keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

5

pagina

Beroepsgeheim22/08/1998 Documentcode: a082013
Electronische armbanden bij psychiatrische patiënten

Elektronische armbanden bij psychiatrische patiënten

De commissie voor medische ethiek die de Nationale Raad om advies gevraagd had over de tv-bewaking van geesteszieken schrijft dat zij met het advies van de Nationale Raad van 25 april 1998 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 81, p. 11-12) slechts een gedeeltelijk antwoord krijgt op haar vraag.
De commissie vraagt nu meer precies advies over de te nemen voorzorgsmaatregelen op juridisch en ethisch vlak bij gebruik van elektronische armbanden die de afwezigheid van een gehospitaliseerde patiënt in een specifieke afdeling signaleren of ervoor waarschuwen dat de patiënt zich buiten de muren van de instelling begeeft.

Advies van de Nationale Raad:

Tijdens zijn vergadering van 22 augustus 1998 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brieven van 25 april 1998 en 17 mei 1998, aan-gaande de tv-bewaking van gehospitaliseerde geesteszieken, verder besproken.

Het gebruik van elektronische armbanden bij gehospitaliseerde psychiatrische patiënten is een nieuw en delicaat probleem waarover op wereldvlak nauwelijks literatuur bestaat.

Het uitgangspunt bij de ethische reflectie over dit probleem dient te zijn dat een psychiatrisch ziekenhuis in eerste instantie een plaats is waar zieken opgenomen worden om behandeld te worden.

Het staat vast dat de cultuur en het milieu binnen een psychiatrisch ziekenhuis enerzijds belangrijke elementen zijn in het behandelproces en anderzijds belangrijke factoren zijn in de beeldvorming over het psychiatrisch ziekenhuis met o.m. een weerslag op de toegankelijkheid van het psychiatrisch ziekenhuis en op de graad van weerstand bij patiënten wanneer opneming wordt voorgesteld. Het is dan ook belangrijk voorafgaandelijk in te schatten wat het effect zal zijn van het gebruik van elektronische armbanden op het milieu en de cultuur binnen een psychiatrisch ziekenhuis en op de daarmee samenhangende invloed op de beeldvorming.

Daarnaast kan niet worden ontkend dat in een psychiatrisch ziekenhuis patiënten opgenomen worden die niet enkel een behandeling maar ook een verhoogd toezicht vereisen daar de toestand waarin zij zich bevinden hun gezondheid en veiligheid ernstig in gevaar brengt of een bedreiging vormt voor andermans leven en integriteit. Dergelijke patiënten kunnen zowel op vrijwillige basis opgenomen zijn als bij toepassing van de Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke van 26 juni 1990.

Men kan niet blind zijn voor de nieuwe mogelijkheden die het gebruik van elektronische armbanden biedt. Daardoor kan het toezicht vergroot en vergemakkelijkt worden, kunnen bewegingsvrijheidbeperkende maatregelen worden versoepeld en kan een betere controle op de naleving van gemaakte afspraken gebeuren.

Op basis van wat voorafgaat brengt de Nationale Raad het volgend advies uit :

Alvorens het gebruik van elektronische armbanden op te starten dienen Raad van Bestuur, directie en geneesheren zich akkoord te verklaren met het principe van het gebruik, de modaliteiten van uitvoering en de garanties ter preventie van misbruik. Een evaluatie van het effect op de cultuur, het milieu en het imago van het psychiatrisch ziekenhuis dient na verloop van een van te voren afgesproken periode te gebeuren. Bij deze evaluatie zal o.m. rekening gehouden worden met de mening van het behandelteam en de appreciatie van de toepassing van de techniek door patiënten, omgeving en verwijzers.

Onder de modaliteiten van uitvoering en de garanties ter preventie van misbruik dienen minstens de volgende punten te worden voorzien.

  • Alleen de behandelend geneesheer is bevoegd om te beslissen tot het dragen van een elektronische armband. Hij is verplicht de noodzaak van het dragen van een armband geregeld te evalueren en zal de indicaties en toestemming van de patiënt op een overzichtelijke wijze registreren.
  • Essentieel is dat de patiënt zich akkoord verklaart met het dragen van de armband. Wanneer de geestestoestand van de patiënt van dien aard is dat hij zijn mening niet kenbaar kan maken dient de toelating bekomen te worden van de wettelijke of feitelijke vertegenwoordigers van de patiënt.
  • Tegen de wil van de patiënt kan de geneesheer enkel tot het dragen van een elektronische armband beslissen wanneer de patiënt gedwongen opgenomen is en de geneesheer van oordeel is dat een reële kans op ontvluchting bestaat met levensbedreigende risico's voor patiënt of derden. In dat geval dient de geneesheer dagelijks na te gaan of het verder dragen van de armband noodzakelijk is.

