keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Aids21/03/2009 Documentcode: a125016
Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan de partner

Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan de partner

De Nationale Raad verduidelijkte zijn advies van 3 februari 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116 p. 3) betreffende beroepsgeheim en aids m.b.t. de volgende vragen :

1. Welke houding moet een arts aannemen ten opzichte van een hiv-seropositieve patiënt die verklaart dat hij weigert de nodige maatregelen te treffen om te vermijden de partner te besmetten (beschermd seksueel contact of onthouding) ?

2. Kan deze arts, door de noodtoestand in te roepen, de partner inlichten van de seropositiviteit van de patiënt ?

Advies van de Nationale Raad :

1. Het medisch beroepsgeheim geldt voor iedere patiënt en de hiv-seropositiviteit vormt geen uitzonderingscriterium.

De huidige strategie van de strijd tegen aids bestaat uit het opsporen van de hiv-seropositieve patiënten, hun vroegtijdige behandeling en het toepassen van preventiemaatregelen.

Het opsporen van de seropositiviteit is de hoeksteen van deze strategie. In België gebeurt het opsporen op vrijwillige basis, waarbij aan de patiënt medische geheimhouding gewaarborgd wordt.

Het beroepsgeheim van de arts inzake de seropositiviteit baat zowel de gezondheid van de patiënt (via de behandeling van de opgespoorde seropositieve patiënt) als de volksgezondheid (dankzij de preventiemaatregelen die de opsporing mogelijk maakt).

De strijd tegen aids wettigt dat de arts de seropositieve patiënt op de hoogte brengt van de maatregelen die noodzakelijk zijn om een besmetting van de occasionele of gebruikelijke sekspartner te vermijden.

Indien de patiënt verklaart dat hij weigert deze maatregelen toe te passen, dient te arts hem erop te wijzen dat hij zijn partner op de hoogte moet brengen van zijn seropositiviteit op straffe van zijn burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Het is de behoorlijk voorgelichte patiënt die zelf zijn seropositiviteit dient mee te delen aan zijn sekspartner. De arts moet hem alle hulp voor het concretiseren van deze mededeling voorstellen, waaronder de mededeling in zijn aanwezigheid.

In deze omstandigheden is het zinvol dat de arts het advies of de hulp vraagt van een collega die specifiek ervaring heeft met de behandeling van hiv-seropositieve patiënten.

2. De Nationale Raad wordt om advies verzocht over het uitzonderlijke geval waarin de patiënt weigert de nodige maatregelen te nemen of zijn partner op de hoogte te brengen van zijn seropositiviteit en de mogelijkheid voor de arts om de noodtoestand in te roepen ten aanzien van deze situatie.

De noodtoestand wordt gedefinieerd als een uitzonderlijke situatie waarin de schending van strafbepalingen (in casu artikel 458 van het Strafwetboek) en van strafrechtelijk beschermde juridische waarden en belangen het enige middel is om andere hogere juridische waarden en belangen te behoeden.

Er is een alternatief ten aanzien van de noodtoestand : ofwel leeft men de strafwet strikt na en duldt men dat iemands juridische waarden en belangen geschonden worden, ofwel offert men een lager geachte juridische waarde op om een hoger geachte juridische waarde of belang te behoeden.

Het begrip noodtoestand kan toegepast worden met betrekking tot het medisch beroepsgeheim daar aangenomen wordt dat dit laatste niet van absolute aard is en uitzonderlijk in conflict kan treden met andere waarden.

Het is essentieel dat de door een arts ingeroepen noodtoestand met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aanvaard zal worden door de tucht- of strafrechter en de gemeenschap.

Het is even essentieel dat collega’s van de behandelend arts op basis van hun ervaring en hun specifieke kennis van het probleem in kwestie eveneens van oordeel zijn dat de ingeroepen noodtoestand wettigt af te wijken van de regels van het beroepsgeheim. Een advies van deze collega’s na onderzoek van de patiënt zal ongetwijfeld meer doorwegen dan een advies op grond van de medische dossierstukken.

Voorts is het belangrijk zich af te vragen of het doorbreken van het beroepsgeheim niet nadelig zal zijn voor de verdere behandeling van de patiënt en voor de behandelingsmogelijkheden van patiënten die aan dezelfde of een gelijkaardige aandoening lijden. De mededeling aan derden kan immers het vertrouwen in de geneeskunde aan het wankelen brengen.

De arts dient in het medisch dossier van de patiënt zowel de herhaalde pogingen te vermelden als diens volgehouden weigering om de nodige voorzorgen voor de bescherming van de partner te nemen.

* * *

Tot slot kunnen wij stellen dat de hogere waarden die, in het kader van de noodtoestand, de bekendmaking van het medisch geheim wettigen beperkend geïnterpreteerd dienen te worden en dat de arts er nooit toe verplicht wordt te spreken. Alleen de betrokken arts kan gewetensvol en geval per geval beoordelen of er sprake is van een noodtoestand die de schending van het medisch geheim wettigt. Zelfs met de steun van ervaren collega’s is de arts zowel moreel als juridisch persoonlijk aansprakelijk wanneer hij zelf de partner van zijn patiënt op de hoogte brengt.

Informatica07/06/2008 Documentcode: a121003
Oprichting en organisatie van het e-Health-platform

De Nationale Raad toont ten overstaan van de verantwoordelijke politici zijn bezorgdheid betreffende het op 29 mei 2008 ingediende ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform.

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft kennis genomen van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) ingediend op 29 mei 2008 en van de reacties in de pers met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform. Het ontwerp zou nu in deze maand door de Kamer worden besproken.

De Nationale Raad beklemtoont eens te meer dat het beroepsgeheim van de arts een basisprincipe is van de gezondheidszorg. Het verbaast hem dat een wetsontwerp dat belangrijke gevolgen voor dit aspect kan hebben, met spoed wordt behandeld zonder overleg met de belanghebbenden en is ingebed in het kader van een wet houdende diverse bepalingen alsof het zou gaan over een minieme wijziging van een wet goedgekeurd na een grondig debat door de Kamer en de Senaat.

De Nationale Raad betreurt niet ingelicht te zijn geweest over de stand van zaken van het dossier, ondanks herhaalde verzoeken.

Hij herinnert u aan de aanbevelingen van de volgende instanties omtrent de informatisatie en de elektronische overdracht van gezondheidsgegevens (kopie als bijlage) :

  • de Nationale Raad van de Orde van geneesheren;
  • de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België;
  • de Académie royale de Médecine de Belgique;
  • het Standing Committee of European Doctors;
  • de World Medical Association.

De Nationale Raad stelt vast dat het e-Health-platform zich niet beperkt tot een systeem voor de overdracht van persoonsgegevens betreffende patiënten. Het registreert tevens persoonlijke medische gegevens die niet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn vastgelegd. Dit heeft ongetwijfeld gevolgen voor de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het beroepsgeheim. Zo merkt de Nationale Raad bijvoorbeeld op dat het verwijzingsrepertorium vermeldt bij welke actoren in de gezondheidszorg de patiënten al dan niet wensen dat hun gegevens worden bewaard en wat de toegangsmodaliteiten zijn. Enkel de vermelding dat de patiënt deze of gene arts raadpleegt, kan op zich een medische diagnose onthullen en houdt een stigmatisatiegevaar in. Zo is gewoon al de vermelding van het feit dat een patiënt een psychiater of een expert op het gebied van aids raadpleegt op zich een medisch gegeven dat onder het beroepsgeheim valt.

Bovendien weigert de Nationale Raad en verzet hij zich met klem tegen de centralisatie bij één enkele instantie van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het beheer van de transacties, van de labeling van de software en van de gegevensoverdracht. Meer bepaald mag het e-Health-platform niet de rol vervullen van intermediaire organisatie en hierdoor de coderingssleutels beheren waarmee de gecodeerde gegevens aan de patiënten kunnen worden gekoppeld.

De Nationale Raad legt de nadruk op het belang van dit ontwerp voor de werking van de gezondheidszorg. Hij dringt erop aan dat dit het voorwerp zou uitmaken van een apart wetsontwerp, met dien verstande dat het wordt geschrapt uit het actueel voorliggende wetsontwerp. Hij wenst dat er een openbaar debat over zou worden gevoerd waaraan de verschillende belanghebbenden deelnemen. De Nationale Raad houdt zich te uwer beschikking om hieraan deel te nemen.

Zie ook :

  • advies « BeHealth » van de Nationale Raad van 26 november 2005 – Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 111 p. 5;
  • advies van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België , “Advies nopens het wetsvoorstel rond “Be-Health” of het “Wetsontwerp betreffende de verwerking en de informatisering van de gezondheidsgegevens alsook de toepassingen voor telegeneeskunde” goedgekeurd op de vergadering van de KAGB op 17 januari 2007 (Tijdschrift voor Geneeskunde, 63, nr. 7, 2007);
  • advies over het wetsontwerp « BeHealth » van de Académie royale de Médecine de Belgique goedgekeurd in plenaire zitting op 25/11/2006 en 13/01/2007 (Bulletin et Mémoires de l’Académie royale de Médecine de Belgique – Volume 161/Année 2006 N° 10-11-12, p.524 à 526) ;
  • advies van het Standing Committee of European Doctors - Recommendations about “E-health – CPME policy statement on electronic health records” (CPME 2006/132 FINAL EN) adopted at the CPME Board meeting, Brussels, 19 October 2007;
  • advies van de World Medical Association – “The WMA Declaration on ethical considerations regarding Health Databases” adopted by the WMA General Assembly, Washington 2002.

Cc : de ministers van de federale regering, de ministers van de Vlaamse regering, de voorzitters van de politieke partijen, de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Anesthesie16/02/2008 Documentcode: a120003
Medewerking aan een medische handeling en recht op niet-medische persoonlijke gegevens van de patiënt

Een anesthesist werkzaam in een ziekenhuis wordt er steeds vaker toe gebracht, tegen zijn geweten en zijn filosofische overtuiging in, sedatie toe te passen bij bepaalde patiënten die een eicelpunctie ondergaan in het kader van een in-vitrobevruchting.
Om die reden legt hij de volgende vragen voor aan zijn provinciale raad :
1. Heeft de anesthesist het recht, uit persoonlijke overtuiging, te weigeren sedatie toe te dienen bij een patiënte die verklaart lesbische te zijn en die een eicelpunctie dient te ondergaan ?
2. Heeft de anesthesist, in geval van twijfel, het recht aan een patiënte van wie hij denkt dat ze lesbische is en die een eicelpunctie dient te ondergaan, te vragen of ze homoseksueel is ?
3. Is de gynaecoloog van de patiënte, wanneer de anesthesist hem dat vraagt, verplicht hem alle inlichtingen die in zijn bezit zijn te geven ?

