keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim19/01/2013 Documentcode: a140012
Publicatie in of communicatie met de media door een lid of een gewezen lid van een orgaan van de Orde
In welke omstandigheden mag een lid of een gewezen lid van een orgaan van de Orde van geneesheren verwijzen naar deze hoedanigheid in geval van publicatie in of communicatie met de media ?

Advies van de Nationale Raad :

REGELS VOOR EEN CORRECT GEDRAG INZAKE PUBLICATIE IN EN COMMUNICATIE MET DE MEDIA

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren legt de volgende gedragsregels vast in de omgang - publicatie of communicatie - met de media.

De ondervoorzitters van de National Raad zijn, elk in hun taal, de woordvoerders van deze Raad wanneer ze onmiddellijk dienen te antwoorden op een vraag van de media.

Wat de provinciale raden betreft, acht de Nationale Raad het aangewezen dat de voorzitter, of in zijn afwezigheid, de ondervoorzitter, deze rol op zich neemt, met respect voor het beroepsgeheim (artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

Ze gaan daarbij oordeelkundig te werk en geven verantwoording voor hun tussenkomst aan hun Raad.

De woordvoerders onthouden zich van iedere bemerking over een tuchtprocedure.

Indien ze dit verkiezen, kunnen zij de communicatie delegeren aan een ander lid van de Nationale Raad of provinciale raad.

In de andere omstandigheden, wanneer een lid van een orgaan van de Orde van geneesheren in het openbaar, schriftelijk of mondeling, optreedt, mag hij dit slechts in deze hoedanigheid doen met de toestemming van het orgaan/autoriteit/instantie waartoe hij behoort.

Indien hij deze toestemming niet gevraagd of niet bekomen heeft, preciseert hij dat zijn tussenkomst op persoonlijke titel is.

Voormalige leden van een orgaan van de Orde van geneesheren mogen zich enkel op persoonlijke titel uitspreken. De Nationale Raad acht het daarom aangewezen dat ze geen gewag maken van hun vroegere lidmaatschap van één van de organen van de Orde van geneesheren.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)10/12/2011 Documentcode: a136013
Publicatie van de adviezen van de Nationale Raad

Een arts vraagt de Nationale Raad nadere informatie betreffende de adviezen van de Nationale Raad en van het Bureau van de Nationale Raad, die op de website door artsen kunnen worden geraadpleegd.
Tevens vraagt hij wat de betekenis is van een uitroepteken bij sommige op de website van de Nationale Raad gepubliceerde adviezen.

Advies van de Nationale Raad :

Naar luid van het artikel 15, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren tot taak "op eigen initiatief of op aanvraag van de openbare overheid, van openbare instellingen of van beroepsverenigingen van geneesheren, gemotiveerd advies te geven over algemene vragen, over beginselvraagstukken of over regelen van medische plichtenleer".

Het Bureau dat het dagelijks bestuur verzekert van de Nationale Raad, ontvangt die vragen omtrent medische plichtenleer, beantwoordt die waaraan op grond van wettelijke regels, de bepalingen van de Code van geneeskundige plichtenleer en reeds door de Nationale Raad uitgebrachte adviezen gevolg kan worden gegeven en maakt de vragen waaraan op die gronden geen gevolg kan worden gegeven voor beoordeling over aan de Nationale Raad.

Daar sommige vragen regelmatig terugkomen worden bepaalde van de in de gezegde context gegeven antwoorden van het Bureau op de website van de Nationale Raad gepubliceerd.

Noch de Code van geneeskundige plichtenleer, bij gebrek aan goedkeuring bij koninklijk besluit, noch de adviezen van de Nationale Raad of van zijn Bureau hebben wettelijk-bindende kracht.

Hierbij is aan te stippen dat:

- volgens het Hof van Cassatie het tot op heden niet verlenen door de koning bij een in ministerraad overgelegd besluit (art. 15, § 1, tweede lid, KB nr. 79) van bindende kracht aan de Code van geneeskundige plichtenleer niet tot gevolg heeft dat er geen regels van medische plichtenleer zouden bestaan; de regels van de Code, zelfs bij analogie toepasselijk, zijn regels van de plichtenleer die als dusdanig gelden voor de geneesheren.
- alhoewel de regels van de Code en de adviezen van de Nationale Raad en van zijn Bureau geen wettelijk-bindende kracht hebben en aldus geen formele grond voor tuchtbeoordeling door de provinciale raden vormen, deze regels wel door de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde van geneesheren worden in acht genomen en mede de basis vormen voor tuchtrechtelijke vervolging en beoordeling.

De opmerkingen bij de op de website van de Nationale Raad gepubliceerde adviezen wijzen de lezer op een uitzondering en worden door een uitroepteken begeleid.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)01/10/2009 Documentcode: a127021
Voorstel tot hervorming van de Orde van geneesheren

Op 1 oktober 2009 werd door beide ondervoorzitters van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren, professor dr. W. Michielsen en dokter M. Nollevaux, met volgende brief een voorstel tot hervorming van de Orde van geneesheren overgemaakt aan mevrouw L. Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

"Als ondervoorzitters van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren zijn wij zo vrij u een voorstel tot hervorming van de Orde der geneesheren over te maken.
De laatste jaren werden vanuit de politieke wereld verschillende voorstellen van hervorming van de Orde der geneesheren geformuleerd.
Ook bij vele artsen heerst de idee dat een aantal aanpassingen aan de Orde der geneesheren wenselijk zijn.
Einde 2007 werd een werkgroep opgericht bestaande uit een aantal leden van de Nationale Raad en uit een aantal voorzitters van de provinciale raden.
Dit resulteerde in een tekst "Voorstel tot hervorming van de Orde der geneesheren" die op 9 mei 2009 werd besproken door de leden van de Nationale Raad en de voorzitters van de provinciale raden.
Op deze vergadering bleek een consensus te bestaan tussen de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling, behalve betreffende artikel 6 van het voorstel, dat handelt over de faciliteitengemeenten.
In de tekst vindt u in artikel 6 een versie van de Nederlandstalige afdeling en een versie van de Franstalige afdeling.
Wij zijn van mening dat dit probleem dient opgelost te worden in het kader van de verdere politieke evolutie.
Wij blijven uiteraard ter uwer beschikking voor verder overleg.

Als bijlage vindt u de integrale tekst van het hervormingsvoorstel.


cc. de ministers van de federale regering, de minister-presidenten van de deelregeringen, de leden van de Senaat, de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de voorzitters van de politieke partijen.

Lijst van de Orde01/09/2007 Documentcode: a118003
Dienstverrichting door Europese artsen op Belgisch grondgebied

Naar aanleiding van een concreet, hem door een provinciale raad voorgelegd geval, heeft de Nationale Raad een bespreking gewijd aan het gezag van de provinciale raden en de raden van beroep over de Europese artsen die op Belgisch grondgebied een dienstverrichting uitvoeren in de zin van artikel 17 van richtlijn 93/16/EG van 5 april 1993.

De Nationale Raad richt volgende brief aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren verduidelijkt dat de provinciale raden gezag en rechtsmacht hebben over de geneesheren onderdanen van één van de lidstaten van de Europese Unie, andere dan België, en die een dienstverrichting uitoefenen in het ambtsgebied van die provinciale raad.

Artikel 44decies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen stelt de arts die dienstverrichtingen uitvoert in België en onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie vrij van inschrijving op de Lijst van de Orde van geneesheren. Deze vrijstelling sluit aan bij de Europese logica om het vrij verkeer van diensten binnen de Unie niet te belemmeren. Ze heeft geen betrekking op de vestiging.

Ditzelfde artikel 44decies maakt de uitoefening van handelingen van geneeskunde door de dienstverrichter echter afhankelijk van een voorafgaande verklaring ingediend bij de directie Geneeskundepraktijk aan de hand van een formulier waarvan het model door de minister wordt goedgekeurd. De directie Geneeskundepraktijk informeert de Orde hierover.

In bepaalde gevallen blijkt dat de verklaring gericht aan de directie Geneeskundepraktijk overeenkomstig artikel 44decies niet voorafgaat aan de effectieve uitoefening van de geneeskunde op het Belgische grondgebied. Dit is in strijd met de inhoud van deze bepaling en belet in de praktijk elke controle op de uitoefening van de geneeskunde door de dienstverrichter.

De aangifteprocedure dient zodanig te verlopen dat de Nationale Raad op voorhand ingelicht wordt over de dienstverrichting om, ten opzichte van de dienstverrichters, de uitoefening van de wettelijke opdrachten toevertrouwd aan de Orde van geneesheren door het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 mogelijk te maken.

