keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Expertise21/09/2019 Documentcode: a166008
Geneeskundig deskundigenonderzoek - Aanwezigheid van de advocaat tijdens het klinisch onderzoek

De nationale raad van de Orde der artsen brengt het volgende advies uit betreffende het verzoek van een persoon om bij een medische evaluatie in het kader van een Medex expertise door zijn advocaat vergezeld te worden.

De evaluatie van de gezondheidstoestand van een persoon door de arts voor een expertise vereist dat deze laatste een neutrale en empathische houding aanneemt. In een context waarin de persoon onderworpen wordt aan een medisch onderzoek door een gezondheidsberoepsbeoefenaar die hij niet vrij gekozen heeft, zijn welwillendheid en respect fundamenteel (artikel 43 van de Code van medische deontologie 2018 en koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het verloop van de evaluatie dient te worden uitgelegd en de persoon moet ermee instemmen.

De persoon die onderzocht wordt in het kader van een medische evaluatie heeft het recht zich te laten bijstaan door zijn advocaat. Dit principe is onder meer van toepassing op de medische expertises uitgevoerd door de artsen verbonden aan Medex.

De arts eerbiedigt dit recht van de patiënt om zich te laten vergezellen door zijn advocaat en ziet toe op het welzijn en de intimiteit van de onderzochte persoon, wat inhoudt dat men over aangepaste lokalen beschikt.

Indien de arts die een eenzijdige evaluatie verricht het zelf wenselijk acht dat het onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een derde, gezondheidsberoepsbeoefenaar, legt hij dit uit aan de onderzochte persoon.

Rekening houdend met de eerbiediging van de waardigheid van de persoon, dient, bij een tegensprekelijk deskundigenonderzoek, de weigering van de persoon dat het klinisch onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een advocaat te worden gerespecteerd. In het licht daarvan gebiedt het beginsel van wapengelijkheid en het juridische tegenspraakprincipe dat alle juridische adviseurs zich in dat geval dienen terug te trekken. De onpartijdigheid van de expert en de aanwezigheid van de adviserende artsen van de partijen bieden immers de nodige waarborgen.

Beroepsgeheim17/11/2018 Documentcode: a163004
Vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en instemming met de behandeling door geïnterneerde personen met een geestesstoornis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de eerbiediging van de vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en de instemming met de behandeling door personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 november 2018 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen de eerbiediging van de vrije artsenkeuze en van de behandelingsinstemming van geïnterneerden(1) in gevangenschap.

Personen met een geestesstoornis die geïnterneerd worden, zijn geen homogene populatie: zij hebben een zeer diverse psychiatrische pathologie en een zeer gevarieerde graad van potentieel gevaar. Zij verblijven bovendien in plaatsen met diverse juridische stelsels (onder toezicht in de gemeenschap, reguliere psychiatrische zorgvoorziening, erkende gerechtelijk-geneeskundige eenheid van psychiatrische centra of.

Voor geïnterneerden die in een erkend hoog beveiligd forensisch psychiatrisch centrum (FPC) verblijven, heeft de nationale raad volgende bedenkingen:

1° De kamer ter bescherming van de maatschappij bepaalt soeverein de plaats waar de geïnterneerde opgenomen en behandeld wordt. Wanneer zijn gezondheidstoestand een behandeling in een algemeen ziekenhuis vergt, is de keuzevrijheid beperkt tot de ziekenhuizen waarmee het FPC een akkoord heeft afgesloten.

De geïnterneerde kan een beroep doen op de zorgverleners van de instelling waar hij verblijft. Hij kan eveneens het advies inwinnen van een externe arts indien hij de erelonen zelf betaalt.

Dergelijke beperkingen aan de vrije artsen- en instellingskeuze zijn inherent aan de vrijheidsberoving en gelden niet alleen voor geïnterneerden.

2° De kamer ter bescherming van de maatschappij spreekt zich niet uit over de inhoud van de behandeling.

