor de beheerder zowel de intrekking van zijn erkenning door de ministeries onder wier bevoegdheid de volksgezondheid valt tot gevolg hebben als de terugbetaling van de door het Riziv toegekende forfaits (B, C, Cd).
Wat in het bijzonder het medisch dossier betreft, dient opgemerkt dat het bestaan ervan gecontroleerd kan worden door de ambtenaren van de volksgezondheid die belast zijn met de toepassing van de wettelijke normen in de RVT's; de inhoud van het medisch dossier kan nagegaan worden door de geneesheren-inspecteurs van de geneeskundige controle van het Riziv ingeval deze dienst beslist een onderzoek in te stellen.
De verplichting een medisch en verpleegkundig dossier bij te houden en de verbintenis van de bezoekende geneesheer mee te werken aan de samenstelling van een eenvormig dossier per patiënt kan erop lijken te wijzen dat de wetgever de medische en verpleegkundige aspecten van dit dossier onderbrengt in één zelfde entiteit.

Op het deontologische vlak is het zeer belangrijk een onderscheid te maken tussen deze twee aspecten, te meer daar de basis van het dossier gevormd wordt door het protocol van het onderzoek dat voorafgaat aan de opname en door een rapport betreffende de gezondheidstoestand van de betrokkene.
Het medisch dossier en het verpleegkundig dossier moeten strikt uit elkaar worden gehouden.

De geneesheer moet overigens voor elke patiënt een medisch dossier bijhouden. De onderliggende reden daarvan is dat een dossier zowat het geschreven geheugen vertegenwoordigt. De geneesheer is verantwoordelijk voor de bewaring ervan.
Wanneer een patiënt in eigen familiekring verzorgd wordt, mag het medisch dossier niet ten huize van de patiënt gelaten worden met uitzondering van de elementen die noodzakelijk zijn voor de continuïteit van de zorg. Hoewel dit hinderlijk kan zijn voor een geneesheer met wachtdienst, primeert hier het beroepsgeheim, dat niet gewaarborgd kan worden in dergelijke situatie door de behandelende geneesheer. In een RVT moet de geneesheer gebruik maken van de mogelijkheid van het medisch dossier te bewaren door personen die eveneens door het beroepsgeheim zijn gebonden. Een geneesheer met wachtdienst kan er nuttig gebruik van maken om met bekwame spoed een beslissing te treffen. Daarom is het aan te raden alle belangrijke elementen in het dossier te vermelden die nodig zijn om de patiënt te verzorgen bij urgentie door een wachtgeneesheer. Het is eveneens aan te raden dat persoonlijke aantekeningen van delicate aard opgeslagen worden in een dossier dat de behandelende geneesheer thuis bewaart. De lokale huisartsen kunnen afspraken maken met de directie om de geheimhouding in strikte zin te waarborgen.

Wat het centraal register betreft, mag de geneesheer meewerken aan het invullen van het aantal geneeskundige prestaties en de aard ervan in dit register, op voorwaarde dat de medegedeelde gegevens van louter administratieve aard zijn. Het invullen ervan is echter geen wettelijke verplichting voor de geneesheer.

De deontologie rond de coördinator (in officiële teksten "aangewezen geneesheer" genoemd) betreft voornamelijk zijn aanstelling en zijn functie.
Er wordt algemeen aanvaard dat de coördinator een huisarts is, en in de meeste gevallen is het ook zo.
De aanstelling moet gebeuren via een geschreven overeenkomst met de beheerder, die, voorafgaandelijk aan de ondertekening, moet voorgelegd worden aan de Provinciale Raad. De aanstelling van de coördinator is het wettelijk voorrecht van de beheerder.
De geneesheer die aangezocht wordt om op te treden als coördinator, heeft minstens de plicht dit te melden aan de collega's die regelmatig aan verzorging doen in het RVT, en rekening te houden met hun opmerkingen. Beter nog gaat het initiatief uit van de lokale huisartsengroep, die in eigen schoot de aanvaardbare kandidaten aanduidt, en een lijst van kandidaten voorlegt aan de beheerder, waaruit deze kiest. Aan te raden is dat de coördinator aangesteld wordt voor een beperkte duur en dat hij herverkiesbaar is. Deze procedure is belangrijk voor de patiënten, voor de geneesheer en voor de beheerders, omdat een goede vertrouwelijke relatie tussen geneesheren en coördinator van wezenlijk belang is voor het goed functioneren van het RVT.
De coördinator moet zijn functie waarnemen met inachtname van alle deontologische principes, inzonderheid van de collegialiteit. Hij zal dus niet proberen patiënten te ronselen, de vrije artsenkeuze strikt eerbiedigen, en de vrijheid van diagnose en therapie van zijn collega's niet hekelen noch in het gedrang brengen. Het is aan te raden dat hij zijn voorstellen op gebied van hygiëne, verzorgingstechnieken, uniform formularium, etcetera zou laten toepassen na samenspraak met zijn collega's. Geschilpunten worden behandeld in een geest van verzoeningsgezindheid. Ereloonverdeling tussen behandelende geneesheer en coördinator is niet toegelaten. Bij blijvende geschillen van deontologische aard wordt de provinciale raad op de hoogte gebracht.

