keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Continuïteit van de zorg15/07/2017 Documentcode: a158001
Voorstel globaal actieplan - Permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens

De nationale raad pleit voor een globaal actieplan m.b.t. de permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens voor het leveren van kwaliteitsvolle zorg en het verbeteren van de relatie tussen de patiënt en de arts.

Advies van de nationale raad :

Noodzaak van permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens voor het leveren van kwaliteitsvolle zorg en het verbeteren van de relatie tussen de patiënt en de arts - Voorstel globaal actieplan.

Gezondheidsgegevens over de patiënt zijn een essentiële bron van informatie waarover de arts dient te beschikken voor een kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Het gaat daarbij niet enkel over de gegevens die de arts zelf vergaart op basis van medische onderzoeken en van wat de patiënt hem toevertrouwt, maar ook over gegevens verzameld door andere artsen.

Het bestaan van een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt rechtvaardigt dat de arts toegang heeft tot de gezondheidsgegevens van deze laatste. Telkens als de arts gezondheidsgegevens van de patiënt gebruikt, dient hij onder meer de principes van de proportionaliteit en de finaliteit te eerbiedigen.

De nationale raad stelt een globaal actieplan voor dat voor elke patiënt de permanente beschikbaarheid mogelijk maakt van up-to-date gehouden gezondheidsgegevens, rekening houdend met de recente evoluties binnen de gezondheidzorg en de maatschappij.

Hierbij wordt gebruikt gemaakt van bestaande begrippen en digitale bouwstenen: GMD-houdende arts (globaal medisch dossier), Sumehr (1) en eHealth-platform.

1/ Naar een geïntegreerd patiëntendossier voor elke patiënt

Een gezondheidssysteem dat vrije keuze en vrije toegang mogelijk maakt leidt tot versnippering van gezondheidsgegevens, waarbij elke zorgverlener een eigen patiëntendossier bijhoudt. Deze versnippering heeft negatieve gevolgen voor de zorgkwaliteit, vooral in acute situaties.

Het is daarom nodig alle gezondheidsgegevens te verzamelen in één geïntegreerd patiëntendossier. Het geïntegreerd patiëntendossier krijgt een meerwaarde voor het leveren van kwalitatieve zorg op maat van de patiënt indien het regelmatig bijgehouden wordt door de arts in samenspraak met de patiënt. Dergelijk concept bestaat reeds in de vorm van het globaal medisch dossier dat de huisarts bijhoudt.

Een noodzakelijk voorwaarde voor de verwezenlijking van het voorgestelde plan is de invoering van een wettelijke verplichting voor de patiënt om een globaal medisch dossier te laten beheren door een zelf gekozen .

2/ Van een geïntegreerd patiëntendossier naar een Sumehr voor elke patiënt

De nationale raad stelt voor dat de arts die verantwoordelijk is voor het GMD door de wet belast wordt met het opmaken van een Sumehr voor elke patiënt.

Het beschikbaar stellen van gezondheidsgegevens uit het geïntegreerd patiëntendossier door de GMD-houdende huisarts gebeurt in overleg met de patiënt. De patiënt heeft het recht te weten wie zijn gezondheidsgegevens kan inzien.

Het verzet van de patiënt tegen het delen van zijn bijgewerkte, noodzakelijke en relevante gezondheidsgegevens kan de zorgkwaliteit en de bescherming van de volksgezondheid in het gedrang brengen (Zo bestaat het risico dat de gezondheidswerkers een ernstige infectie oplopen.).

Er moet gezocht worden naar een evenwicht tussen enerzijds de eerbiediging van de private levenssfeer en van het beroepsgeheim en anderzijds de zorgkwaliteit en de bescherming van de volksgezondheid.

De overheid zou, in overleg met de patiënten en met de gezondheidswerkers, een reflectie moeten voeren over de minimale gezondheidsgegevens die, onder de vorm van een Sumehr, ter beschikking dienen te staan van de arts met wie de patiënt een therapeutische relatie start of al onderhoudt.

