keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Huisarts28/06/2008 Documentcode: a121011
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Brief aan de voorzitters van de provinciale raden van de Orde der geneesheren.

Advies van de Nationale Raad :

Als gevolg van een aantal reacties op zijn advies van 12 mei 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 117, p. 3) betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van "zaalarts" uit te oefenen, heeft de Nationale Raad in zijn zitting van 28 juni 2008 beslist dit advies op deontologisch vlak aan te passen.

In het eerste gedeelte van zijn advies van 12 mei 2007 stelt de Nationale Raad vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip "zaalarts" in een ziekenhuis bestaat en dat noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een "zaalarts".

De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.

Daarom verzoekt de Nationale Raad de minister van Volksgezondheid de nodige initiatieven te nemen om te voorzien in een wettelijke definitie en een statuut voor de functie van "zaalarts" in een ziekenhuis (cf. bijlage).

Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg onderhevig is aan wijzigingen en dat aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies worden toebedeeld, meent de Nationale Raad dat de samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van "zaalarts" uitoefent, kan worden toegestaan mits rekening gehouden wordt met een aantal deontologische principes.

De "zaalarts" moet beschikken over voldoende competentie om deze functie te verrichten. De ernst en complexiteit van de ziektebeelden in de ziekenhuizen zijn toegenomen en de taakinhoud van de "zaalarts" dient hieraan te worden aangepast.

Het is essentieel dat de supervisie door een arts, erkend in de desbetreffende specialiteit, dient te worden verzekerd.

Onder die voorwaarden aanvaardt de Nationale Raad dat een aantal taken aan de "zaalarts" kunnen worden toevertrouwd, onder meer :

- medebeheer van het dossier;
- opnameprocedure;
- opstellen van een diagnostisch plan samen met een supervisor;
- medeuitvoering van dit plan;
- bijeenbrengen van de resultaten en de adviezen van geraadpleegde specialisten;
- integratie ervan in de diagnostische en therapeutische schema's;
- toezicht op de gevolgen ervan voor de patiënt;
- contactname met de behandelende huisarts die enerzijds vaak over waardevolle informatie beschikt voor het zorgverloop en anderzijds zal instaan voor de opvolging van de patiënt na de opname;
- medewerking aan de continue navorming van het verpleegkundig personeel en de best mogelijk integratie van de nursing in de medische zorg;
- opstellen van een voorlopige ontslagbrief en vervullen van de verschillende administratieve stappen die nodig zijn voor de patiënt.

Dit ontheft de specialist niet van zijn plichten en verantwoordelijkheden.

Om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan deze verschillende opdrachten is de Nationale Raad van mening dat de activiteiten van een «zaalarts» moeilijk verenigbaar zijn met deze van huisarts. In dit verband herinnert hij aan zijn advies van 12 mei 2007 waar uitvoerig gewezen wordt op het controversiële en tegenstrijdige aspect van de combinatie huisartsgeneeskunde en «zaalarts».


Elke samenwerkingsovereenkomst dient voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de Provinciale Raad te worden voorgelegd. Deze dient erover te waken dat de «zaalarts» volwaardig deel uitmaakt van het team en bijgevolg ook in functie van zijn activiteiten correct wordt gehonoreerd (cf. art. 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Bijlage : 1

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Laurette ONKELINX, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

In zijn vergadering van 28 juni 2008 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de problematiek betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van «zaalarts» uit te oefenen.
De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip «zaalarts» in een ziekenhuis bestaat.
De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.
Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de klinische functie van een «zaalarts».
De afwezigheid van een wettelijk statuut van «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis stelt een aantal problemen met zijn rechten en plichten versus die van de ziekenhuisarts. De rechtsverhouding van de «zaalarts» binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk zowel naar de beheerder, de medische raad als naar de ziekenhuisartsen.
Bovendien bestaat er geen aangepaste Riziv-nomenclatuur voor de algemeen geneeskundige die de functie van «zaalarts» in een specialistische dienst van een ziekenhuis uitoefent.
Indien de «zaalarts» effectief het statuut van ziekenhuisarts verwerft, rijzen er vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als huisarts en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden.
Indien de «zaalarts» als ziekenhuisarts zou worden beschouwd, dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisartsen aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de «zaalarts» als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Het probleem is ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.
Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.
Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg wijzigingen ondergaat en er aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies toebedeeld worden, meent de Nationale Raad dat een samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van «zaalarts» uitoefent mogelijk moet zijn.

