Resultaten
Resultaten
Inzage in het patiëntendossier door de arts die het omstandig geneeskundig verslag opstelt in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de vraag onderzocht of de arts die belast is met het opstellen van een omstandig geneeskundig verslag in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening inzage mag nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon.
1/ Voorafgaand
De wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd recentelijk gewijzigd.[1]
De wijzigingen beogen verschillende doelstellingen: meer aandacht voor zorg, minder gebruik van dwang, respectvoller omgaan met de rechten van de patiënt, gebruik van kwaliteitsvolle medische verslagen, aandacht voor de omgeving van de patiënt, enz.[2]
Tot de belangrijkste wijzigingen behoren de invoering van een wettelijke definitie van ‘psychiatrische aandoening’, (in het kader van de spoedprocedure) de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen, en de invoering van een vrijwillige behandeling onder voorwaarden als nieuwe beschermingsmaatregel.
Zowel in de gewone procedure als in spoedeisende gevallen kan de rechter, in voorkomend geval de procureur des Konings, slechts een beschermingsmaatregel opleggen onder voorbehoud van de tussenkomst van een arts die de gezondheidstoestand van de betrokkene onderzoekt.
De arts beoordeelt vanuit medisch oogpunt of de te onderzoeken persoon een psychiatrische aandoening heeft overeenkomstig de wettelijke definitie. Onder ‘psychiatrische aandoening’ wordt verstaan een volgens de huidige stand van de wetenschap als zodanig omschreven aandoening die de realiteitsperceptie, het oordeelsvermogen, de denkprocessen, de stemming of de controle over diens daden ernstig kan verstoren.[3] Daarnaast beoordeelt de arts in hoeverre deze aandoening de gezondheid van de persoon ernstig in gevaar brengt of een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, en in welke mate deze gezondheidstoestand een beschermingsmaatregel vereist.
Bij Koninklijk Besluit van 12 december 2024 is een model van omstandig geneeskundig verslag vastgesteld: FAQ-4-4-Bijlage-III-Omstandig-geneeskundig-verslag.docx.
Het omstandig geneeskundig verslag mag niet worden opgesteld door de arts die om de maatregel verzoekt of door de arts die een bloed- of aanverwant tot de vierde graad van de verzoeker of van de persoon met een psychiatrische aandoening is.[4]
Het is niet verboden dat het verslag wordt opgesteld door de behandelend arts van de persoon met een psychiatrische aandoening.
Het zijn hoofdzakelijk urgentieartsen die moeilijkheden ondervinden bij het opstellen van dergelijk verslag voor patiënten waarvan zij de medische voorgeschiedenis niet kennen. Zij stellen de vraag of zij – al dan niet via de uitwisselingsnetwerken – inzage mogen nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon om het omstandig geneeskundig verslag zorgvuldig te kunnen invullen.
2/ Op wettelijk vlak
De arts heeft toegang tot gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars op voorwaarde dat de patiënt voorafgaand zijn geïnformeerde toestemming tot deze toegang gaf.[5]
De arts heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van een patiënt waarmee hij een therapeutische relatie heeft.[6]
De arts die een therapeutische relatie heeft met de patiënt, heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van de patiënt indien de finaliteit van de toegang bestaat uit het verstrekken van zorg, de toegang noodzakelijk is voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking, en de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn binnen dit kader.[7]
Bijgevolg, mag de arts die belast is met het opstellen van het omstandig geneeskundig verslag slechts inzage nemen in de relevante stukken van het patiëntendossier mits de voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de te onderzoeken persoon, of diens vertegenwoordiger.
Zonder specifiek wettelijk kader is het uitgesloten dat artsen die belast zijn met het onderzoek van de patiënt zonder het oogmerk om de gezondheid van de patiënt te behouden, herstellen of verbeteren, gebruik maken van de uitwisselingsnetwerken om inzage te nemen in de gezondheidsgegevens van de te onderzoeken persoon.[8]
3/ Op deontologisch vlak
Van de arts wordt verwacht dat hij vanuit medisch oogpunt vaststellingen verricht over de psychiatrische gezondheidstoestand van de patiënt en daartoe passende maatregelen of behandelalternatieven adviseert.