De provinciale raad formuleert hierop een uitvoerig antwoord en stuurt ook een brief aan de voorzitter van de medische raad van het betrokken ziekenhuis.
De arts kan zich echter niet vinden in het negatieve antwoord op de derde vraag
(1). De betrokken provinciale raad verwijst naar het advies van de Nationale Raad van 30 juni 2007 betreffende het verzet van de patiënt tegen de inhoud van zijn medisch dossier en vraagt het advies van de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 16 februari 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren zich gebogen over de vraag van uw Provinciale Raad aangaande een arts “die weigert zijn medewerking te verlenen aan een medische handeling wegens persoonlijke redenen en het recht van deze arts om geïnformeerd te worden betreffende niet-medische persoonlijke gegevens van patiënten”.

De Nationale Raad kan het op artikelen 28 en 31 van de Code van geneeskundige plichtenleer gefundeerde advies van uw Provinciale Raad bijtreden. Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de arts immers vrij om wegens persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren, maar hij/zij zal zich onthouden van inmenging in familiale aangelegenheden.

Specifieke problemen stellen zich wanneer deze problematiek het ‘colloque singulier’ overstijgt en zich binnen een multidisciplinaire samenwerking situeert.

De Nationale Raad meent dat in die gevallen door een voorafgaande open dialoog tussen alle betrokkenen onder toezicht van de lokale commissie voor medische ethiek, een protocol dient te worden opgesteld dat de in artikelen 5, 28, 31 en 86 van de Code bedoelde rechten van zorgverstrekker en patiënt garandeert, zonder hierbij noch de ene, noch de andere te gijzelen of te stigmatiseren.

(1)Brief van de provinciale raad

Geachte collega,

Tijdens de vergadering van 26 april ll. heeft onze Raad kennis genomen van uw brief van 28 maart 2007 waarin u hem drie vragen voorlegt in verband met het eventuele recht voor een anesthesist, op grond van zijn filosofische overtuigingen, te weigeren sedatie toe te dienen aan een homoseksuele patiënte in het kader van een eicelpunctie. De Raad heeft u een eerste antwoord gestuurd (zie bijlage) en had beslist de drie vragen voor onderzoek voor te leggen aan zijn commissie voor ethiek.

De commissie heeft zijn reflecties over de gestelde vragen doorgegeven aan de Raad.

Eerste vraag :

Heeft de anesthesist het recht, uit persoonlijke overtuiging, te weigeren sedatie toe te dienen bij een patiënte die verklaart lesbische te zijn en die een eicelpunctie dient te ondergaan ?

Het antwoord is affirmatief en dit ondermeer met naleving van de bepalingen van artikel 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer :
“Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten te kort zou schieten, staat het de geneesheer steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren. De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt.”

De weigering deel te nemen aan de aangewezen medische interventie kan ondermeer gerechtvaardigd worden door overwegingen van deontologische of morele aard.

1. De arts waarop een beroep gedaan wordt kan er inderdaad toe gebracht worden zich vragen te stellen over het deontologische karakter van zijn deelname aan het verloop van een medische verrichting (of aan de verrichting zelf) wanneer hij in de doelstelling van de gevraagde handeling en de verwezenlijking ervan, niet de waarborgen vindt die hij in geweten op ethisch en deontologisch vlak meent te moeten vinden.
2. Zo kan de arts zich ook vragen stellen over het bestaan van een voldoende, toereikende psychosociale omgeving die in staat is deze materie te begrijpen en, los van de rechtmatigheid van de beslissing die ongetwijfeld door zijn collega’s bewust genomen werd, de gevolgen van de gevraagde handeling te analyseren. Deze vraag gaat verder dan de problematiek van de medisch-technische aard van de verrichting zelf.
3. Zo kan hij zich ook vragen stellen over zijn participerende verantwoordelijkheid bij de educatieve wording van het kind aan wiens conceptie hij zou moeten meewerken en bij de beste vorming van dit kind met het oog op zijn integratie in het huidige organisatiebeeld van de maatschappij. Het zou hier enkel gaan om de opvoeding van dit kind in een “ouderlijke” omgeving die volledig verschilt van die van een gezin, zelfs uiteengevallen en/of nieuw samengesteld.
4. Aangezien de arts waarop een beroep gedaan wordt niet deelnam aan een beslissing al dan niet een kunstmatige bevruchting uit te voeren bij een homoseksuele vrouw die de wens heeft een kind op te voeden in een uitsluitend homoseksuele omgeving, kan hij niet in de situatie geplaatst worden te moeten deelnemen aan verrichtingen die in strijd zijn met zijn persoonlijke opvattingen en dit enkel wegens de organisatie van de dienst.

Wij moeten de arts-anesthesist er evenwel op wijzen dat zijn weigering “à la carte” tussen te komen bij afname van eicellen, tot gevolg zou kunnen hebben dat aan de andere tussenkomende of deelnemende personen van deze medische handeling de vertrouwelijke mededelingen die deze patiënte deed aan haar gynaecoloog, tenminste gedeeltelijk onthuld zouden kunnen worden. Deze mede-tussenkomende personen zouden hieruit vertrouwelijke conclusies kunnen trekken over het privé-leven van de patiënte.
Bovendien is het helemaal niet zeker dat deze ermee akkoord gaat dat haar homoseksualiteit die bekend gemaakt werd aan de gynaecoloog in het kader van de besloten dialoog op die manier openbaar gemaakt wordt.

Om een gedrag te vermijden dat zou indruisen tegen de deontologische regels betreffende de vertrouwelijkheid van het toevertrouwde, is het beter dat de arts die in geweten meent niet te kunnen meewerken, het gynaecologenteam er duidelijk van in kennis stelt dat hij om persoonlijke redenen niet kan deelnemen aan de wegneming van eicellen in dergelijke context of omstandigheden.
Er dient tevens op gewezen te worden dat, waar hij zelf stipt moet toezien op zijn vervanging, er eveneens gevaar bestaat dat de eventuele homoseksualiteit van de patiënte onthuld wordt. De arts-anesthesist die meent dat hij rechtmatig verhinderd is, zou het gynaecologenteam ervan in kennis moeten stellen dat hij doorgaans niet wenst mee te werken aan de wegneming van eicellen om te vermijden dat conclusies getrokken worden wanneer hij in een welbepaald, punctueel geval weigert dit soort verrichting uit te voeren.

Tweede vraag :

Heeft de anesthesist, in geval van twijfel, het recht aan een patiënte van wie hij denkt dat ze lesbische is en die een eicelpunctie dient te ondergaan, te vragen of ze homoseksueel is ?

Indien de patiënte niet zelf verklaard heeft dat ze homoseksueel is, is het niet aan de arts deze vraag als dusdanig te stellen. De bekendmaking van haar homoseksualiteit zou de beslissing van de arts om haar al dan niet te behandelen immers alleen maar kunnen wijzigen. Deze wijziging zou geïnterpreteerd kunnen worden als een overtreding van de wetsbepalingen betreffende de eerbiediging van het recht op verscheidenheid.

Het is de gynaecoloog in wie de patiënte haar vertrouwen gesteld heeft en aan wie ze haar homoseksualiteit toevertrouwd heeft, die haar erop dient te wijzen dat andere artsen die dienen mee te werken aan de gevraagde geneeskundige verrichting mogelijk gewetensbezwaren zullen hebben om mee te werken.
Het is onaanvaardbaar dat de patiënte door een bevestigend antwoord betreffende haar homoseksualiteit op het gepaste moment (dat voor de patiënte een spoedeisendheid vormt in het verloop van de gevraagde verrichting) niet kan rekenen op de medewerking van een arts in een zorgparcours dat ze mag verwachten.

Derde vraag :

Is de gynaecoloog van de patiënte, wanneer de anesthesist hem dat vraagt, verplicht hem alle inlichtingen die in zijn bezit zijn te geven ?

Het antwoord is negatief.
De formulering van de vraag doet veronderstellen dat de anesthesist het antwoord op zijn vraag niet gevonden heeft in het papieren of elektronisch dossier : ongetwijfeld maakt deze informatie volgens de gynaecoloog geen deel uit van het “gedeeld geheim” betreffende de patiënte.
De anesthesist heeft het recht alle medisch-sociale en nosologische gegevens te verkrijgen die nodig en nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht, zoals bepaald wordt door artikel 142 van de Code van plichtenleer.
Tenzij bewezen is dat de homoseksualiteit een bijkomend risico vormt voor de anesthesist, heeft alleen de gynaecoloog het recht te oordelen over de gegrondheid om deze informatie al dan niet mee te delen, zelfs, in onderhavig geval, met de toestemming van de patiënte.

Hoogachtend.

Beroepsgeheim14/07/2007 Documentcode: a117016
Overdracht van medische gegevens door een behandelend arts aan de voorlopige bewindvoerder van een patiënt

Een advocaat stelt in zijn hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder vast dat een huisarts in een periode van 161 dagen 17 getuigschriften voor verstrekte hulp afleverde voor een patiënte. Omdat hij het patrimonium van de te beschermen persoon moet beheren als een goede huisvader, verzoekt hij deze behandelende arts hem mee te delen welke bijzondere medische toestand van de betrokkene een dergelijke frequentie van doktersbezoeken rechtvaardigt.
Deze huisarts meent echter dat de gevraagde medische informatie onder het beroepsgeheim valt en legt de vraag voor aan zijn provinciale raad.
Volgens de betrokken provinciale raad maakt het burgerlijk wetboek m.b.t. de voorlopige bewindvoerder nergens gewag van een uitzondering op art. 458 van het Strafwetboek (beroepsgeheim) en voldoet, volgens de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, de voorlopige bewindvoerder evenmin aan de definitie van vertrouwenspersoon noch aan deze van de wettelijke vertegenwoordiger.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 14 juli 2007 heeft de Nationale Raad zich gebogen over de problematiek van de overdracht van medische gegevens door een behandelend arts aan de voorlopige bewindvoerder van een patiënt.

De vraag die de PR West-Vlaanderen voorlegt aan de Nationale Raad bestrijkt een heel uitgebreid domein, nl. : mag een behandelend geneesheer medische gegevens overmaken aan een voorlopige bewindvoerder?

