keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167035
Vroegtijdig verlaten van ziekenhuis door COVID-19-patiënt - Verantwoordelijkheid van de arts

De nationale raad beraadde zich over de vraag wat de arts mag ondernemen indien de patiënt het zorgcentrum/ziekenhuis verlaat en hierdoor de maatregelen overtreedt en andere personen in gevaar brengt (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Een zorgcentrum/ziekenhuis dat instaat voor de zorg aan COVID-19-patiënten heeft niet de wettelijke bevoegdheid patiënten te verhinderen de zorginstelling te verlaten.

De zorgverleners binnen de zorginstelling zijn gehouden tot het beroepsgeheim. Evenwel kunnen zij zich, na een afweging tussen het belang van het beroepsgeheim en het risico op besmetting en het gevaar voor de volksgezondheid, beroepen op de noodtoestand en de bevoegde instanties of personen op de hoogte brengen van de problematiek, bijvoorbeeld de nachtopvangdiensten, de naasten van de patiënt of de dienst infectiebestrijding.

Het is van belang om, in eerste instantie, goed te communiceren met de patiënt, de maatregelen op een duidelijke manier uit te leggen, alsook de gevolgen die de patiënt veroorzaakt door het vroegtijdig verlaten van de instelling.

De nationale raad verwijst tevens naar zijn advies Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven van 19 september 2020 (a167027).

Rijbewijs14/12/2013 Documentcode: a144004
Rijgeschiktheid – Aansprakelijkheid van een arts

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld inzake de problematiek rond de wettelijke taken van een arts betreffende de rijgeschiktheid van een patiënt.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 14 december 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 14 november 2013 inzake de problematiek rond de wettelijke taken van een arts betreffende de rijgeschiktheid van een patiënt, besproken.

Voor het behalen van een rijbewijs type B of het aanvragen van een voorlopig rijbewijs dient een persoon overeenkomstig artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs een verklaring te ondertekenen waarin hij op zijn woord van eer bevestigt bij zijn weten niet te lijden aan een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte betreffende het gezichtsvermogen.

Paragraaf 2 van hetzelfde artikel stelt dat de kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan ondertekenen, een onderzoek ondergaat bij een vrij gekozen arts.

Betreffende het meedelen aan de betrokkene van de plicht tot het inleveren of het laten aanpassen van zijn rijbewijs bij de bevoegde administratieve instanties stelt het artikel 46, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998: "Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2, 44, §§ 1 en 4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7."

Een letterlijke interpretatie van deze bepaling leidt tot de conclusie dat een arts slechts wettelijk verplicht is de patiënt van deze verplichting op de hoogte te brengen indien de patiënt bij het bekomen van een (voorlopig) rijbewijs toepassing heeft gemaakt van artikel 41, § 2, d.i. een onderzoek heeft laten uitvoeren door een vrij gekozen arts.

Ingeval de persoon een verklaring heeft ondertekend overeenkomstig § 1, is er van de tussenkomst van een vrij gekozen arts geen sprake en heeft de arts, wanneer hij vaststelt dat de patiënt niet (meer) aan de wettelijk omschreven voorwaarden inzake de medische rijgeschiktheid voldoet, niet de wettelijke verplichting de patiënt hierover in te lichten.

Dezelfde redenering kan gevolgd worden betreffende de opstelling van het model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1. Artikel 41, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 maakt slechts melding van de invulling van dit document door de arts - of overeenkomstig artikel 45 door het CARA (Centrum voor Rijgeschiktheid en voertuigAanpassing) - ingeval een persoon die een (voorlopig) rijbewijs wil bekomen, van mening is geen verklaring overeenkomstig artikel 41, § 1, te kunnen afleggen.

Door het uitblijven van rechtspraak hieromtrent, blijft de vraag hoe deze bepalingen precies dienen te worden geïnterpreteerd, onbeantwoord.