De Nationale Raad verzoekt u dan ook hieromtrent de nodige initiatieven te willen nemen en een wettelijke regeling te voorzien die het statuut van «zaalarts» definieert.

De Nationale Raad zou het zeer op prijs stellen in de verdere bespreking van dit dossier te worden betrokken.

Huisarts12/05/2007 Documentcode: a117002
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het feit dat meer en meer specialistische diensten in ziekenhuizen een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van zaalarts uit te oefenen.
Deze arts is verantwoordelijk voor de coördinatie en de dagelijkse, niet-strikt specialistische opvolging van de gehospitaliseerde patiënten en neemt ook de administratieve kant van de zorg op zich : ontslagmanagement, brieven, het tijdig en volledig invullen van voorschriften, attesten en aanvragen, het bijhouden van de minimale klinische gegevens (MKG) enz.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip “zaalarts” in een ziekenhuis bestaat.

Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (koninklijk besluit van 7 augustus 1987), noch de wetgeving betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een zaalarts.

De afwezigheid van een wettelijk statuut van “zaalarts” werkzaam in een ziekenhuis, stelt een aantal problemen in verband met de rechten en plichten van “zaalarts”, mutatis mutandis versus die van «ziekenhuisgeneesheer». De rechtsverhouding van de zaalarts binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk : zowel naar de beheerder, de medische raad als de ziekenhuisgeneesheren.

Betreffende de Riziv-nomenclatuur zijn de professionele bevoegdheden van een algemeen geneeskundige zeer beperkt en zeker voor hen “zonder verworven rechten”.

Indien de “zaalarts” effectief het statuut van “ziekenhuisgeneesheer” verwerft stellen zich vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als “huisarts” en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden, onder meer moet het ronselen van patiënten worden vermeden.

Indien de zaalarts als ziekenhuisgeneesheer zou worden beschouwd dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisgeneesheren aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de zaalarts als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Problemen stellen zich ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.

Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als zaalarts werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.

Op deontologisch vlak acht de Nationale Raad het ongepast dat een algemeen geneeskundige als personeelslid in dienst wordt genomen door een groep ziekenhuisartsen met als opdracht een deel van de taken van die ziekenhuisartsen, namelijk het “zaalwerk”, uit te voeren.

De Nationale Raad is van mening dat een dergelijke constructie, waarbij ziekenhuisspecialisten hun minder aantrekkelijke taken (administratie, MKG, opvolgen van de dagdagelijkse pathologie, voorschriften, verslagen enz.) overlaten aan een algemeen geneeskundige, ingaat tegen de geest van een ernstige taakverdeling in de gezondheidszorg.

In die omstandigheden meent de Nationale Raad dat samenwerkingsovereenkomsten tussen specialistische diensten in ziekenhuizen en een algemeen geneeskundige voor de functie van “zaalarts” niet aanvaardbaar zijn.

Relatie huisartsen en ziekenhuisspecialisten20/10/1990 Documentcode: a051001
Huisartsen - Ziekenhuisspecialisten

Huisartsen en ziekenhuisspecialisten

De U.H.A.K. (Unie Huisartsenkringen) heeft aan de Nationale Raad een model van samenwerking tussen huisartsen en ziekenhuisspecialisten voorgelegd. Dit model van samenwerking onderwerpt de betrekkingen tussen huisartsen en ziekenhuisspecialisten aan nauwkeurige en omstandige voorschriften.

De Nationale Raad heeft dit model bestudeerd tijdens zijn vergaderingen van 20 januari 1990 (zie Tijdschrift nr. 48, blz. 17) en 21 april 1990 (zie Tijdschrift nr. 49, blz. 16). Een commissie werd gelast zich te buigen over de "betrekkingen tussen huisartsen en ziekenhuisspecialisten".
De Raad neemt kennis van het ontwerp‑antwoord dat opgesteld werd door de commissie. Behoudens enkele wijzigingen wordt de tekst goedgekeurd.