Wat de inning van de erelonen betreft, is er in feite geen verschil met de patiënt die in zijn huis verzorgd wordt. Nochtans zijn patiënten in een RVT dikwijls seniel of dement. In zulke gevallen kan een afspraak gemaakt worden met de familie. Bij ontstentenis hiervan kan men de erelonen laten innen langs de diensten van het RVT.

Bovendien wordt nu in deze instellingen aan de geneesheren de mogelijkheid geboden zich te laten honoreren via de derde-betalersregeling.
De Nationale Raad herinnert eraan dat elke vorm van collusie of dichotomie tussen beheerder en geneesheer verboden is.

Krachtens het K.B. van 02/12/82 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van rust en verzorgingstehuizen moet elk rust en verzorgingstehuis een permanent toezicht op de verzorgingsbehoevenden verzekeren en moet de inrichting over een uitgerust onderzoekslokaal beschikken dat tevens kan dienen als verplegings en vervangingslokaal.
Gegeven de omstandigheid dat dit onderzoekslokaal één van de criteria is waaraan met het oog op een erkenning moet worden voldaan, vallen de kosten ervan ten laste van de beheerder zonder enige aanvaardbare financiële tussenkomst van de geneesheer. (Tijdschrift Nationale Raad, maart 1990, nr. 47, blz. 17).

Bovenstaande bemerkingen en voorstellen hebben een zuiver preventief karakter en zullen hopelijk bijdragen tot een correcte verhouding tussen geneesheren en RVT patiënten, en tussen de geneesheren onderling.

Honoraria17/06/1995 Documentcode: a069017
Remgeld

Een provinciale raad verzoekt de Nationale Raad om advies met betrekking tot het aanrekenen van remgelden aan collegae en hun familieleden.

Advies van de Nationale Raad :

Met uw schrijven van 20 december 1994 vroeg U de Nationale Raad om advies omtrent vragen van Dr. X. uit Y. met betrekking tot het aanrekenen - te dezen door het U.Z. Z. - van remgelden aan collegae en hun familieleden.

Naar luid van het artikel 79 - oude en nieuwe versie - van de Code van geneeskundige Plichtenleer is het gebruikelijk dat een geneesheer geen ereloon aanrekent voor de verzorging van collega's en de personen ten laste van deze laatsten.

Dit gebruik is ondergeschikt aan de wettelijke verplichtingen.

De terzake bestaande wettelijke regeling is vastgelegd in de artikelen 34, 37 §17 en 57 t.e.m. 60 §1 van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, en in het artikel 34terdecies, §1, van de wet van 9 augustus 1963. U vindt als bijlage kopie van deze bepalingen.

Meer bepaald naar luid van het voormelde artikel 37 §17 is het persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kosten van de verzorging in alle gevallen opeisbaar, maar het wordt verplicht geïnd voor de verstrekkingen inzake klinische biologie waarvan in zo'n aandeel is voorzien door de Koning. Voor prestaties in medische beeldvorming is de algemene regel van toepassing en is het remgeld dus enkel opeisbaar en niet verplicht.

Honoraria17/09/1994 Documentcode: a066007
Niet-nagekomen afspraak

Niet-nagekomen afspraak

Een beroepsvereniging van ziekenhuisartsen vraagt aan de Nationale Raad of het advies dat de Nationale Raad uitgebracht heeft in 1978 (Tijdschrift nr. 26) betreffende de honoraria van psychiaters en psychotherapeuten bij niet nagekomen afspraak de gegrondheid van artikel 77 van de Code van geneeskundige Plichtenleer niet in vraag stelt. In dit artikel wordt bepaald dat de geneesheer een schadeloosstelling mag vragen voor een verzuimde afspraak indien zij niet tijdig werd afgezegd.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 17 september 1994 uw adviesaanvraag over de financiële bijdrage van de patiënt voor een door hem niet nagekomen afspraak met een arts.

De Nationale Raad is van oordeel dat zijn advies van 1978 in verband met de honoraria van psychiaters en psychotherapeuten bij niet nagekomen afspraken de toepassing van artikel 77 van de Code van geneeskundige Plichtenleer niet uitsluit.