Bijkomende informatie in het Sumehr zou een oplossing bieden voor andere maatschappelijke problemen, zoals de rationalisering van de uitgaven voor gezondheidszorg, de veiligheid van de artsen, het geneesmiddelengebruik van de drugsverslaafde patiënten. De nutteloze en soms gevaarlijke herhaling van onderzoeken kan ingeperkt worden door een link naar recent uitgevoerde bijkomende onderzoeken.

Agressie kan ingedijkt worden door het plaatsen van een "red flag" in het Sumehr verwijzend naar mogelijk risicogedrag van een patiënt (2) en ook door de structurele maatregelen van de overheid. De vermelding van het bestaan van toxicomanie in het Sumehr zal het mogelijk maken shopping voor het verkrijgen van geneesmiddelen die een verslaving onderhouden, in het bijzonder tijdens de wachtdienst, te voorkomen.

De uitbreiding van de doelgerichtheid van het Sumehr tot andere gerechtvaardigde doelstellingen dan de gezondheid van de patiënt kan slechts gebeuren binnen een strikt normatief kader.

3/ Van een Sumehr naar een digitaal beschikbaar Sumehr.

Actueel bestaat de mogelijkheid om Sumehrs te bewaren in beveiligde gezondheidskluizen (Vitalink, Brusafe, Intermed) (3) onder toezicht van beroepsbeoefenaars en de patiënt. Deze kunnen nu enkel geconsulteerd worden indien de patiënt voorafgaandelijk zijn "ehealthConsent" (4) heeft gegeven of in urgente situaties door het toepassen van de "break the glass"-procedure.

Huisartsen worden momenteel door de overheid aangemoedigd om een bepaald aantal Sumehrs per jaar op te laden naar de gezondheidskluizen door de toekenning van een telematicapremie. Patiënten worden door verhoogde terugbetalingsmodaliteiten aangemoedigd om zich te laten in te schrijven bij een GMD-houdende arts. De nota omtrent het eGezondheidslandschap in 2019 (5) start met een intentieverklaring: "Alle huisartsen zullen een elektronisch medisch dossier (EMD) hebben van al hun patiënten, ze zullen voor alle patiënten een Sumehr publiceren in de beveiligde kluis (Vitalink, Intermed of BruSafe) en up-to-date houden."

De nationale raad vindt deze intenties en incentives te vrijblijvend. Het Sumehr dient regelmatig geüpdatet te worden door de GMD-houdende arts en de bijgewerkte versie dient op de digitale platforms geladen te worden.

Besluit

De nationale raad wil resoluut meewerken aan het leveren van een hoogstaande kwalitatieve gezondheidszorg. De permanente beschikbaarheid van noodzakelijke en relevante gezondheidsgegevens is daar een belangrijk onderdeel van. Het voorgestelde plan om tegemoet te komen aan de bekommernis dat het bijgewerkte kerndossier van elke patiënt toegankelijk zou zijn voor de beroepsbeoefenaars met een therapeutische relatie, maakt gebruik van bestaande begrippen en digitale bouwstenen.

Meer heikele problemen zoals agressie tegen artsen en instandhouding van toxicomanie kunnen eveneens aangepakt worden door een uitbreiding van het Sumehr.
De uitvoering van dit plan vereist een normatief kader met een wettelijke verplichting voor de patiënt een GMD-houdende arts te kiezen die ermee belast wordt een Sumehr op te stellen, waarvan de minimale inhoud opgelegd zal zijn.

De nationale raad vraagt de wetgever hiermee rekening te houden bij de uitwerking van het eGezondheidslandschap en blijft ter beschikking van de overheid om dit plan vorm te geven.