De toestemming van de geïnterneerde met de behandeling is een wettelijke en ethische vereiste. Indien de geïnterneerde niet in staat is zijn rechten zelf te laten gelden, is de regeling van de vertegenwoordiging van de patiënt, die vastgelegd is in artikel 14 van de Patiëntenrechtenwet, van toepassing. In dit geval wordt de geïnterneerde betrokken bij de uitoefening van zijn rechten voor zover zijn onderscheidingsvermogen dit toelaat.

In de praktijk gaat het vaak over een ‘genegotieerde toestemming'. De geïnterneerde is niet altijd vragende partij om zorg in de forensische praktijk. De dialoog tussen hem en de zorgverlener vereist vertrouwen, empathisch begrijpen en emotionele ondersteuning met het oog op een maximale patiëntparticipatie voor een gedeelde besluitvorming die nodig is voor het therapeutisch proces. De uitslag van deze ‘negotiatie' wordt vermeld in een behandelplan of behandelovereenkomst waarin de rechten en plichten van de zorgverlener en van de zorgontvanger beschreven worden.

Er bestaat een continuüm van mogelijke drukkingsmaatregelen om de toestemming van de geïnterneerde met de behandeling te beïnvloeden: overtuiging, drang en dwang.

‘Overtuiging', dat het meest gebruikt wordt, doet een beroep op de rede.

‘Psychologische drang' gaat uit van de innerlijke neiging van het individu en werkt met voorwaardelijke voorstellen: (Voorbeeld: wanneer een verslaafde persoon instemt met controles op zijn druggebruik, komt hij in aanmerking voor een uitgangsvergunning. De verslaafde gaat uitdrukkelijk akkoord met de onderhandelde behandelmaatregelen, maar zou deze na enige tijd kunnen ervaren als ‘opgelegd' en zou hierover kunnen klagen bij een ombudsman.)

Dwang' berust op macht.

Zowel drang als dwang zetten de geïnterneerde onder druk om de behandeling te blijven aanvaarden. De vraag blijft controversieel of de geïnterneerde in dergelijke situaties wel ‘vrij' genoeg is om een geldige toestemming te geven.

3°/ De betrokken persoon heeft het recht om de voorgestelde behandeling te weigeren; de arts eerbiedigt deze weigering. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de geïnterneerde niet langer recht heeft op kwalitatieve zorg.

Het uitvoeren van een behandeling waarmee niet ingestemd werd, is onaanvaardbaar indien de geïnterneerde in staat is de informatie over de behandeling te begrijpen en ermee in te stemmen.

Voor psychotische geïnterneerden verwijst de nationale raad naar zijn adviezen van 12 mei 2007(2) en 14 september 2013(3). Deze adviezen, die bijgevoegd zijn, behandelen het probleem van de dwangbehandeling van gedetineerden. Ze beklemtonen dat een psychotische gedetineerde die terug wilsbekwaam is dankzij de medicatie, niet gedwongen kan worden om deze medicatie verder te nemen, al blijkt uit zijn ziektegeschiedenis dat hij terug psychotisch en wilsonbekwaam zou kunnen worden.

De medicamenteuze behandeling moet noodzakelijk en aangepast zijn. Het voorschrijven moet omzichtig gebeuren, met inachtneming van de medicamenteuze risico's, zeker wanneer de antecedenten van de geïnterneerde niet gekend zijn.

De medicatie moet altijd een voordeel hebben voor de geïnterneerde en aansluiten bij de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis ter zake. Tot slot is een aandachtige medische opvolging van de geïnterneerde vereist.

De veiligheidsmaatregelen (afdelingsarrest, opsluiting in eigen kamer, afzondering en andere) moeten vastgelegd zijn in het huishoudelijk reglement, geregistreerd worden in het dossier van de geïnterneerde en gecontroleerd worden door de overheid.

4°/ De geïnterneerde heeft recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving (art. 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden). De Patiëntenrechtenwet is van toepassing bij internering.

De gebrekkige gezondheidszorg in gevangenissen wordt sedert lang aangeklaagd.

Het gebrek aan medisch personeel, het gebrekkige psychiatrische zorgaanbod, het verlies van de voordelen van de sociale zekerheid, de afhankelijkheid van het veiligheidspersoneel voor een consult dat het medisch geheim eerbiedigt, de toegangsproblemen voor een externe arts tot de instelling door de veiligheids-en organisatievereisten en het gebrek aan geschikte lokalen zijn allemaal belemmeringen voor een kwaliteitsvolle zorgverstrekking.