De Nationale Raad is zich bewust van het experimenteel karakter van deze techniek die mits naleving van de hogervermelde voorwaarden uitgeprobeerd kan worden. Dit advies kan niet geïnterpreteerd worden als een promotie van de techniek en zeker niet als een deontologische verplichting voor een psychiatrisch ziekenhuis.
Ten slotte vermeldt de Nationale Raad dat hij niet bevoegd is tot enige juridische beoordeling van het gebruik van elektronische armbanden in de psychiatrische ziekenhuizen.

Beroepsgeheim25/04/1998 Documentcode: a081007
Tv-bewaking van geesteszieken

Een commissie voor medische ethiek heeft de problematiek besproken van de tv-bewaking van geesteszieken, in het bijzonder dezen die in een instelling opgenomen zijn onder het regime van de wet op de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Omdat de commissie voor ethiek niet beschikt over documenten die haar zouden kunnen helpen een weloverwogen mening te vormen, vraagt ze het advies van de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 25 april 1998 besprak de Nationale Raad uw brief van 9 december 1997 betreffende het probleem van de tv-bewaking van gehospitaliseerde mentale zieken.

De Nationale Raad is van oordeel dat het op 14 september 1991 uitgebrachte advies op vraag van de Provinciale Raad van Henegouwen nog steeds geldig is. Dit advies werd gepubliceerd op blz. 45 van het Tijdschrift nr. 54 van de Nationale Raad.

Het gebruik van camera's mag de frequentie van de persoonlijke contacten van de leden van het verplegend team met de patiënten niet verminderen. Dit is des te belangrijker wanneer deze laatste in een afzonderingskamer zijn geplaatst.

Advies van de Provinciale Raad van Henegouwen, goedgekeurd door de Nationale Raad op 14 september 1991 :

Wij zijn van oordeel dat een dergelijk observatiemiddel aangewend mag worden voor een dergelijke indicatie waarvan men de risico's in een hevig stadium overigens zeer goed kent. Wordt hier niet hetzelfde principe toegepast als dat voor de bewaking van de patiënten in de intensieve verpleegafdeling ?

Uiteraard dient men ervoor te zorgen dat de observatie werkelijk permanent gebeurt dank zij de aanwezigheid van de verpleegkundige of van de verantwoordelijke geneesheer door wie het scherm gadegeslagen wordt.
Het lijkt ons niettemin onontbeerlijk dat de patiënt en zijn familie op de hoogte gebracht worden van de aanwending van dit observatiescherm.

Het volgen op het scherm door administratief personeel, zoals het personeel van de telefooncentrale bijvoorbeeld, is daarentegen deontologisch onaanvaardbaar gelet op de eerbiediging van het beroepsgeheim enerzijds en op de vereiste competentie anderzijds.

Tot slot moet vermeden worden dat deze observatie op film vastgelegd wordt, teneinde de patiënt te beschermen tegen iedere schending van het beroepsgeheim.

Wij zullen niet nalaten u in kennis te stellen van het advies dat de Nationale Raad over dit bijzonder probleem zal uitbrengen.

Informatica15/11/1997 Documentcode: a079043
Teleservice Stand-By

Op 31 oktober 1996 vroeg de firma X. het akkoord van de Orde der geneesheren over een "nieuw concept voor gebruik en raadpleging van wacht- en hulpdiensten", Teleservice stand-by.
Het Bureau van de Nationale Raad liet de betrokken firma weten dat er geen deontologische bezwaren waren tegen een dergelijke service, op voorwaarde dat Teleservice Stand-by zou uitgevoerd worden volgens de voorwaarden beschreven in de brief.

In de praktijk schept de implementatie van het systeem allerlei problemen. De Nationale Raad wordt hierover geïnterpelleerd door de Unie van huisartsenkringen (UHAK), door de voorzitter van een provinciale geneeskundige commissie en door een huisartsenvereniging.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 15 november 1997 de problematiek onderzocht die op het terrein van de regionale wachtdiensten is gerezen naar aanleiding van het U welbekende X-project.