In antwoord op uw vragen en verder bouwend op het advies van de Nationale Raad van 13 juli 2013 "Rijgeschiktheid - Meldingsplicht en medeverantwoordelijkheid van de arts" (TNR nr. 142) stelt de Nationale Raad u daarom het volgende.

Een arts heeft vooreerst op grond van artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt de verplichting de patiënt in te lichten over de gezondheidstoestand, alsook de vermoedelijke evolutie hiervan. Een arts die zijn patiënt niet inlicht over de medische rijgeschiktheid, doet afbreuk aan dit patiëntenrecht. Indien de arts bovendien geen melding maakt van deze informatie in het patiëntendossier, doet de arts afbreuk aan het recht van de patiënt op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier, zoals gewaarborgd door artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002.

De arts is bovendien deontologisch verplicht de patiënt in te lichten betreffende het voorbehoud over de medische rijgeschiktheid van de patiënt, desgevallend het formulier "model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1" in te vullen en hem erop attent te maken dat hij zijn rijbewijs dient in te leveren, dan wel te laten aanpassen.

Een dergelijke verplichting volgt ook uit de algemene zorgvuldigheidplicht die een arts steeds aan de dag dient te leggen bij de uitoefening van zijn beroep.
Of een arts die deze informatie niet verstrekt, het formulier niet invult, noch in zijn patiëntendossier daarvan melding maakt, verantwoordelijk kan gesteld worden indien de patiënt een ongeval veroorzaakt die zijn oorsprong vindt in zijn medische toestand, is niet in abstracto te stellen.

Het komt toe aan de bevoegdheid van de rechter om deze afweging van geval tot geval te maken. De rechter zal daartoe in eerste orde oordelen of de arts een fout heeft begaan. De (mede)-aansprakelijkheid van de arts is niet bijgevolg uitgesloten.
In tweede orde zal de rechter nagaan of er een causaliteit te vinden is tussen de schade ten gevolge van het ongeval van de patiënt en de fout van de arts.

Voor de arts die in toepassing van artikel 41, § 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 de patiënt reeds heeft onderzocht, geldt sowieso de wettelijke verplichting de patiënt in te lichten betreffende het voorbehoud over de medische rijgeschiktheid van de patiënt, desgevallend het formulier "model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1" in te vullen en hem erop attent te maken dat hij zijn rijbewijs dient in te leveren, dan wel te laten aanpassen. In de regel impliceert het niet naleven van een wettelijk verplichting een fout.

Beroepsgeheim13/07/2013 Documentcode: a142005
Rijgeschiktheid – Meldingsplicht en medeverantwoordelijkheid van de arts

Aan de Nationale Raad wordt gevraagd in hoeverre een arts die vaststelt dat een patiënt niet meer of niet meer volledig rijgeschikt is, de verplichting heeft dit te melden en aan wie. Bijkomend wordt de vraag gesteld in hoeverre een arts medeverantwoordelijk kan gesteld worden indien een rijongeschikte patiënt een ongeval veroorzaakt.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 13 juli 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 14 december 2012 besproken betreffende de meldingsplicht, inzake rijgeschiktheid, omtrent hun ziekte voor patiënten, zoals bijvoorbeeld diabetici, aan zowel de gemeente als hun verzekeringsinstelling. U vraagt daarbij in het bijzonder tot hoever de verantwoordelijkheid van de arts gaat en hoe dit kan bewezen worden.

1/ Meldingsplicht

Bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs omschrijft de minimumnormen inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig.

Opdat een persoon een rijbewijs kan bekomen, dient hij een verklaring te ondertekenen waarin hij stelt aan deze minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid te voldoen.

Indien u vaststelt dat een patiënt bv. omwille van de diagnose van diabetes niet meer voldoet aan deze minimumnormen, kunt u als arts twee wegen uit.