Voorts verwijst de Nationale Raad u naar de bewoording van artikel 6 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Met het oog op de omzetting van deze richtlijn vóór 20 oktober eerstkomend zou de Nationale Raad graag met u een onderhoud hebben over de eventuele invoering van een systeem voor de tijdelijke inschrijving van artsen-onderdanen van de EU die een dienstverrichting wensen uit te voeren op het nationale grondgebied, los van de bij artikel 7 bepaalde voorafgaande verklaring.

Huisarts30/06/2007 Documentcode: a117011
Organisatie van de huisartsenwachtdienst - Bevoegdheden

Een provinciale raad stuurt de briefwisseling door van een huisartsenkring die verwikkeld is in een bevoegdheidsgeschil met de provinciale geneeskundige commissie betreffende zijn plan tot reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.
De provinciale geneeskundige commissie weigert dit plan goed te keuren en baseert zich hiervoor op de hem (volgens zijn interpretatie) door art. 9, §2, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen opgedragen taken : “De geneeskundige commissie bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten. Zij controleert de werking van deze wachtdiensten , met inbegrip van de bevoegdheid om de huishoudelijke reglementen bedoeld in §1 goed te keuren en geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.”.
De betrokken huisartsenkring meent nochtans dat zijn plan tot reorganisatie volledig strookt met het recente advies van Nationale Raad van 21 april 2007 betreffende de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116, juni 2007, p. 9) en met het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen en legde het plan ter goedkeuring voor aan zijn provinciale raad.
Daar er onduidelijkheid bestaat omtrent de exacte draagwijdte van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies in deze richtte de heer R. Demotte, minister van Volksgezondheid, op 20 april 2007 een omzendbrief aan de provinciale geneeskundige commissies omdat het hem nuttig leek “te verduidelijken hoe artikel 9 van het voormelde KB nr. 78 dient te worden geïnterpreteerd”.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 juni 2007 de problematiek van een bevoegdheidsconflict tussen de huisartsenkring FMGCB en de Provinciale Geneeskundige Commissie van Henegouwen, in het kader van de reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.

De huisartsenkringen hebben rechtspersoonlijkheid en duidelijke verantwoordelijkheden door het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. Ze zijn de wettelijke aanspreekpunten voor de lokale vertegenwoordiging van de huisartsen en ook voor de organisatie van de huisartsenwachtdienst, zoals bepaald in het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Dat betekent wettelijk dat de huisartsenkring bevoegd is voor de praktische organisatie van de huisartsenwachtdienst. De verantwoordelijkheid voor een eventuele opsplitsing daarvan in wachtdienstonderdelen behoort toe aan de organisator, die daarvoor alle betrokken huisartsen binnen zijn huisartsenzone vooraf zal raadplegen en de interne en collegiale besluitvorming zal respecteren. De werking van de huisartsenwachtdienst is immers gebaseerd op solidariteit en collegialiteit.

De modaliteiten worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (HRW), en dit wordt vooraf nagezien en goedgekeurd op deontologisch vlak door de Provinciale Raad, op het werkingsvlak door de Provinciale Geneeskundige Commissie.

De Nationale Raad wenst het gentlemen’s agreement (cf. de adviezen van de Nationale Raad van 19.06.1999 en 01.02.2003) verder te respecteren, met bijzondere aandacht voor de voorgestelde procedure van goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de wachtdienst door beide instanties.

De Nationale Raad is van oordeel dat – in het belang van het goed functioneren van de wachtdiensten – de onderscheiden bevoegdheden van en tussen alle betrokken partijen op een logische, complementaire en coherente wijze dienen te worden toegepast.

Indien zou blijken dat er onduidelijkheden zijn omtrent onderlinge bevoegdheden, dan is collegiaal overleg en dialoog de aangepaste weg om die problemen op te lossen. Aanvullend wetgevend werk is noodzakelijk om aan de bestaande onduidelijkheden, in het bijzonder in het art. 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, te verhelpen.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)03/02/2007 Documentcode: a115001
Standpunt van de Nationale Raad betreffende inmiddels door de Senaat aanvaarde voorstellen tot hervorming van de Orde van geneesheren

Op 24 januari 2007 keurde de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat de tekst goed van het wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen en van het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen.

Deze wetsvoorstellen werden op 1 februari 2007 door de Senaat goedgekeurd.

In zijn vergadering van 3 februari 2007 formuleerde de Nationale Raad, na onderzoek van beide wetsvoorstellen, volgende fundamentele opmerkingen.

De Nationale Raad waardeert dat bij het totstandkomen van deze wetsvoorstellen deels rekening werd gehouden met zijn op 15 januari 2005 geformuleerd standpunt (zie bijlage).

Positief zijn o.m. het niet weerhouden van de oprichting van de interprovinciale raden en een aantal aanpassingen die de procedure m.b.t. het tuchtrecht actualiseren en optimaliseren.

Daarentegen betreurt de Nationale Raad ten stelligste dat voor een aantal essentiële punten, hierna opgesomd, met zijn standpunt geen rekening werd gehouden, wat de werking van de Orde van geneesheren hypothekeert en zelfs de toepasbaarheid van de wet op de helling zet.

De Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen

De Nationale Raad vestigt nogmaals de aandacht op het standpunt betreffende de hervorming van de Orde der geneesheren dat hij op 15 januari 2005 formuleerde. Daarbij werd opgemerkt dat de werking van de Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen een paralyserend effect zal hebben op de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen. Zo staat o.m. de loodzware procedure voor het verlenen van adviezen door de Provinciale Raden die via de Nationale Raad en de Hoge Raad dient te verlopen (art. 12bis a, tweede alinea) in schril contrast met het huidige streven naar administratieve vereenvoudiging. Zelfs elk ontwerp van advies van de Nationale Raad dient nu, volgens het wetsvoorstel, aan de Hoge Raad te worden voorgelegd.

Binnen de Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen wordt wel voorzien in een Nederlandstalige en Franstalige afdeling maar de Nationale Raad onderstreept opnieuw dat de bevoegdheden van de afdelingen minimaal zijn. Bovendien meent de Nationale Raad dat de procedure zoals voorzien in art. 4, § 4, laatste alinea, dat stelt dat “In het geval een meerderheid van twee derden van de leden van de andere afdeling zich binnen een termijn van twee maanden na de mededeling ervan verzetten tegen het bedoelde ontwerp van advies, wordt dit voorgelegd aan de Hoge Raad, samengesteld uit de beide afdelingen, die in dat geval het advies uitbrengt” de goede functionering van beide afdelingen blokkeert.
Dat een afdeling een beslissing van de andere afdeling kan ontkrachten is onaanvaardbaar en niet verenigbaar met de principes van de federale staatsstructuur.

Wat de opdrachten van de Hoge Raad betreft wijst de Nationale Raad nogmaals op het feit dat het niet eenvoudig zal zijn een grens te trekken tussen de grondbeginselen van deontologie en de specifieke regelen voor elke categorie van beroepsbeoefenaars.

Tenslotte acht de Nationale Raad het aangewezen dat de verkiezingsprocedure (art. 4, § 6, derde alinea) zou worden bepaald in de wet en niet zou worden geregeld in een uitvoeringsbesluit.

De Orde van artsen

Het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen voorziet als organen de Nationale Raad en 10 provinciale raden (art. 3). De Raad van beroep wordt opgericht bij de Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen (art. 19, § 1, van de wet tot oprichting van een Hoge Raad voor deontologie).

a. De verkiezingen

Met betrekking tot de voorwaarden tot kandidaatstelling voor zowel de verkiesbare als de benoembare mandaten zou de Nationale Raad art. 25, tweede alinea, van het wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad als volgt herschrijven : “Alle artsen die wettelijk gerechtigd zijn om de geneeskunde permanent in België uit te oefenen en die ingeschreven zijn op de Lijst van de Orde van artsen kunnen zich kandidaat stellen.“.

Verder bevestigt de Nationale Raad zijn advies van 15 januari 2005 dat hij niet opteert voor een leeftijdsgrens voor de verkiesbaarheid van de leden van de Orde van artsen. Het is aan de kiezer om zelf te oordelen of een kandidaat te oud of te jong is.

Het behoud van de organisatie van de verkiezingen voor artsen per gerechtelijk arrondissement is essentieel omdat dit een evenwichtige vertegenwoordiging garandeert van de artsen van de provincie in de ordinale instanties.