1- Sumehr staat voor Summarized Electronic Health Record. Het is een elektronisch document dat de minimale gegevens bevat die een arts nodig heeft om de gezondheidstoestand van een patiënt snel in te schatten en zo de best mogelijke zorg te bieden.
Actuele Inhoud:
• Naam, geboortedatum, moedertaal, ...
• De contactgegevens van een contactpersoon in noodgevallen
• Informatie over risicofactoren (allergieën, reacties op medicatie, sociale risicofactoren enz.)
• Een overzicht van de medische voorgeschiedenis (antecedenten genoemd)
• Een overzicht van actuele problemen
• Een overzicht van de medicatie
• Een overzicht van de vaccinaties
2- Procedure voor het plaatsen van een "red flag"
Omwille van het stigma dat het aanbrengen van een "red flag" in het Sumehr van de patiënt met zich kan meebrengen dient de patiënt hiervan op de hoogte te worden gebracht. In geval van agressie kan een markering pas aangebracht worden na overleg met de voorzitter van de huisartsenkring of de hoofdarts, in functie van de praktijkvoering. In werkomstandigheden waar de arts niet kan overleggen met een collega of overste kan de provinciale raad van inschrijving geraadpleegd worden. Ook dient voorzien te worden in het verwijderen van de markering.
3- Vitalink, BruSafe,Intermed : zie http://www.plan-egezondheid.be/lexicon/
4- eHealthConsent-Geïnformeerde toestemming : zie http://www.plan-egezondheid.be/lexicon/
5- http://www.plan-egezondheid.be/egezondheidslandschap-in-2019/

Kwaliteit van de zorg06/05/2017 Documentcode: a157008
Platform ViVidoctor.com – Online teleconsultaties

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende het platform ViVidoctor.com.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 6 mei 2017 de website ViVidoctor.com bestudeerd.

De naam ViVidoctor staat voor virtual visit doctor. Het platform biedt de mogelijkheid om een virtueel consult te boeken waar op basis van de klachten een diagnose wordt gesteld en een voorschrift afgeleverd. ViVidoctor wil een toegankelijk alternatief bieden voor courante symptomen, zoals verkoudheid, griep, huiduitslag, diarree, nausea, braken, vermoeidheid. Daarnaast worden vragen beantwoord aangaande lactatie, zwangerschap, perinatale zorg, pediatrische triage, tabaksverslaving, sportblessures en wondzorg. Er zijn ook videoconsultaties mogelijk in het domein van de psychologie, de psychiatrie en de psychotherapie.

De nationale raad handhaaft zijn standpunt dat het stellen van een diagnose zonder een persoonlijk contact met de patiënt gevaarlijk is. De nationale raad herhaalt dat virtuele consultaties als vervolgconsultatie bij een gekende patiënt slechts in uitzonderlijke gevallen nuttig kunnen zijn. In België, een land met een zeer laagdrempelige toegang tot geneeskundige zorg, weegt het ogenschijnlijke gebruiksgemak van een virtuele consultatie niet op tegen de accuraatheid van een werkelijk gevoerde consultatie op het vlak van patiëntveiligheid, diagnosestelling en aflevering van medicatie.

Gedetineerden21/05/2016 Documentcode: a153004
Toegang tot de gezondheidszorg door de staking van de gevangenisbewaarders

De nationale raad van de Orde der artsen is bezorgd over de toegang tot de gezondheidszorg door de staking van de gevangenisbewaarders.

Advies van de nationale raad :

Persbericht
De staking van de cipiers heeft ernstige gevolgen voor alle getroffen gevangenissen, voornamelijk voor de toegang tot de gezondheidszorg die nog zwaarder wordt aangetast. In sommige gevangenissen kunnen gedetineerden geen arts raadplegen noch worden verzorgd. De nationale raad van de Orde der artsen is bezorgd over deze onwaardige toestand in een Rechtsstaat, die afbreuk doet aan de internationale verplichtingen van België. De sanitaire en sociale hoogdringendheid vereist dat onmiddellijk maatregelen worden genomen om dit humanitaire drama te verhelpen, waaronder de invoering van een minimale dienstverlening.

Bovendien, de behoeften en eisen overschrijden sterk het reactievermogen van de medische teams, ondanks hun inzet voor de gezondheid van de gedetineerden. De medische praktijk heeft te kampen met een gebrek aan middelen en aansturing. De gedetineerden zijn fysiek, maar vooral mentaal, een bijzonder kwetsbare bevolkingsgroep. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de preventie en de behandeling van hun ziekte.

De nationale raad herinnert aan de dringende overheveling van de bevoegdheden inzake gezondheid in de gevangenissen van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Informatica21/05/2016 Documentcode: a153005
Deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren

De nationale raad heeft een deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren.