De arts beoordeelt de medische situatie op het ogenblik van het onderzoek, zonder dat hiervoor noodzakelijkerwijs kennis van de volledige medische voorgeschiedenis is vereist.
Er dient in gedachten te worden gehouden dat de wet niet primair gericht is op bestraffing, maar op bescherming en hulpverlening. Binnen dit kader voorziet de wet in alternatieven voor de beschermende observatiemaatregel (vroeger: gedwongen opname), zoals de vrijwillige behandeling onder voorwaarden.
Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen. Deze evaluatie laat toe om – in spoedeisende gevallen – de gezondheidstoestand grondiger te onderzoeken, zonder daarbij onmiddellijk over te gaan tot ingrijpende dwangmaatregelen.
Op deontologisch vlak heeft de arts de taak de patiënt gerust te stellen en te informeren over de mogelijke behandelingsalternatieven. Zowel de ratio van de wet als de principes van de medische deontologie zijn erop gericht dat het behandeltraject in maximale mate door de patiënt wordt gedragen.
De arts dient zijn beoordeling volledig onafhankelijk en zonder enige druk van justitiële diensten uit te voeren, met aandacht voor het belang van de patiënt en de maatschappij.
Tenslotte is een dialoog tussen de medische wereld en justitie noodzakelijk om een optimale toepassing van de wet te verzekeren en, waar aangewezen, te komen tot de uitwerking van praktisch toepasbare procedures.
[1] Wijziging bij wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
[2]Bescherming personen met geestesziekte wijzigt op 1 januari | Federale Overheidsdienst Justitie.
[3] Art. 1/1, lid 1, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[4] Art. 5, §2, lid 2, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[5] Art. 36, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[6] Art. 37, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[7] Art. 38, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[8] Art. 3, Koninklijk Besluit van 15 december 2024 over de toegang tot gezondheidsgegevens.
De samenwerking tussen artsen-specialisten en huisartsen om het respect te waarborgen voor de rechten van de patiënt en de continuïteit van de zorg.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 13 september 2024 de deontologische beginselen onderzocht aangaande de samenwerking tussen artsen-specialisten en huisartsen, ter waarborg van de rechten van de patiënt en de continuïteit van de zorg nadat de arts-specialist de resultaten van de onderzoeken overmaakt aan de huisarts van de patiënt.
In de huidige gezondheidszorg is een bilaterale relatie tussen arts en patiënt niet langer de norm. Het is gebruikelijk geworden dat patiënten worden verzorgd door meerdere artsen, die met elkaar samenwerken om gezondheidszorg op een kwalitatief hoogstaand niveau te kunnen verstrekken.
De samenwerking tussen artsen-specialisten en huisartsen vergt een bijzondere organisatie die onder meer betrekking heeft op het patiëntendossier, de rechten van de patiënt, de continuïteit van de zorg en de rolomschrijving van elke individuele arts.
In deze context is het belangrijk dat artsen onderling overleg plegen over wie de patiënt zal informeren over diens gezondheidstoestand. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid en het louter doorsturen van de resultaten door de arts-specialist naar de huisarts is geen voldoende waarborg dat aan de informatieverplichting is voldaan.
Concreet raadt de nationale raad aan om bij een doorverwijzing naast de relevante gegevens van de patiënt ook de modaliteiten van opvolging en continuïteit te vermelden. Indien de arts-specialist belangrijke vaststellingen doet is het aangewezen de huisarts onverwijld te contacteren zodat de nodige schikkingen onmiddellijk kunnen worden besproken. Indien de huisarts niet kan worden bereikt, dient de arts-specialist zelf de nodige stappen te ondernemen om de patiënt te informeren over deze vaststellingen.
Daarnaast hebben het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt, het beroepsgeheim en het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer tot gevolg dat de patiënt kan weigeren dat de resultaten van de onderzoeken worden doorgestuurd naar de huisarts.
In de toekomst zal de patiënt de mogelijkheid worden geboden de toegang tot zijn gezondheidsgegevens te beheren via een toegangsmatrix, die hem toelaat aan te duiden welke categorieën van zorgverleners met een therapeutische relatie toegang hebben tot welke categorieën van documenten of gegevens.[1] De arts heeft mede de verantwoordelijkheid de patiënt alert te maken op de gevolgen van diens keuzes in het licht van de kwaliteit van de zorg.