Op deze vraag kan geen algemeen geldend antwoord worden verstrekt. De context waarbinnen de vraag rijst, bepaalt de mate waarin verschillende rechten en plichten, waaronder hoofdzakelijk het medisch geheim, de patiëntenrechten en het recht op bescherming tegen hun eigen daden voor wilsonbekwame personen, in aanmerking worden genomen.

De precieze context waarin de provinciale raad de vraag stelt, is de volgende : een vrouw raadpleegt over een periode van 161 dagen zeventien keer haar behandelend arts. De voorlopige bewindvoerder van deze vrouw vraagt aan de behandelend arts om welke medische redenen een dergelijke frequentie van doktersbezoek noodzakelijk is.

Alvorens het concrete probleem nader te bekijken meent de Nationale Raad dat het goed is enkele grondbeginselen in herinnering te brengen die de arts kunnen leiden bij soortgelijke problemen.

I/ Patrimoniale rechten vs. persoonlijke rechten

De vertegenwoordigingsmacht van de voorlopige bewindvoerder is zeker niet absoluut. Het mandaat van de bewindvoerder bestaat in het beheer van de goederen van een persoon. Met andere woorden de voorlopige bewindvoerder kan een persoon slechts vertegenwoordigen voor het vervullen van zijn patrimoniale rechten. Hij kan bijvoorbeeld niet beslissen de persoon in een rusthuis te plaatsen of van ziekenhuisinstelling te veranderen.

Ofschoon het kan gebeuren dat de voorlopige bewindvoerder zich dient te buigen over de financiële relaties tussen de arts en de patiënt, kent dit hem niet de facto het recht toe de medische redenen voor de consultatie te kennen.
Het recht op informatie over de gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie ervan is een recht van de patiënt, vastgelegd bij artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Patiëntenrechten zijn persoonlijke rechten die door de betrokken patiënt zelf worden uitgeoefend indien hij daartoe de bekwaamheid bezit. De onder voorlopige bewindvoering geplaatste meerderjarige patiënt is niet onbekwaam wat de uitoefening van zijn persoonlijke rechten betreft. Hij behoudt dus integraal zijn rechten als patiënt en oefent die rechten in principe zelfstandig uit.

II/ Voorlopige bewindvoering vs. vertegenwoordiging

De voorlopige bewindvoering kan niet gelijkgesteld worden met de vertegenwoordigingsmechanismen inzake patiëntenrechten zoals bepaald bij de artikelen 13 en 14 van de wet van 22 augustus 2002.

Deze artikelen luiden als volgt :

“Art. 13. § 1. Bij een meerderjarige patiënt die valt onder het statuut van verlengde minderjarigheid of onbekwaamverklaring worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door zijn ouders of door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn rechten.
Art. 14. § 1. Bij een meerderjarige patiënt die niet valt onder één van de in artikel 13 bedoelde statuten, worden de rechten zoals vastgesteld in deze wet uitgeoefend door een persoon die door de patiënt voorafgaandelijk is aangewezen om in zijn plaats op te treden, indien en zolang als de patiënt niet in staat is deze rechten zelf uit te oefenen.
De aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde persoon, verder " de door de patiënt benoemde vertegenwoordiger " genoemd, geschiedt bij een gedagtekend en door de patiënt en deze persoon ondertekend bijzonder schriftelijk mandaat waaruit de toestemming van laatstgenoemde blijkt. Dit mandaat kan door de patiënt of door de door hem benoemde vertegenwoordiger via een gedagtekend en ondertekend geschrift worden herroepen.
§ 2. Heeft de patiënt geen vertegenwoordiger benoemd of treedt de door de patiënt benoemde vertegenwoordiger niet op dan worden de rechten zoals vastgesteld in deze wet uitgeoefend door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of feitelijk samenwonende partner.
Indien deze persoon dat niet wenst te doen of ontbreekt, worden de rechten in dalende volgorde uitgeoefend door een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus van de patiënt.
Indien ook een dergelijke persoon dat niet wenst te doen of ontbreekt, behartigt de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, de belangen van de patiënt.
Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee of meer van de in deze paragraaf genoemde personen.
§ 3. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn rechten […]”.

De wet van 22 augustus 2002 legt aan de arts een zware verantwoordelijkheid op : hij dient, buiten de gevallen waarin de patiënt onder het statuut van verlengde minderjarigheid of onbekwaamverklaring valt, vast te stellen of de patiënt in staat is om zijn patiëntenrechten zelf uit te oefenen.

Indien de arts meent dat de patiënt onbekwaam is om zijn patiëntenrechten zelf uit te oefenen heeft hij evenwel niet het recht te kiezen welke persoon de patiënt zal vertegenwoordigen. Hij dient hiervoor een beroep te doen op het door het voornoemde artikel 14 ingevoerde cascadesysteem. De wetgever heeft de voorlopige bewindvoerder als dusdanig niet weerhouden als vertegenwoordiger van de patiënt in geval van onbekwaamheid.

Voorts valt op te merken dat de Belgische wetgever, in tegenstelling tot de Nederlandse wetgever (1), geen speciaal mechanisme heeft ingevoerd om eventuele conflicten op te lossen tussen de vertegenwoordiger van de patiënt en de voorlopige bewindvoerder. Het is niet aan de voorlopige bewindvoerder te beletten dat de patiënt een persoonlijk recht daadwerkelijk uitoefent.

III/ Noodzakelijk overleg

De arts-patiëntrelatie is opgebouwd rond vertrouwen. Dit vertrouwen steunt in het bijzonder op de dialoog en het medisch beroepsgeheim : de arts doet er een beroep op om de voorwaarden te vervullen om te kunnen spreken van vertrouwelijkheid. Vertrouwen tussen arts en patiënt veronderstelt transparantie.

Ook de relatie tussen de beschermde persoon en de voorlopige bewindvoerder dient doordrongen te zijn van vertrouwen. In dit verband verplicht de wetgever de voorlopige bewindvoerder op regelmatige tijdstippen overleg te plegen met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon (art. 488 bis, F, van het Burgerlijk Wetboek).

De Nationale Raad meent dat het in elk geval deontologisch onaanvaardbaar is in te gaan op een verzoek om inlichtingen door een voorlopige bewindvoerder indien niet blijkt dat deze laatste voorafgaandelijk overleg heeft gepleegd met de patiënt (of eventueel zijn vertegenwoordiger) over dit verzoek. Het gaat hier om het vertrouwen dat aanwezig moet zijn in de relatie tussen de patiënt en zowel zijn arts als de voorlopige bewindvoerder.

IV/ De patiënt zijn recht op bescherming niet ontnemen

In een arrest van 7 maart 2002 oordeelde het Hof van Cassatie “dat het medisch geheim niet absoluut is en tot doel heeft de patiënt te beschermen zodat het niet tot gevolg mag hebben [de geesteszieke] niet tegen zijn eigen daden te beschermen.”

Artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek beoogt de bescherming van personen die onbekwaam zijn om hun goederen te beheren. De aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder door de vrederechter vloeit voort uit die bekommernis.

Zo zal de voorlopige bewindvoerder bijvoorbeeld, krachtens artikel 488bis, F, § 5, ervoor dienen te zorgen dat de sociale wetgeving wordt toegepast ten gunste van de beschermde persoon. Het kan gebeuren dat hij hiertoe dient te beschikken over een aantal medische inlichtingen. Wanneer de gevraagde medische inlichtingen een voorwaarde zijn voor het verkrijgen van een sociaal voordeel door de beschermde persoon (uitkering voor gehandicapten, verhoogd pensioen,…) kan de arts ertoe gebracht worden deze inlichtingen aan de voorlopige bewindvoerder te verstrekken onder bepaalde voorwaarden.

In de praktijk rijzen de problemen voornamelijk wanneer de daadwerkelijke uitoefening van een persoonlijk recht, bijvoorbeeld het recht op toegang tot de zorg, weegt op het patrimonium van de te beschermen persoon. Dit zal met name het geval zijn voor verzorging die niet terugbetaald wordt door de sociale zekerheid zoals sommige handelingen van plastische chirurgie of psychotherapie.

In deze veronderstelling en bij onenigheid tussen de patiënt of zijn vertegenwoordiger en de voorlopige bewindvoerder rijst de vraag in hoever de bescherming van het patrimonium van de persoon de bekendmaking van medische inlichtingen noodzakelijk maakt.

De Nationale Raad kan deze bekendmaking in algemene regel noch toelaten noch weigeren.

De Nationale Raad stelt een procedure voor waardoor de artsen zich dienen te laten leiden wanneer de voorlopige bewindvoerder van een persoon om bepaalde medische inlichtingen verzoekt voor het vervullen van zijn opdracht.

V/ Procedure

De Nationale Raad stelt voor dat de arts die geconfronteerd wordt met een verzoek om medische inlichtingen door een voorlopige bewindvoerder zou handelen als volgt:

  1. Het optreden van de voorlopige bewindvoerder ten overstaan van de patiënt

    De Nationale Raad meent dat het deontologisch onaanvaardbaar is in te gaan op een verzoek om inlichtingen door een voorlopige bewindvoerder indien niet blijkt dat deze laatste voorafgaandelijk overleg heeft gepleegd met de patiënt (of eventueel zijn vertegenwoordiger) over dit verzoek. Het gaat hier om een voorwaarde voor het vertrouwen tussen patiënt en arts.

    De Nationale Raad acht het bijgevolg aangewezen dat de arts de voorlopige bewindvoerder in eerste instantie verzoekt overleg te plegen met de patiënt opdat deze laatste zelf aan de voorlopige bewindvoerder de inlichtingen meedeelt die nodig zijn voor het beheer van het patrimonium als een goede huisvader, indien dit aangewezen blijkt te zijn. In de meeste gevallen is de mededeling van medische inlichtingen niet noodzakelijk voor het beheer van de goederen van de persoon, behalve natuurlijk voor de omstandige geneeskundige verklaring die bij het verzoekschrift om aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder dient te worden gevoegd.

    Indien de patiënt onbekwaam blijkt te zijn, licht de arts de voorlopige bewindvoerder in opdat deze laatste contact opneemt met de vertegenwoordiger van de patiënt, zoals aangewezen overeenkomstig hetzij artikel 13, hetzij artikel 14 van de wet betreffende de rechten van de patiënt.

  2. Het optreden van de arts ten overstaan van de patiënt

    Indien de patiënt of zijn vertegenwoordiger weigert bepaalde medische inlichtingen mee te delen aan de voorlopige bewindvoerder en deze laatste volhoudt dat deze inlichtingen noodzakelijk zijn voor het beheer van het patrimonium als een goede huisvader, gaat de arts in eer en geweten na of de overdracht van deze gegevens gerechtvaardigd is.