Advies van de nationale raad :

Deontologische en medisch-ethische aspecten van e-health en m-health

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 21 mei 2016 een deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren.

e-health

De American Telemedicine Association geeft een zeer algemene en bruikbare definitie: "the use of medical information exchanged from one site to another via electronic communications to improve a patient's clinical health status". (Meier, 2013: 362)

De Orde der artsen heeft verscheidene adviezen uitgebracht ivm het e-health gebeuren. Hierin moedigt de Orde het gebruik van een goed beveiligd platform voor gegevensdeling aan, wijst hij de arts op zijn rol bij het verkrijgen van toestemming van de patiënt en wijst hij de patiënt op zijn verantwoordelijkheid voor de authenticiteit van de aangeleverde informatie. Op vlak van telegeneeskunde, zeker in een land met een vlotte toegang tot een betaalbare gezondheidszorg, herhaalt de Orde het belang van het persoonlijke contact tussen de arts en de patiënt. Een zorgvuldige anamnese en klinisch onderzoek blijven de hoeksteen van de geneeskundige praktijk.

Een medisch-ethische reflectie kan worden gemaakt op basis van het principlisme (cf. Principles of Biomedical Ethics, Tom L. Beauchamp and James F., Childress), een universeel bruikbaar framework steunend op de principes: "autonomie", "beneficence", "non-maleficence" en "justice".

Op het vlak van autonomie kan de patiënt de informatiedeling over zijn gezondheid stroomlijnen op basis van zijn toestemming, heeft hij inzage in zijn gezondheidsgegevens en het recht op correctie of weglating. Ter bescherming van de informationele privacy is het bestaan van een therapeutische relatie tussen arts en patiënt primordiaal alsook de controle uitgeoefend door het sectoraal comité van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, afdeling sociale zekerheid en gezondheid.

Bijzonder positief (beneficence) wordt de permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens door alle beroepsbeoefenaars ervaren, ongeacht de locatie en de bewustzijnstoestand van de patiënt.

Het risico dat gevoelige gezondheidsgegevens in verkeerde handen zouden komen (non-maleficence) vraagt een permanente waakzaamheid.

Op het vlak van rechtvaardigheid (justice) is in ons land het eHealth-platform toegankelijk voor alle patiënten. Dit laat toe overbodige onderzoeken te vermijden en het is het beveiligde middel bij uitstek om op een gecontroleerde wijze, rekening houdend met de privacy van de patiënt, gezondheidseconomische studies uit te kunnen voeren.

m-health

M-health is een afkorting van mobile health, een term die aangewend wordt wanneer de uitoefening van de geneeskunde ondersteund wordt door het gebruik van mobiele apparaten die medische gegevens registreren.

Bij een medisch-ethische reflectie omtrent m-health dient bijzondere aandacht geschonken te worden aan de geïnformeerde toestemming voor deelname en de informationele privacy van de patiënt (autonomie).

Uiteraard zal het vergaren van objectieve gezondheidsgegevens op een lange termijn, opgetekend in de natuurlijke omgeving van de patiënt, een belangrijke bijdrage betekenen voor het opvolgen van chronische ziekten (beneficence).

Er zullen protocollen moeten opgesteld en wettelijk ingebed worden om mogelijke negatieve effecten te ondervangen (non-maleficence). Er dient rekening te worden gehouden met de waarborg van de authenticiteit van de gegevens, het valse gevoel van veiligheid omwille van de apparatuur, het gevaar van overmedicalisering en overconsumptie, de noodzaak van technische ondersteuning bij de opstart en het onderhoud van de apparatuur, het passende gevolg aan een "alarmsituatie", het inpassen van de onderscheidenlijke gezondheidszorgbeoefenaars, het vastleggen van verantwoordelijkheden in een geschreven overeenkomst,...

Het concept m-health lijkt een antwoord te bieden op de groeiende kost van de actuele gezondheidszorg. Het blijvend waarborgen van kwaliteitsvolle zorg voor alle patiënten moet de eerste vereiste blijven (justice). Dit impliceert dat er binnen de beschikbare middelen verschuivingen moeten plaatsvinden om het m-health gebeuren in te passen.

E-health en m-health zijn onmiskenbare begrippen geworden binnen de zorg.
Toch blijven e-mpathie en m-edeleven voor de patient een onmiskenbare plaats hebben binnen het therapeutische arsenaal en zullen zij nooit door enige technologie vervangen kunnen worden.