Advies van de Nationale Raad :

Met betrekking tot uw vraag om advies dd. 8 december 1989 betreffende een model van samenwerking tussen de huisartsen en de ziekenhuisgeneesheren, heeft de Nationale Raad de bijgevoegde leidraad goedgekeurd. Deze leidraad werd voorgesteld door de Provinciale Raad van Oost‑Vlaanderen die het document heeft opgesteld na een informatievergadering voor alle artsen van zijn provincie, zowel huisartsen als specialisten.

Deze leidraad plaatst de relatie huisarts‑specialist in een ruimer kader en biedt het voordeel de rechten en plichten zowel van huisartsen als van specialisten te omschrijven met als hoofdbekommernis een soepele samenwerking om het uiteindelijk doel te bereiken : het welzijn van de patiënt.

De Nationale Raad is van oordeel dat de samenwerking tussen de huisartsen en de specialisten in de ziekenhuizen het voorwerp moet uitmaken van gestructureerde contacten tussen beide groepen. De Nationale Raad is tevens van oordeel dat zulke gestructureerde contacten op initiatief van de medische raden der ziekenhuizen moeten plaatsvinden. Tevens dient aan de hand van zo'n regelmatig overleg de relatie tussen beide groepen eventueel bijgestuurd te worden, waarbij rekening gehouden zal worden met het bijgevoegd document (zie Adviezen van Provinciale Raden).

Relatie huisartsen en ziekenhuisspecialisten20/10/1990 Documentcode: a051017
Relatie huisartsen - specialisten

Relatie huisarts ‑ specialist

Tijdens zijn vergadering van 20 oktober 1990 heeft de Nationale Raad zijn goedkeuring gehecht aan een model van samenwerking tussen huisartsen en specialisten. Dit model werd hem voorgelegd door de Provinciale Raad van Oost‑Vlaanderen.

Relatie huisarts ‑ specialist

Memorie van toelichting:

Deze nota heeft ten doel de relatie huisarts ‑ specialist te verbeteren door het opstellen van een gedragscode, door beide disciplines als zinvol ervaren, om een leidraad te kunnen zijn daar waar in die relatie de meeste wrijvingen ontstaan, voornamelijk rond de hospitalisatie.

1. Inleiding

Definitie huisarts-geneeskundig handelen:

  • integrale benadering van de "zieke"
  • synthetisch, over een lange episode van het leven van de zieke
  • vaak in gezinsverband
  • gespreid over raadplegingen en huisbezoeken
  • somatisch‑psychisch‑sociaal‑existentieel gericht
  • eerste lijn

Definitie specialistisch‑geneeskundig handelen:

  • specifieke benadering van "ziekten" zonder evenwel de zieke mens te veronachtzamen
  • diepgaand systematisch onderzoek, diagnostisch + therapeutisch, sterk technologisch ondersteund
  • in principe tijds‑gelimiteerd
  • tweede en derde lijn (academisch)

Er bestaat een onverenigbaarheid in het cumuleren van de taak van huisarts en specialist, ook tijdens de opleiding hiertoe.
Een optimale huisarts ‑ specialistrelatie kan verstoord worden wanneer een patiënt door beiden verzorgd wordt zonder medeweten van mekaar.
Enerzijds dient de huisarts het ganse spectrum van de integrale geneeskunde te beheersen dit ondanks zijn beperkte technische middelen. Hij coördineert, interpreteert alle eigen en specialistische bevindingen in het kader van de familiale, persoonlijke en systeemanamnese van elke patiënt. Hij is de spilfiguur in de gezondheidszorg.
Anderzijds legt de specialist zich toe op één systeem, één orgaan of één ziekte, dient hierover de meest uitgebreide kennis te bezitten en te blijven verwerven. Daar hij steeds meer weet over steeds minder zal hij zijn bevindingen per kerende ten dienste stellen van de "lijf‑arts" van de patiënt.

Goede geneeskunde is daarom meer dan ooit een harmonieus samengaan van beide disciplines.
Er kan geen sprake meer zijn van "mijn" patiënt, maar van "onze" patiënt: naast de "colloque singulier" dient ook tijd gemaakt voor "colloquia" tussen alle geneesheren die samen een patiënt volgens diens vrije keuze behandelen.