De evolutie waarbij de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg in de gevangenis toegekend wordt aan de minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid (momenteel ligt de verantwoordelijkheid bij de minister van Justitie), getuigt van werkelijke bereidheid om de toegang en de kwaliteit van de gezondheidszorg voor de geïnterneerden en de gedetineerden te verbeteren.

De internering is een veiligheidsmaatregel die tot doel heeft de gemeenschap te beschermen en de geïnterneerde de vereiste zorg te verstrekken met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

Het onthouden van zorg bij een geïnterneerde bemoeilijkt eveneens zijn re-integratie.

5°/ In verband met de opportuniteit van een bijzondere wettelijke regeling voor de rechten van de geïnterneerden in de forensische psychiatrie, bepaalt artikel 167 van de Basiswet van 12 januari 2005 dat, behoudens andersluidende bepalingen, de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op de geïnterneerden.

Deze basiswet bevat in titel 5 een hoofdstuk VII over de gezondheidszorg, dat voorzag in een beperking van sommige rechten van de patiënt als gedetineerde. De wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken heeft dit hoofdstuk VII hervormd, waarbij het beginsel van de gelijkwaardigheid van de zorg bij gedetineerden met de zorg in de vrije samenleving op de voorgrond geplaatst wordt.

De nationale raad vindt het niet opportuun afstand te nemen van dit beginsel.

Bijlagen


(1) In de betekenis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering

(2) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 117, pag. 5

(3) Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 143

Honoraria in de verzorgingsinstellingen24/02/2018 Documentcode: a160008
Weigeren van zorg voor een patiënt enkel omdat deze geen individuele kamer kiest
De nationale raad van de Orde der artsen herinnert dat het strijdig is met de geneeskundige plichtenleer dat de arts weigert de zorg voor een patiënt op zich te nemen enkel omdat deze geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening.

Advies van de nationale raad :

Naar aanleiding van de recente actualiteit herinnert de nationale raad van de Orde der artsen dat het strijdig is met de geneeskundige plichtenleer dat de arts weigert de zorg voor een patiënt op zich te nemen enkel omdat deze geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening (advies van 22 februari 2014 van de nationale raad, getiteld Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer, Tijdschrift nationale raad nr. 145).

Dit deontologisch standpunt verwoord in 2014 werd in 2016 wet.

De wetgeving op de ziekenhuizen stelt voortaan uitdrukkelijk dat de patiënt altijd recht heeft op hetzelfde aanbod aan kwaliteitsvolle gezondheidszorg op het vlak van de aangeboden verstrekkingen, de termijn waarbinnen deze verstrekkingen worden aangeboden en de artsen die in het ziekenhuis werkzaam zijn, om het even of hij kiest voor een opname in een individuele kamer, een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer (artikelen 29/1 en 128 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

De keuze van het type kamer komt uitsluitend toe aan de patiënt. De arts mag de patiënt niet beïnvloeden om hem financiële opnamevoorwaarden te doen aanvaarden die hij niet wenst (advies van 20 februari 2016 van de nationale raad, getiteld Handelwijze van bepaalde artsen die aan een patiënt opdringen een eenpersoonskamer te kiezen als voorwaarde om door hen in behandeling genomen te worden tijdens een ziekenhuisopname, Tijdschrift nationale raad nr. 152).

Artikel 5 van de code van geneeskundige plichtenleer legt de arts op al zijn zieken even gewetensvol te verzorgen.

Zodra de arts een ingreep voorstelt, vestigt hij de aandacht van de patiënt op de financiële kosten ervan en spoort hij de patiënt ertoe aan bij de ziekenhuisadministratie inlichtingen in te winnen betreffende de zorgfactuur.

