keyboard_arrow_right
Deontologie

Advies van de nationale raad van de Orde der artsen betreffende de wijziging van het Strafwetboek om een meldingsplicht in te voeren voor bepaalde misdrijven gepleegd op minderjarigen of kwetsbare personen.

Tussenkomst van de heer Benoît Dejemeppe,
voorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen,
voor de commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 23 september 2025.


Geachte voorzitter,
Geachte volksvertegenwoordigers,

1. Als voorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen stel ik u graag in kennis van de beschouwingen van de Orde over het wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek voor wat betreft de aangifteplicht van bepaalde misdrijven gepleegd op minderjarigen of kwetsbare personen (DOC 56 0778/001).

2. De bescherming van minderjarigen en kwetsbare personen tegen bijzonder ernstige misdrijven is een dwingende verplichting die door de medische wereld wordt gedeeld en die is opgenomen in de Code van medische deontologie (artikel 29).

Hoewel de Orde het eens is met de intentie van het wetsvoorstel, plaatst zij vraagtekens bij de geschiktheid van de middelen die worden ingezet om het beoogde doel te bereiken.

De ervaring leert doorgaans dat justitie niet alles alleen kan oplossen. Het is ook een taak van de staat om iedereen ertoe aan te zetten zijn verantwoordelijkheid op te nemen en samen te werken met andere maatschappelijke actoren. Het verplicht inschakelen van justitie leidt niet altijd tot een bevredigende oplossing en kan het leed van de slachtoffers nog vergroten.

Het hiërarchische debat tussen hulpverlening en justitie moet plaats maken voor een andere hiërarchie: het slachtoffer moet op de eerste plaats komen en de structuren moeten zich aanpassen aan zijn behoeften. Justitie en hulpverleningsdiensten moeten bruggen bouwen om hun expertise in de opvang van slachtoffers wederzijds te versterken.

3. Na een daad van agressie is de zorg voor het slachtoffer even belangrijk als de vervolging van de dader en het voorkomen van nieuwe misdrijven.

De angst voor gerechtelijke vervolging op basis van een aangifte door de arts kan een belemmering vormen voor de toegang tot zorg. Veel kwetsbare personen zijn afhankelijk van derden om een arts te raadplegen of zijn zelf bang voor gerechtelijke vervolging.

Het risico dat het slachtoffer geen zorg krijgt, moet in aanmerking worden genomen bij de keuze van de middelen die worden ingezet om geweld tegen kwetsbare personen te bestrijden.

4. Vertrouwelijke informatie over ondergane of gepleegde agressie komt gemakkelijker naar buiten in een vertrouwelijke omgeving, gebaseerd op beroepsgeheim, waar men zich zonder schaamte of angst kan uiten en passende zorg kan krijgen.

Deze vertrouwelijke omgeving is vaak de eerste stap naar structurele hulp.

De verplichting om aangifte te doen bij de procureur des Konings kan een contraproductief effect hebben op deze eerste, voor het slachtoffer moeilijk te zetten stap, namelijk zich openstellen tegenover een derde over wat hij of zij meemaakt of heeft meegemaakt. Dit contraproductieve effect valt vooral te vrezen in situaties van huiselijk geweld.

5. Het wetsvoorstel is gericht op een repressieve aanpak.

Met name in geval van huiselijk geweld meent de Orde dat het inschakelen van of het melden bij een multidisciplinaire instantie voor slachtofferhulp en begeleiding van daders een geschikter kader biedt.

6. In de context van de zorg wordt de kwetsbare persoon altijd betrokken bij beslissingen die hem aangaan, rekening houdend met zijn vermogen om zijn belangen redelijkerwijze in te schatten en met zijn begripsvermogen.

Het wetsvoorstel laat geen ruimte voor de autonomie van kwetsbare personen, wat haaks staat op de ontwikkelingen op het gebied van het recht op zelfbeschikking. De bewaarder van het beroepsgeheim is verplicht de feiten te melden zonder rekening te houden met de mening van de betrokken persoon.

7. Aangezien artikel 458bis van het Strafwetboek gericht is op personen die kwetsbaar zijn vanwege hun leeftijd, ziekte, handicap, lichamelijke beperking enz., geeft het geen sluitende definitie van het begrip ‘kwetsbare persoon’.

Niet elke ziekte leidt tot een kwetsbare toestand en de gevolgen van ouderdom variëren van persoon tot persoon. Behalve bij minderjarigen hangt de beoordeling van de kwetsbaarheid dus af van degene die het geheim bewaart.

Voor de beoordeling van de kwetsbaarheid van een persoon is deskundigheid vereist. Het is verkeerd te denken dat dit voor iedereen een haalbare opgave is.

Het voorgestelde ontwerp heeft tot gevolg dat als de bewaarder van het geheim zich vergist, hij strafrechtelijk kan worden vervolgd, hetzij omdat hij de geheimhoudingsplicht heeft geschonden (artikel 458 van het Strafwetboek), hetzij omdat hij de meldingsplicht heeft geschonden (artikel 458bis van het Strafwetboek), overeenkomstig het gewijzigde voorstel).

Gezien de diversiteit en complexiteit van concrete situaties, legt dit een buitensporige last op zijn schouders.

8. Aangezien elke fout tot strafrechtelijke vervolging kan leiden, is de verplichting om op een passende wijze het risico van toekomstige inbreuk op de integriteit te beoordelen, evenals de ernst en de onmiddellijkheid ervan, het risico op recidive bij anderen en de vraag of dit een ernstig en reëel gevaar vormt, eveneens buitensporig. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de mogelijkheid om de integriteit van het (toekomstige) slachtoffer alleen of met hulp van derden te beschermen.

Uit de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat “beroepsgeheimhouders nochtans de inschatting dienen te kunnen maken in welke gevallen zij hun beroepsgeheim kunnen dan wel moeten doorbreken. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij voortdurend in onzekerheid moeten werken en vrezen voor eventuele strafvervolging.”

De voorgestelde wijziging van artikel 458bis van het Strafwetboek biedt geen zekerheid en verzwakt de positie van de beroepsbeoefenaars nog meer.

9. Het wetsvoorstel beoogt een betere toepassing van de regelgeving.

Vanuit haar ervaring meent de Orde der artsen dat een manier om dit doel te bereiken zou zijn om de actoren in het veld te begeleiden bij het uitoefenen van hun bevoegdheid om feiten te melden, zodat zij de situaties zo goed mogelijk kunnen inschatten, in het belang van het slachtoffer. Een beslissingsboom en gemakkelijk toegankelijke en responsieve hulpbronnen zouden hiertoe zeer nuttig zijn.