keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Anesthesie30/10/1999 Documentcode: a087011
Geneesheren-anesthesisten - Aangepaste SAFETY-FIRST-normen

Geneesheren-anesthesisten - Aangepaste SAFETY FIRST- normen

De Belgische Beroepsvereniging van de geneesheren specialisten in de anesthesie-reanimatie (BSAR-APSAR) legt de Nationale Raad onderstaande vragen voor:

  1. kan de Nationale Raad instemmen met de vaststelling dat het mogelijk is dat een anesthesist-reanimator wegens een noodtoestand zijn patiënt onder narcose dient te verlaten;
  2. kan de Nationale Raad aanvaarden dat de anesthesioloog die zijn patiënt dient te verlaten wegens een noodtoestand, de patiënt achterlaat onder bewaking van een voldoende opgeleide en ervaren verpleegkundige die enkel en alleen de supervisie van de narcose tot taak heeft in afwachting van de terugkomst van de anesthesioloog;
  3. acht de Nationale Raad de guideline in haar gewijzigde vorm, goedgekeurd door de Nationale Algemene Vergadering van de BSAR-APSAR, al dan niet strijdig met de Code van geneeskundige Plichtenleer:
    "Behoudens vitale noodtoestand zijn simultane anesthesieën verboden, (d.w.z. het gelijktijdig onder narcose brengen van twee patiënten door één anesthesist-reanimator).
    De anesthesist-reanimator blijft continu aanwezig bij zijn patiënt.
    Indien de anesthesist-reanimator, als uitzondering op de hogervermelde algemene regel, toch verplicht is zijn patiënt tijdelijk te verlaten, duidt hij een bevoegde persoon aan, die de bewakingsplicht exclusief overneemt, met uitsluiting van elke andere activiteit. Deze bewaking valt onder de volledige verantwoordelijkheid van de behandelende anesthesist-reanimator." ?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn zitting van 30 oktober 1999 de problematiek, vervat in uw brief van 21 september 1999, uitvoerig besproken.
Als antwoord op de door u gestelde vragen wil de Nationale Raad vooreerst terug verwijzen naar zijn advies daaromtrent van 8 mei 1982 dat steeds in zijn totaliteit van kracht blijft.

Dit advies houdt rekening met de noodtoestand waarvoor de anesthesist-reanimator zich kan geplaatst zien om zijn patiënt in veilige toestand achter te laten onder de bewaking van een hiertoe opgeleide en ervaren verpleegkundige. Strikte voorwaarden hiertoe zijn echter dat de geneesheer-anesthesist zich slechts kortstondig verwijdert en in de werkzame nabijheid van zijn patiënt blijft.

De Nationale Raad wil er niettemin de nadruk op leggen dat het tot de taak behoort van de daartoe bevoegde ziekenhuisgeneesheren om in samenspraak met het beheer de organisatie van de betrokken diensten dermate op te zetten opdat hogervermelde noodtoestand maximaal zou kunnen worden voorkomen.

Tenslotte kan de Nationale Raad u bevestigen dat hij artikel 2.09 van de door uw beroepsvereniging opgestelde Safety First-normen niet strijdig acht met de Code van medische Plichtenleer.

Beroepsgeheim30/10/1999 Documentcode: a087008
Ministerie van Justitie - Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt (1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2) . Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen (3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt (4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen (5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Tenslotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6) . De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen (7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen (8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen (9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen (10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft (11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt (12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

(1) p. 45 Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij.
(2) p. 49 en p. 50 Eindverslag.
(3) eveneens p. 49 Eindverslag.
(4) p. 48 en ook p. 49 Eindverslag.
(5) p. 46 en p. 47 Eindverslag.
(6) p. 45 Eindverslag.
(7) p. 74 Eindverslag.
(8) p. 74 Eindverslag.
(9) p. 92, p. 93, p. 94 Eindverslag.
(10) p. 94 en p. 95 Eindverslag.
(11) p. 96 Eindverslag.
(12) p. 97 en p. 98 Eindverslag.