Lijst van de Orde13/12/2014 Documentcode: a147017
Numerus Clausus - Geneeskunde

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren is bezorgd over de toekomst van de studenten geneeskunde die hun basisopleiding tijdens de volgende jaren zullen beëindigen.

Advies van de Nationale Raad :

Numerus Clausus - Geneeskunde
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren is bezorgd over de toekomst van de studenten geneeskunde die hun basisopleiding tijdens de volgende jaren zullen beëindigen. Hij brengt de volgende overwegingen naar voor :

De artsenopleiding omvat, na de basisstudie, nog een beroepsopleiding. Na zes of zeven jaar basisstudie aan studenten een verdere klinische vorming en praktijkvoering onthouden, is op menselijk en sociaal vlak niet aanvaardbaar, zeker niet in een Europese context die de mobiliteit van gekwalificeerde artsen bevordert.

De wetgeving die de "contingentering" organiseert, beperkt de toegang tot de bijkomende opleiding voor de gediplomeerde artsen van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap en van de Federatie Wallonië-Brussel. De toegang tot deze opleiding in België is door deze wetgeving nochtans niet beperkt voor de gediplomeerden van andere universiteiten, behalve dan door de beschikbaarheid van de opleidingsplaatsen. De Nationale Raad raadt de veralgemening van het toelatingsexamen aan en geen selectie in de loop van de studies, zoals dit voorheen zonder succes is getest in de Franse Gemeenschap.

Het toelatingsexamen is niet enkel een middel om de instroom van studenten geneeskunde kwantitatief te beheersen maar ook een middel om de medische opleiding kwalitatief te optimaliseren. Het opfrissen/herhalen van de basiskennis van de wetenschappen niet meer in het curriculum opnemen, laat toe meer tijd te besteden aan de menselijke en sociale vorming van de toekomstige artsen. De vermindering van de studieduur tot zes jaar versterkt die noodzakelijkheid.

De Nationale Raad beveelt ook de een oriëntatieprocedure aan voor de studenten op het einde van hun basisstudies, om tegemoet te komen aan de gezondheidsbehoeften van het land en van Europa.

De Nationale Raad stelt het op prijs dat er onderhandelingen georganiseerd worden om een globale oplossing voor de huidige impasse te vinden en de toekomst van de studenten van vandaag te waarborgen.

Huisarts06/12/2008 Documentcode: a123015
Wachtdienst in huisartsgeneeskunde – Wijziging van advies van 4 oktober 2008

Op vraag van twee artsen, besliste de Nationale Raad het advies dat hij op 4 oktober 2008 verleende betreffende de wachtdienst in huisartsgeneeskunde aan te passen.

Advies van de Nationale Raad :

Wijziging van het advies van 4 oktober 2008 betreffende de wachtdienst in huisartsgeneeskunde :
De veranderde paragraaf van punt 2 is in het vet gedrukt.

In zijn vergadering van 4 oktober 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren uw brief van 23 november 2007 besproken (uw kenm. : C.G. :5864-07/VF/MM) betreffende de werkconclusies van een informatiecommissie in verband met de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

De Nationale Raad geeft het volgende commentaar :
1. Definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

Er is blijkbaar een interpretatieverwarring tussen de effectieve “deelname” aan de wachtdienst en de “communicatie”middelen (punt 3).

De huisarts met wachtdienst moet niet alleen op elk moment “bereikbaar” zijn (om het even wat het communicatiemiddel is), hij moet vooral een gepast gevolg geven aan de zorgvraag gedurende de wachtdienst : er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het geciteerde “telefonische consult” en “de concrete uitvoering van de wachtdienstopdracht” bij elke zorgvraag.

We kunnen alleen maar ernstig - wettelijk en deontologisch - voorbehoud uiten tegenover het “telefonische consult” zoals voorgesteld, als volwaardig alternatief voor een effectief bezoek, vooral in het kader van de wachtdienst waarbij de huisarts met wachtdienst de “patiënt” (in het algemeen) niet kent.