    In dat geval, wat vermoedelijk hoogst uitzonderlijk is, kan de arts met de patiënt of zijn vertegenwoordiger overleg plegen om hem te trachten te overtuigen van de overdracht.

  3. De zaak aanhangig maken bij de provinciale raad en de vrederechter

    Indien onenigheid blijft bestaan tussen de voorlopige bewindvoerder en de patiënt (of zijn vertegenwoordiger) kan de arts zijn provinciale raad hiervan op de hoogte brengen.

    De provinciale raad gaat in eerste instantie na of de beschreven procedure geëerbiedigd werd.

    De provinciale raad gaat vervolgens na of de bekendmaking van de medische informatie noodzakelijk is voor de bescherming van de persoon tegen zijn eigen daden (testament opgesteld door een wilsonbekwame patiënt) en of deze bescherming, in casu onder de vorm van een bekendmaking, in het specifieke geval primeert op de geheimhouding. Indien beide voorwaarden vervuld zijn, wat de Nationale Raad zeer uitzonderlijk acht, raadt de provinciale raad de arts aan de informatie bekend te maken na de patiënt hiervan verwittigd te hebben. In het tegenovergestelde geval dient de voorlopige bewindvoerder de zaak aanhangig te maken bij de vrederechter.

VI/ Oplossing voor het concrete geval

De precieze context waarin de provinciale raad de vraag stelt, is de volgende : een vrouw raadpleegt over een periode van 161 dagen zeventien keer haar behandelend arts. De voorlopige bewindvoerder van deze vrouw vraagt aan de behandelend arts om welke medische redenen een dergelijke frequentie van doktersbezoek noodzakelijk is.

In het onderhavige geval laat de voorlopige bewindvoerder aan de behandelend arts weten dat de betrokken patiënt enige neiging tot overconsumptie vertoont. De voorlopige bewindvoerder wenst in de toekomst overbodige raadplegingen te vermijden en dus ook de betaling van extra erelonen.

De Nationale Raad stelt voor de bovenbeschreven procedure te volgen.

In de uitzonderlijke veronderstelling waarin de stappen ondernomen bij de voorlopige bewindvoerder en bij de patiënt niet tot een oplossing tussen de partijen kunnen leiden, zal de vraag gesteld worden of een rechtstreekse bekendmaking van de medische informatie door de arts opportuun is.

In het onderhavige geval meent de Nationale Raad dat deze bekendmaking niet noodzakelijk is. De bekendmaking van de medische informatie vormt in het beschreven geval immers geen noodzakelijke voorwaarde voor de bescherming van de persoon tegen zijn eigen daden. Deze bekendmaking kan de te beschermen persoon immers op geen enkele wijze beletten zich te komen laten verzorgen of zelfs gewoon een arts te raadplegen bij twijfel over zijn gezondheidstoestand.

De voorlopige bewindvoerder zou de zaak dan aanhangig dienen te maken bij de vrederechter.

(1) Zie artikel 1:458 Nederlands Burgerlijk Wetboek, alsook de commentaar hierbij van F. SWENNEN, « Geestesgestoorden in het Burgerlijk Recht », Antwerpen, Intersentia, 2000, 519, n°635.
Beroepsgeheim14/07/2007 Documentcode: a117015
Conventies inzake de opschorting, het uitstel en de probatie

Een provinciale raad stuurt een brief door van de voorzitter van een medische raad die in naam van het gehele medisch-psychiatrische team van zijn gespecialiseerd ziekenhuiscentrum het advies vraagt over samenwerkingsovereenkomsten die o.m. door de betrokken arts dienen te worden ondertekend op verzoek van de Justitiehuizen betreffende patiënten die menen aanspraak te kunnen maken op een van de volgende maatregelen :

  1. De wet van 31 mei 1888 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling (gewijzigd door de wet van 5 maart 1998);
  2. De wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
  3. De wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;
  4. De wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers;
  5. Artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering betreffende de bemiddeling in strafzaken;
  6. Een voorlopige invrijheidstelling.
    Het betreft in casu een patiënte die meent aanspraak te kunnen maken op de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (1.3).

Deze arts vraagt of volgende punten in deze samenwerkingsovereenkomst niet strijdig zijn met de medische deontologie, meer bepaald met het beroepsgeheim :

  1. Het verstrekken van een verslag in de gevallen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling is toegelaten en wettelijk, maar bij de probatie lijkt dit hem “omstreden”.
  2. Kan de arts zich ertoe verbinden “verslagen op te maken voor de justitieassistent” van o.m. “de moeilijkheden die gerezen zijn bij de uitvoering van de behandeling” (punt 7) ?;
  3. Moeten de justitieassistent en de patiënt het voorrecht hebben te vragen de overeenkomst stop te zetten (punt 10) ?

De betrokken provinciale raad heeft vragen over de wettelijke bevoegdheid van de justitieassistent om tussen te komen in een therapeutisch proces zoals bepaald in de overeenkomst en legt het probleem voor aan de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren beëindigde in zijn vergadering van 14 juli 2007 het onderzoek van de door dr. X aangekaarte aangelegenheid, die voor beter begrip werd besproken met de ter zake bevoegde leidende ambtenaar van het departement van justitie (mevrouw Annie Devos, directeur-generaal Justitiehuizen).
De Nationale Raad meent hieromtrent het volgende standpunt te kunnen innemen.

De probatie waarvan te dezen sprake wordt in het bijzonder geregeld door de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, hoofdstuk V.

Naar luid van het artikel 9 van de wet wordt op de tenuitvoerlegging van de probatiemaatregelen toegezien door de, bij iedere rechtbank van eerste aanleg ingestelde (art. 10, eerste lid, van de wet), probatiecommissie door bemiddeling van begeleidende ambtenaren van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie, die als justitieassistenten het Ministerie van Justitie, departement van de Federale Staat, vertegenwoordigen. Deze justitieassistenten zijn belast met de begeleiding van de onder probatie zijnde persoon.

De betreffende overeenkomst met een geneesheer is niet algemeen eigen aan de uitvoering van probatiemaatregelen, maar komt slechts tussen in bijzondere gevallen waar voor het welslagen van de probatie een medische begeleiding of behandeling aangewezen is.
Het in die gevallen door de arts die de overeenkomst onderschrijft, aan de probatiecommissie uit te brengen verslag betreft :

  • de dagen en uren van de vastgestelde raadplegingen;
  • de ongewettigde afwezigheden;
  • het eenzijdig stopzetten van de behandeling of begeleiding door de betrokkene;
  • de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden en
  • de moeilijkheden die bij de uitvoering van de behandeling zijn gerezen.

” de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen” betreffen geenszins moeilijkheden van medische aard en betreffen alleen feitelijke problemen die vreemd zijn aan elk therapeutisch optreden waarin de justitieassistent op geen enkele wijze tussenkomt.

U vindt hierbij kopie van de bijdrage van Lucien Nouwynck, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, “La position des différents intervenants psycho-médico-sociaux face au secret professionnel dans le travail avec les justiciables” (Revue de droit pénal et de Criminologie, 2001, pp.3-28) - zie o.m. de rubriek 1.3 met de noot 30 - waarvan naar verzekering door de leidende ambtenaar de principes en richtlijnen strikt in acht worden genomen.

Gezien de wettelijke organisatie van de uitvoering van door de rechtbank besliste probatiemaatregelen en de door de wet aan de justitieassistenten - ambtenaren van het bestuur Justitiehuizen van de FOD Justitie - toegewezen taak als begeleiders van de onder probatie gestelden, is een eventueel voorstel tot stopzetting van de probatiemaatregel(en), dat dus niet op therapeutische gegevens is gegrond maar wel kan steunen op een door de tussenkomende arts, met eerbiediging van het beroepsgeheim, uitgebracht verslag, normaal onderdeel van hun door de wet aangewezen taak.

Deze opmerkingen gelden mutatis mutandis voor de andere procedures die voorzien zijn in het punt 1 van de overeenkomst.

Continuïteit van de zorg12/05/2007 Documentcode: a117005
Weigering van verdere medische zorg door spoedarts

Een provinciale raad stuurt een brief door van de hoofdgeneesheer en een chirurg-spoedarts van een ziekenhuis die vragen welke houding zij moeten aannemen tegenover patiënten met wie zij een conflict hebben of gehad hebben.
Eenmaal de arts op de spoeddienst er zich uiteraard heeft van vergewist dat er geen hoogdringende pathologie aanwezig is of indien het onmiddellijke gevaar geweken is, kunnen problemen rijzen in volgende situaties :

a) vertrouwensbreuk bij de spoedarts :

  • patiënten die zich bij vorige aanmeldingen misdadig/baldadig hebben gedragen tegenover de spoedarts;
  • patiënten die een gerechtelijke procedure tegen de spoedarts hebben ingeleid bij een rechtbank;

b) vertrouwensbreuk bij het ziekenhuis :

  • patiënten die door vroeger misdadig gedrag niet meer in het ziekenhuis mogen worden opgenomen.

Advies van de Nationale Raad :

Naar aanleiding van deze vraag wijst de Nationale Raad op artikelen 6 en 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer :

“Art. 6
Elke geneesheer moet, ongeacht zijn functie of specialiteit, onverwijld hulp bieden aan een zieke die in onmiddellijk gevaar verkeert.

Art. 28
Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de geneesheer steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren.
De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt.”

De Nationale Raad is van mening dat in uitzonderlijke omstandigheden de spoedarts mag weigeren een patiënt verder te verzorgen na zich ervan vergewist te hebben dat er geen hoogdringende pathologie aanwezig is. Er dient in dergelijke situaties steeds in eer en geweten geoordeeld en rekening gehouden te worden met de globale context. Het spreekt vanzelf dat de spoedarts dient te voldoen aan de voorwaarden die beschreven zijn in de artikelen 6 en 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer. Dit betekent dat de arts dient te overleggen met de patiënt en eventueel ook met zijn naastbestaanden, dat hij dient in te staan voor de continuïteit van de zorg en alle nuttige inlichtingen dient te verstrekken aan de geneesheer die zijn taak overneemt. In de praktijk betekent dit ook dat de spoedarts een aantal initiatieven dient te nemen en de verdere opvang, verzorging en behandeling dient te garanderen. De behandelend arts dient alleszins te worden ingelicht. In een aantal gevallen zal de sociale dienst van het ziekenhuis dienen te worden ingeschakeld.