Binnen het huidige klimaat van patient empowerment, waarbij de arts-patiëntrelatie als een partnerschap wordt beschouwd, kan de arts-specialist de patiënt uitnodigen zelf met hem of met de huisarts contact op te nemen om de resultaten van de onderzoeken te bespreken.
Tenslotte, dienen beide artsen in ieder geval collegiaal te handelen en de vrije artsenkeuze van de patiënt te respecteren.
[1] Informatieveiligheidscomité, Kamer sociale zekerheid en gezondheid, “Beraadslaging 18/190 van 4 december 2018, gewijzigd op 6 juli 2021 en 4 juni 2024, met betrekking tot de toegangsmatrix in het kader van de elektronische uitwisseling van persoonsgegevens doe de gezondheid betreffen”.
Geluidsopname van raadplegingen
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 16 september 2023 onderzocht of de patiënt een geluidsopname mag maken van de raadpleging.
De patiënt heeft tegenover de arts het recht op alle hem betreffende informatie die nodig is om inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie ervan (art. 7, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt).
De patiënt heeft ook het recht zo volledig mogelijk te worden geïnformeerd over de verschillende aspecten van de behandeling, opdat hij geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij kan toestemmen in iedere tussenkomst van de arts (art. 8, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt).
Het “voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en tot wijziging van bepalingen inzake rechten van de patiënt in andere wetten inzake gezondheid” tracht dit informatierecht nog aan te scherpen en zo performant mogelijk te maken ten aanzien van de patiënt. Wat betreft de geluidsopname van een raadpleging, zegt de memorie van toelichting bij het voorontwerp dat “een patiënt met medeweten van de zorgverlener een geluidsopname mag maken van het gesprek met de gezondheidszorgbeoefenaar ten einde achteraf de verstrekte informatie nogmaals te kunnen beluisteren”. (zie voorontwerp wet patiëntenrechten memorie, dd. 19 juli 2023)
De nationale raad verstrekt het volgende advies:
De arts-patiëntrelatie is een zorgrelatie gebaseerd op wederzijds vertrouwen.
Het heimelijk opnemen door de patiënt van een raadpleging kan het vertrouwen van de arts schenden en een einde teweeg brengen van de therapeutische relatie (overeenkomstig de modaliteiten van 32, Code van medische deontologie).
De situatie kan zich evenwel voordoen dat de patiënt ten aanzien van de arts aangeeft dat de mondelinge informatie voor hem onvoldoende is om een volledig inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand of een geïnformeerde toestemming te geven, bijvoorbeeld omwille van de hoeveelheid aan informatie of de ernst van de gezondheidstoestand van de patiënt (te denken valt aan een raadpleging oncologie).
In dat geval kan in gezamenlijk overleg arts-patiënt een oplossing worden gezocht om de gezondheidsinformatie beter te kunnen assimileren, te denken valt aan een (bijkomende) schriftelijke informatie of een geluidsopname. Beide actoren van de vertrouwensrelatie dienen met deze opname in te stemmen.
Zowel de patiënt als de arts dienen er zich van bewust te zijn dat de aanwezigheid van een microfoon of videoapparaat de consultatie een meer onnatuurlijk en gekunsteld karakter kunnen geven.
Addicties - Overleg over de gezondheidstoestand van de patiënt tussen behandelende artsen
De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 15 oktober 2022 de vraag of een arts de ernstige verslavingsproblematiek van een patiënte mag melden aan een gynaecoloog in de context van de opstart van een fertiliteitsbehandeling.
Het staat wetenschappelijk vast dat het gebruik van alcohol en andere verslavende middelen vanaf de conceptie en gedurende de gehele zwangerschap een zeer nefaste invloed heeft op de ontwikkeling van de vrucht. Het foetaal alcoholsyndroom bij wijze van voorbeeld kenmerkt zich door zeer ernstige afwijkingen[1] waardoor de toekomstsmogelijkheden van het kind zwaar gehypothekeerd worden.
De nationale raad is van oordeel dat in ernstige en bewezen gevallen van ethylisme en/of het gebruik van andere verslavende middelen, nadat de moeder meermaals gewezen werd op de gevaren voor haarzelf en de toekomstige baby, het beroepsgeheim kan wijken om een hoger belang te dienen, namelijk het vrijwaren van de fysieke en psychische integriteit van het ongeboren kind.