Uit wat voorafgaat vloeit voort dat beide groepen geneesheren rechten, plichten, bevoegdheden en beperkingen hebben: zij dienen bijgevolg een deontologische gedragscode te volgen.

2. Referentie Code van geneeskundige Plichtenleer

  • het rechtmatig belang van de patiënt dient steeds centraal te staan;
  • zowel huisarts als specialist dienen strikt de grenzen te respecteren van hun therapeutische en diagnostische vrijheid: ieder werkt binnen de hem toegemeten bevoegdheden, wat ook een beperktheid hiervan impliceert;
  • de vrije keuze van de patiënt dient steeds opgezocht en geëerbiedigd;
  • tussen alle geneesheren dienen collegiale verhoudingen nagestreefd, met als belangrijkste bekommernis: de patiënt;
  • dichotomie, in al haar vormen, is verboden.

3. Communicatie

Belangrijk in de relatie tussen huisarts en specialist is de manier van de bereidheid tot communicatie

3.1.1. Verwijsgedrag:
  • tijdig verwijzen:
    • om medische problemen zo adequaat mogelijk op te vangen;
    • om relatieproblemen te vermijden zowel tussen huisarts ‑ patiënt als huisarts ‑specialist achteraf;
    • ook indien de patiënt weigerachtig staat tegenover verwijzing dient de huisarts de medische noodzaak hiervan aktief te bepleiten;
  • adequaat:
    • de beste keuze van specialist met de vrije keuze van de patiënt als eerste bekommernis;
    • bij verschil van mening tussen de huisarts en de patiënt nopens de keuze van de tweede lijn dient zorgvuldig een compromis gezocht.

Ook indien de patiënt zich rechtsreeks tot de tweede lijn gewend heeft, kan de huisarts de patiënt aanmoedigen toch gegevens tussen hemzelf en de specialist nopens hun beider bevindingen en anamnestisch dossier uit te wisselen.
Dit dient op niet geforceerde manier als een vanzelfsprekendheid met de patiënt vooraf of nadien besproken.

3.1.2. De verwijsbrief:
  • bevat alle relevante gegevens, zo goed mogelijk aangepast aan de aard der verwijzing: cave beroepsgeheim voor de niet‑relevante gegevens;
  • een zekere standaardisering qua vorm dringt zich op: vaste rubrieken met alle administratieve gegevens naast alle relevante anamnestische informatie met referentie naar vorige onderzoeken;
  • duidelijke opgave van eigen coördinaten en bereikbaarheid;
  • voor speciale gevallen (urgenties, delicate informatie...) ondersteund door telefonische contactname.
3.1.3. Keuze van de tweede lijn:

Deze keuze dient bepaald door medische factoren (arts), afgewogen tegen de vrije keuze van de patiënt. Steeds dient zijn rechtmatig belang te primeren boven alle andere.
De zieke zal door de huisarts begeleid worden in zijn vrije keuze van een specialist, behorend tot de aangewezen discipline.

3.1.4. Brieven van de specialist naar de huisarts:

Deze vallen in principe onder de persoonlijke, vertrouwelijke correspondentie. Het dossierbeheer van de huisarts valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid. Het weze herhaald dat de objectieve elementen uit het dossier rechtmatig opgeëist kunnen worden door de patiënt, doch dat alle protocols en door de geneesheer aangebrachte subjectieve elementen eigendom blijven van de arts, zodat hij soeverein kan beslissen of het nuttig is ook deze elementen te overhandigen aan de patiënt. Als objectieve elementen kunnen gelden: labo‑uitslagen, EKG‑ tracé, radiografie..., evenwel zonder de protocols ervan.
Het overhandigen door de huisarts aan de patiënt van brieven en/of geneeskundige verslagen door de specialist gericht aan eerstgenoemde, blijft dan ook een uiterst delicate zaak, eerder behorend tot de uitzondering dan tot de regel.