Indien het een geplande ziekenhuisopname betreft, is de nationale raad er voorstander van dat de opnameverklaring, het document met de nodige toelichting bij de opnameverklaring en de overzichtslijst met de prijzen van de door het ziekenhuis aangeboden goederen en diensten niet aan de patiënt worden overhandigd op de dag zelf van de ziekenhuisopname maar voorafgaandelijk zodat de patiënt er kennis van kan nemen in optimale omstandigheden (advies van 22 februari 2014 van de nationale raad, getiteld Informatieplicht van de arts ten opzichte van de patiënt betreffende de medische erelonen, Tijdschrift van de nationale raad nr. 145).

De nationale raad benadrukt ten slotte nogmaals dat er geen verband bestaat tussen het vragen van ereloonsupplementen en de kwaliteit van de verstrekte zorg (Persbericht van 20 februari 2016 van de nationale raad, getiteld Weigering van enkele artsen om patiënten te behandelen die een tweepersoonskamer kiezen, Tijdschrift van de nationale raad nr. 148).

Verzekeringen van de patiënt08/04/2017 Documentcode: a157003-R
Christelijke mutualiteit - Second opinion in een universitair ziekenhuis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de praktijk van de Christelijke Mutualiteit waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in een universitair ziekenhuis

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen besprak op 8 april 2017 de praktijk van de Christelijke Mutualiteit, hierna de "CM", waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in het Universitair Ziekenhuis Leuven.

Dergelijke praktijk stuit op volgende bezwaren:
1. Geen contact tussen arts en patiënt
Een wetenschappelijk verantwoorde diagnose vereist een degelijke anamnese en een gewetensvol klinisch onderzoek. Dit veronderstelt in de regel een fysiek contact tussen arts en patiënt.
2. Verstoring van de markt
Dergelijke samenwerking tussen de CM en het Universitair Ziekenhuis Leuven kan de mededinging op de Belgische markt verhinderen, beperken of vervalsen.
De Raad voor de Mededinging heeft in een vergelijkbare zaak al geoordeeld dat het akkoord tussen de CM en de Vlaamse Vereniging van Orthodontisten, waarbij een bijkomende vergoeding werd betaald aan een patiënt die zich liet behandelen door een tandarts die op de lijst stond, marktverstorend werkt . Bovendien werden er in casu richttarieven en maximumprijzen gehanteerd. Gelet op deze twee elementen, heeft de Raad voor de Mededinging besloten tot een prima facie inbreuk op de mededingingsregels.
3. Recht van vrije keuze
Doordat de patiënten geleid worden naar een lijst van geselecteerde artsen, en een financieel voordeel genieten als ze één van deze artsen consulteren, wordt het recht op vrije keuze van de patiënt uitgehold.. Van een strikte miskenning van het recht kan echter geen sprake zijn aangezien de patiënt, buiten het kader dat door de CM wordt geboden, nog steeds over het recht beschikt om een arts naar zijn keuze te raadplegen.

Dit advies vervangt het advies "Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies" van 7 april 2012.

Bijlage : Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Honoraria in de verzorgingsinstellingen20/02/2016 Documentcode: a152004
Handelwijze van bepaalde artsen die aan een patiënt opdringen een eenpersoonskamer te kiezen als voorwaarde om door hen in behandeling genomen te worden tijdens een ziekenhuisopname

Naar aanleiding van de recente actualiteit betreffende de handelwijze van bepaalde artsen die aan een patiënt opdringen een eenpersoonskamer te kiezen als voorwaarde om door hen in behandeling genomen te worden tijdens een ziekenhuisopname, wijst de nationale raad nogmaals op zijn advies van 22 februari 2014 en op het persbericht verspreid op 7 februari 2015.

Advies van de Nationale Raad :

Persbericht
Naar aanleiding van de recente actualiteit en van de uitzending van de RTBF Questions à la une van 17 februari 2016 ("Hospitalisation prix à la carte" en "Les médecins sont-ils tous devenus des requins ?"), wijst de nationale raad nogmaals op zijn advies van 22 februari 2014 en op het persbericht dat hij gepubliceerd heeft op 7 februari 2015, aangevuld inzake de toegang tot de ambulante zorg.

Het is in strijd met de geneeskundige plichtenleer dat een arts weigert de zorg voor een patiënt op zich te nemen enkel omdat deze geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening (1) .