Beroepsgeheim29/05/1999 Documentcode: a085020
Medische criteria voor rijgeschiktheid

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad de vragen over van twee artsen aangaande de medische criteria voor rijgeschiktheid :

  1. welke houding dient de arts aan te nemen ten opzichte van patiënten die niet voldoen aan de medische criteria voor rijgeschiktheid en die een voertuig blijven besturen;
  2. wanneer een patiënt achter het stuur gevaarlijk blijkt omwille van zijn medische toestand, wanneer hij weigert het papier te ondertekenen waarop staat dat hij hierover geïnformeerd werd en weigert zijn rijbewijs af te leveren aan de bevoegde overheid, wat kan de arts dan doen?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 29 mei 1999 de vragen in uw brief van 30 maart over de toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
In verband met de eerbiediging van het beroepsgeheim van de arts die meent dat zijn patiënt medisch ongeschikt is om een voertuig te besturen, dient herinnerd te worden aan artikel 46, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit. Dit artikel bepaalt dat, indien de arts vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de vastgelegde geneeskundige normen, hij de belanghebbende op de hoogte moet brengen van de verplichting om zijn rijbewijs in te leveren bij de overheid.

Indien de betrokken patiënt weigert een decharge te ondertekenen waarin hij erkent ingelicht te zijn over zijn ongeschiktheid om een voertuig te besturen, mag de arts slechts melding maken van de verstrekte informatie en van de weigering van de patiënt in het dossier van deze laatste.

Wat anderzijds het belang van de gemeenschap betreft indien een patiënt een ernstig gevaar voor derden vormt bij het besturen van een voertuig, herinnert de Nationale Raad aan zijn vorige adviezen en in het bijzonder aan zijn advies van 15 december 1990. Dit advies stelt onder meer dat "indien u dus gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor haarzelf of voor derden, kan deze "noodsituatie" rechtvaardigen dat U de Procureur des Konings op de hoogte brengt van Uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon".

Het advies van 24.05.1997 aan de minister van Volksgezondheid en Leefmilieu besluit evenwel : "De Nationale Raad is van mening dat bij gebrek aan een precieze wetgeving terzake, er geen uitzondering moet gemaakt worden op de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek over het medisch geheim en dat in deze materie het respect van het medisch geheim van toepassing blijft.

Het advies van de Nationale Raad van 21 maart 1992 [dat het advies van 15 december 1990 bevestigt] behandelde een specifieke en concrete situatie. Men kan een noodtoestand van overmacht waarvan de toepassing afhangt van bijzondere feiten en per geval moet beschouwd worden niet verheffen tot regel."

Deze verschillende adviezen bevatten de richtlijnen die de artsen terzake dienen na te leven :

  • de eerbiediging van het beroepsgeheim waartoe iedere arts in elke omstandigheid gehouden is;
  • de bescherming van de gemeenschap, die in bepaalde omstandigheden een "noodsituatie" kan scheppen die per concreet geval beoordeeld moet worden.
Beroepsgeheim16/05/1998 Documentcode: a081013
Beroepsgeheim in geval van niet-naleving van de probatievoorwaarden

De Provinciale Raad van Oost-Vlaanderen doet de Nationale Raad een adviesaanvraag geworden van de voorzitter van de probatiecommissie te Gent van de dienst Maatschappelijk Werk Strafrechtstoepassing van het ministerie van Justitie. Deze stelt dat er zich meer en meer problemen voordoen enerzijds in verband met het doorgeven van inlichtingen door de probant aan de behandelende persoon (arts, psycholoog, centrum ...) en anderzijds in verband met het bekomen van inlichtingen van de behandelende persoon om na te gaan of de opgelegde probatievoorwaarden wel nageleefd worden.