Commercialisatie van de geneeskunde12/05/2007 Documentcode: a117003
Medewerking van artsen aan beurzen in verband met cosmetische behandelingen

Een product manager wil een infobeurs inrichten waar allerhande schoonheidsproducten, -behandelingen en –operaties worden voorgesteld in combinatie met een lezingenprogramma waarin alle voor- en nadelen ten behoeve van het grote publiek besproken worden. Zij vraagt welke de richtlijnen van de Nationale Raad zijn met betrekking tot de medewerking van artsen aan dergelijke cosmetische beurzen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad verwijst in de eerste plaats naar artikel 10 van de Code van geneeskundige plichtenleer onder titel I, hoofdstuk II betreffende de algemene plichten van de geneesheer, en naar de artikels 12 tot 17 van de Code onder titel I, hoofdstuk III betreffende publiciteit. De teksten van deze artikels luiden als volgt:

“Titel I, Hoofdstuk II Algemene plichten van de geneesheer.

Art. 10

De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat.

Titel I, Hoofdstuk III Publiciteit.

Art. 12

Mits naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen geneesheren hun medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

Art. 13

§1. De verstrekte informatie dient waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk te zijn. Zij mag in geen geval misleiden. Zij mag niet vergelijkend zijn.
Resultaten van onderzoeken en behandelingen mogen niet voor publicitaire doeleinden worden aangewend.

§2. Publiciteit mag het algemeen belang inzake de volksgezondheid niet schaden. Zij mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen.
Ronseling van patiënten is niet toegelaten.
De campagnes voor preventie en vroegdetectie dienen wetenschappelijk onderbouwd te zijn en vereisen de voorafgaande toelating van de bevoegde ordinale instantie.

§3. Bij het voeren van publiciteit dienen de geneesheren de regels van het medisch beroepsgeheim te eerbiedigen.

Art. 14

De verwoording en vormgeving van de publiciteit evenals de hierbij gebruikte methoden en technieken - inclusief internetsites, naamborden, briefhoofden en vermeldingen in gidsen - moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 13.

Art. 15

Geneesheren dienen zich daadwerkelijk te verzetten tegen elke door derden gevoerde publiciteit, betreffende hun medische activiteit, die de bepalingen van dit hoofdstuk niet naleeft.

Art. 16

Geneesheren mogen hun medewerking verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek. Hierbij dienen de bepalingen van dit hoofdstuk nageleefd te worden.

De geneesheer zal voorafgaandelijk de provinciale raad waarbij hij ingeschreven is inlichten over zijn medewerking met de media.

Art. 17

Wanneer patiënten door de media betrokken worden bij het informeren van het publiek mogen geneesheren alleen meewerken voor zover de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van deze patiënten geëerbiedigd worden. In die omstandigheden dienen de geneesheren er zich van te vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd werden en vrij toestemden tot medewerking.”

Op grond van artikel 10 stelt de Nationale Raad dat de medewerking van artsen aan beurzen met handelskarakter niet aanvaardbaar is. Noch de medewerking van artsen op dergelijke beurzen, noch het vermelden van de namen van artsen en/of ziekenhuizen op de beurs of de aankondiging/folders zelf is deontologisch aanvaardbaar.

De Nationale Raad meent daarenboven dat de deelname van artsen aan een seminarieprogramma met voor het brede publiek toegankelijke infosessies tijdens dergelijke beurzen in de regel niet aangewezen is. In eerste instantie kan een patiënt best informatie inwinnen bij zijn huisarts of behandelend arts die beter geplaatst is om de individuele toestand te beoordelen.

Uitzonderlijk kan de deelname van een arts aan een seminarieprogramma met infosessies in overweging genomen worden mits de betrokken arts een op wetenschappelijk vlak erkende autoriteit is, zijn naam niet vermeld wordt noch in de aankondiging, noch in folders of brochures, en ook niet nadien in enige vorm van verslaggeving.

De Nationale Raad verwijst in het bijzonder ook naar alinea 1 van artikel 16 van de Code van geneeskundige plichtenleer, volgens dewelke geneesheren hun medewerking mogen verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek. Dit betekent dat de deelname enkel kan indien het informatieve karakter niet bijkomstig is. Bovendien herinnert de Nationale Raad eraan dat de arts zijn deelname dient te melden aan de Provinciale Raad waarbij hij ingeschreven is.

Informatica03/03/2007 Documentcode: a116004
Advies van de Nationale Raad in verband met het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het Gezondheidsinformatiesysteem

SAMENVATTING AANBEVELINGEN AAN DE ARTSEN

Wat het operationele luik betreft

- De toestemming

De Nationale Raad zet de artsen ertoe aan het systeem van de afzonderlijke toestemming te volgen zoals beschreven in artikel 19, § 3, van het decreet van 16 juni 2006, bij gebrek aan een andersluidende overeenkomst met de patiënt.

De zogenaamde “algemene” toestemming kan slechts toegepast worden rekening houdend met de redelijke verwachtingen van de patiënt.

- Het beroepsgeheim

De Nationale Raad herinnert er bovendien aan dat de principes van het gedeeld beroepsgeheim niet de facto het recht inhouden medische dossiers uit te wisselen. Enkel de gegevens die “noodzakelijk zijn om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te verzekeren” (artikel 19) mogen worden uitgewisseld.

- Inzage in het individuele gezondheidsdossier

De Nationale Raad is van oordeel dat de inzage in het medisch dossier slechts mogelijk is op uitdrukkelijke vraag van de patiënt.

Wat het epidemiologische luik betreft

- De informatie

Bij gebrek aan uitdrukkelijke toestemming dient de zorggebruiker ten minste volledig geïnformeerd te worden en de mogelijkheid te krijgen zijn recht op verzet te doen gelden.

- Het verzet

De Nationale Raad spoort de artsen ertoe aan de patiënt op de hoogte te brengen van de mogelijkheid zich te verzetten tegen de verwerking van zijn gegevens in het kader van het epidemiologische informatiesysteem evenals van de vorm van dit verzet.

De arts moet ervoor zorgen dat de gegevens waarvan de patiënt de verwerking weigerde niet opgenomen worden in de elektronische registratie noch in het bronbestand.

Hetzelfde geldt voor de gegevens betreffende derden.

AANBEVELINGEN AAN DE VLAAMSE REGERING EN/OF VLAAMSE PARLEMENTSLEDEN

- De toestemming

De Nationale Raad vraagt meer duidelijkheid over de mogelijkheid gebruik te maken van de stilzwijgende toestemming en over de modaliteiten ervan.

Hij is in elk geval van oordeel dat het principe van stilzwijgende toestemming zeker niet algemeen toegepast kan worden.

- De informatie

De Nationale Raad spoort de Vlaamse Regering ertoe aan, met eerbiediging van de deontologische regels, de wijze vast te leggen waarop de artsen concreet de patiënten zullen dienen in te lichten in de zin van artikel 42 van het decreet.

- Het verzet

De Nationale Raad vraagt de afschaffing van de voorwaarde die wordt gesteld om zich te kunnen verzetten tegen de verwerking van persoonlijke gegevens, met name zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met een bijzondere situatie.

De vorm van het verzet dient bovendien aanzienlijk vereenvoudigd te worden : het gewoon vermelden van het verzet in het medisch dossier zou moeten volstaan.

De Nationale Raad dringt er ook op aan dat de gelabelde software gebruikt in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem op eenvoudige wijze de mogelijkheid zou bieden bepaalde gegevens niet op te nemen in de automatische registratie.

- Rechten van de minderjarige patiënt

De Nationale Raad vraagt meer duidelijkheid aangaande de bestaande tegenstrijdigheden tussen de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en het decreet van 16 juni 2006 inzake :

  • het begrip “ouders”
  • de leeftijdsgrens voor de zelfstandige uitoefening van zijn rechten door de minderjarige patiënt.
- Het beroepsgeheim

De Nationale Raad dringt er bij de Vlaamse regering op aan dat de definitie van de aard en het type van de pseudo-identiteiten, in toepassing van artikel 14, duidelijk zou zijn.

De Nationale Raad vraagt ook dat de informatieknooppunten en de intermediaire organisaties niet zelf een link kunnen leggen tussen de pseudo-identiteiten en de identiteiten.

De bescherming van de persoonlijke levenssfeer

De Nationale Raad verwerpt de centralisatie bij één enkele instantie van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten en in het bijzonder van de gegevensoverdracht (zie het advies van de Nationale Raad van 26 november 2005 over het BeHealthproject, TNR nr. 111, p.5).

De Nationale Raad zal nauwlettend toezien hoe de Vlaamse Regering de onafhankelijkheid van de verschillende instanties zal bewerkstelligen.

De Nationale Raad vraagt ook om vertegenwoordigd te zijn in de toezichtcommissie, en, vervolgens, in het sectorale comité, bedoeld in artikel 88.

ADVIES

In zijn vergadering van 20 januari 2007 heeft de Nationale Raad het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem besproken.

De Raad betreurt niet geraadpleegd te zijn geweest in de voorbereidende fase van het decreet daar dit belangrijke gevolgen kan hebben in verband met de rechten van de patiënt alsook in verband met het beroepsgeheim.

De Nationale Raad acht het noodzakelijk enkele – niet exhaustieve - opmerkingen omtrent het decreet te formuleren, die op een constructieve wijze kunnen bijdragen aan het tot stand brengen van de toekomstige uitvoeringsbesluiten van het decreet.

A/ RECHTEN VAN DE PATIENT

De voornaamste begunstigden van het gezondheidsinformatiesysteem zouden in principe de patiënten moeten zijn, zowel in het operationele als in het epidemiologische informatiesysteem.

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt is een belangrijke stap geweest in de erkenning van deze rechten. Deze wet heeft de belangrijkste rechten van de patiënten omschreven.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat het decreet onvoldoende getoetst werd aan de vereisten uitgaande van de rechten van de patiënt.

1/Toestemming

Artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 bepaalt :

“De patiënt heeft het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.
Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden”.

Dit artikel streeft naar transparantie in de relatie arts-patiënt. De vrije en vooringelichte toestemming van de patiënt is een voorwaarde van het vertrouwen tussen de zorggebruiker en de beroepsbeoefenaar.
Het gezondheidsinformatiesysteem brengt dit vertrouwen in gevaar zowel in het operationele als in het epidemiologische informatiesysteem.

1.1 Het operationele informatiesysteem

Artikel 19 van het decreet legt de toestemming van de zorggebruiker op als voorwaarde voor de uitwisseling van gegevens in het kader van het operationele informatiesysteem.

De derde, vierde en vijfde paragrafen van dit artikel zijn echter verontrustend.