De keuze van het type kamer, individueel of gemeenschappelijk, komt uitsluitend toe aan de patiënt. De arts mag de patiënt niet beïnvloeden om hem opnamevoorwaarden te doen aanvaarden die hij niet wenst.

De geneeskundige plichtenleer legt de arts op al zijn zieken even gewetensvol te verzorgen (artikel 5 van de Code van geneeskundige plichtenleer). Het medisch korps dient op een rechtvaardige wijze de toegang tot kwaliteitsvolle zorg te garanderen. Het is ook de verantwoordelijkheid van de maatschappij om daarvoor een gepast budgettair kader te scheppen, zeker voor wat de ziekenhuisfinanciering betreft.

De rechtstreekse inning door de ziekenhuisarts van erelonen, of ze nu al dan niet provisioneel zijn, met betrekking tot gehospitaliseerde patiënten is in tegenspraak met de wettelijke regel van de centrale inning (2).

De Nationale Raad benadrukt ten slotte dat er geen verband bestaat tussen het vragen van ereloonsupplementen en de kwaliteit van de verstrekte zorg.

Wat de termijn van de toegang tot de ambulante zorg betreft, is het belangrijk dat de zorgverlener zich zodanig organiseert dat problemen die een dringende interventie vereisen kunnen worden geïdentificeerd.

1.Advies van 22 februari 2014, met als titel "Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer", Tijdschrift nationale raad nr. 145
2.Artikel 147 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen

Honoraria in de verzorgingsinstellingen07/02/2015 Documentcode: a148003
PERSBERICHT : Weigering van enkele artsen om patiënten te behandelen die een tweepersoonskamer kiezen

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft beslist te reageren op de artikels die in de pers verschenen over het feit dat enkele artsen weigeren patiënten te behandelen die een tweepersoonskamer kiezen omdat de wet hen niet toelaat aan die patiënten ereloonsupplementen aan te rekenen.

PERSBERICHT

In zijn vergadering van 7 februari 2015 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren beslist te reageren op de artikels die deze week in de pers verschenen over het feit dat enkele artsen weigeren patiënten te behandelen die een tweepersoonskamer kiezen omdat de wet hen niet toelaat aan die patiënten ereloonsupplementen aan te rekenen (1) .

Het is in strijd met de geneeskundige plichtenleer dat de arts weigert de zorg voor een patiënt op zich te nemen enkel omdat deze geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening (2) .

De keuze van het type kamer, individueel of gemeenschappelijk, komt uitsluitend toe aan de patiënt. De arts mag de patiënt niet beïnvloeden om hem opnamevoorwaarden te doen aanvaarden die hij niet wenst.

De Nationale Raad herinnert eraan dat de geneeskundige plichtenleer de arts oplegt al zijn zieken even gewetensvol te verzorgen (artikel 5 van de Code van geneeskundige plichtenleer). Het medisch korps dient op een rechtvaardige wijze de toegang tot kwaliteitsvolle zorg te garanderen. Het is ook de verantwoordelijkheid van de maatschappij om daarvoor een gepast budgettair kader te scheppen, zeker voor wat de ziekenhuisfinanciering betreft.

De rechtstreekse inning door de ziekenhuisarts van, al dan niet provisionele, erelonen met betrekking tot gehospitaliseerde patiënten is in tegenspraak met de wettelijke regel van de centrale inning (3) .

De Nationale Raad benadrukt ten slotte dat er geen verband bestaat tussen het vragen van ereloonsupplementen en de kwaliteit van de verstrekte zorg.

1. artikel 26 van de wet van 27 december 2012 houdende diverse bepalingen inzake de toegankelijkheid van de gezondheidzorg
2. advies van 22 februari 2014, met als titel Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer
3. artikel 147 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen

Honoraria in de verzorgingsinstellingen22/02/2014 Documentcode: a145003
Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer

Aan de Nationale Raad wordt de vraag gesteld of het beperken van de vrije artsenkeuze door de patiënt, wanneer deze ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer, in overeenstemming is met de wet en de plichtenleer.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 februari 2014 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 18 december 2013 waarin u hem vraagt of het in overeenstemming is met de wet en de plichtenleer de vrije artsenkeuze door de patiënt te beperken wanneer deze laatste ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of een gemeenschappelijke kamer.