Concreet worden drie problemen voorgelegd waarop de Nationale Raad als volgt antwoordt:

Bij het eerste probleem wordt ervan uitgegaan dat de behandelaar niet over voldoende gegevens beschikt aangaande de voorgeschiedenis van de probant. De Nationale Raad is van mening dat slechts tot de behandeling van een probant kan besloten worden na kennisname van alle elementen die essentieel zijn voor een behandeling. De werkwijze dient te zijn dat de Probatiecommissie dit met de probant bespreekt en voorafgaandelijk aan de behandeling de nodige gegevens aan de behandelaar verstrekt.

Het tweede probleem betreft het overmaken van informatie over het verloop van de behandeling door de behandelaar aan zijn opdrachtgever. Analoog met eerder uitgebrachte adviezen is de Nationale Raad van oordeel dat de behandelaar het bevoegde rechterlijk gezag in kennis mag stellen van de stopzetting van de behandeling of van het zo slordig naleven van de gemaakte afspraken dat er geen sprake meer kan zijn van een werkelijke behandeling. Het is essentieel dat de behandelaar de probant voorafgaandelijk van deze mogelijkheid in kennis stelt. De behandelaar mag aan de probant op zijn vraag attesten afleveren waarin hij verklaart dat de patiënt alle afspraken naleeft.
Over de inhoudelijke aspecten van een lopende behandeling kan de behandelaar niets meedelen aan derden daar dit de vertrouwensrelatie tussen probant en behandelaar ernstig zou schaden. Ook bij herhaling van de feiten of bij het risico op herhaling van de feiten dient de behandelaar het beroepsgeheim te respecteren. Hij kan echter wel spreken wanneer hij van oordeel is dat het om een noodsituatie gaat. Het voorstel om verslagen betreffende het verloop van de behandeling over te maken is niet aanvaardbaar zelfs niet na akkoord van de probant.

Het derde probleem betreft de als probatievoorwaarde opgelegde urinecontrole. De oplossing zou erin kunnen bestaan van voorafgaandelijk te bepalen aan welke instantie de resultaten van de urinecontrole dienen overgemaakt te worden. Het ligt voor de hand dat ook de behandelaar van deze resultaten kennis hoort te krijgen. Wat de advocaat van de probant betreft is het voorzichtig hem als een derde te beschouwen waaraan enkel toelichting over het verslag van de urinecontrole wordt verstrekt mits akkoord van de probant.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren hoopt door dit advies de gevraagde verduidelijking te brengen.

Beroepsgeheim21/03/1998 Documentcode: a080017
Screeningformulieren voor personen geïnterneerd wegens seksuele misdrijven ten aanzien van minderjarigen

In Gent startte in samenspraak met het kabinet van de minister van Justitie een pilootproject dat een screening moet doorvoeren van de geïnterneerden wegens seksuele delicten ten aanzien van minderjarigen. Met het oog op het pogen te voorspellen van de recidive van seksuele delinquentie door deze personen heeft de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij een screeningformulier uitgewerkt.
De hoofdgeneesheer en de voorzitter van de medische raad van een ziekenhuis delen aan de provinciale raad mee dat binnen de medische raad van het ziekenhuis de vraag gesteld werd in hoeverre de diepgaande vragen uit het
screeningformulier verenigbaar zijn met het beroepsgeheim als behandelend arts. De provinciale raad maakt deze adviesaanvraag samen met zijn bedenkingen over aan de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad:

De inleiding van de handleiding van de screeningformulieren voor personen geïnterneerd wegens sexuele delicten t.a.v. minderjarigen vermeldt als doelstelling "het pogen voorspellen van de recidive van sexuele delinquentie door geïnterneerden". De screening wordt verwacht van de behandelaars. Uit het begeleidend schrijven blijkt dat het om een pilootproject gaat. Als doelstellingen werden daarin vermeld : enerzijds, een beter zicht krijgen op de individuele dossiers met eventuele heroriëntatie van de begeleiding (verder onderzoek, aanpassing van de voorwaarden, beslissing tot wederopneming), anderzijds, een evaluatie en zo nodig bijsturing van het beleid van de C.B.M. Tenslotte wordt in het begeleidend schrijven gezegd dat de ingezamelde gegevens kunnen samengebracht worden en de basis vormen van een beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek. In dat geval zou de anonimiteit van de geïnterneerde en de begeleiding gewaarborgd worden.