Wat de rechtstreekse verkiezingen van de leden van de Raad van beroep en van de Nationale Raad betreft wijst de Nationale Raad nogmaals op het gevaar dat er dan eerder op basis van grote naambekendheid wordt gekozen. Het huidige systeem waarbij de Provinciale Raden de leden van genoemde raden kiezen staat meer garant voor competentie en ervaring en dient dan ook behouden te blijven.

b. De Provinciale Raden

Art. 6 van het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen bepaalt dat de Provinciale Raden slechts zeven verkozen artsen tellen. De Nationale Raad is er van overtuigd dat die regeling nadelig en zelfs niet werkbaar is vooral wat de behandeling van disciplinaire zaken betreft.

Bovendien houdt het wetsvoorstel bij deze te krappe samenstelling van de Provinciale Raden te weinig rekening met de onderlinge verschillen in werkvolume van de Provinciale Raden.
De Nationale Raad meent dat ten behoeve van een goede rechtsbedeling een groter aantal verkozen artsen in de Provinciale Raden noodzakelijk is.

c. De Nationale Raad

Met tevredenheid stelt de Nationale Raad vast dat naar luid van het wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie de beide afdelingen afzonderlijk kunnen blijven vergaderen (art. 17, § 1, tweede alinea) en dat de voorzitter van de Orde van artsen en zijn plaatsvervanger artsen dienen te zijn (art. 17, § 3). Wat de afdelingen betreft is het echter onbegrijpelijk dat hun specifieke bevoegdheden niet bepaald worden.

Onvoorstelbaar lijkt hem echter de samenstelling van de Nationale Raad zoals die wordt bepaald in art. 10, § 1, van het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen. De Nationale Raad is ervan overtuigd dat iedere medische faculteit door een arts met stemrecht dient vertegenwoordigd te zijn in de Nationale Raad met dien verstande dat er een evenwicht dient te zijn tussen benoemde leden met stemrecht en verkozen leden met stemrecht.

Op basis van de analyse van beide wetsvoorstellen waarvan de bepalingen werden getoetst aan de actuele medische realiteit en aan de jarenlange ervaring van de Orde van geneesheren o.m. betreffende de tuchtrechtsbedeling en het verlenen van deontologische adviezen, kwam de Nationale Raad tot dit overzicht van zijn meest fundamentele opmerkingen en bedenkingen bij deze wetsvoorstellen. Wanneer hiermee bij de verdere behandeling van de wetsvoorstellen rekening wordt gehouden zal dit ongetwijfeld bijdragen tot de werking van een Orde van artsen die beter aangepast is aan onze huidige staatsstructuur met nog meer garantie voor kwaliteit van de zorg en de rechten van de patiënt.

De Nationale Raad blijft steeds bereid tot verdere toelichting en dialoog.

Bijlage : advies van 15 januari 2005, TNR nr 107, maart 2005, p. 5.

Lijst van de Orde20/01/2007 Documentcode: a115002
Standpunt van de Nederlandstalige Afdeling van de Nationale Raad betreffende voorstellen die de Orde van geneesheren aanbelangen

Op 20 januari 2007 nam de Nederlandstalige Afdeling van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren kennis van het door de Commissie voor Sociale Aangelegenheden van de Senaat aanvaarde wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen, alsook van het aanvaarde wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen.

De Nederlandstalige Afdeling is verbaasd en kan niet aanvaarden dat artsen die hun voornaamste beroepsactiviteit uitoefenen in een Vlaams-Brabantse gemeente met taalfaciliteiten, zich kunnen inschrijven op de lijst van de Provinciale Raad van Brussel en Waals-Brabant.

In het belang van een kwaliteitsvolle en continue dienstverlening aan de patiënt meent de Nederlandstalige Afdeling dat alle artsen die in éénzelfde provincie hun voornaamste beroepsactiviteit uitoefenen, gebonden moeten zijn aan dezelfde territoriale regels en plichten.

Derhalve is de Nederlandstalige Afdeling unaniem van oordeel dat imperatief in de tweede alinea van het artikel 9 van het aanvaarde wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen, de woorden “Onverminderd andersluidende bepalingen in een wettelijke regeling die de Orde van een specifieke categorie bedoeld in artikel 3, § 1, betreft” dienen te worden weggelaten.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)26/11/2005 Documentcode: a111002
Standpunt van de Nationale Raad betreffende voorstellen tot hervorming van de Orde der geneesheren

Op 15 januari 2005 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren zijn standpunt kenbaar gemaakt omtrent de wetsvoorstellen betreffende een hervorming van de Orde der geneesheren, die op dat ogenblik in de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat besproken werden (cf. bijlage). Bij het bepalen van dit standpunt, dat zich beperkte tot de krachtlijnen van de voorstellen, baseerde de Nationale Raad zich in eerste instantie op de Discussietekst “Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad van Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen”. Nu de Discussietekst belangrijke wijzigingen onderging, besprak de Nationale Raad in zijn vergaderingen van 22 oktober en 26 november 2005 de versie 6 oktober 2005 van deze tekst en het daarop gebaseerde wetsvoorstel ingediend door A. Van de Casteele, P. Vankrunkelsven en cs.. De Nationale Raad stelt vast dat met een aantal van zijn op 15 januari gemaakte opmerkingen rekening gehouden werd. Aansluitend hierop acht de Nationale Raad het noodzakelijk op de belangrijkste punten uit dit schrijven welke niet weerhouden werden terug te komen en er enkele punten aan toe te voegen.

I. HOGE RAAD VOOR DEONTOLOGIE VAN DE GEZONDHEIDSZORGBEROEPEN

Zonder zelf overtuigd te zijn van het nut van een Hoge Raad voor de Gezondheidszorgberoepen begrijpt de Nationale Raad dat bepaalde categorieën van beroepsbeoefenaars momenteel niet voor een Orde opteren maar wel een orgaan wensen dat voor hen de regels van deontologie vaststelt en de mogelijkheid biedt tuchtrechtelijke maatregelen te nemen bij het niet naleven van die regels. De toevoeging van het punt 3 aan de opdrachten van de Hoge Raad verklaart deze keuze en komt tevens tegemoet aan één van de door de Nationale Raad gemaakte opmerkingen.

De in artikel 3, §4, ingevoegde alinea over de deontologische Code is volgens de Nationale Raad onjuist en onvolledig. Er bestaat nu eenmaal een kwalitatief hoogstaande zorg waar de gemeenschap onvoldoende of geen middelen voor ter beschikking stelt terwijl een sociaal aanvaardbare beroepsuitoefening een erg vaag criterium is. De Nationale Raad stelt als tekst voor: “De deontologische Code strekt er onder meer toe bij te dragen tot een kwalitatief hoogstaande zorg die primordiaal het belang van de patiënt en de gemeenschap beoogt en op een wijze wordt verstrekt die zowel voor de maatschappij als voor de leden van de categorie waartoe de beroepsbeoefenaar behoort, aanvaardbaar is”.

Betreffende de onverenigbaarheden van de leden van de Hoge Raad en de leden van de provinciale, territoriale of gelijkgestelde raden van de Orden, de raden van beroep en de afdelingen van de Nationale Raden van de Orden wijst de Nationale Raad erop dat het uitsluiten van de leden van een orgaan of de directie van een verzorgingsinstelling, tot gevolg heeft dat geen enkele hoofdgeneesheer en geen enkel lid van een medische raad, een orgaan van het ziekenhuis, voor een mandaat in aanmerking komt. De Nationale Raad meent dat dit niet kan aanvaard worden.
Overigens vraagt de Nationale Raad zich af of men onder orgaan van een vereniging tot verdediging van de beroepsbelangen de wettelijk vereiste organen van een rechtspersoon bedoelt ? De Nationale Raad denkt dat een dergelijke bepaling zijn doel niet treft.

II. DE ORDEN VAN DE GEZONDHEIDSZORGBEROEPEN

De Memorie van Toelichting vermeldt als commentaar bij artikel 29 “Het spreekt vanzelf dat ten aanzien van de artsen en apothekers, de nieuwe wet slechts in werking kan treden op de data waarop de koninklijk besluiten nr. 79 en 80 van 10 november 1967 zullen worden aangepast aan de bepalingen uit dit wetsvoorstel of vervangen door een nieuwe wettelijke regeling”.

Ongeacht de te maken keuze is de Nationale Raad van mening dat essentiële beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van Gezondheidszorgberoepen dezelfde dienen te zijn voor alle orden en thuishoren in een algemene wet en niet in een afzonderlijke wettelijke regeling per categorie van beoefenaars.