A.
U vult zelf het model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1 (zie bijlage) in. In dit document vermeldt u dat op basis van uw bevindingen of de bevindingen van een specialist naar wie u de patiënt heeft doorverwezen, uw patiënt of helemaal niet meer rijgeschikt is of onder voorwaarden nog als rijgeschikt kan worden beschouwd. Het ingevulde document bezorgt u aan de patiënt die vervolgens zelf het initiatief dient te nemen om aan de in het rijgeschiktheidsattest vermelde graad van rijgeschiktheid de nodige gevolgen te geven. Dit zal er minstens in bestaan naar de bevoegde gemeente te stappen om het rijbewijs te laten aanpassen en de verzekeringsmaatschappij van de beperkingen van de rijgeschiktheid of de rijongeschiktheid op de hoogte te brengen. Als arts heeft u door het invullen van het model VII en het overhandigen aan de patiënt uw taak volbracht. Het is nergens bepaald dat u enige controle dient uit te oefenen of de patiënt wel degelijk gevolgen heeft gekoppeld aan het door u opgestelde attest. U mag zelf het document niet bezorgen aan de gemeente. Dit laatste zou een schending inhouden van het medisch beroepsgeheim.

B.
U bent van oordeel dat u de beslissing over de rijgeschiktheid niet zelf kunt nemen en u verwijst de patiënt door naar het Centrum voor Rijgeschiktheid en voertuigAanpassing (CARA), waar een arts op basis van het dossier en verdere onderzoeken, desgevallend na doorverwijzing voor verdere onderzoeken naar een specialist, een beslissing zal nemen over de rijgeschiktheid. In dat geval zal het CARA uw patiënt verzoeken een medische vragenlijst in te vullen. Deze medische vragenlijst is deels ook aan u gericht. U wordt gevraagd uw advies te geven over de rijgeschiktheid. Ondanks het feit dat dit formulier het momenteel zo vermeldt, is er voor u geen wettelijke verplichting om een advies over de rijgeschiktheid te geven. U bent vrij daarop in te gaan.

Het komt dan aan de arts van het CARA toe het model VII in te vullen en aan de patiënt te overhandigen die wederom zelf het initiatief dient te nemen om hieraan het gepaste gevolg te verbinden. Ook het CARA heeft niet de bevoegdheid deze attesten rechtstreeks aan de bevoegde instanties te overhandigen of te controleren of de patiënt degelijk de nodige initiatieven heeft genomen.

Hoewel de documenten van het CARA het aldus vermelden, heeft u als doorverwijzend arts in principe niet de bevoegdheid informatie te krijgen over de beslissing over de rijgeschiktheid van uw patiënt door de arts van het CARA. Enkel indien de patiënt hierin expliciet toestemt (hetgeen actueel niet voorzien is in de documenten van het CARA), is het toegelaten aan de arts van het CARA u hiervan op de hoogte te brengen. Een onderzoek naar de rijgeschiktheid kan immers niet beschouwd worden als noodzakelijke informatie voor de medische behandeling van de patiënt.


2/ Medeverantwoordelijkheid

Aangezien de taak van de behandelende arts wettelijk gezien beperkt is tot het opstellen van het model VII of het doorverwijzen van de patiënt naar het CARA, kunt u niet verantwoordelijk worden gesteld indien u de patiënt op zijn wettelijke verplichtingen ter zake hebt gewezen, indien de patiënt het attest voor ontvangst heeft getekend en u dit aldus in het patiëntendossier heeft geacteerd.

Indien u gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor zichzelf of voor derden, kan deze "noodtoestand" niettemin rechtvaardigen dat u de procureur des Konings op de hoogte brengt van uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon.