De Nationale Raad maakt hieromtrent de volgende opmerkingen :

De “afzonderlijke toestemming”

Artikel 19, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 luidt als volgt : “De zorggebruiker kan vragen dat zijn toestemming wordt gevraagd voor elke specifieke overzending van gegevens afzonderlijk. Hij kan evenwel ook aan een zorgverstrekker of organisatie met terreinwerking een toestemming geven voor alle specifieke overzendingen van gegevens in een bepaalde of onbepaalde periode, met dien verstande dat hij die toestemming kan beperken tot bepaalde categorieën van gegevens en bepaalde categorieën van zorgverstrekkers of organisaties met terreinwerking en dat hij ze op elk ogenblik kan intrekken”.

De Nationale Raad verheugt zich erover dat de patiënt kan vragen dat zijn toestemming afzonderlijk wordt gevraagd voor elke specifieke overzending van gegevens. Bij gebrek aan andersluidende overeenstemming is het de evidentie zelve dat het regime van de “afzonderlijke toestemming” gevolgd dient te worden.

De “algemene toestemming”

De Nationale Raad kan niet aanvaarden dat de zorggebruiker, voor een onbepaalde periode, zijn toestemming geeft voor alle specifieke uitwisselingen (artikel 19, §3). Een dergelijke toestemming komt overeen met het geven van een blanco volmacht aan de arts. In dit geval kan er geen sprake zijn van “vooringelichte toestemming”.

Uit artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 volgt duidelijk dat de arts de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt dient te verkrijgen wanneer hij, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming niet kan afleiden.

De Nationale Raad leidt hieruit af dat de arts, binnen het systeem van de “algemene toestemming”, altijd rekening zal moeten houden met de redelijke verwachtingen van de individuele patiënt : de uitdrukkelijke toestemming van de zorggebruiker is vereist voor alle gegevensuitwisselingen waaraan de patiënt zich niet redelijkerwijze kan verwachten. De Nationale Raad beveelt de artsen aan bijzonder voorzichtig te zijn hieromtrent.

De “stilzwijgende toestemming”

Artikel 19, § 4, van het decreet betreffende het gezondheidsinformatiesysteem bepaalt :
“ In afwijking van § 1 en voor zover de zorggebruiker zich niet tegen het overzenden van de gegevens verzet, wordt de toestemming verondersteld stilzwijgend verkregen te zijn als de overzending van de gegevens gebeurt :

  1. naar aanleiding van een verwijzing die deel uitmaakt van de lopende zorgverlening;
  2. in het kader van samenhangende activiteiten van zorgverlening;
  3. in het kader van samenhangende activiteiten van een preventieprogramma”.

De Nationale Raad deelt principieel het volgende standpunt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer :
“Artikel 19, § 4, van het voorontwerp van decreet stelt dat de toestemming 'stilzwijgend' kan verkregen zijn wanneer de overzending gebeurt naar aanleiding van een verwijzing binnen een lopende behandeling of preventieactiviteit.
De uitwisseling van persoonsgegevens tussen de leden van een behandelingsteam en de beroepsbeoefenaars die daarin worden opgenomen met instemming van de zorgontvanger behoort tot de normale verwachting van de zorgontvanger en behoeft geen expliciete toestemming.
Wanneer het echter gaat om een doorverwijzing naar een ander behandelingsteam, is de Commissie van oordeel dat het niet langer vanzelfsprekend is om de toestemming te veronderstellen”
(1).

De Nationale Raad kan vanuit deontologisch standpunt aanvaarden dat de toestemming voor gegevensuitwisseling tussen de leden van een bepaald behandelingsteam stilzwijgend wordt gegeven, voor zover het behoort tot de normale verwachtingen van de patiënt.

Wettelijk is dit niet evident. Zoals de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer opmerkt : “Elke vorm van stilzwijgende toestemming is onwettig in het licht van art. 7 van de wet van 8 december 1992.”(2).

Over het artikel 19, § 4, van het decreet schrijft deze Commissie het volgende :
“De Commissie meent dat het niet mogelijk is om in decretale regelgeving afwijkingen van federale regels op te nemen die aan de rechtsonderhorige een lager beschermingsniveau zou verstrekken. De wettelijke bepaling die in het hoogste beschermingsniveau voor de burger voorziet, primeert.”(3).

Gezien de strijdigheid tussen, enerzijds, artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, anderzijds, artikel 19, § 4, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem, beveelt de Nationale Raad aan de uitdrukkelijke toestemming van de zorggebruikers te vragen alvorens gegevens uit te wisselen binnen het operationele informatiesysteem.

In dat opzicht vraagt de Nationale Raad aan de wetgever meer duidelijkheid.

Het epidemiologische informatiesysteem

De uitwisseling van gezondheidsgegevens binnen het epidemiologische informatiesysteem vergt wettelijk geen toestemming van de zorggebruiker.

Artikel 47 van het decreet bepaalt dat de patiënt zich wel kan verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie of in het bronbestand, maar dit enkel wegens “zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie”(4).

Informatieplicht

De uitwisseling van gegevens is noodzakelijk om het Vlaamse gezondheidsbeleid zo veel mogelijk op evidentie te steunen en om zijn doeltreffendheid en doelmatigheid te evalueren.

Dit belet niet dat de rechten van de patiënt geëerbiedigd dienen te worden. Bij gebrek aan uitdrukkelijke toestemming dient de zorggebruiker ten minste volledig geïnformeerd te worden en de mogelijkheid te krijgen zijn recht van verzet te doen gelden.

Artikel 42 van het decreet regelt de kennisgeving van het gezondheidsinformatiesysteem aan de zorggebruiker.

Dit artikel luidt als volgt :

Ҥ 1. De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier brengt de zorggebruiker en, als de zorggebruiker jonger is dan 14 jaar, zijn ouders ervan op de hoogte dat een elektronische registratie wordt bijgehouden en dat de gegevens die daarin voorkomen, kunnen worden aangewend in het kader van het operationele en het epidemiologische informatiesysteem.
Als een zorggebruiker zich in een wettelijke of kennelijke toestand van onbekwaamheid tot uiten van zijn wil bevindt, gebeurt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de persoon zoals bepaald in artikel 19, § 2.
§ 2. Onverminderd de informatie die meegedeeld wordt overeenkomstig de regelgeving ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en voor zover de zorggebruiker er nog niet van op de hoogte is, worden bij de kennisgeving ten minste de volgende inlichtingen verstrekt :

  1. de categorieën van gegevens die in de elektronische registratie worden bijgehouden, met opgave van de categorieën van gegevens die in het bronbestand worden opgenomen;
  2. de categorieën van zorgverstrekkers en organisaties met terreinwerking aan wie in het kader van het operationele informatiesysteem gegevens kunnen worden overgezonden;
  3. de naam van de intermediaire organisatie waaraan gegevens worden overgezonden in het kader van het epidemiologische informatiesysteem;
  4. de wijze waarop het recht van inzage van de gegevens in het individuele gezondheidsdossier en in de elektronische registratie uitgeoefend kan worden;
  5. de wijze waarop tegen de aanwending van de gegevens in het operationele of het epidemiologische informatiesysteem verzet kan worden aangetekend;
  6. de wijze waarop met de toezichtcommissie in contact kan worden getreden.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop ze gebeurt”.

De Nationale Raad hecht bijzonder veel belang aan de wijze waarop de Vlaamse Regering deze kennisgeving zal organiseren.

Het spreekt voor zich dat het verschaffen van al de voorziene informatie bij elke raadpleging praktisch niet haalbaar is.

Het kenbaar maken van de wettelijk vereiste informatie in de wachtkamers van artsen beantwoordt niet aan de deontologische regels betreffende de informatieplicht.

Redenen van verzet

Artikel 47 voorziet dat de patiënt zich kan verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie en in het bronbestand “wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie”.

De relatie arts-patiënt wordt hierdoor ernstig geschaad. Een patiënt zou zich bv. niet kunnen verzetten tegen de opname van zijn gegevens als hij/zij geen vertrouwen heeft in de anonimisering van de gegevens : het heeft geen verband met zijn bijzondere situatie. De Nationale Raad kan dit niet aanvaarden en wenst de afschaffing van de voorwaarden tot verzet.

Artikel 47 brengt ook grote moeilijkheden met zich wat betreft de automatische extractie van de gegevens uit het individuele gezondheidsdossier, zoals voorzien in artikel 13, §1, 2de lid, van het decreet5. De Nationale Raad merkt ook op dat de patiënt zich zelden verzet tegen de opname van zijn gegevens maar wel tegen de uitwisseling ervan. De zorgverstrekker moet erover waken dat de gegevens in het elektronisch dossier waarvan de patiënt de uitwisseling weigert, niet opgenomen worden in de elektronische registratie. Indien de gegevens uit het individuele gezondheidsdossier automatisch worden omgezet zou de gebruikte software voor de automatische extractie de mogelijkheid moeten bieden bepaalde gegevens niet op te nemen.

Vorm van het verzet

Artikel 47, §2, bepaalt :
”Het verzet, bedoeld in § 1, wordt schriftelijk meegedeeld aan de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier. Het wordt gedagtekend en ondertekend en de voor het verzet ingeroepen redenen die verband houden met de bijzondere situatie van de zorggebruiker, worden gemotiveerd.
De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier maakt melding van het verzet in het individuele gezondheidsdossier”.

De Nationale Raad is van mening dat de vormvoorwaarden van het verzet te zwaar zijn : deze zijn van aard de patiënt te ontmoedigen hun recht op verzet te doen gelden.

Het louter vermelden van het verzet in het gezondheidsdossier dient te volstaan.

2/ Inzage in het individueel gezondheidsdossier en in de elektronische registratie

Het recht op inzage in het individueel gezondheidsdossier en in de elektronische registratie is voorzien in artikel 43.

De eerste paragraaf ervan bepaalt :
“De zorggebruiker heeft het recht om, rechtstreeks of door tussenkomst van een vrij door hem gekozen beroepsbeoefenaar van de gezondheidszorg, inzage te nemen van de gegevens die over hem worden bijgehouden in het individuele gezondheidsdossier en in de elektronische registratie. Gegevens die betrekking hebben op een derde zijn uitgesloten van dat recht van inzage.
De zorggebruiker heeft ook het recht om inzage te nemen van de persoonlijke notities die hem betreffen, mits die inzage onrechtstreeks gebeurt door tussenkomst van een vrij door de zorggebruiker gekozen beroepsbeoefenaar van de gezondheidszorg”.