Achtereenvolgens worden in dit schrijven behandeld: de verkiezingen van de leden van de raden, de samenstelling van de provinciale of gelijkgestelde raden, de tuchtrechtelijke procedure, de inning van de bijdragen, het reglement van inwendige orde, de Nationale Raden en de sancties.

DE VERKIEZINGEN

In zijn schrijven van 15 januari 2005 wees de Nationale Raad reeds op de risico’s verbonden aan de rechtstreekse verkiezing van de leden van de raden van beroep en de Nationale Raden door alle beroepsbeoefenaars van een categorie. Er is immers een grote kans dat in dat geval voor deze mandaten overwegend beroepsbeoefenaars zullen verkozen worden die in de medische pers voortdurend de frontpagina halen. Hun naambekendheid gaat niet noodzakelijk samen met kennis van en interesse voor de deontologie. De Nationale Raad stelt voor de leden van de raden van beroep en de Nationale Raden te laten verkiezen door de rechtstreeks verkozen leden van de provinciale raden, territoriale raden of gelijkgestelde raden. Deze wijze van verkiezing biedt meer garanties omtrent kennis van en interesse voor deontologie dan rechtstreekse verkiezingen door alle beoefenaars van een categorie. Overigens kan van getrapte verkiezingen niet worden gezegd dat zij niet democratisch zijn.

De Nationale Raad is al jarenlang van mening dat het niet democratisch is bij verkiezingen leeftijdsgrenzen te voorzien. De kiezer is voldoende wijs om te weten of een kandidaat te jong of te oud is. De Nationale Raad is van mening dat in de algemene wet dient opgenomen te worden dat alleen beroepsbeoefenaars die een schorsing opliepen in het recht het beroep uit te oefenen en niet in ere hersteld zijn geen kandidaat kunnen zijn bij verkiezingen. De Nationale Raad is van oordeel dat dit democratisch principe geldt voor alle categorieën van beroepsbeoefenaars en dan ook op zijn plaats is in een algemene wet.
Overigens kan het weerhouden van een maximumleeftijd voor te benoemen leden evenmin. Een dergelijke regel zou dan ook voor alle instanties bevoegd voor ethiek en wetenschappen moeten ingevoerd worden. De nefaste gevolgen van een dergelijke maatregel voor al deze organen kan iedereen die met hun werking vertrouwd is, voorspellen.

Het is aangewezen in de algemene wet expliciet te vermelden dat alle beoefenaars die hun beroep rechtsgeldig in België uitoefenen en de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben zowel voor te verkiezen als voor te benoemen mandaten in aanmerking komen.

Tevens kan men zich afvragen of het democratisch is in een wet te bepalen dat ten hoogste tweederde van de kandidaten van hetzelfde geslacht kan zijn. Bij de verkiezingen voor de provinciale raden wordt niet via lijsten maar rechtstreeks op de individuele kandidaten gestemd. Moeten bepaalde kandidaten geweigerd worden ? Om de beoogde doelstelling in de hand te werken zou men bij gelijkheid van stemmen en bij het vragen tot kandideren bij een tekort aan kandidaten, niet langer de voorkeur kunnen geven aan het leeftijdscriterium maar aan het geslacht met een minderheid aan kandidaten.

DE SAMENSTELLING VAN DE PROVINCIALE RADEN EN GELIJKGESTELDE ORGANEN

Daar de interprovinciale raden in de onderzochte versie niet weerhouden worden neemt het belang van de provinciale raden toe. In het onderzochte wetsvoorstel bestaat het onderzoekscollege slechts uit twee leden waarvan ten minste één beroepsbeoefenaar van de betrokken categorie. De Nationale Raad is van mening dat het onderzoekscollege dient te bestaan uit twee verkozen leden en een magistraat of advocaat. De voorzitter van het onderzoekscollege dient volgens de Nationale Raad een beroepsbeoefenaar van de betrokken categorie te zijn. Een magistraat of advocaat zal meestal niet over de nodige technische kennis beschikken om een disciplinair onderzoek te leiden.
Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een bemiddelingsfunctie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van het onderzoekscollege en van de disciplinaire raad in dezelfde zaak.
In zijn schrijven van 15 januari 2005 stelde de Nationale Raad dat tuchtcolleges bij het nemen van een beslissing een voldoende aantal leden dienen te hebben. Gezien het belang van de te nemen beslissing is de Nationale Raad van mening dat zes beroepsbeoefenaars het strikte minimum is en dat acht leden meer garanties biedt. Indien aan dit getal de twee beroepsbeoefenaars van het onderzoekscollege en de bemiddelaar toegevoegd worden komt men op elf leden-beroepsbeoefenaars. Bij deze optelsom wordt geen rekening gehouden noch met afwezigheden van leden noch met de terugtrekking of de wraking van leden. Momenteel bestaan de provinciale raden uit minstens twaalf leden en wordt courant een beroep gedaan op plaatsvervangende leden om het vereiste aanwezigheidsquorum te halen.
De Nationale Raad meent dat het aangewezen is de vage bepaling van artikel 13, §1, a, waarin gesproken wordt over een meerderheid rechtstreeks verkozen beroepsbeoefenaars te vervangen door “minstens 12 rechtstreeks verkozen beroepsbeoefenaars van de betrokken categorie zoals bedoeld in artikel 4, §1, 2° tot 8°”.
De Nationale Raad is van mening dat een dergelijke samenstelling van de tuchtcolleges ook een garantie is voor de deskundigheid en objectiviteit van alle tuchtcolleges voor gezondheidszorgbeoefenaars en dan ook in de algemene wet dient opgenomen te worden.

DE TUCHTRECHTELIJKE PROCEDURE

De Nationale Raad vindt het goed dat het wetsvoorstel voorziet in de vervanging van de juristen door twee magistraten of advocaten voor de behandeling van disciplinaire zaken door de provinciale en daarmee gelijkgestelde raden.
Als hoger reeds gezegd is de Nationale Raad van mening dat één van beide lid hoort te zijn van het onderzoekscollege. De tweede dient bij de behandeling ten gronde aanwezig te zijn.
Op deze wijze komt men tegemoet aan de opvatting van de Nederlandstalige Raad van Beroep die van mening is dat de aanwezigheid van éénzelfde magistraat gedurende het onderzoek en de behandeling ten gronde strijdig is met het artikel 6, 1°, van het EVRM dat voor eenieder het recht op een onafhankelijk en onpartijdig proces waarborgt.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat het gezamenlijk optreden van de magistraten of advocaten bij het instellen van hoger beroep zoals bepaald in artikel 19, §1, van het wetsvoorstel in de praktijk moeilijkheden kan geven. De Nationale Raad is van mening dat het toekennen van het recht van hoger beroep aan de advocaat of magistraat, die bij de behandeling ten gronde aanwezig is, eenvoudiger is. Deze magistraat of advocaat is beter geplaatst dan zijn collega van het onderzoekscollege daar hij kennis heeft van de overwegingen van de leden van de tuchtraad bij het nemen van de beslissing.

INNING VAN DE BIJDRAGEN

Niettegenstaande de in zijn schrijven van 15 januari 2005 ontwikkelde argumenten om het huidig systeem van de bepaling van de grootte van de bijdragen en de inning ervan te behouden stelt de Nationale Raad vast dat het wetsvoorstel de vaststelling van het bedrag van de jaarlijkse bijdrage als een opdracht van de Nationale Raad blijft zien.
Ontgoocheld is de Nationale Raad over het niet opnemen in de tekst van zijn voorstel omtrent de inning van de bijdrage bij niet-betaling. In dit verband dient te worden gezegd dat van een aantal jonge artsen geen (zoals bij ontwikkelingssamenwerking) of een verminderde bijdrage (eerste jaren van praktijk) gevraagd wordt zoals dit voor alle artsen omwille van ziekte, leeftijd of sociale omstandigheden gebeurt.
Zoals in zijn schrijven van 15 januari 2005 toegelicht verloopt de inning van de bijdrage bij niet –betalen via de vredegerechten. Een veroordeling door de vrederechter volstaat niet altijd daar sommige artsen zich door de rechtspersoon waarvoor zij werken een zo laag inkomen laten uitbetalen dat zij in de praktijk insolvabel zijn. Het stoort zeer veel artsen dat collega’s die een bloeiende praktijk hebben door een juridische constructie aan het betalen van een bijdrage ontkomen. Deze onrechtvaardigheid is te verhelpen door in de tekst de laatste zin van artikel 10 als volgt te wijzigen: Deze bijdrage wordt vastgesteld door de Nationale Raad en is door deze personen of door de rechtsperso(o)n(en) waarvoor zij werken verschuldigd.