2. Notie van bekwaamheid in huisartsgeneeskunde.

De kwalificaties van de “algemeen geneeskundigen” en van de “erkende huisartsen” worden geregeld door de voorschriften van het Riziv ter zake (nieuwe beschikkingen 01/07/2006) voor de nummers (000>009) :
http://www.inami.fgov.be/care/nl/infos/infobox/pdf/part2.pdf .

De “algemeen geneeskundigen” die ingeschreven zijn bij de Orde na 31 december 1994 en vóór 1 januari 2005 hebben een Rizivnummer eindigend op 009 : ze mogen slechts “raadplegingen” aanrekenen.

De deelname aan de wachtdienst vormt een erkenningscriterium voor de huisartsen (Ministerieel Besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen). De deelname aan de wachtdienst in de huisartsgeneeskunde vereist dat de huisarts erkend is, of kandidaat-huisarts in opleiding (HAIO) is volgens de voorwaarden (Art. 8.) van het MB. 21 februari 2006.

3. Gebruik van de communicatietechnieken.

De voorgestelde communicatietechnieken zijn adequaat. Er moet echter voorbehoud gemaakt worden wat betreft het “telefonische consult” via een derde persoon niet-huisarts.

4. Beheer van de oproep.

De persoonlijke behandeling van de zorgvraag door de huisarts met wachtdienst heeft ongetwijfeld de voorkeur. Het is fundamenteel duidelijke akkoorden te sluiten met de patiënt aangaande de praktische uitvoering van de zorgvraag : komt de patiënt naar de praktijk of is het de arts die op bezoek gaat ?

Besluit :

De praktische werkingsregels moeten vermeld zijn in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst samen met de nodige deontologische premissen.

Continuïteit van de zorg22/11/2008 Documentcode: a123007
Mammografie – Continuïteit van de zorg

In het kader van het Vlaamse bevolkingsonderzoek naar borstkanker worden mammografische eenheden erkend. Dit zijn radiologische diensten die bewezen hebben te voldoen aan de vereiste kwaliteit van het bevolkingsonderzoek. Momenteel zijn er 174 mammografische eenheden erkend.
Iedereen is het er over eens dat de bij de interpretatie van mammografieën een vergelijking met vroegere opnames essentieel is. Welke vorige mammografieën dienen aan het centrum voor borstkankeropsporing te worden bezorgd ?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergaderingen van 4 oktober 2008 en 22 november 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren uw vragen van 14 augustus 2008 onderzocht, die als volgt luidden :
"Is er deontologisch enig houvast om uit te maken of vroegere opnames eigendom zijn van de patiënte, en als dusdanig niet kunnen meegestuurd worden voor vergelijking met de recente opnames die blijkbaar niet meer eigendom zijn van de patiënte, maar wel door haar kunnen opgevraagd worden voor een tweede opinie, voor de tweede blinde lezing ? Of kan in het kader van een kwalitatief hoogstaand bevolkingsonderzoek afstand genomen worden van eventuele bestaande wetgeving hieromtrent ?”.

De Nationale Raad verwijst in deze naar artikel 41 van de Code van geneeskundige plichtenleer : “Op vraag van de patiënt of met diens toestemming moet de geneesheer zo spoedig mogelijk aan een andere behandelende geneesheer alle inlichtingen verstrekken die nuttig of nodig zijn voor de vervollediging van de diagnose of de voortzetting van de behandeling".

In het belang van de patiënte dienen alle beschikbare voorafgaande mammografieën aan het centrum van borstkankeropsporing bezorgd te worden.

Huisarts04/10/2008 Documentcode: a122006
report_problem Dit advies werd gewijzigd door het advies (a123015n) d.d. 06/12/2008.
Wachtdienst in huisartsgeneeskunde

Een provinciale raad besprak een aantal problemen die zich in de dagelijkse praktijk van een huisartsenwachtdienst voordoen, o.m. de wachtdoende arts opgelegde verplichting om een wachtdienstoproep persoonlijk te beantwoorden.
De conclusies van de betrokken werkgroep (zie. hieronder) worden aan de Nationale Raad voorgelegd.

Informatiecommissie : de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

Besproken punten :
  1. definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
  2. notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde (artikel 117 van de Code).
  3. gebruik van de communicatietechnieken.
  4. beheer van de wachtdienstoproep.