Op basis van het advies van 1978 is het psychiaters en psychothera-peuten niet toegelaten een financiële bijdrage, voorgesteld als hulpmiddel in de therapie, te vragen indien een patiënt een afspraak niet nakomt.
Dit belet echter niet dat, in toepassing van het voor alle artsen geldende artikel 77 van de Code, een schadeloosstelling kan gevraagd worden voor een verzuimde afspraak indien zij niet tijdig werd afgezegd. Immers, wanneer een patiënt een afspraak met een arts niet nakomt waardoor deze arts schade lijdt, dan kan de patiënt tot vergoeding van de schade worden aangesproken. In dat geval zal de arts wel moeten aantonen dat hij schade geleden heeft en dat de patiënt foutief handelde door de afspraak niet na te komen of niet tijdig af te zeggen.

In verband hiermee kan nog opgemerkt worden dat het bedrag dat door de patiënt zou betaald worden bij niet nakoming van een afspraak een schadevergoeding is en geen honorarium. De arts heeft immers voor die patiënt geen medische prestatie verricht en het is alleen voor geleverde prestaties dat een arts recht heeft op honoraria. (art. 15 al. 1 K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.)
Dit impliceert dat in de problematiek van het vragen van een financiële bijdrage voor een niet nagekomen afspraak art. 71 van de Code niet ter zake kan zijn aangezien dit artikel betrekking heeft op de vaststelling en het bedrag van het ereloon betreffende de prestaties van een arts.

Artikel 71 en 77 van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

Artikel 71:
De geneesheer moet gematigd en bescheiden zijn bij het vaststellen van het ereloon betreffende zijn prestaties. Binnen deze perken mag hij rekening houden met de belangrijkheid van de geleverde prestaties, de economische toestand van de patiënt, zijn eigen faam en de eventuele bijzondere omstandigheden. Hij weigert niet aan de zieke of diens vertegenwoordigers uitleg te verstrekken omtrent het bedrag van het ereloon betreffende zijn prestaties.

Artikel 77:
Een schadeloosstelling mag gevraagd worden voor een nutteloos geworden huisbezoek of voor een verzuimde afspraak indien zij niet tijdig werden afgezegd.

Beroepsgeheim16/04/1994 Documentcode: a065005
Belastingcontrole - Beroepsgeheim

Een geneesheer vraagt aan de Nationale Raad of hij voor via een post of bankrekening ontvangen betalingen verplicht is de getuigschriften voor verstrekte hulp met referentienummer voor te leggen aan de belastingcontroleur. Volgens deze geneesheer kan de controleur aldus via de naam van de patiënt achterhalen welk soort verzorging toegediend werd.
De Raad beslist deze adviesaanvraag door te zenden naar de betrokken provinciale raad, samen met de nota van de studiedienst.

Brief van de Nationale Raad:

Het Bureau van de Nationale Raad heeft het genoegen u, voor passend gevolg, een adviesaanvraag te bezorgen van Dokter X betreffende de belastingcontrole op via een post of bankrekening uitgevoerde betalingen.

Als bijlage zenden wij u tevens een studie die dienaangaande uitgevoerd werd door onze juridische dienst.

NOTA VAN DE STUDIEDIENST:

In toepassing van art. 320 par. 1 al 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB92) zijn artsen ertoe gehouden voor elke in geld, per cheque of op andere wijze gedane inning van honoraria en terugbetalingen van kosten een gedagtekend en ondertekend ontvangstbewijs af te leveren dat gelijktijdig in origineel en duplo wordt opgesteld en dat wordt getrokken uit een boekje waarvan het model en de wijze waarop artsen ervan worden voorzien, worden vastgesteld door de Minister van Financiën(1).

De verplichting een ontvangstbewijs uit te reiken geldt niet voor betalingen gedaan door storting of overschrijving op de post of bankrekening van de arts (Ministerieel Besluit van 15 maart 1985 tot vastlegging van het model en het gebruik van het ontvangstbewijs getuigschrift voor verstrekte hulp en van het dagboek die moeten worden gebruikt door de geneesheren en de apothekers en licentiaten in de wetenschappen die erkend zijn om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten in het raam van de ziekte en invaliditeitsverzekering, art. 10).
Indien de honoraria (inbegrepen de terugbetaling van de kosten), niet contant betaald worden, dient bij de verstrekking een getuigschrift voor verstrekte hulp aan de patiënt uitgereikt te worden en dient het ontvangstbewijs doorstreept en bewaard te worden; bij de betaling op de post of bankrekening van de arts dient geen formulier ingevuld te worden maar wordt het ontvangen bedrag rechtstreeks ingeschreven in het dagboek (Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen (Com.IB) nr. 320/25).

***

Krachtens art. 315 al 1 WIB92 "is eenieder die onderhevig is aan de personenbe-lasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen".

Wat de ontvangstbewijsboekjes/getuigschriften voor verstrekte hulp betreft, wordt in hogervermeld M.B. van 15 maart 1985 (art. 13 al. 2) bepaald dat de arts ertoe gehouden is, op verzoek van de Administratie der directe belastingen, haar de gebruikte boekjes of reeksen van 50 kettingformulieren en de voorraad niet gebruikte boekjes voor te leggen.