Het kan verwondering wekken dat de Nationale Raad sterk aandringt op deze wijziging daar het slechts om enkele tientallen artsen gaat. Het ergert veel artsen en alle provinciale raden dat sommige leden al meer dan dertig jaar geen bijdrage betalen. Herhaaldelijk krijgt de Nationale Raad, die namens de Orde in rechte optreedt, te horen laks te zijn door de vonnissen van de vrederechters niet of slechts ten dele uit te voeren. Nu een nieuwe wet in voorbereiding is meent de Nationale Raad dat van deze gelegenheid moet gebruik gemaakt worden om deze sociale onrechtvaardigheid voor goed uit de wereld te helpen.

HET REGLEMENT VAN INWENDIGE ORDE

De Nationale Raad begrijpt niet dat de reglementen van inwendige orde van de provinciale raden nadat zij door de Nationale Raad goedgekeurd zijn ook nog voor bekrachtiging dienen voorgelegd te worden aan de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort.

Volgens het wetsvoorstel zijn alle provinciale raden samengesteld uit onder meer twee juristen en maakt van elke afdeling van de Nationale Raden een hoge magistraat deel uit zodat het weinig waarschijnlijk is dat in de reglementen bepalingen weerhouden worden die strijdig zouden zijn met door wet of uitvoeringsbesluit bepaalde regels. Deze laatste bepalen de krijtlijnen voor de organisatie van de werking van de provinciale raden zodat de Nationale Raad zich afvraagt waarom de beperkte keuze uit de resterende krappe mogelijkheden nog door de minister dient bekrachtigd te worden.

DE NATIONALE RAAD

De Nationale Raad stelt vast dat het wetsvoorstel evenmin als de oorspronkelijke tekst bepaalt dat het voorzitterschap van de afdeling aan een beroepsbeoefenaar van de categorie toekomt. De Nationale Raad blijft van mening dat een dergelijke bepaling in een algemene wet thuishoort en niet kan overgelaten worden aan de Koning noch aan een specifieke wetgeving voor een bepaalde categorie. De Nationale Raad is ervan overtuigd dat andere categorieën van beroepsbeoefenaars die een Orde wensen dit standpunt bijtreden. In dit verband verwijst de Nationale Raad naar de in zijn schrijven van 15 januari 2005 ontwikkelde argumenten.
Wat de samenstelling van de afdelingen van de Nationale Raad betreft wenst de Nationale Raad erop te wijzen dat elke afdeling hetzelfde aantal leden dient te hebben, wat niet is voorzien.
Overigens meent de Nationale Raad dat wat de samenstelling van de afdelingen betreft het noodzakelijk is dat alle universiteiten die een wettelijk diploma voor de uitoefening van het beroep van de categorie uitreiken door minstens een lid van de beroepsgroep in de afdeling dienen vertegenwoordigd te zijn. Dit kan tot gevolg hebben dat het aantal verkozen vertegenwoordigers van de betrokken categorie kleiner is dan het aantal benoemde wat in strijd is met artikel 17, §2, van het wetsvoorstel. Dit is oplosbaar door te voorzien dat de verkozen beoefenaars leden kunnen coöpteren.
Overigens meent de Nationale Raad dat aan artikel 16, 4° dient toegevoegd te worden dat bij inschrijving van een buitenlandse arts de Nationale Raad bij de betrokken overheid van het land van oorsprong of herkomst van de kandidaat dezelfde inlichtingen inwint als die welke gevraagd worden van een Belgische kandidaat. De Nationale Raad heeft, meer dan de provinciale raden, internationale contacten om die opdracht te vervullen.
Artikel 24, §1, bepaalt dat de in laatste aanleg genomen beslissingen door onder meer de voorzitter van de Raad van Beroep voor het Hof van Cassatie kunnen worden gebracht. De Nationale Raad meent dat een voorzitter van de Raad van Beroep niet tegen een beslissing van de Raad die hij voorzit ter vernietiging naar het Hof van Cassatie kan gaan. De Nationale Raad meent dat in deze paragraaf de voorzitter van de Raad van Beroep dient vervangen te worden door de voorzitter van de Hoge Raad en door de voorzitters van de afdelingen van de Nationale Raad.

SANCTIES

In zijn schrijven van 15 januari wees de Nationale Raad er op dat het aangewezen is in een verjaringstermijn voor de tuchtvordering te voorzien. De Nationale Raad is van mening dat deze termijn zeker niet te kort mag zijn. Hij stelt een termijn van vijf jaar voor (met mogelijke schorsing en stuiting zoals bij strafvordering). Wat seksuele misdrijven betreft acht de Nationale Raad een verjaringstermijn van tien jaar ingaande vanaf de meerderjarigheid van het slachtoffer noodzakelijk.
Daarnaast vroeg de Nationale Raad bij opschorting van strafoplegging en uitstel van strafuitvoering in de mogelijkheid van probatievoorwaarden te voorzien.

TOT SLOT

Bij het bepalen van dit standpunt heeft de Nationale Raad maximaal rekening gehouden met de weerslag van zijn bemerkingen op alle tuchtcolleges binnen de gezondheidszorg. De Nationale Raad is ervan overtuigd dat alle categorieën van beroepsbeoefenaars enkel gebaat kunnen zijn met wijzigingen die op een jarenlange ervaring met tuchtrecht berusten.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)15/01/2005 Documentcode: a107004
Standpunt van de Nationale Raad betreffende voorstellen tot hervorming van de Orde der geneesheren

In zijn vergaderingen van 16 oktober, 11 en 18 december 2004 en 15 januari 2005 onderzocht de Nationale Raad de wetsvoorstellen betreffende een hervorming van de Orde der geneesheren, die momenteel in de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat besproken worden. In het raam van deze werkzaamheden overlegde de Nationale Raad op 20 november 2004 met de bureaus van de provinciale raden. Bij het bepalen van dit standpunt, dat zich beperkt tot de krachtlijnen van de voorstellen, baseert de Nationale Raad zich in eerste instantie op de Discussietekst Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen (versie gekoppeld aan de persconferentie van minister Demotte van 23 september 2004).

Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen

Sinds 1980, jaar waarin volksvertegenwoordiger Lode Hancké het eerste wetsvoorstel indiende dat in een koepelstructuur voor de gezondheidszorgberoepen voorzag, is in de gezondheidszorg veel veranderd.

De voorbije 25 jaar is in het vlak van de gezondheidszorg zoveel wetgevend werk verricht dat het enigszins verbaast vast te stellen dat er nog een reële behoefte zou zijn aan een orgaan dat de grondbeginselen voor deontologie dient vast te stellen die gemeenschappelijk zijn voor het geheel van de beroepsbeoefenaars of meerdere categorieën ervan. Omtrent een aantal ethische problemen als euthanasie, palliatieve zorg, onderzoek op embryo’s en experimenten op de menselijke persoon werden bij wet de grondbeginselen vastgesteld. Daarnaast kennen alle zorgbeoefenaars die in de Hoge Raad vertegenwoordigd zullen zijn sinds 22 augustus 2002 de Patiëntenrechtenwet die op ieder van hen van toepassing is. Onder de vorm van rechten van de patiënt herneemt deze wet alle essentiële regels van de deontologie. Dat deze wet bepaalde grondbeginselen van de deontologie die bindend zijn voor alle beroepsbeoefenaars veronachtzaamde is tot heden niet aangetoond. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren vraagt zich dan ook af of een Hoge Raad voor Deontologie in 2004 nog enig nut of meerwaarde heeft.

Multidisciplinariteit is dagdagelijkse realiteit geworden en de samenwerking evolueerde in de loop der jaren van een hiërarchisch naar een overlegmodel met de zorg voor en het belang van de patiënt als gemeenschappelijke opdracht. De hieruit voortvloeiende deontologische regels voor alle disciplines gaan dan ook, rekening houdend met ieders professionele eigenheid en verantwoordelijkheid, hand in hand. Opvallend in de voorgestelde samenstelling van de Hoge Raad is dat enkel aan de vertegenwoordiging werd gedacht van de beroepen die in het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen opgenomen zijn alsof dit de enige zijn die een taak hebben in de gezondheidszorg. Multidisciplinariteit is een van de sleutelwoorden in de Patiëntenrechtenwet die de behandelende arts in complexe situaties tot multidisciplinair overleg verplicht alvorens een beslissing te nemen. Dit strookt met de sinds jaren door de Orde voorgestane gedragsregels.