De Nationale Raad bracht op 21 juni 1997 aangaande de artikelen 6 en 7 van de wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen het hierna volgend advies uit:

I. Welke inlichtingen mag de therapeut aan het gerecht verstrekken in het kader van de toepassing van deze wet (artikel 7) ?
Mag hij het bevoegde rechterlijk gezag in kennis stellen van:

  1. de stopzetting van de behandeling? JA
  2. de herhaling van de feiten? NEEN, tenzij noodsituatie
  3. het risico op herhaling van de feiten ? NEEN, tenzij noodsituatie

II. Zijn de inlichtingen die hij mag verstrekken verschillend naargelang van de hoedanigheid van de persoon aan wie deze inlichtingen worden verstrekt?

De geneesheer die de delinquent volgt, geeft alleen inlichtingen aan de instanties die de behandeling opgelegd hebben.

III. Dient met betrekking tot het beroepsgeheim een onderscheid te worden gemaakt tussen therapie en begeleiding?

Er moet geen onderscheid gemaakt worden.

In punt I.3. van het advies wordt uitdrukkelijk gesteld dat geen inlichtingen mogen worden verstrekt betreffende het risico op herhaling van de feiten tenzij noodsituatie.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren is dan ook van mening dat het screeningformulier in zijn huidige vorm strijdig is met de medische deontologie.

Uit de analyse van het screeningformulier blijkt dat de statistische gegevens betreffende delinquentie in het algemeen en de criminele voorgeschiedenis (Deel A) evenals de sexuele delicten (Deel B) zich bevinden in het dossier van de C.B.M. Het kan niet de taak van de behandelaar zijn deze gegevens te verifiëren noch aan te vullen. De gegevens betreffende de criminogenese (deel C) zijn af te leiden uit het expertiseverslag dat in het bezit is van de C.B.M. en het is niet de taak van de behandelaar dat expertiseverslag kritisch te evalueren. De dynamische variabelen (deel 2) zijn een diepgaande ontleding van het psychisme van de delinquent. Het nominatief meedelen van deze gegevens aan de C.B.M. is evenals het screenen van de recidivekansen een schending van het beroepsgeheim en zowel in strijd met de wetgeving als de medische deontologie. Dit neemt niet weg dat het opvolgen van de evolutie van de dynamische variabelen door de behandelaars een element kan zijn waarop zij tot een noodsituatie kunnen besluiten.

Wanneer de C.B.M. de gegevens van de screening wenst te gebruiken voor een evaluatie en eventuele bijsturing van zijn beleid is het niet voldoende tot de screening over te gaan met weglating van de identificatiegegevens. Uit de gevraagde statistische gegevens valt immers gemakkelijk de identiteit van de delinquent te achterhalen zodat elke koppeling van de statistische gegevens aan dynamische variabelen uitgesloten is.

Dezelfde opmerking dient te worden gemaakt t.o.v. wetenschappelijk onderzoek. Het volstaat niet de anonimiteit van de geïnterneerde en begeleiding te waarborgen om tot niet identificeerbare gegevens te komen.

***

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren is zich bewust van de ernst van de gestelde problematiek en is van oordeel dat de beste preventie van recidivegedrag bij sexuele delinquenten erin bestaat de behandelaars attent te maken enerzijds op hun grote verantwoordelijkheid, anderzijds op de geboden mogelijkheid noodsituaties te signaleren.

Beroepsgeheim21/06/1997 Documentcode: a079003
Seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen

De wet van 13 april 1995 voorziet in de artikelen 6 en 7 in de tussenkomst van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten, hetzij als expert (art. 6), hetzij met een therapeutisch of begeleidingsdoel. De dienst voor mentale zorg die onder de bevoegdheid valt van de Franse Gemeenschapscommissie verzoekt de Raad van de Orde om advies met betrekking tot de toepassing van de wet.