[1] Kenmerken van het foetaal alcoholsyndroom
Bij de geboorte
Groeiachterstand
Afwijkende gelaatskenmerken
Neurologische afwijkingen
• slechte spiercoördinatie,
• slechte zuigreflex, kauwproblemen,
• overgevoeligheid voor geluid en/of fel licht,
• slaapproblemen,
• aandacht- en geheugenstoornissen,
• spraakstoornissen,
• aantasting van het gezichtsvermogen,
• leer- en gedragsproblemen, hyperactiviteit, autistisch gedrag,
• mentale achterstand (gemiddeld IQ van 60).
Andere mogelijke afwijkingen
• hartproblemen
• misvormingen aan skelet en interne organen (bv. nieren, lever, geslachtsorganen)
• gehoorproblemen
• misvormingen in heupgewricht
• scoliose
• te hoge of te lage spierspanning
• verstoorde motoriek (fijne bewegingen)
• verhoogde kans op oor- en longontsteking
• beven
• prikkelbaarheid
• impulsief gedrag
• epilepsie
• evenwichtsstoornissen.
Veel voorkomende problemen bij kinderen en volwassenen
• Psychische klachten, psychiatrische problemen (zoals depressie)
• Leerproblemen, slechte schoolprestaties, problemen op het werk
• Gedragsproblemen, crimineel gedrag
• Onaangepast seksueel gedrag
• Alcohol- en drugsproblemen
• Sociaal isolement
Toepassing van euthanasie - Psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie
In zijn vergadering van 19 februari 2022 heeft de nationale raad de problematiek besproken inzake de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie en kennelijk niet binnen afzienbare tijd zullen overlijden.
1. Inleiding
Dit advies heeft tot doel richtlijnen te formuleren om artsen te ondersteunen in het zorgvuldig handelen bij de toepassing van euthanasie, in het bijzonder in complexe situaties waarbij er rechtsonzekerheid bestaat over de toepassing ervan omwille van mogelijke verschillen in interpretatie over de ernst en onomkeerbaarheid van de medische toestand. Het geactualiseerde advies van de nationale raad van 19 februari 2022 “Deontologische richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening”, kan niet zonder meer worden aangewend in situaties van psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie.
2. De wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en het Advies van het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek nr. 73 van 11 september 2017
In het geval van een euthanasievraag dient de arts te oordelen of er is voldaan aan de voorwaarden zoals bepaald door de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (hierna: Euthanasiewet).
De arts moet zich met name ervan vergewissen dat ‘de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening’[1].
Dit vergt een interpretatie van de wettelijke voorwaarden, die, in uitzonderlijke gevallen, vatbaar kan zijn voor discussie.
Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek publiceerde het Advies nr. 73 van 11 september 2017 betreffende euthanasie in geval van niet-terminale patiënten, psychisch lijden en psychiatrische aandoeningen, dat meerdere, voor onderstaande deontologische richtlijnen van de Orde der artsen zeer relevante elementen bevat.
Niettegenstaande een aantal onopgeloste discussiepunten bevat dit uitgebreide advies een consensus
(1) dat enkel lijden dat voldoet aan de voorwaarde dat het het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening, een wettelijke grond voor euthanasie kan vormen;
(2) dat het tot de verantwoordelijkheid van de arts behoort om te oordelen over de ongeneeslijkheid van de ernstige door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening; en
(3) dat, daarentegen, de beoordeling of het fysiek of psychisch lijden al dan niet aanhoudend en ondraaglijk is, bij de patiënt ligt.’[2]
De Euthanasiewet[3] verwijst ook naar de voorwaarde dat het ‘lijden niet gelenigd kan worden’, om te bepalen of een patiënt zich in een medisch uitzichtloze situatie bevindt.
De interpretatie van het criterium ‘niet-lenigbaarheid’ van het lijden en de vraag of de arts dan wel de patiënt beslist of het lijden al dan niet lenigbaar is, zijn voor discussie vatbaar.
In ieder geval vereist de vaststelling van het (on)lenigbare karakter van het lijden ‘een diepgaande en constante dialoog tussen de patiënt en diens arts’[4].
Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek stelt dat ‘levensmoeheid zonder medische grondslag niet voldoet aan de vereisten van art. 3(1) van de wet en dus geen wettelijk aanvaardbare grond kan vormen voor de uitvoering van euthanasie’[5]. De Euthanasiewet bepaalt dat het ondraaglijk lijden het gevolg dient te zijn van een aandoening veroorzaakt door ziekte of ongeval. Ook al is het lijden van heel wat patiënten een combinatie van medische problemen en psychosociale problemen, zoals eenzaamheid, verlatenheid of een nutteloos gevoel, het zijn de medische problemen die de oorzaak moeten zijn van het aanhoudend en ondraaglijk lijden.[6]
Wat betreft polypathologie als grondslag voor euthanasie, zijn alle leden van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek van mening ‘dat sommige vormen van polypathologie – d.i. de aanwezigheid van meerdere aandoeningen - een medische grondslag kunnen zijn om een euthanasieverzoek in aanmerking te nemen onder de voorwaarde dat de ondraaglijkheid én de medische uitzichtloosheid én de niet-lenigbaarheid van het lijden van de betrokkene veroorzaakt worden door de polypathologie in kwestie’.[7]
3. Deontologische richtlijnen
De nationale raad is van oordeel dat de volgende deontologische richtlijnen voor zorgvuldig handelen kunnen helpen om juridische conflicten te voorkomen.
Bij de behandeling van een patiënt met polypathologie moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan het psychische lijden ten gevolge van de somatische aandoeningen.
3.1. Overleg tussen artsen, minstens een psychiater
De Euthanasiewet bepaalt dat de arts die euthanasie uitvoert een andere arts moet raadplegen die bevoegd is om over de aandoening in kwestie te oordelen.[8]
De medische situaties die aanleiding geven tot discussies over de interpretatie van de wettelijke voorwaarden hebben altijd te maken met aandoeningen waarvan de arts verwacht dat de patiënt niet binnen afzienbare tijd zal overlijden. In dat geval bepaalt de Euthanasiewet dat de arts een bijkomende arts (‘tweede arts’ genoemd in de wet) moet raadplegen, die psychiater is of specialist in de aandoening in kwestie.[9]
Het is deontologisch raadzaam steeds een psychiater te betrekken bij de toepassing van euthanasie bij patiënten bij wie psychisch lijden ten gevolge van een of meerdere somatische aandoeningen of polypathologie een belangrijke rol speelt in de euthanasievraag.
Indien ‘de tweede’ geraadpleegde arts een specialist is in de aandoening in kwestie, maar geen psychiater, zoals bij wet is toegelaten, is het deontologisch aangewezen een derde arts te raadplegen, die psychiater is.
De geraadpleegde artsen moeten volgens de wet een verslag opstellen van hun bevindingen, dat wordt toegevoegd aan het medisch dossier.
Deontologisch is het aangewezen dat de derde geraadpleegde arts ook een verslag opstelt.
Daarbij acht de nationale raad het wenselijk dat er naast de loutere raadpleging met schriftelijk verslag ook een overleg plaatsvindt tussen de betrokken artsen.
De nationale raad herhaalt zijn vraag aan het RIZIV om te voorzien in een terugbetaling van dergelijk overleg onder de noemer van een Multidisciplinair Euthanasie Consult (MEC).
3.2. Tijdspanne tussen het verzoek en de uitvoering van euthanasie
De Euthanasiewet bepaalt dat, indien de arts van oordeel is dat de patiënt kennelijk niet binnen afzienbare tijd zal overlijden, hij minstens één maand moet laten verlopen tussen het schriftelijke verzoek van de patiënt en het toepassen van de euthanasie.[10]
In het geval van psychisch lijden ten gevolge van polypathologie kunnen de inhoudelijke voorwaarden[11] van de Euthanasiewet in vele gevallen vervuld zijn, waarbij de wettelijke termijn van één maand als voorwaarde kan volstaan.