Multidisciplinariteit beperkt zich niet tot concrete samenwerking rond de patiënt. In talloze organen overleggen artsen reeds met andere beroepsbeoefenaars : de provinciale geneeskundige commissies, commissies binnen het Riziv, de Nationale Raad voor Kinesitherapie, de Nationale Raad voor Verpleegkunde, de Nationale Raad voor Paramedische Beroepen, de Hoge Raad voor gezondheidszorgbeoefenaars, de Federale Commissie Rechten van de patiënt, het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek enz. Bovendien stelt zich de vraag of er nog voldoende in deontologie onderlegde beroepsbeoefenaars beschikbaar en bereid zijn zich in te zetten voor een dergelijke Hoge Raad.

Wat de opdrachten van de Hoge Raad betreft merkt de Nationale Raad op dat het niet eenvoudig zal zijn een grens te trekken tussen grondbeginselen en specifieke regelen voor elke categorie van beroepsbeoefenaars. De bepaling dat een beginsel als grondbeginsel zal worden beschouwd als het van toepassing is voor meerdere categorieën als bv. artsen en tandartsen zal deze afbakening extra bemoeilijken. Voor beroepsbeoefenaars die niet voor een Orde opteren (artikel 21, vierde lid) zullen de grondbeginselen de enige normen zijn voor de beoordeling van hun gedrag door de Raad van Eerste Aanleg. Dit kan tot gevolg hebben dat de leden van de Hoge Raad die geen Orde hebben een ander concept van grondbeginselen zullen voorstaan dan de leden van de Hoge Raad die wel een Orde hebben. Het ontbreken van een definitie van deontologie in de Discussietekst kan eveneens tot uiteenlopende omschrijvingen leiden. De Nationale Raad acht het niet uitgesloten dat binnen de Hoge Raad oeverloze discussies ontstaan die een paralyserend effect kunnen hebben op de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen.

De Orden van de gezondheidszorgberoepen

Uit de bespreking met de bureaus van de provinciale raden blijkt dat voor hen de belangrijkste punten uit de Discussietekst zijn : de verkiezingen van de leden van de provinciale raden, de samenstelling van de raden, de wijziging van de tuchtrechtelijke bevoegdheid en procedure, de mededeling van de beslissing aan de klager, de wijze van inning van de bijdragen en het opstellen van de reglementen van inwendige orde.

De verkiezingen

De Nationale Raad begrijpt dat het niet mogelijk is in de Discussietekst één enkele procedure vast te stellen die geldt voor de verkiezingen voor alle categorieën van beoefenaars gezien het zeer uiteenlopend aantal beoefenaars in de betrokken gezondheidszorgberoepen.

In het KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren hebben de artikels 7, 8 en 9 betrekking op de verkiezingen. De Nationale Raad is van oordeel dat het essentieel is te behouden dat de verkiezingen voor artsen per arrondissement georganiseerd worden zoals bepaald in artikel 7 daar dit een goede spreiding van de leden over de provincie garandeert. Ook artikel 9 kan behouden blijven. Dit stelt dat de stemming verplicht en geheim is en voorziet in een gewogen stemrecht wat billijk is. Artikel 8 dat de voorwaarden bepaalt waaraan een kandidaat moet voldoen is aan herziening toe. De Nationale Raad is van mening dat alle ingeschrevenen op de Lijst en die in regel zijn met de bijdrage zich kandidaat kunnen stellen met als enige uitzondering het lid dat een schorsing opliep, voor zover hij althans geen eerherstel kreeg. Het is niet aanvaardbaar dat kandidaten die een binding hebben met een orgaan van een beroepsvereniging, een ziekenfonds of landsbond van ziekenfondsen, of een beheersorgaan of de directie van een verzorgingsinstelling, worden uitgesloten. Als reeds in zijn advies van 28 februari 1998 gesteld is de Nationale Raad van mening dat het aan de wijsheid van de kiezer dient overgelaten te worden te oordelen of een kandidaat te jong of te oud is.
Wanneer in de Discussietekst mocht opgenomen worden dat er bij het kandideren geen leeftijdsgrenzen bestaan en enkel de beroepsbeoefenaar die een schorsing opliep en niet in eer hersteld is, geen kandidaat kan zijn dient dit niet meer in een aparte wet te worden gezegd.

Wat de verkiezing van de leden van de organen van de Orde, andere dan deze van de provinciale raden, betreft kan de Nationale Raad niet accepteren dat dit zou gebeuren bij rechtstreekse verkiezingen door alle artsen van de provincie. In de praktijk zal dit er vermoedelijk op neerkomen dat slechts één effectief en één plaatsvervangend lid per te begeven mandaat voor de hele provincie zal te verkiezen zijn. Enkel beroepsbeoefenaars met een grote naambekendheid maken bij dergelijke verkiezingen een kans en naambekendheid gaat niet noodzakelijk samen met kennis en interesse voor deontologie. Het huidige systeem waarbij provinciale raden deze leden verkiezen biedt een garantie van competentie en dient dan ook behouden te blijven.

De samenstelling van de provinciale raden

Wat de verkozen leden betreft meent de Nationale Raad dat als hoger reeds gemotiveerd best het huidige stelsel behouden blijft. Men kan opwerpen dat dit voor sommige provincies tot een groot aantal leden leidt maar dat geeft de beklaagde meer garanties op een objectieve beoordeling dan een te klein aantal leden. Zo wordt in het voorstel Vankrunkelsven een provinciale raad van zes verkozenen voorgesteld, wat manifest te weinig is om zowel te bemiddelen, te onderzoeken en te oordelen.

In de Discussietekst worden als benoemde leden “ten minste twee juristen met ervaring en deskundigheid in het gezondheidsrecht en contractenrecht” voorzien (art. 13, eerste alinea, b). De Nationale Raad weet dat provinciale raden met een grote workload óf de plaatsvervangende magistraat óf een jurist niet-magistraat inschakelen voor specifieke opdrachten. Een verdubbeling van het huidig aantal magistraten zal dan ook nodig zijn. De Nationale Raad ziet in dat het niet haalbaar is veertig magistraten in te schakelen voor de werking van de provinciale raden en dat dan ook een beroep moet worden gedaan op juristen niet-magistraten.

De Nationale Raad meent dat deze juristen op de eerste plaats kennis van en ervaring in tuchtrecht dienen te hebben. Daarom stelt de Nationale Raad voor bij wet te voorzien dat de juristen voor benoeming voorgedragen worden door de Orde van Vlaamse Balies en l’Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone. Dit sluit niet uit dat magistraten of magistraten op rust met ervaring in tuchtrecht via deze instanties voor benoeming kunnen voorgedragen worden.

De tuchtrechtelijke bevoegdheid en procedure

Gezien het belang van de te nemen beslissingen werd door de bureaus van de provinciale raden benadrukt dat de tuchtcolleges een hoog aantal leden dienen te hebben. Een voldoende aantal leden bevordert de deskundigheid en objectiviteit. Vier artsen volstaan in geen geval; minstens zes à acht leden zijn noodzakelijk. Dit getal is lager dan momenteel in de provinciale raden het geval is.

De Nationale Raad stelt met tevredenheid vast dat in de Discussietekst opschorting van strafoplegging, uitstel van strafuitvoering, uitwissing van kleine tuchtsancties, eerherstel en de mogelijkheid tot herinschrijving zijn voorzien. Het is ook aangewezen te voorzien in een verjaringstermijn voor de tuchtvordering en in probatievoorwaarden voor de opschorting van strafoplegging en het uitstel van strafuitvoering.

In verband met de beoordeling van een klacht vond men een schriftelijk verslag van de onderzoekscommissie onvoldoende; de verslaggever van het onderzoek zou zijn verslag in het bijzijn van de beklaagde moeten toelichten zodat alle daartoe bevoegden de kans krijgen bijkomende vragen te stellen of opmerkingen te maken.

De belangrijkste topic bij de bespreking met de bureaus van de provinciale raden was de in de wetsvoorstellen voorziene oprichting van een Interprovinciale raad. In de Discussietekst spreekt de Interprovinciale raad als college van eerste aanleg alle tuchtsancties uit terwijl in het voorstel Vankrunkelsven de provinciale raden de kleine sancties uitspreken en alle zaken waarin zij het nodig achten een schorsing of schrapping op te leggen naar de Interprovinciale raad worden verwezen. Deze laatste formule had bij de bespreking in de Nationale Raad geen enkele voorstander.

De belangrijkste bezwaren tegen de oprichting van een Interprovinciale raad zijn van praktische aard. Men vond dit voorstel irrealistisch en niet uitvoerbaar.