De Nationale Raad is van oordeel dat de inzage slechts kan gebeuren op verzoek van de patiënt, gericht aan de arts die het dossier heeft opgesteld. De redenen hiervoor zijn dat de arts wettelijk verplicht is de gegevens die derden betreffen uit te sluiten van het recht op inzage (artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt) en dat de arts in het belang van de patiënt de therapeutische exceptie zal kunnen toepassen (artikel 7, § 4, wet van 22 augustus 2002).

De Nationale Raad verwijst hieromtrent naar zijn hierbij gevoegde advies van 20 januari 2007 betreffende de rechtstreekse inzage door de patiënt in zijn elektronisch medisch dossier.

3/ Rechten van de minderjarige patiënt.

Hoofdstuk IV van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt gaat de vertegenwoordiging van de patiënten aan.

Wat de minderjarige patiënten betreft, stelt artikel 12 het volgende :
“§ 1. Bij een patiënt die minderjarig is, worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in deze wet opgesomde rechten kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend”.

3.1. Over het begrip “ouders”

Het decreet van 16 juni 2006 bepaalt dat in het kader van het gezondheids-informatiesysteem, de rechten van de patiënt jonger dan veertien jaar, uitgeoefend worden door zijn ouders (zie artikelen 19, 42, 43, 47).

De term “ouders” wordt in het decreet in artikel 2, 13°, als volgt gedefinieerd :
“de titularissen van het ouderlijke gezag of de personen die in rechte of in feite een minderjarige onder hun hoede hebben”.

Krachtens de wet betreffende de rechten van de patiënt worden de rechten van de minderjarige patiënt uitgeoefend door de “ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen”. Krachtens het decreet zouden bv. de stiefouder in een nieuw samengesteld gezin deze rechten ook kunnen uitoefenen.

De strijdigheid tussen de Federale en de Vlaamse wetteksten moet worden opgelost, in het belang van de minderjarigen. Een overleg tussen de federale en decretale wetgevers is dan ook noodzakelijk. De federale commissie “Rechten van de patiënt” zou ook bij dit overleg betrokken kunnen worden.

Over de leeftijdsgrens

De Nationale Raad stelt ook vast dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de zelfstandige uitoefening van zijn rechten door de minderjarige patiënt.

De wet betreffende de rechten van de patiënt legt in tegenstelling tot het decreet hiervoor geen leeftijdsgrens vast,.

De Nationale Raad deelt hieromtrent het standpunt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer :
“Aangaande de invoering in het ontwerp van decreet van een vaste leeftijdsgrens, vastgelegd op veertien jaar, voor de overzending van gegevens (art. 19) en de uitoefening van het inzagerecht (art. 43), wenst de Commissie op te merken dat dergelijke leeftijd weliswaar kan worden aangewend als leeftijd waarnaar men zich kan richten, maar deze niet mag worden aangewend als een absoluut criterium waarvan afwijking niet mogelijk zou zijn. Gelet op de onmogelijkheid om voor alle individuen op eenvormige wijze het ogenblik vast te stellen waarop deze geacht worden over voldoende maturiteit te beschikken om op volledig zelfstandige wijze hun rechten uit te oefenen, dient steeds in de mogelijkheid te worden voorzien dat de zorgverstrekker ten opzichte van jongeren die zich onder deze leeftijdsgrens bevinden, kan oordelen dat voldoende maturiteit werd verworven om zelfstandig op te treden”(6).

B/ BEROEPSGEHEIM

Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 16 juni 2006 betreffende het gezondheidsinformatiesysteem streeft naar optimalisering van de gegevensuitwisseling tussen zorgverstrekkers om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te “verzekeren” en om de gezondheidszorg beter te kunnen evalueren (artikel 4).

De leden van de Nationale Raad leiden uit hun geneeskundige ervaring af dat de uitwisseling van gegevens nuttig is voor de kwaliteit van de zorg.

Zij weten ook dat het beroepsgeheim een voorwaarde vormt voor het - niet minder noodzakelijke - vertrouwen in de arts-patiëntrelatie.

De Nationale Raad vreest dat enkele bepalingen van het decreet van 16 juni 2006 het beroepsgeheim op de helling zetten.

1/ Het operationele informatiesysteem

1.1. toegankelijkheid tot gegevens vs. toegankelijkheid tot het dossier

Het decreet van 16 juni 2006 voorziet in de uitwisseling van gezondheidsgegevens. Nooit is er sprake van uitwisseling van gezondheidsdossiers. De artikelen 10 en 19 laten hieromtrent geen twijfel bestaan. De gegevens die in aanmerking komen voor uitwisseling zijn deze die “noodzakelijk zijn om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te verzekeren” (artikel 19).

In de praktijk is het duidelijk dat de gebruiksvriendelijkheid van de software doorslaggevend zal zijn voor de effectieve uitwisseling van gegevens uit het individuele gezondheidsdossier. De software moet de mogelijkheid bieden de gegevens uit de gezondheidsdossiers gemakkelijk te klasseren enerzijds, en gegevens gemakkelijk uit te sluiten van de uitwisseling, anderzijds. Om in de praktijk te worden gebruikt moet de software gebruiksvriendelijk genoeg zijn om de arts toe te laten het beroepsgeheim te eerbiedigen.

De Nationale Raad vraagt aan de voor het labelen van de software bevoegde overheden om hiermee rekening te houden.

1.2. voorwaarden van het gedeeld beroepsgeheim

Het beroepsgeheim kan onder bepaalde omstandigheden gedeeld worden.

Deze mogelijkheid wordt echter door enkele voorwaarden afgebakend. De toepassing van het begrip “gedeeld beroepsgeheim” vergt niet alleen dat de bestemmeling van de vertrouwelijke informatie gebonden is door het beroepsgeheim. Enkel de informatie nodig voor de continuïteit en voor de kwaliteit van de zorg van de patiënt dient gedeeld te worden. De overdracht van de gegevens moet tevens gebeuren met toestemming van de patiënt.

De praktische toepassing hiervan vergt dat de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier, in geval van een gezamenlijk gezondheidsdossier zoals bedoeld in artikel 6 van het decreet, uitsluitend een behandelende arts mag zijn.

Deze opmerking geldt ook voor de verantwoordelijke voor het individueel gezondheidsdossier waarvan sprake in de artikelen 44, 45 en 46.

Wat betreft de toepassing van de voorwaarden van het gedeeld beroepsgeheim in de centra voor leerlingenbegeleiding verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 21 oktober 2006 (7) .

1.3. Medische dossiers zoals bedoeld in artikel 11 van het decreet

De Nationale Raad merkt ook op dat artikel 11 van het decreet niet de nodige garanties biedt voor de efficiëntie van het operationele informatiesysteem en de eerbiediging van het beroepsgeheim.

Het multidisciplinair dossier

Artikel 11, § 1, van het decreet bepaalt voor de centra voor leerlingenbegeleiding dat het multidisciplinair dossier bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding als individueel gezondheidsdossier geldt in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem.

In zijn advies van 21 oktober 2006 betreffende het beheer van medische dossiers in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft de Nationale Raad aangetoond dat in toepassing van de regels van het gedeeld beroepsgeheim, de CLB-arts een medisch dossier dient bij te houden naast het multidisciplinair dossier, dat beperkt dient te blijven tot de gegevens die relevant zijn voor de pedagogische begeleiding van het kind (8).

De gegevens die relevant zijn voor de continuïteit van de zorg van het kind, alsook trouwens voor de epidemiologische onderzoeken, worden dus niet altijd geregistreerd in het multidisciplinair dossier bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1998.

Het algemeen medisch dossier (AMD)

Artikel 11, § 4, bepaalt :
“Voor de huisartsen geldt het algemene medische dossier, bedoeld in artikel 35duodecies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, als individueel gezondheidsdossier en zijn, voor zover ze afwijken van artikelen 6 tot en met 9 en artikel 10, tweede lid, de bepalingen van dat dossier van toepassing. “

Het algemeen medisch dossier zoals bedoeld in artikel 35duodecies van het KB nr. 78, ook globaal medisch dossier genoemd (zie artikel 1, §4, van het KB 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier), belet niet dat een patiënt meerdere huisartsen kan raadplegen. Bovendien is de patiënt niet verplicht een huisartsbeheerder van het algemeen medisch dossier aan te duiden : de patiënt heeft dus niet altijd een AMD.

Uit artikel 11, § 4, van het decreet blijkt dat het gezondheidsinformatiesysteem slechts gebruikt zal worden voor patiënten waarvan een AMD bijgehouden wordt.

2/ Het epidemiologische informatiesysteem

De Nationale Raad stelt vast dat de eerbiediging van het beroepsgeheim in het kader van het epidemiologische informatiesysteem grotendeels afhangt van de aard van de gegevens opgenomen in het bronbestand.

De bronbestanden die aan de intermediaire organisaties en aan de informatieknooppunten worden meegedeeld bevatten niet enkel anonieme gegevens (zie artikel 2, 10°).

De meeste gegevens in bezit van de informatieknooppunten en van de intermediaire organisaties kunnen nog in verband worden gebracht met een geïdentificeerde of een identificeerbare persoon.

De Nationale Raad betreurt dat de gegevens niet anoniem worden meegedeeld. Noch de wetenschappelijke, noch de economische belangen kunnen het door de patiënt genomen risico op het gebied van zijn persoonlijke levenssfeer rechtvaardigen.

Daar het decreet nu gestemd en gepubliceerd is, dringt de Nationale Raad er bij de Vlaamse Regering op aan om, op een grondige wijze, de aard en het type van pseudo-identiteiten te bepalen, in toepassing van artikel 14.

De Nationale Raad wenst ook dat de informatieknooppunten en de intermediaire organisaties niet zelf een link kunnen leggen tussen de pseudo-identiteiten en de identiteiten.

De beroepsbeoefenaren moeten ervoor zorgen dat de elektronische registratie inhoudelijk niet verwijst naar de identiteit van de patiënt. De patiënt zou slechts via zijn pseudo-identiteit geïdentificeerd kunnen worden. Zij moeten er ook over waken dat de gegevens betreffende derden niet opgenomen worden in de elektronische registratie.

C/ PERSOONLIJKE LEVENSSFEER

Het decreet van 16 juni 2006 brengt verschillende vragen met zich op het gebied van de bescherming van de privacy van de patiënten.

Vooral de onafhankelijkheid van de informatieknooppunten en van de intermediaire organisaties ten opzichte van de latere verantwoordelijke voor de verwerking wordt in vraag gesteld.