Er dient opgemerkt dat vele antwoordelementen gevonden werden in de artikels van de Code van geneeskundige plichtenleer en in de adviezen van de Nationale Raad van 10/05/2003, van 15/07/2006 en van 21/04/2007 (als bijlage).

Discussie :
1) Continuïteit van de zorg en deelname aan de wachtdienst :

In zijn advies van 10/05/2003 stipuleert de Nationale Raad dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen het verzekeren van de continuïteit van de zorg en het deelnemen aan de wachtdiensten.
In artikel 8, §1 van het koninklijk besluit 78 van 10/11/1967 vinden we de definitie van de continuïteit van de zorg : de artsen “mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofde, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft.”

Uit de discussie met de commissieleden volgt dat men de deelname van de huisarts aan de wachtdienst als volgt zou kunnen beschrijven :
De deelname van de huisarts aan de wachtdienst houdt in dat de arts op elk moment bereikbaar is, rechtstreeks of via een derde persoon die deze taak gewoon is en het medisch geheim deelt.
De arts beantwoordt de oproep om, al dan niet gerechtvaardigde, medische reden van elke persoon op het grondgebied gedefinieerd door de huisartsenkring.
Hetzij per telefoon door de raad te geven aangepast aan de situatie en na alle nodige anamnestische elementen ingewonnen te hebben.
Hetzij door de patiënt op consult of bij hem thuis te onderzoeken.
De arts met wachtdienst is de enige die oordeelt over de graad van spoed, over de noodzaak zich te verplaatsen en over de voor te schrijven behandeling met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer : “…mag de geneesheer zich slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben dat er geen echt gevaar bestaat …”.
Bij een beoordelingsfout is de arts met wachtdienst de enige verantwoordelijke en draagt hij de gevolgen van zijn beslissingen op deontologisch en/of burgerlijk en/of strafrechtelijk vlak.

Wanneer hij een oproep krijgt buiten het grondgebied van de wachtdienst, geeft de arts met wachtdienst die rechtstreeks of via de derde vertrouwenspersoon door aan de betrokken confrater.
De arts beantwoordt de oproep binnen een redelijke termijn in functie van 1° de spoedgraad met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer, 2° de verkeersomstandigheden.

2) notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde

Artikel 117 van de Code van geneeskundige plichtenleer zegt dat het de plicht is van elke arts ingeschreven op de Lijst van de Orde deel te nemen aan de wachtdienst, overeenkomstig zijn competentie.

Het is voor de verschillende betrokken partijen duidelijk dat het soms moeilijk wordt de wachtroosters in te vullen en dat sommige artsen die de huisartsgeneeskunde slechts deeltijds uitoefenen zich hierachter verschuilen om zich te onttrekken aan hun deontologische en wetttelijke verplichtingen.

De bevoegde huisarts kan als volgt gedefinieerd worden :

  1. hij is houder van een Riziv-nummer eindigend op 001 tot 009
  2. hij is de eerstelijnarts die de patiënt op consult of thuis onderzoekt voor de preventie en het verzorgen van elke chronische of acute pathologie
  3. na anamnese en onderzoek neemt hij een beslissing over de aanpak van deze pathologie in functie van zijn bevoegdheden of over het doorverwijzen van de patiënt naar een confrater specialist waarbij hij het dossier dat hij centraliseert blijft beheren en opvolgen
  4. hij stelt een diagnose, schrijft de technische onderzoeken en de behandelingen voor en maakt de getuigschriften voor werkonderbreking op en elk medisch attest die de patiënt nodig heeft.
3) gebruik van de communicatietechnieken.

Het Bureau van de Raad had, in illo tempore, verklaard dat de oproep aan de wachtdienst enkel door de arts met wachtdienst persoonlijk beheerd moest worden.

Omwille van de technologische vooruitgang en de evolutie van de telesecretariaten lijkt het voor de betrokken partijen duidelijk dat dit concept zou kunnen evolueren.
De arts met wachtdienst moet bereikbaar zijn hetzij :

  • rechtstreeks via een vaste telefoonlijn of elk systeem dat momenteel betrouwbaar is (afleider, GSM,…)
  • onrechtstreeks via een derde persoon (verwant niet-arts, telesecretaris/esse of elke vertrouwenspersoon die de oproepen neemt onder de verantwoordelijkheid van de arts en die zich verbindt tot het medisch geheim).
4) beheer van de oproep.