Een werkgroep binnen de Nationale Raad heeft deze vraag nader onderzocht. De Interprovinciale raad dient niet alleen de zaken te behandelen waarbij de beklaagde moet verschijnen maar dient daarnaast ook alle dossiers te beoordelen die volgens het advies van de provinciale raden kunnen geklasseerd worden. Dit is geen geringe workload. Op één zitting kunnen maximum twee zaken waarbij de geneesheer dient te verschijnen worden behandeld (zware zaken met verslag van het onderzoek en bespreking gevolgd door de eventuele pleidooien van advocaten vragen vlug twee uur of meer en lichtere zaken gemiddeld een uur). Daarnaast dient nog de nodige tijd te worden uitgetrokken voor de evaluatie van de dossiers met het advies zonder gevolg. Indien men aanneemt dat de Interprovinciale raad eenmaal per week vergadert haalt men op jaarbasis veertig zittingen zijnde een tachtigtal zaken per jaar. Voortgaande op de in de voorbije jaren door de provinciale raden behandelde zaken zou men, in geval van oprichting van de voorgestelde Interprovinciale raden, voor de Nederlandstalige provinciale raden twee kamers en voor de Franstalige ook twee kamers nodig hebben, met voor elke kamer een te benoemen magistraat en plaatsvervangend magistraat.

Voor de artsen betekent dit dat elke provinciale raad moet zorgen voor vier effectieve en vier plaatsvervangende leden. Elk effectief lid moet garanderen dat hij of zijn plaatsvervanger veertig maal in het jaar op afgesproken uur en tijd in Brussel zal zijn voor een vergadering van gemiddeld vier uur. Gezien de af te leggen afstand en de uren van aanwezigheid betekent dit voor sommigen dat zij hun werk dienen te onderbreken om 15 uur, met een negatief effect op de praktijkvoering. Hieruit volgt dat alleen de artsen die in een groepspraktijk werken (25% van de huisartsen), ziekenhuisspecialisten die in associatief verband werken en artsen die nog nauwelijks praktijk hebben in aanmerking komen voor een mandaat bij de Interprovinciale raad. Men krijgt op deze wijze een raad met een niet-representatieve samenstelling. Dit kan de bedoeling niet zijn.

De Nationale Raad treedt dan ook de conclusies van de werkgroep bij en is van oordeel dat Interprovinciale raden zoals voorgesteld in de Discussietekst niet haalbaar zijn.

De Nationale Raad denkt nochtans dat het mogelijk is de doelstellingen van de Interprovinciale Raad te realiseren door binnen elke provinciale raad een van die raad zelfstandig orgaan op te richten met de in art. 17 van de Discussietekst voorziene taken en een samenstelling die enerzijds de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid en een strikte scheiding van onderzoek en beslissing garandeert en anderzijds een uniformiteit in de tuchtrechtspraak bewerkstelligt.

De onafhankelijkheid van dit orgaan kan gewaarborgd worden door een magistraat als voorzitter te benoemen. Als reeds gezegd dient dit door de magistraat voorgezeten college uit minstens 6 à 8 artsen-leden te bestaan. Om hun neutraliteit te garanderen volstaat het te voorzien dat elk lid bij de ontvangst van een uitnodiging voor de zitting verplicht is desgevallend aan de voorzitter te laten weten dat het niet onpartijdig en onbevooroordeeld en zonder voorkennis in de geagendeerde zaken kan zetelen. Daarnaast dient de voorzitter na te gaan of de samenstelling van het college, in de geest van de beklaagde of van derden, geen gewettigde verdenking van onpartijdigheid kan wekken.

Om de onafhankelijkheid van dit orgaan te benadrukken en de uniformiteit in de tuchtrechtspraak te bewerkstelligen, is het wellicht aangewezen dat dit college samengesteld zou zijn, behoudens uit artsen-leden van de provinciale raad van de vervolgde ingeschreven arts, uit artsen-leden van twee of drie andere provinciale raden.

De concrete invulling van wat voorafgaat kan door elke provinciale raad bepaald worden in zijn reglement van orde dat door de Nationale Raad dient goedgekeurd te worden.
De Nationale Raad meent dat dit alternatief voorstel de in de Discussietekst beoogde doelstellingen realiseert en uitvoerbaar is.

De mededeling van de beslissing aan de klager

De Nationale Raad vindt dit het moeilijkst op te lossen punt van de hervorming van de Orde. Sinds decennia krijgt de Orde te horen dat het niet meedelen van de beslissing aan de klager getuigt van een gebrek aan openheid en voor sommigen zelfs bewijst dat men zaken in de doofpot stopt omwille van een verkeerd geïnterpreteerde beroepssolidariteit. Deze kritieken zijn begrijpelijk maar ongegrond. Elkeen die de algemene bepalingen van disciplinair recht kent weet dat de mededeling van de beslissing aan de klager zware consequenties zal hebben voor de in het disciplinair recht bestaande procedure.

De Discussietekst tracht dit probleem op te lossen. In artikel 23, §2, derde lid, wordt wel voorzien dat de beslissingen van de Interprovinciale Raden en Raden van beroep aan de klagende partij meegedeeld worden maar in de volgende alinea wordt gezegd dat deze niet mogen aangewend worden in een geschil voor de hoven en de rechtbanken, bedoeld in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering. Daardoor wil men een aantal mogelijke gevolgen van de mededeling van de beslissing aan de klager voorkomen. Juristen werpen echter op dat de loutere mededeling van de beslissing aan de klager reeds de rechten van de verdediging schendt als de beklaagde verplicht is mee te werken aan het onderzoek. Indien de beklaagde niet meer verplicht is mee te werken aan het onderzoek en bijv. de door de onderzoekscommissie gevraagde stukken weigert over te leggen zal men noodgedwongen de onderzoeksmogelijkheden dienen uit te breiden door bijv. te voorzien dat deze commissie bevoegdheden krijgt analoog aan deze van de geneesheren-inspecteurs van het Riziv. Voor een dergelijke uitbreiding van de bevoegdheden van de onderzoekscommissies in de provinciale raden bedanken de bureaus van de provinciale raden. Terecht vinden zij dit onverenigbaar met de taken van de Orde als adviserende en bemiddelende instantie.

Gedurende de hoorzitting voor de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van 10 maart 2004 wees de voorzitter van de Nationale Raad van de Orde op een tot heden nauwelijks gemaakt onderscheid tussen de verschillende categorieën “klagers”. Voortgaande op zijn uiteenzetting meent de Nationale Raad dat enkel over de mededeling van de beslissing aan de klager kan gesproken worden wanneer deze óf de patiënt zelf is óf zijn vertegenwoordiger of na overlijden de echtgenoot(ote) of vaste partner of een naaste verwant van de overledene. Het kan niet de bedoeling zijn de beslissing mee te delen aan een aangever die niet geschaad werd, noch aan een werkgever die klacht neerlegde omwille van een welwillendheidsattest noch aan een collega die in het kader van een onderling conflict klacht neerlegde.

Wat de situatie van de patiënten betreft stelt de Nationale Raad vast dat deze volledig gewijzigd is door de Patiëntenrechtenwet. Voordien kon een patiënt die zich niet tot de rechtbank wenste te richten met een klacht enkel bij de provinciale raad van de Orde terecht. Nu is er de ombudsfunctie en het is van essentieel belang dat er een goede samenwerking tussen de provinciale raden en de ombudsfunctie tot stand komt. Provinciale raden adviseren trouwens nu reeds patiënten zich met bepaalde klachten rechtstreeks tot het laagdrempelige ombudsorgaan te wenden. Dit sluit niet uit dat een patiënt zich met een klacht wegens een deontologische fout tot een provinciale raad kan richten maar dit bij voorkeur na overleg met de ombudsfunctie. Indien uit dit overleg blijkt dat een klacht bij de provinciale raad aangewezen is zal de ombudsfunctie de patiënt voorafgaandelijk informeren zodat hem ontgoochelingen worden bespaard en de patiënt ervan in kennis wordt gesteld dat hij zich alleen in het algemeen belang tot het tuchtcollege kan wenden en dat hij nooit partij kan worden in de tuchtrechtelijke procedure die hij eventueel op gang zal hebben gebracht.