Deze voorleggingsplicht geldt ook voor alle bescheiden betreffende de rekeningen waarop beroepsontvangsten werden overgeschreven of gestort (Com.IB 315/8 al. 2): in geval van betaling van honoraria en kosten op de post of bankrekening van de arts is deze dus verplicht alle documenten hieromtrent (bijv. rekeninguittreksels) aan de belastingadministratie voor te leggen.

***

Bij dit alles dient echter het beroepsgeheim van de arts gevrijwaard te worden, inzonderheid wat de identiteit van de door hem behandelde patiënten en de toegepaste behandeling betreft. Uit de Commentaar bij art. 334 WIB92 (nrs. 334/4 5) kan afgeleid worden dat de taxatieambtenaren in dit verband:

  • het recht hebben om kennis te nemen van de aard van de verleende geneeskundige verstrekkingen (cf. duplicaat getuigschriften voor verstrekte hulp), dit om de taxatie van de arts mogelijk te maken;
  • tijdens hun verificaties geen kennis mogen nemen van de identiteit van de behandelde patiënten;
  • in geen geval de identiteit van de patiënten in verband mogen kunnen brengen met de verleende verstrekkingen.

Naar analogie met de verificatieprocedures in inrichtingen voor geneeskundige verzorging, kan de betrokken arts daarom vragen dat op de voor te leggen documenten de identiteit van de patiënten mag bedekt worden.

Indien in dit verband moeilijkheden zouden rijzen, kan de arts zijn beroepsgeheim doen gelden en de voorlegging van de gevraagde stukken voorlopig weigeren. De aanslagambtenaar is dan verplicht de territoriaal bevoegde tuchtoverheid om tussenkomst te verzoeken teneinde, in het concrete geval van de betrokken arts, een uitspraak te bekomen over de vraag of, en eventueel in welke mate, de gevraagde overlegging van stukken verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim (art. 334 WIB92; Com.IB nrs. 334/6 7).

Machteld Van Lil
2 maart 1994

(1)Wat artsen betreft, is dit ontvangstbewijs samengevoegd met het getuigschrift voor verstrekte hulp, maar beide documenten kunnen desgevallend afzonderlijk worden gebruikt.

Honoraria21/08/1993 Documentcode: a062001
Prenatale ziekenhuisraadplegingen

De Raad van Bestuur van de ONE heeft besloten de medische handelingen uitgevoerd in het raam van de prenatale ziekenhuisraadplegingen niet langer te subsidiëren. Om de "kosteloosheid in fine" van het onderzoek te waarborgen, verzoekt de ONE de geneesheren van de betrokken raadplegingen het matigingsticket niet te innen.
Verschillende geneesheren die onder deze maatregel vallen, verzoeken hun provinciale raad om advies aangaande de ''discriminatie tussen prenatale ziekenhuisraadplegingen en andere'' en aangaande de "kosteloosheid in fine" door niet‑inning van het matigingsticket.

De Nationale Raad verstrekt het volgende advies:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 augustus 1993 kennis genomen van uw brief van 1 februari 1993 betreffende een voorstel aangaande een samenwerkingsovereenkomt tussen een geneesheer en de ONE. In verband met de discriminatie tussen prenatale raadplegingen binnen het ziekenhuis en buiten het ziekenhuis herinnert de Nationale Raad u eraan dat het niet onder zijn bevoegdheid valt te oordelen over de inhoud van de samenwerkingsovereenkomsten die door de ONE voorgelegd worden aan de geneesheren die wensen mee te werken aan de prenatale raadplegingen van de ONE.

Deze individuele overeenkomsten, die onderling kunnen verschillen, moeten vóór ondertekening ervan ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provinciale raad van de Orde der geneesheren.

In verband met de niet‑inning van het matigingsticket en, bijgevolg, de "kosteloosheid in fine" van de uitoefening van de geneeskunde in het raam van de ONE‑opdracht, wijzen wij u erop dat artikel 78 van de Code van Plichtenleer steeds geëerbiedigd moet worden.

Artikel 78 van de Code van Plichtenleer:

Het vragen van honoraria die merkelijk te hoog liggen duidt op een gebrek aan eerlijkheid en kan, onverminderd de bevoegdheid van de provinciale raden om uitspraak te doen over ereloonbetwistingen, aanleiding geven tot tuchtmaatregelen.

Indien geneesheren bepaalde verbintenissen hebben aangegaan of handelen overeenkomstig plaatselijke gebruiken, mogen zij geen daden stellen die een misbruik zouden betekenen van het recht lagere erelonen te vragen en vooral geen cliënteel werven door, op welke wijze dan ook, van hun stelselmatig lagere erelonen melding te maken.