3.2. Communicatie van specialist naar huisarts
3.2.1. De patiënt werd verwezen voor hospitalisatie:
  • bericht van opname met coördinaten van bereikbaarheid: eerste onmiddellijke brief van intake;
  • eveneens van toepassing bij korte observaties: bv. spoedopname;
  • bij ontslag hoort een voorlopige, met patiënt mee te geven ontslagbrief, waarin vermeld staan: alle belangrijke informatie voor de opvang door de huisarts thuis: directieven voor thuisverzorging die door de huisarts in samenspraak met de patiënt dient georganiseerd. Daarom wordt de huisarts het best minstens één dag vooraf van het ontslag verwittigd. Enkel medicatie voor de eerste dagen na ontslag wordt aan de patiënt meegegeven of voorgeschreven;
  • een volledig definitief verslag wordt achteraf binnen de kortst mogelijke termijn opgestuurd, rechtstreeks aan de huisarts. Een redelijke termijn lijkt ons 10 dagen;
  • moderne technieken zoals modemgestuurde computer, uitwisselbare diskettes, telefax, enz. kunnen hierbij van groot nut zijn, zolang ze geen aanleiding geven tot misbruiken nl. dichotomie en schending van het beroepsgeheim;
  • een tussentijds verslag, schriftelijk of telefonisch, dringt zich op bij definitieve overdracht naar een andere dienst en bij majeure voorvallen. Dit houdt de huisarts perfect op de hoogte van de toestand van de zieke. Het doorverwijzen binnen de tweede lijn mag geen automatisme worden, doch dient steeds te stoelen op een verantwoorde indicatie, gepaard gaande met zoveel mogelijk referte naar het huisartsendossier;
  • de door de huisarts als eerste geconsulteerde specialist blijft, behoudens overdracht naar een andere dienst, verantwoordelijk voor de coördinatie van deze supplementaire verwijzingen, aangezien hij binnen de kliniek de "behandelende geneesheer" blijft;
    In elk geval dient de huisarts achteraf een kopie te krijgen van het protocol der geraadpleegde specialisten.
    Hierbij sluit het probleem aan van de verzorging van multidisciplinaire pathologieën in grote ziekenhuizen: wie behandelt eigenlijk nog de zieke ? Ook van de resultaten van de pre‑operatieve check‑ups, waarvan de relevantie en inhoud geval per geval zorgvuldig dienen afgewogen, dient de huisarts verslag te krijgen;
  • bij chirurgische ingrepen dient de huisarts voldoende op tijd verwittigd van het tijdstip van de ingreep, teneinde hierbij aanwezig te kunnen zijn;
  • bij de door de specialist gewenste follow‑up dient de huisarts maximaal betrokken, in samenspraak met de patiënt, en via een geïndividualiseerd schema: het sytematisch terug oproepen van patiënt, en via een rigied eigen schema, kan zowel voor de specialist als de huisarts een belangrijke overschrijding van de bevoegdheid met zich meebrengen;
  • bij overlijden van een patiënt dient de huisarts onmiddellijk verwittigd;
  • bij de verwijzing door een vervangend huisarts, dient deze laatste eveneens de naam en het adres te vermelden van de behandelende huisarts en dient de specialist aan beide huisartsen een verslag toe te sturen.
3.2.2. De patiënt werd ambulant verwezen naar een polikliniek of privé‑praktijk:

Vanzelfsprekend krijgt de huisarts binnen de kortst mogelijke tijd alle mogelijke verdere informatie om de behandeling voort te zetten.

N.B. Een specialist, geconsulteerd voor een technische prestatie, dient zich ten overstaan van de patiënt te onthouden van elke directe inmenging in de therapie van de behandelende arts. Ieder constructief advies is uiteraard welkom en wordt rechtstreeks aan de aanvragende arts gericht.

3.2.3. De patiënt raadpleegt, zonder verwijzing, de tweede lijn:
  • In principe blijven de regels dezelfde als in beide vorige situaties: goede geneeskunde impliceert immers het samengaan van de eerste en tweede lijn: ook zonder verwijzing doet de specialist er goed aan te informeren naar de huisarts, die liefst op de hoogte dient gebracht van zijn bevindingen; enkel bij formeel verzet hiertegen door de patiënt, dient de specialist deze wil te respecteren en geen contact op te nemen met de behandelende huisarts;

  • een speciale situatie is de automatisch bijgeroepen pediater na een bevalling. Deze dient zich achteraf aan de huisarts als dusdanig bekend te maken met een evaluatie‑verslag van de neonatus;

  • wanneer een patiënt ingeschakeld is in een klinische studie is het evident dat alle behandelende artsen (huisarts + specialist) elkaar hiervan op de hoogte houden.