Essentieel is wel dat de uitvoerende macht de nodige initiatieven neemt om dit patiëntenrecht concreet gestalte te geven zodat een patiënt met een klacht tegen een beroepsbeoefenaar bij een laagdrempelige instantie terecht kan. Momenteel kan dit enkel met betrekking tot de beroepsbeoefenaars van de ziekenhuizen. Hoewel theoretisch elkeen terecht kan bij de ombudsfunctie van de Federale Commissie voor de Rechten van de Patiënt, is het niet ernstig patiënten die problemen hebben met een ambulant zorgverstrekker of een controlearts naar het Rijksadministratief Centrum te Brussel te verwijzen.

Bijdragen aan de Orde

In de Discussietekst wordt in artikel 9 gezegd dat de bijdrage wordt vastgesteld door de Nationale Raad.

Momenteel bepaalt de Nationale Raad de vereiste bijdrage voor zijn werkzaamheden en deze van de Raad van Beroep. Dit bedrag wordt door elke provinciale raad toegevoegd aan het bedrag dat hij voor de werkzaamheden van zijn raad nodig acht. De provinciale raden bepalen de vrijstellingen van bijdrage en de kortingen erop.

Bij rondvraag bij de bureaus van de provinciale raden blijkt het huidige systeem geen opvallend verschil in bijdragen mee te brengen. Het voordeel van het huidige systeem is dat elke arts weet welke bijdrage hij voor de werking van zijn provinciale raad verschuldigd is; dat is duidelijk. Het huidige systeem laat ook toe te oordelen over de gegrondheid van de gevraagde kortingen of vrijstellingen. Deze beoordeling gebeurt door de provinciale raden geval per geval, wat de taak niet is van de Nationale Raad die trouwens niet over de noodzakelijke gegevens beschikt.
De Nationale Raad meent dan ook dat het aangewezen is het huidige systeem van de bepaling van de bijdrage en de inning ervan te behouden.

Bij de bespreking met de provinciale raden bleek dat het probleem van het niet-betalen van de bijdrage zou moeten worden opgelost. Het opleggen van tuchtstraffen bij niet-betaling vindt de Nationale Raad niet aangewezen. De inning van de bijdrage bij niet-betalen ervan verloopt momenteel via de vredegerechten. De Nationale Raad vindt dit vervelend maar ziet niet in hoe dit te voorkomen is.

Maar een veroordeling door de vrederechter volstaat niet altijd daar sommige artsen zich door de rechtspersoon waarvoor zij werken een zo laag inkomen laten uitbetalen dat zij in de praktijk insolvabel zijn.

Dit probleem is op te lossen door aan de laatste alinea van artikel 9 enkele woorden toe te voegen waardoor de laatste zin wordt : “Deze bijdrage wordt door de provinciale raad met inbegrip van het bedrag voor de werkzaamheden van de Nationale Raad geïnd en is dienvolgens door deze personen of door de rechtspersonen waarvoor zij werken, verschuldigd”.

Huishoudelijk reglement

Artikel 19, 3°, van de Discussietekst bepaalt dat de Nationale Raad de opdracht heeft aan de provinciale raden en de Interprovinciale Raden een model van reglement van inwendige orde voor te stellen en na aanvaarding door deze de betrokken reglementen goed te keuren en de bekrachtiging voor te leggen aan de Ministers tot wier bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.

De laatste alinea van artikel 5 van het van kracht zijnde KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren bepaalt dat elke provinciale raad zijn reglement van orde maakt en dit voorlegt aan de Nationale Raad die de tekst voor goed vaststelt. Bij het onderzoek van deze stukken gaat de Nationale Raad onder meer na of de voorgelegde reglementen van orde bepalingen bevatten die niet stroken met de algemene wetgeving en het KB nr. 79 en zijn uitvoeringsbesluiten.

De bureaus van de provinciale raden menen dat de provinciale raden het recht dienen te hebben zelf hun interne werking te bepalen en dat een toezicht door de afdelingen van de Nationale Raad volstaat. De bekrachtiging van deze reglementen door de uitvoerende macht die, gezien artikel 11 van de Discussietekst, de volledige organisatie, inrichting en werking van de provinciale raden reeds bepaalt, kan volgens de Nationale Raad evenmin.

De Nationale Raad

De Nationale Raad is verbaasd over de verplichting die aan zijn twee afdelingen wordt opgelegd om samen zitting te houden voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 9, al. 1, en 19, al. 1, 1°, 6° en 9°. Hij dringt erop aan dat de manier van werken zoals bepaald bij artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 behouden blijft. Dit wil zeggen : “De nationale raad van de Orde der geneesheren, omvat twee afdelingen : de ene met het Nederlands, de andere met het Frans als voertaal. Zij kunnen samen beraadslagen en beslissen inzonderheid over de bij het artikel 15, § 1 en § 2, 2°, 3° en 4° voorgeschreven onderwerpen.” Deze formule heeft bewezen doeltreffend te zijn.

Bij de analyse van het hoofdstuk over de Nationale Raad van de Orde ging de aandacht van de Nationale Raad vooral naar het voorzitterschap en de samenstelling van de afdelingen. Deze twee elementen zijn trouwens sterk met elkaar verweven.

Uit artikel 20, §1, van de Discussietekst blijkt dat de twee afdelingen van de Nationale Raad elk een eigen voorzitter krijgen. Momenteel worden de twee afdelingen van de Nationale Raad voorgezeten door dezelfde hoge magistraat die tevens voorzitter is van de Nationale Raad. Opvallend is dat de Discussietekst openlaat aan wie het voorzitterschap zal worden toevertrouwd zodat afhankelijk van categorie van beroepsbeoefenaars de Koning kan beslissen of het een hoge magistraat of een beroepsbeoefenaar wordt.

De Nationale Raad is van mening dat het niet opgaat een dergelijke beslissing aan de Koning over te laten en dat de wetgever zelf hierover uitspraak zou moeten doen. Hij accepteert niet dat de Orde van geneesheren nog langer de enige Orde in België is met een voorzitter die niet tot de beroepsgroep behoort. Ook internationaal is België op dit punt uniek. De Nationale Raad meent dit standpunt, wat de evidentie zelf is, niet te moeten motiveren. Hij wenst geen afbreuk te doen aan de verdienste van alle magistraten die tot op heden de Nationale Raad hebben voorgezeten. Bij contacten met de media en beleidsinstanties hebben alle voorzitters van de Nationale Raad zich principieel altijd op de achtergrond gehouden omdat zij van mening waren dat de artsen zelf de medische deontologie dienden toe te lichten. Dit illustreert voldoende dat verandering nodig is.

Zo de wetgevende kamers accepteren dat de voorzitters van de afdelingen van de Nationale Raad artsen zijn heeft de Nationale Raad er geen bezwaar tegen dat niet-medici als lid van de afdelingen van de Nationale Raad benoemd worden. De Nationale Raad meent dat, de magistraat daargelaten, het aantal benoemde leden met effectief stemrecht niet hoger mag zijn dan het aantal verkozen leden.

Wat de benoemde artsen-leden betreft denkt de Nationale Raad dat alle medische faculteiten dienen vertegenwoordigd te zijn met effectief stemrecht en dit bij voorkeur door de professoren die medische deontologie doceren. Even evident is dat ook een hoge magistraat als lid van de Nationale Raad benoemd wordt. Daarnaast kan de Nationale Raad accepteren dat een deskundige in de medische ethiek en een deskundige in patiëntenrechten als lid worden benoemd. Aangewezen lijkt het dat de eerst genoemde voorgedragen wordt door het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek en de tweede genoemde door de Federale Commissie voor de Rechten van de patiënt.

De Nationale Raad is van mening dat het voorzitterschap van de afdelingen dient toevertrouwd te worden aan één van de artsen-leden van de afdeling en dit bij voorkeur bij interne verkiezingen.

Tot slot

Na een grondige analyse van de voorliggende wetsvoorstellen drukt de Nationale Raad zijn appreciatie uit voor het werk dat de senatoren reeds hebben verricht om tot een hervorming van de Orde der geneesheren te komen. De Nationale Raad is ervan overtuigd dat rekening gehouden zal worden met de door zijn vertegenwoordigers gehouden interventies gedurende de hoorzittingen van 10 maart 2004 en 6 oktober 2004 en met de in deze nota weergegeven bemerkingen en voorstellen.
Voortgaande op wat door eminente juristen gedurende de hoorzittingen werd gezegd en door hoge magistraten wordt voorgesteld en in andere landen reeds werd gerealiseerd is de Nationale Raad van oordeel dat het ogenblik aangebroken is voor een globale benadering van het tuchtrecht. Maatschappelijk neemt de vraag naar tuchtrechtelijke organen duidelijk toe zodat een kaderwet omtrent tuchtrecht voor de samenleving zeer nuttig zou zijn.