Als aanvulling van punt 3 lijkt het ons belangrijk dat, indien er een antwoord aan de patiënt moet gegeven worden (medisch advies, therapeutische raad, gebeurlijkheden van het uurrooster, weigering zich te verplaatsten), dit uitsluitend gebeurt door de arts zelf.
Op dezelfde wijze moet de arts, indien hij zich niet tot bij de patiënt kan begeven, zelf zo vlug mogelijk opnieuw contact opnemen met de patiënt.
In geval de GSM’s geen ontvangst hebben of bezet zijn moet het bericht van de voice mail duidelijk zijn : herinneren dat de arts wachtdienst heeft, wijzen op de korte tijdelijke onbeschikbaarheid en de gegevens vragen om de patiënt zo vlug mogelijk terug te bellen.

Besluit

De verschillende behandelde punten werden gekozen omwille van de problemen tegengekomen tijdens de wachtdiensten in huisartsgeneeskunde.
De verschillende betrokken partijen wensten deontologische fouten te voorkomen door een antwoord te geven aan de gestelde problemen met eerbiediging van de Code van geneeskundige plichtenleer en van de adviezen van de Nationale Raad.
Zou het niet nodig zijn de preciseringen nuttig voor het goede verloop van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde op te nemen in het huishoudelijk reglement ?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 4 oktober 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde vangeneesheren uw brief van 23 november 2007 besproken betreffende de werkconclusies van een informatiecommissie in verband met de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

De Nationale Raad geeft het volgende commentaar :

1. Definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

Er is blijkbaar een interpretatieverwarring tussen de effectieve “deelname” aan de wachtdienst en de “communicatie”middelen (punt 3).

De huisarts met wachtdienst moet niet alleen op elk moment “bereikbaar” zijn (om het even wat het communicatiemiddel is), hij moet vooral een gepast gevolg geven aan de zorgvraag gedurende de wachtdienst : er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het geciteerde “telefonische consult” en “de concrete uitvoering van de wachtdienstopdracht” bij elke zorgvraag.

We kunnen alleen maar ernstig - wettelijk en deontologisch - voorbehoud uiten tegenover het “telefonische consult” zoals voorgesteld, als volwaardig alternatief voor een effectief bezoek, vooral in het kader van de wachtdienst waarbij de huisarts met wachtdienst de “patiënt” (in het algemeen) niet kent.

2. Notie van bekwaamheid in huisartsgeneeskunde.

De kwalificaties van de “algemeen geneeskundigen” en van de “erkende huisartsen” worden geregeld door de voorschriften van het Riziv ter zake (nieuwe beschikkingen 01/07/2006) voor de nummers (000>009) :
http://www.inami.fgov.be/care/nl/infos/infobox/pdf/part2.pdf .

De “algemeen geneeskundigen” die ingeschreven zijn bij de Orde na 31 december 1994 en vóór 1 januari 2005 hebben een Rizivnummer eindigend op 009 : ze mogen slechts “raadplegingen” aanrekenen.

De deelname aan de wachtdienst vormt een erkenningscriterium voor de huisartsen (Ministerieel Besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen). De deelname aan de wachtdienst in huisartsgeneeskunde vereist dat de huisarts erkend is.

3. Gebruik van de communicatietechnieken.

De voorgestelde communicatietechnieken zijn adequaat. Er moet echter voorbehoud gemaakt worden wat betreft het “telefonische consult” via een derde persoon niet-huisarts.

4. Beheer van de oproep.

De persoonlijke behandeling van de zorgvraag door de huisarts met wachtdienst heeft ongetwijfeld de voorkeur. Het is fundamenteel duidelijke akkoorden te sluiten met de patiënt aangaande de praktische uitvoering van de zorgvraag : komt de patiënt naar de praktijk of is het de arts die op bezoek gaat ?

Besluit :

De praktische werkingsregels moeten vermeld zijn in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst samen met de nodige deontologische premissen.