4. Preventie

Begripsomschrijving:

Primaire preventie: het nemen van een brede waaier van maatregelen ter voorkoming van ziekte.

Secundaire preventie: het opsporen van specifieke pathologie, al dan niet binnen risicogroepen.

Tertiaire preventie: bij aanwezige pathologie verdere evolutie trachten te voorkomen en eventueel een revalidatieprogramma uitbouwen.
Primaire en secundaire preventie zijn naar uitvoering toe bij voorkeur een huisartsenopdracht.
Specialisten komen enkel tussen in logistieke steun, wetenschappelijk advies aan de huisarts of als geconsulteerde tweede lijn.

Tertiaire preventie biedt de ideale mogelijkheid tot constructieve samenwerking tussen huisarts en specialist.

5. Geofficialiseerde preventieve geneeskunde: schoolgeneeskunde, Kind en Gezin en arbeidsgeneeskunde

Mag noch voor de huisarts noch voor de specialist een aanleiding zijn tot het ronselen van patiënten.

6. Attesten

Attesten voor arbeidsongeschiktheid zullen bij voorkeur door de huisarts afgeleverd worden, al dan niet op suggestie van de tweede lijn, aangezien vaak enkel de huisarts een totaalbeeld kan hebben van de zieke in zijn arbeidssituatie.

7. Continuïteit der zorgen

  • Behelst voor alle partijen een vlotte bereikbaarheid.
    Zowel de huisarts als de specialist dient zijn continuïteit van de zorgen terdege te organiseren, zodat beide partijen 24 uur/24 uur een beroep kunnen doen op een degelijk gestructureerd wederzijds advies.
    Het samenstellen van een regionaal compendium met coördinaten van bereikbaarheid van alle zorgenverstrekkers kan hierbij nuttig zijn.
    Het onderhouden van actieve contacten tussen de zorgenverstrekkers van een zelfde regio is van kapitaal belang:
  • vertegenwoordiging van representatieve huisartsen in de medische raden der ziekenhuizen;
  • gemengde regionale kringen (huisarts + specialist) of samen georganiseerde wetenschappelijke activiteiten, stimuleren eveneens een vlotte samenwerking.

Huisartsen dienen ook zoveel mogelijk vertegenwoordigd te zijn binnen alle instanties waar samen met specialisten en andere gezondheidsverstrekkers aan gezondheidszorg gewerkt wordt.

Een apart probleem vormen de one‑day‑clinics, waar de huisarts werkelijk in nauwe dialoog met zijn collega‑specialist vooraf afspraken dient te maken voor een goede samenwerking.

Het inschakelen van huisartsen in een ziekenhuisteam, zoals permanente wachtdiensten en poortwacht, assistentie chirurgie al dan niet onder vorm van een klinisch medewerker, kan tot ondeontologische situaties aanleiding geven.

8 Afbakening territorium en bevoegdheden

8.1. Huisbezoeken afgelegd door specialisten:
  • enkel op consult‑aanvraag door de huisarts;
  • verder uitsluitend door pediaters (rechtstreeks aangevraagd door de patiënt), geregeld bij wet.
8.2.
Ook de huisarts mag noch diagnostisch, noch therapeutisch buiten zijn bevoegdheden gaan, dit te interpreteren volgens de geactualiseerde stand van de wetenschap.

9. Besluit

Huisartsen en specialisten hebben elk hun eigen bevoegdheden en dus ook beperkingen. Vanuit hun eigen benadering van de zieke en ziekte dienen zij te streven naar een harmonieus samengaan van beide disciplines.

Werken aan een betere relatie huisarts ‑ specialist in een geest van collegialiteit en wederzijds respect, beoogt uiteindelijk wat steeds centraal dient te staan: het nastreven van het rechtmatig belang van de patiënt en het dienen van de zieke mens.