Advies van de Nationale Raad :

Dokter Machiels deelde ons destijds als voorzitter van de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van Franstalig Brabant ter advies de briefwisseling mede die hij met u voerde in verband met de toepassing van de wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen.

Hieronder vindt u het advies dat de Nationale Raad uitbracht in zijn vergadering van 21 juni 1997, als antwoord op de volgende vragen :

  1. Welke inlichtingen mag de therapeut aan het gerecht verstrekken in het kader van de toepassing van deze wet (artikel 7) ?

    Mag hij het bevoegde rechterlijk gezag in kennis stellen van :

    1. de stopzetting van de behandeling ? JA
    2. de herhaling van de feiten ? NEEN, tenzij noodsituatie
    3. het risico op herhaling van de feiten ? NEEN, tenzij noodsituatie
  2. Zijn de inlichtingen die hij mag verstrekken verschillend naargelang van de hoedanigheid van de persoon aan wie deze inlichtingen worden verstrekt?

    De geneesheer die de delinquent volgt, geeft alleen inlichtingen aan de instanties die de behandeling opgelegd hebben.

  3. Dient met betrekking tot het beroepsgeheim een onderscheid te worden gemaakt tussen therapie en begeleiding ?

    Er moet geen onderscheid gemaakt worden.

Beroepsgeheim24/05/1997 Documentcode: a078010
Rijbewijs - Medische criteria

Rijbewijs- Medische criteria

De Nationale Raad heeft kennis genomen van het "Ontwerp van medische criteria in functie van de Richtlijn 91/439/EEG" aangaande het rijbewijs. Hij zond aan de minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, de heer Colla, het volgende advies :

Advies van de Nationale Raad :

Zoals aangekondigd in zijn brief van 23 april 1997, heeft de Nationale Raad in zijn zitting van 24 mei 1997, de analyse van en de discussie over een nieuwe tekst "Ontwerp van medische criteria in functie van de Richtlijn 91/439/EEG" verdergezet.
De tekst van 29 januari 1996 werd gewijzigd met name in de artikels 6 en 7.

De aandachtige studie van de voornoemde Richtlijn levert geen enkel directe reden om de onderzoekende arts ertoe te verplichten de arts van de Medische Dienst in te lichten over de fysieke of psychische toestand van de houder van een rijbewijs.

De Nationale Raad bevestigt dus de inhoud van zijn brief van 26 maart 1997 waarin hij schreef niet akkoord te kunnen gaan met de wijzigingen die werden aangebracht aan de tekst van 29 januari 1996 en die het gevolg waren van een consensus (zie de brief van 21 februari 1997) met name de artikels 6 en 7, meer bepaald wat betreft de verplichting tot verwittiging in artikel 6.

De Nationale Raad is van mening dat bij gebrek aan een precieze wetgeving ter zake, er geen uitzondering moet gemaakt worden op de bepalingen van art. 458 van het Strafwetboek over het medisch geheim en dat in deze materie het respect van het medisch geheim van toepassing blijft.

Het advies van de Nationale Raad van 21 april 1992 behandelde een specifieke en concrete situatie.

Men kan een noodtoestand van overmacht waarvan de toepassing afhangt van bijzondere feiten en per geval moet beschouwd worden niet verheffen tot regel.

Geneeskunde (Arbeids-)15/02/1997 Documentcode: a076013
Voetbal - Doping

Kan de arts van een voetbalclub een speler die een verboden product heeft gebruikt, verbieden te spelen?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn vergadering van 15 februari 1997 de in uw schrijven van 23 oktober 1996 en voorgaanden gestelde problematiek verder onderzocht en brengt het hierna volgend advies uit.