De Nationale Raad verwerpt de centralisatie, bij één enkele instantie, van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten, en in het bijzonder, van de gegevensoverdracht (zie het advies van de Nationale Raad van 26 november 2005 over het Behealthproject, TNR nr. 111, p. 5).

De Nationale Raad zal nauwlettend toezien hoe de Vlaamse Regering de onafhankelijkheid van deze verschillende instanties zal bewerkstelligen.

De Nationale Raad vraagt ook om vertegenwoordigd te zijn in de toezichtcommissie, voorzien in het hoofdstuk VI en, vervolgens, in het sectorale comité, bedoeld in artikel 88.

D/ HAALBAARHEID

Bij het lezen van de bepalingen van het decreet, heeft de Nationale Raad twijfels over de praktische uitvoerbaarheid ervan.

De informatisering

Het decreet berust volledig op het postulaat dat de gezondheidsberoepsbeoefenaren over het aangepaste informaticamateriaal beschikken en hun patiëntendossiers beheren via specifieke programma’s die onderling compatibel zijn. De volledige en georganiseerde informatisering van alle gezondheidsberoepsbeoefenaren vraagt tijd en wilskracht. We mogen gerust twijfelen aan de reële toepassingsmogelijkheden op het terrein, momenteel en op middellange termijn, van de maatregelen waarop het decreet aandringt.

De financiering

De veralgemeende informatisering van de gezondheidsdossiers vertegenwoordigt een belangrijke kostprijs.
Het decreet preciseert niet hoe de maatregelen die erin vooropgesteld worden gefinancierd zullen worden en welk budget eraan besteed zal worden. Het ligt echter voor de hand dat de praktische toepassing van de bepalingen van het decreet grotendeels zal afhangen van de toegekende financiering.
De Nationale Raad stelt zich bijgevolg vragen bij de financiële haalbaarheid van het decreet.

De informatieplicht

Artikel 42 van het decreet regelt de kennisgeving van het gezondheidsinformatiesysteem aan de zorggebruiker. De Nationale Raad verwijst hieromtrent naar zijn hierboven gemaakte opmerkingen.

De vraag stelt zich concreet hoe de artsen al de verplichte informaties t.a.v.de patiënten gaan kunnen verschaffen.

Gezondheidsinformatiesysteem/ BeHealth

De Nationale Raad stelt zich vele vragen over de toekomstige compatibiliteit van het gezondheidsinformatiesysteem met het Behealth-platform.

De artsen vrezen administratieve overbelasting door het registreren van al de gegevens voor het gezondheidsinformatiesysteem. Een dubbele registratie dient absoluut vermeden te worden.

De Nationale Raad heeft geen kennis van een overleg tussen de Federale overheid en de Vlaamse Regering hieromtrent (zie artikel 23, § 2, van het decreet).

Administratieve overbelasting

De Nationale Raad stelt ook vast dat het registreren van de persoonsgegevens in het kader van het gezondheidsinformatiesysteem, een belangrijke toename van het administratief werk met zich zal brengen.

De arts mag de gegevens betreffende derden alsook zijn persoonlijke notities niet in zijn elektronisch medisch dossier registreren indien de elektronische registratie op een automatische extractie van de gegevens uit dat dossier berust.

Hij moet erover waken dat het recht van verzet van de patiënt geëerbiedigd wordt, en dat de gegevens in het bronbestand niet rechtstreeks naar een identiteit verwijzen.


1 Advies nr. 05/2004 van 10 mei 2004 “Voorontwerp van decreet van de Vlaamse Regering betreffende het gezondheidsinformatiesysteem”, online : www.privacycommission.be.
2 Ibid.
3 Ibid.
4 Artikel 47 luidt als volgt:
Ҥ 1. De zorggebruiker kan zich, wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, verzetten tegen de opname van zijn gegevens in de elektronische registratie. Dat verzet heeft automatisch als gevolg dat de gegevens niet worden opgenomen in het bronbestand.
De zorggebruiker kan zich, wegens zwaarwichtige en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, verzetten tegen de opname in het bronbestand van de gegevens die over hem zijn opgenomen in de elektronische registratie.
§ 2. Het verzet, bedoeld in § 1, wordt schriftelijk meegedeeld aan de verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier. Het wordt gedagtekend en ondertekend en de voor het verzet ingeroepen redenen die verband houden met de bijzondere situatie van de zorggebruiker, worden gemotiveerd.
De verantwoordelijke voor het individuele gezondheidsdossier maakt melding van het verzet in het individuele gezondheidsdossier.
§ 3. Is de zorggebruiker jonger dan 14 jaar, dan kan het in § 1 bedoelde verzet ook uitgeoefend worden door zijn ouders. In voorkomend geval wordt de zorggebruiker zo veel mogelijk betrokken bij de beoordeling van de door zijn ouders ingeroepen reden voor het verzet en wordt met zijn mening rekening gehouden in verhouding tot zijn maturiteit en beoordelingsvermogen.
Als de zorggebruiker zich in een wettelijke of kennelijke toestand van onbekwaamheid tot uiten van zijn wil bevindt, wordt het in § 1 bedoelde verzet uitgeoefend door de persoon zoals bedoeld in artikel 19, § 2”.
5 Artikel 13, § 1, bepaalt:
“Het individuele gezondheidsdossier vormt de basis van een elektronische registratie, waarin de gegevens uit dat dossier op een uniforme en gestandaardiseerde wijze worden samengevat.
Als het individuele gezondheidsdossier in een elektronische vorm wordt bijgehouden, mag de elektronische registratie ermee samenvallen en berusten op een automatische extractie of omzetting van gegevens uit dat dossier”.
6 Advies nr. 05/2004 van 10 mei 2004 “Voorontwerp van decreet van de Vlaamse Regering betreffende het gezondheidsinformatiesysteem”, online : www.privacycommission.be.
7 online : www.ordomedic.be
8 In het advies van 21 oktober 2006 wordt het volgende bepaald :
“Het multidisciplinair team van de CLB heeft niet tot taak de leerling medisch op te volgen, maar wel pedagogisch. De medische gegevens die enkel belangrijk zijn voor de medische opvolging van het kind, zonder relevant te zijn voor de schoolse begeleiding van de leerling, dienen dan ook niet opgenomen te worden in het multidisciplinair dossier.
De Nationale Raad blijft dan ook van mening dat de de CLB-arts een medisch dossier dient bij te houden naast het aldus beperkte multidisciplinair dossier”.

Aids03/02/2007 Documentcode: a116001
Beroepsgeheim en aids - Mededeling aan partner

Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan partner

Naar aanleiding van de vraag van een arts betreffende het inlichten van de partner(s) van een hiv-seropositieve patiënt bestudeerde een provinciale raad de adviezen die de Nationale Raad hieromtrent verleende. Op 16 december 2000 bevestigde de Nationale Raad zijn advies van 16 oktober 1993 waarin werd gesteld dat, “behoudens uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, het beroepsgeheim verbiedt dat de arts de partners van een seropositieve persoon van de besmetting op de hoogte brengt”.
Op 25 mei 2002 stelde de Nationale Raad dat “in bepaalde omstandigheden andere waarden op het beroepsgeheim kunnen primeren” en dat de noodtoestand die “eerder uitzonderlijk” is maar kan worden ingeroepen wanneer er door de arts een rechtvaardigingsgrond wordt ingeroepen die “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal geaccepteerd worden door de tuchtrechter, de strafrechter en de gemeenschap”.
De provinciale raad meent dat hier toch een zeer zware verantwoordelijkheid bij de arts wordt gelegd en vraagt aan de Nationale Raad om de problematiek omtrent het al dan niet informeren van derden die een belangrijk gezondheidsrisico lopen opnieuw te willen onderzoeken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 3 februari 2007 heeft de Nationale Raad de volgende vragen onderzocht : welke houding moet een arts aannemen ten opzichte van een hiv-seropositieve patiënt die verklaart dat hij weigert de nodige maatregelen te treffen om te vermijden de partner te besmetten (beschermd seksueel contact of onthouding). Kan deze arts, door de noodtoestand in te roepen, de partner inlichten van de seropositiviteit van de patiënt ? Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we verscheidene overwegingen maken.

1. Volgens de jongste voorschriften van de deontologie en van de wet (Strafwetboek) geldt het medische beroepsgeheim voor iedere patiënt en vormt de hiv-seropositiviteit op zich geen uitzonderingscriterium.

2. De huidige strategie tegen aids bestaat uit het opsporen van de hiv-seropositieve patiënten, hun vroegtijdige behandeling en het toepassen van preventiemaatregelen. Het opsporen van de seropositiviteit is de hoeksteen van deze strategie. In België gebeurt het opsporen op vrijwillige basis. Het wordt bevorderd door de waarborg van het medische geheim en zou waarschijnlijk afgeremd worden door het vertrouwensverlies dat de systematische schending van het medische geheim zou meebrengen.

3. Het beroepsgeheim van de arts inzake de seropositiviteit blijkt zowel de gezondheid van de patiënt (de behandeling van de opgespoorde seropositieve patiënt) als de volksgezondheid te baten (dankzij de preventiemaatregelen die de opsporing mogelijk maakt).

4. Het specifieke geval van de bescherming van de vaste seksuele partner kan voor de arts een noodtoestand tot stand brengen die hem toelaat het medische geheim te doorbreken. Dit initiatief kan slechts bij wijze van uitzondering en wanneer de verschillende hiernavolgende stappen ondernomen werden

  1. Herhaaldelijk de patiënt ertoe aanmanen zelf zijn seropositiviteit aan zijn seksuele partner mee te delen.
  2. Alle hulp nodig voor het concretiseren van deze mededeling voorstellen, waaronder de mededeling in aanwezigheid van de arts.
  3. De patiënt op de hoogte brengen van zijn burgerlijke en strafwettelijke aansprakelijkheid wanneer hij/zij handelt op een manier die de gezondheid van zijn/haar seksuele partner ernstig in gevaar brengt.
  4. In het medische dossier van de patiënt zowel de herhaalde pogingen vermelden als zijn volgehouden weigering om de nodige voorzorgen voor de bescherming van de partner te nemen.
  5. Het advies vragen van een collega die specifieke ervaring heeft met de behandeling van hiv-seropositieve patiënten.
  6. De patiënt inlichten over de morele plicht van de arts de partner op de hoogte te brengen teneinde deze te beschermen tegen het gevaar dat het gevolg is van de weigering de nodige maatregelen te treffen voor zijn/haar bescherming.
  7. De mededeling doen na de patiënt ervan verwittigd te hebben.