I. Wat betreft de conformiteit met de wet van deze beperking van de vrije artsenkeuze, vestigt de Nationale Raad de aandacht op de volgende aspecten :

1° Het model van de opnameverklaring is vastgelegd in de bijlagen bij het koninklijk besluit van 17 juni 2004 betreffende de verklaring bij opname in een ziekenhuis. Het
bepaalt in hoofde van de patiënt :

"Ik heb kennis genomen van de financiële voorwaarden en wens opgenomen te worden (...) tegen verbintenistarief (ZONDER honorariumsupplement).
Ik ben mij ervan bewust dat mijn vrije artsenkeuze hierdoor beperkt kan worden en kies voor het tarief van : (...)"

Artikel 2, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 juni 2004 stelt dat de opnameverklaring dient te worden opgemaakt overeenkomstig het model in de bijlagen bij dit besluit.

2° De vrije artsenkeuze is een fundamenteel recht van de patiënt , maar is niet absoluut; er zijn uitzonderingen op en het kent beperkingen, onder meer wanneer er een beroep wordt gedaan op de spoed- of wachtdiensten .

Artikel 50, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 laat de arts vrij al dan niet toe te treden tot de medicomut-overeenkomst.

Dit verklaart dat het document dat de uitleg bevat over de opnameverklaring, eveneens bijlage bij het koninklijk besluit van 17 juni 2004, in verband met de artsenkeuze preciseert:

Belangrijk om te weten is dat u als patiënt ervoor kunt opteren om tegen verbintenistarieven behandeld te worden. Dit heeft echter tot gevolg dat uw vrije artsenkeuze beperkt kan worden door uw kamerkeuze.


II. Wat betreft de conformiteit van deze beperking van de vrije artsenkeuze met de regels van de geneeskundige plichtenleer, herinnert de Nationale Raad dat de geneeskundige plichtenleer de arts oplegt al zijn zieken even gewetensvol te verzorgen (artikel 5 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

De Nationale Raad is van mening dat het strijdig is met de geneeskundige plichtenleer dat de arts weigert de zorg voor een patiënt op zich te nemen enkel omdat deze weigert een individuele kamer te kiezen, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening.


III. Wat betreft de keuze van het type kamer, bepaalt de wet dat deze beslissing uitsluitend toekomt aan de patiënt.

De arts mag de patiënt niet beïnvloeden om hem opnamevoorwaarden te doen aanvaarden die hij niet wenst.

Diagnostische en therapeutische vrijheid25/05/2013 Documentcode: a141020
Regeling tot samenwerking voor de dagelijkse eerstelijnszorg met een uitgebreid netwerk van extern aangenomen zorgverstrekkers
Aan de Nationale Raad wordt de vraag gesteld of een regeling tot samenwerking voor de dagelijkse eerstelijnszorg met een uitgebreid netwerk van extern aangenomen zorgverstrekkers enerzijds de vrije artsenkeuze niet in het gedrang brengt en anderzijds er geen vrees is voor belangenconflicten en voor mogelijke druk die zou kunnen worden uitgeoefend op de aangenomen artsen waardoor de therapeutische vrijheid kan bedreigd worden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft in zijn vergadering van 25 mei 2013 uw brief van 29 november 2012 onderzocht waarin u vraagt of een regeling tot samenwerking voor de dagelijkse eerstelijnszorg met een uitgebreid netwerk van extern aangenomen zorgverstrekkers enerzijds de vrije artsenkeuze niet in het gedrang brengt en anderzijds er geen vrees is voor belangenconflicten en voor mogelijke druk die zou kunnen worden uitgeoefend op de aangenomen artsen waardoor de therapeutische vrijheid kan bedreigd worden.

Met betrekking tot de regeling tot samenwerking waarnaar u verwijst, deelt hij u mee dat er in 2011 uitvoerig overleg is geweest tussen de Nationale Raad van de Orde van geneesheren en de heer Christian PECHEUX, Médecin Colonel-OF 5, Chef du Bureau d'appui médical territorial (COMOPSMED) over de overeenkomsten tussen extern aangenomen artsen en Defensie (kopie van deze overeenkomsten als bijlage).