Het Bureau van de Nationale Raad had op 6 november 1996 aan X geschreven geen deontologische bezwaren te hebben tegen het project "Teleservice Stand-By, nieuw concept voor gebruik en raadpleging van wacht- en hulpdiensten", op voorwaarde dat dit zou worden uitgevoerd volgens het geschreven protocol.

Bij de implementatie op het terrein blijkt nu echter heel wat mis te lopen.

De Nationale Raad benadrukt dat er geen deontologische bezwaren zijn tegen een gecentraliseerd wacht-oproepnummer. Voorwaarden hiertoe zijn niettemin dat een dergelijk systeem een vlottere dienstverlening voor de patiënt daarstelt, zonder dat hierdoor hogere onkosten voor diezelfde patiënt worden gegenereerd; dat de verstrekte informatie steeds correct en geactualiseerd is, met duidelijke vermelding van identiteit en adres van de wachtarts; dat de betrokken wachtdiensten hierover vooraf worden geïnformeerd en hun formele toestemming tot aansluiting hebben gegeven, en dat er bij de patiënt geen verwarring kan worden gebracht omtrent de regionale afbakening van de onderscheiden wachtgebieden en -diensten.

Indien aan het geheel van deze voorwaarden niet wordt voldaan zal dit de kwaliteit van de zorg in het gedrang brengen en is deelname aan dergelijk project deontologisch niet verantwoord.

Alternatieve geneeswijzen20/09/1997 Documentcode: a079027
Niet-conventionele geneeswijzen

Op 24 september 1997 richtte de Nationale Raad onderstaande brief aan de heer M. COLLA, minister van Volksgezondheid en Pensioenen, in verband met niet-conventionele geneeswijzen :

De Nationale Raad acht het zijn plicht uw aandacht te vestigen op de noodzaak om bij iedere patiënt die op consult komt en ongeacht de vertoonde pathologie een diagnose te stellen alvorens een handeling met therapeutisch doeleinde in te stellen.

Deze noodzaak wordt wereldwijd erkend door de wetenschappers. Alleen de arts is hiertoe, door zijn lange en gecontroleerde wetenschappelijke opleiding en zijn permanent getoetste klinische opleiding, bevoegd.

Artikel 34 van de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt :
"Zowel voor het stellen van een diagnose als voor het instellen en voortzetten van de behandeling, verbindt de geneesheer er zich toe zijn patiënten zorgvuldig en gewetensvol de zorgen toe te dienen die stroken met de thans geldende wetenschappelijke kennis."

De patiënten hebben recht op een kwaliteitsgeneeskunde uitgeoefend door kwaliteitsartsen. De rijkdom en het eclecticisme van de kennis van de arts dienen in verband gebracht te worden met de wetenschappelijke vereisten van zijn opleiding.

De studenten geneeskunde en de praktiserende artsen kunnen moeilijk begrijpen dat de permanente "kwaliteitscontrole" die ze zichzelf opleggen die van meet af aan gericht is op controleerbare wetenschappelijke grondslagen, niet de minimumvereiste vormt voor eenieder die kwaliteitsvol wenst op te treden in de sector van de gezondheidszorg.

Geen enkele maatschappelijke erkenning, geen enkele wet brengt spontaan kennis en kwaliteit met zich.

De Nationale Raad vond dat hij sterk tekort zou schieten in de verantwoordelijkheid die hij draagt ten aanzien van de volksgezondheid en dat de artsen al evenzeer tekort zouden schieten in hun plichten ten opzichte van de maatschappij die hun lasten op zich genomen heeft tijdens hun opleiding, als hij zou nalaten uw aandacht te vestigen op de gevaren voor de gezondheid die schuilen in de behandeling van een symptoom of van enkel de subjectieve uiting van een ziekelijke toestand, zonder de echtheid ervan voorafgaandelijk te hebben bevestigd door het stellen van een diagnose. De globale behandeling van de patiënt vergt absoluut dat een diagnose wordt gesteld vóór elke therapeutische aanpak. De vereiste van wetenschappelijke rationaliteit kan alleen maar worden opgelegd aan de artsen. Zij vormt inderdaad voor de patiënten de enige waarborg voor een doeltreffende, onwillekeurige kwaliteitsverzorging.