Dit betekent echter niet dat er geen twijfel of discussie kan zijn. In geval van een polypathologie zal de arts nagaan of er geen symptomatische behandelingen meer mogelijk zijn die het lijden onder de onlenigbare grens zouden kunnen terugbrengen. De arts kan oordelen dat er voor één of meerdere van de aandoeningen nog een bijkomende zinvolle behandeling bestaat. In de praktijk gebeurt het dat de volledige procedure meer tijd in beslag neemt dan de wettelijk opgelegde termijn van één maand. De arts probeert zorgvuldig met de patiënt te blijven overleggen en hem mogelijk te overtuigen zich te laten behandelen, ook al heeft hij andere niet te lenigen aandoeningen die als ongeneeslijk kunnen worden gekwalificeerd. De arts moet hierbij een zekere redelijkheid aan de dag leggen en mag niet vervallen in een therapeutische hardnekkigheid.
3.3. De naasten betrekken bij het proces
De Euthanasiewet bepaalt dat de arts vooraf en in alle gevallen, indien de patiënt dit wenst, het verzoek van de patiënt moet bespreken met zijn naasten die hij aanwijst.[12]
Indien de patiënt dit niet wenst, moet de weigering worden opgetekend in zijn medisch dossier. Indien de arts dit opportuun acht, mag hij ook de weigeringsredenen van de patiënt noteren in het medisch dossier.
De nationale raad is zich bewust van het feit dat hierdoor conflicten kunnen ontstaan tussen enerzijds de autonomie van de patiënt en anderzijds het belang van de familie en/of de maatschappij. Het is de deontologische plicht van de arts om derden te ondersteunen die ernstig geschaad kunnen worden door het verzoek van de patiënt, ter vrijwaring van het algemeen vertrouwen van de maatschappij in het artsenkorps.
3.4. Doorverwijzen indien de arts de uitvoering van euthanasie weigert
De Euthanasiewet bepaalt dat de arts niet kan worden gedwongen euthanasie toe te passen.[13]
Artikel 14 van de Euthanasiewet bepaalt verder :
‘Weigert de geraadpleegde arts op grond van zijn gewetensvrijheid euthanasie toe te passen, dan moet hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig en ten laatste binnen zeven dagen na de eerste formulering van het verzoek laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht en de patiënt of de vertrouwenspersoon doorverwijst naar een andere door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.’[14]
‘Weigert de geraadpleegde arts euthanasie toe te passen op een medische grond, dan dient hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig te laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht. In dat geval wordt die medische grond opgetekend in het medisch dossier van de patiënt.’[15]
‘De arts die weigert in te gaan op een euthanasieverzoek moet de patiënt of de vertrouwenspersoon in elk geval de contactgegevens bezorgen van een centrum of een vereniging die in euthanasierecht is gespecialiseerd, alsook, op vraag van de patiënt of de vertrouwenspersoon, binnen vier dagen volgend op die vraag, het medisch dossier van de patiënt bezorgen aan de door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.’[16],[17]
In de ziekenhuizen is het aangewezen een persoon aan te duiden die kennis heeft van het euthanasierecht en informatie over de wettelijke voorwaarden kan meedelen aan de patiënt.
[1] Art. 3, §1, derde streepje, Euthanasiewet.
[2]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73 van 11 september 2017 betreffende euthanasie in geval van niet-terminale patiënten, psychisch lijden en psychiatrische aandoeningen (hierna Advies nr. 73), p. 60.
[3]Art. 3, §1, Euthanasiewet.
[4]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 41.
[5]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, pp. 60 en 53.
[6] Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 53.
[7]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 52.
[8]Art. 3, §2, 3°, Euthanasiewet.
[9]Art. 3, §3, 1°, Euthanasiewet.
[10]Art. 3, §3, 2°, Euthanasiewet.
[11]i.e. een medisch uitzichtloze toestand van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden en het gevolg is van een ernstige of ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening.
[12]Art. 3, §2, 5°, Euthanasiewet.
[13]Art. 14, tweede lid, Euthanasiewet.
[14]Art. 14, vijfde lid, Euthanasiewet.
[15]Art. 14, zesde lid, Euthanasiewet.
[16]Art. 14, zevende lid, Euthanasiewet.
[17]cf. ook ‘Deontologische doorverwijsplicht bij weigering van toepassing van euthanasie – Advies van de nationale raad van 6 mei 2017 (advies NR, 16 september 2017, a158004).
In dit advies werd de verwijzing naar Unia, de onafhankelijke interfederale openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijkheid bevordert, vervangen door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen dat bevoegd is ter zake.