De Nationale Raad besloot na een onderhoud met generaal-majoor LAIRE, kolonel PECHEUX en majoor VAN GASTEL m.b.t. deze overeenkomsten geen deontologische bezwaren te hebben.

Nochtans blijft de Nationale Raad gevoelig voor de eerbiediging van de vrije artsenkeuze en de bescherming van de therapeutische vrijheid van artsen, zoals verwoord in het advies van de Nationale Raad van 17 november 2001 "Geïntegreerde politie en gezondheidszorg" (Tijdschrift Nationale Raad nr. 94, p. 6).

Keuze (Vrije artsen-)08/12/2012 Documentcode: a140009
Mag de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis de behandelende arts van de bewoners zijn
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren krijgt een adviesaanvraag omtrent de mogelijkheid voor een OCMW om aan de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis te verbieden de behandelende arts van de bewoners te zijn.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 8 december 2012 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw mail van 28 juni 2012 waarin u hem ondervraagt over de mogelijkheid voor een OCMW om aan de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis te verbieden de behandelende arts van de bewoners te zijn.

De Nationale Raad stuurt u als bijlage drie adviezen van de Nationale Raad die handelen over de medische praktijk van de raadgevende en coördinerende arts.

- Advies van 16 september 2000, Coördinerend arts in de RVT's - KB van 24 juni 1999, Tijdschrift Nationale Raad nr. 90, p. 10 ;
- Advies van 16 september 2000, Coördinerende artsen van een RVT en behandelende artsen in een RVT, Tijdschrift Nationale Raad nr. 90, p. 9 ;
- Advies van 20 november 1999, Coördinerend arts in een RVT - Taak en functie, Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 87, p. 29.

In deze adviezen aanvaardt de Nationale Raad, onder bepaalde strikte voorwaarden die hij definieert, dat de CRA de behandelende arts van sommige bewoners is.

Dit standpunt wordt namelijk gerechtvaardigd door het beginsel van vrije keuze van zijn arts door de patiënt. Dit is een recht dat uitdrukkelijk bekrachtigd wordt door artikel 6 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en door het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, dat uitdrukkelijk bepaalt (bijlage 1, B, 4, d):

4. Huishoudelijk reglement.
(...)
d) Het reglement regelt de rechten en plichten van de bewoners en de beheerder met inachtname van de hierna vermelde regels :
(...)
- de vrije keuze van de arts en diens toegang tot de instelling overeenkomstig de bepalingen van het huishoudelijk reglement m.b.t. de medische activiteiten.

Door aan de coördinerende en raadgevende arts te verbieden de bewoners te behandelen, zouden de bewoners beperkt worden in hun vrije keuze van de behandelend arts.

U vindt eveneens als bijlage de synthesetekst "Voorstellen en maatregelen voor een betere coördinatie van het zorgbeleid in de RVT's" (enkel beschikbaar in het Frans) van een gemengde werkgroep, gedateerd van 22 december 2010, die deze problematiek aansnijdt in punt 13 op pagina 25. De werkgroep verwijst ook naar de eerbiediging van het principe van vrije keuze door de patiënt.

De voornoemde synthesetekst stelt in verband met het statuut van de CRA "dat de CRA niet mag belast worden met de behandeling van de patiënten, noch met het opstellen van een diagnose. Hij mag ook niet de rol vervullen van de arbeidsarts binnen de instelling."

Deze zienswijze is gelijkaardig aan die uiteengezet door de Nationale Raad in zijn adviezen.

Bovendien voegt de werkgroep eraan toe dat het beter is dat de CRA een geneeskundige praktijk behoudt. Maar hij preciseert dat de CRA "niet de behandelende arts mag worden van de patiënten waarvan hij niet de behandelende arts was vóór hun opname in de instelling" , alvorens te verwijzen naar het principe van vrije keuze.

Op dit punt is de Nationale Raad van mening dat indien de vrije keuze van de patiënt op de CRA valt, deze keuze zou moeten kunnen worden geëerbiedigd, precies om reden van dit vrije keuzeprincipe.