Bij het opstellen van dit advies is de Nationale Raad uitgegaan van het medisch beroepsgeheim. Het al dan niet overmaken van bepaalde medische persoonsgegevens is afhankelijk van de aard van de relatie tussen speler, arts en club.

Ter illustratie enkele voorbeelden.

Wanneer een arts door een club aangezocht wordt als deskundige een speler te onderzoeken in het kader van een eventuele aanwerving zal de arts de speler voorafgaandelijk meedelen dat hij aan zijn opdrachtgever alle medische informatie zal overmaken die nuttig kan zijn voor de beoordeling van de waarde van de kandidaat. Zo zal de arts aan zijn opdrachtgever bv. meedelen dat uit de verrichte onderzoekingen blijkt dat de speler anabolica neemt.

Wanneer een arts occasioneel door een club gevraagd wordt aanwezig te zijn gedurende een wedstrijd om een speler voor, gedurende of onmiddellijk na de wedstijd te onderzoeken en/of de eerste zorgen te verlenen, treedt hij op als behandelend geneesheer en zal hij enkel aan de speler zijn bevindingen en advies meedelen.

Uitgaande van deze twee uitersten dient een antwoord te worden gegeven op de doorsnee situatie waarin de arts zich bevindt.

Wanneer de taak van de arts zich beperkt tot aanwezigheid op trainingen en wedstrijden om spelers te onderzoeken en curatieve zorg te verstrekken, dient hij zich als behandelend geneesheer van de onderzochte te gedragen en zal hij enkel aan de speler zijn bevindingen en advies meedelen. Enkel wanneer de speler door zijn advies niet te volgen zijn gezondheid zeer ernstig kan schaden (bv. ritme-stoornissen, hoofdpijn met meningiale tekenen) of een gevaar zou kunnen opleveren voor medespelers of toeschouwers, zal de arts de speler meedelen dat hij zich in een noodtoestand bevindt en dat hij aan het clubbestuur het verbod tot spelen zal overmaken. Het belang van de club of het materieel belang van de speler volstaat niet als rechtvaardigingsgrond voor enige mededeling aan de club.

Wanneer de taak van de arts ruimer is dan hoger vermeld (bv. preventief onderzoek van de spelers en/of het superviseren van trainingen) vertoont zijn opdracht veel analogie met de taak van een arbeidsgeneesheer in een bedrijf. Het is dan ook wenselijk de deontologische gedragsregels die gelden voor arbeidsgeneesheren na te leven. De arts zal in dit geval na onderzoek van de speler deze volledig informeren over zijn bevindingen en hem desgevallend adviseren ziijn huisarts te contacteren. Aan het clubbestuur zal hij enkel meedelen dat de speler volledig geschikt is, slechts gedeeltelijk geschikt is of ongeschikt is voor een bepaalde tijd om deel te nemen aan een wedstrijd of training. De medische gronden van zijn advies zal hij zoals de arbeidsgeneesheer niet meedelen aan het bestuur van de vereniging.

Op grond van het gemaakte onderscheid in de verschillende opdrachten van de arts kan uw initiële en concrete vraag (een arts weet dat een speler doping gebruikt) worden beantwoord. Wanneer de taak van de arts niet verder reikt dan behandelend geneesheer plaatst hij de speler voor zijn verantwoordelijkheid. Wanneer zijn opdracht ruimer is en analogie vertoont met de taak van een bedrijfsarts deelt hij aan het bestuur van de club mee dat de speler ongeschikt is zonder opgave van reden.

Dit advies is enkel gebaseerd op de deontologische principes terzake. De Nationale Raad is niet bevoegd de juridische aspecten van de voorgelegde problematiek te beoordelen.

Tenslotte is de Nationale Raad van oordeel dat het uitwerken van een statuut voor de arts door de Koninklijke Belgische Voetbalbond wenselijk is. Dit zou de relatie tussen speler, arts en club verduidelijken. De Nationale Raad is van oordeel dat dit statuut de professionele onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de arts en de naleving van de door de arts uitgebrachte adviezen dient te waarborgen.