Kind en Gezin (N.W.K.)05/07/1997 Documentcode: a079004
Kwaliteit van de verzorging - Aansprakelijkheid

Een kind onderging een polysomnografie en het protocol van de onderzoeker kwam tot het besluit dat een monitoring noodzakelijk was gedurende de slaap.
Op het ogenblik dat de ouders het kind aanmelden voor opvang in een kinderdagverblijf, uiten zij hun vaste voornemen het kind nooit aan de monitor te plaatsen in het kinderdagverblijf, net zomin als thuis.
Een adviseur-kinderarts van Kind en Gezin en de kinderarts van het kinderdagverblijf leggen drie vragen voor aan de Nationale Raad :

  1. Mag men, aangezien het onmogelijk is een kind een ononderbroken toezicht van het personeel te verzekeren tijdens zijn slaap, aanvaarden dat een kind dat beschouwd wordt als "risicogeval " opgenomen wordt in de instelling zonder toezicht door de moderne technieken ?
  2. Heeft men het recht het kind het toezicht te geven dat geweigerd wordt door de ouders ?
  3. Heeft de door de ouders ondertekende aansprakelijkheidsdecharge voor de arts van de instelling voldoende juridische beschermingswaarde indien zich een dodelijk ongeval voordoet tijdens het verblijf in de kinderopvang bij afwezigheid van een toezichtmonitor ?

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 5 juli 1997 uw brief van 9 april 1997 besproken.

De Raden van de Orde zijn alleen bevoegd voor de deontologische aspecten van de inhoud van uw brief.

De Nationale Raad herinnert eraan dat de arts, zowel bij de uitoefening van de preventieve als de curatieve geneeskunde, ervoor moet waken zijn patiënten op elk ogenblik met de beste zorg te omringen.

De Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt in artikel 35 dat de geneesheer, behalve in geval van overmacht, zijn beroep enkel mag uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorg en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen. Ook de artikelen 28 en 29 van deze zelfde Code kunnen van toepassing zijn op het soort problemen dat u naar voren brengt.

Het precieze antwoord op uw eerste twee vragen is bijgevolg negatief. In verband met uw derde vraag betreffende de ondertekening van een aansprakelijkheidsdecharge, geldt dat de juridische beschermingswaarde ervan zeer bedenkelijk is.

Kwaliteit van de zorg21/08/1993 Documentcode: a062002
Kwaliteit van de verzorging - Artikel 34 van de Code van Plichtenleer

Kwaliteit van de verzorging ‑ Artikel 34 van de Code van Plichtenleer

Artikel 34 van de Code bepaalt het volgende: "Wanneer de geneesheer de behandeling van de patiënt aanvaardt, moet hij hem zorgvuldig en gewetensvol de zorgen toedienen die stroken met de thans geldende wetenschappelijke kennis".
Een provinciale raad stelt vast dat dit artikel 34 in één zelfde zaak verschillend geïnterpreteerd wordt in het vonnis uitgesproken door de provinciale raad en dat uitgesproken door de Raad van beroep. De veroordeling is evenwel dezelfde.
De provinciale raad heeft twee dingen aan de kaak gesteld (de zaak had betrekking op le medicamenteuze associaties in het kader van vermageringskuren): het principe van de doorgaans toegepaste behandeling van obesitas én de wijze waarop de behandeling werd toegepast. De Raad van beroep daarentegen heeft geen veroordeling willen uitspreken over het principe van de behandeling, maar enkel over de wijze waarop de behandeling toegepast werd. De toediening van de aangeklaagde poly‑medicamenteuze associaties ging niet vergezeld van de nodige psychologische begeleiding en de doses en posologie waren systematisch dezelfde en bijgevolg niet individueel aangepast van patiënt tot patiënt.

De Nationale Raad die hieromtrent om advies verzocht werd door de provinciale Raad brengt het volgende advies uit:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 augustus 1993 kennis genomen van uw brief van 23 april 1993 betreffende de interpretatie van artikel 34 van de Code van geneeskundige Plichtenleer en betreffende de beslissing van de Raad van beroep van 18 februari 1992 inzake Dokter X. De provinciale raden van de Orde der geneesheren gaan feitelijk na of de door een geneesheer toegediende verzorging strookt met de thans geldende wetenschappelijke kennis. De beslissing van de Raad van beroep is ook een feitelijke beslissing en verandert niets aan de interpretatie van artikel 34 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

Vorige pagina

5

pagina