Keuze (Vrije artsen-)07/04/2012 Documentcode: a138004
Folder van de Christelijke Mutualiteit “Second-O tweede medisch advies”

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende een folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 7 april 2012 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het initiatief van de Christelijke Mutualiteiten (CM) waarbij men in het kader van een aanvullende hospitalisatieverzekering een samenwerking ontwikkelt met het Universitair Ziekenhuis Leuven en zijn netwerk met het oog op het verlenen van een tweede medisch advies of "second opinion" en dit op eenvoudig verzoek van de betrokken patiënt. Het tweede advies wordt verstrekt door artsen-specialisten met bijzondere deskundigheid, die verbonden zijn aan de Universitaire Ziekenhuizen van de KU Leuven en hun netwerk. Het advies is gebaseerd op bestaande medische informatie.

Het vragen van een tweede mening behoort sedert lang tot de mogelijkheden waarover een behandelende arts en zijn/haar patiënt beschikt om een diagnose al dan niet te bevestigen en een zowel aangepaste als efficiënte behandeling te vinden. Meestal gebeurt dit door contacten tussen artsen, maar het kan ook gebeuren door verwijzing van de patiënt naar een collega, ofwel op initiatief van de arts, ofwel op voorstel van de patiënt.

De Nationale Raad is van mening dat dit samenwerkingsproject tussen CM en UZ Leuven voor CM leden aangesloten bij het CM-Hospitalisatieplan, op de volgende deontologische bezwaren stuit:

- Het ontbreken van een daadwerkelijk arts-patiëntcontact.
De Nationale Raad heeft altijd de nadruk gelegd op het belang van een effectieve ontmoeting tussen de arts en de patiënt. Dit is de conditio sine qua non om de anamnese en het klinisch onderzoek kwaliteitsvol te kunnen integreren in de diagnosestelling en een arts-patiëntdialoog die het vertrouwenscontract bezegelt tot stand te brengen. De Nationale Raad stelt de toegevoegde waarde van het in het kader van dit project verstrekte advies ernstig in vraag.

- Het recht op vrije keuze van de arts door de patiënt komt in het gedrang. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het recht van de patiënt, eventueel tegen betaling, tot het krijgen van kopie van de gegevens die over hem worden bijgehouden en anderzijds de plicht van de artsen om in het belang van de patiënt onderling gegevens uit te wisselen (artt. 6 en 9, wet betreffende de rechten van de patiënt).

- Het potentieel schaden van de collegialiteit.
De folder verspreid door de CM vermeldt:"dit advies krijgt u van geneesheren-specialisten die tot de top van hun vakgebied behoren" en "u krijgt advies van onafhankelijke topspecialisten in hun vakgebied, gekozen op basis van hun expertise met betrekking tot uw aandoening".

Deze formulering komt negatief over voor de behandelende huisarts en/of specialist, die zich gewetensvol inzetten voor zijn/haar patiënt en die ook over de nodige vakbekwaamheid beschikken.
Bovendien meent de Nationale Raad dat dit sterk neigt naar ongeoorloofde reclame en mededinging.

Verder vermeldt de CM-folder " 'second-O' werkt onafhankelijk t.o.v. uw behandelende artsen".
De Nationale Raad vreest voor de collegialiteit in een gezondheidssysteem waarin patiënten artsen tegen elkaar kunnen uitspelen.

Om deze redenen meent de Nationale Raad dat de betreffende samenwerking niet de aangewezen manier is om een "second opinion" te organiseren.


Een zelfde brief werd toegestuurd aan :
- Dr H. MOEREMANS, voorzitter van het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen
- Drs J.L. DEMEERE, voorzitter en M. MOENS, Secretaris generaal van het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van geneesheren-specialisten
- Prof. Dr P. HOEBEKE, voorzitter van de medische raad van het UZGent
- Prof. Dr S. VAN DAELE, ondervoorzitter van de medische raad van het UZGent
cc.
- Het Landsbond der Christelijke Mutualiteiten
- Dr F. RADEMAKERS, Hoofdgeneesheer, KULeuven