Bijlage : Model VII uit bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Minderjarigen09/02/2013 Documentcode: a140016
Verantwoordelijkheid van kribbepersoneel wanneer bij een kind een allergische shock zou optreden
Het onmiddellijk toedienen van adrenaline bij het optreden van een anafylactische shock is levensreddend. Sinds het op de markt komen van dit geneesmiddel onder de vorm van een speciale kit, die ook door niet-medisch geschoold personeel kan toegediend worden, rijzen er vragen omtrent de verantwoordelijkheid van deze toediening aan minderjarigen in kribbe- of schoolverband. Er dient namelijk rekening gehouden worden met meerdere factoren: het ouderlijk gezag, de hulpverleningsplicht en de rol van de arts zowel bij het voorschrijven als bij het geven van opleiding aan het personeel in kribbes en scholen. Een goede communicatie en sluitende afspraken tussen de onderscheidenlijke actoren zijn noodzakelijk om in levensbedreigende omstandigheden onmiddellijk te kunnen handelen, zelfs alvorens de hulpdiensten ter plaatse zijn.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 9 februari 2013 heeft de Nationale Raad uw vraag aangaande de verantwoordelijkheid van het personeel van de kinderopvang wanneer bij een kind een allergische shock zou optreden, onderzocht.

Elke burger is op basis van de wettelijke hulpverleningsplicht verplicht om hulp te bieden aan personen in nood.

De laatste jaren is het aantal kinderen dat lijdt aan een allergie, evenals het voorkomen van een anafylactische shock als meest ernstige uitingsvorm, drastisch toegenomen. In deze levensbedreigende situatie is de onmiddellijke toediening van adrenaline de hoeksteen van de behandeling. Om die reden dienen patiënten die een risico hebben voor een ernstige allergische reactie, adrenaline in hun onmiddellijke omgeving te hebben. Een speciale kit is ontworpen en geregistreerd onder de naam Epipen om eenieder, mits de nodige instructies, in staat te stellen om in levensbedreigende situaties een standaarddosis adrenaline in de bovenbilspier van de patiënt te injecteren.

Ouders kunnen in het verlengde van hun ouderlijk gezag aan personen die in de directe omgeving van hun kinderen verblijven, zoals personeel van scholen en (voorschoolse en buitenschoolse) kinderopvang, de schriftelijke toestemming geven om de Epipen in levenbedreigende situaties aan te wenden, mits zij een doktersvoorschrift kunnen voorleggen dat deze personen opdraagt aldus te handelen. Hiermee kan de behandeling direct worden opgestart en wordt er geen tijd verloren in afwachting van de komst van de hulpdiensten.

De beste waarborg voor een adequate aanpak wordt verkregen als de ouders samen met de behandelende arts van het kind, de medische dienst, die toezicht houdt op de kinderopvang of de school, zo uitgebreid mogelijk hierover informeren en zij samen desgewenst een opleiding voorzien waarin de preventieve maatregelen om het allergeen te vermijden, de symptomen van de anafylactische shock en de toedieningstechniek van de Epipen grondig worden uitgelegd.

Bloedafname15/09/2012 Documentcode: a139002
De arts en de « direct-to-consumer »-testen in het algemeen en zeker in het genetische domein
Naar aanleiding van het advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren over: "De arts en de « direct-to-consumer »-testen in het algemeen en zeker in het genetische domein" d.d. 24 maart 2012, vraagt de Hoge Gezondheidsraad een advies van de Orde over zijn document (nr. 8714) betreffende dezelfde problematiek.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 15 september 2012 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het werkstuk van de Hoge Gezondheidsraad over genetische «direct-to-consumer»-testen besproken en gespiegeld aan zijn advies d.d. 24 maart 2012 over dezelfde thematiek.

Hij vindt het een grondige nota die uitgebreid ingaat op de beschikbare testen, de visie en organisatie van de aanbiedende firma's, de mogelijke gevaren en maatschappelijke bekommernissen, alsook op de bestaande maar nog erg gebrekkige nationale en internationale regulering van deze praktijk.

Hij ziet geen deontologische bezwaren in de resulterende 6 aanbevelingen van dit deskundigenrapport, die in de lijn liggen van het betreffende advies van Nationale Raad van de Orde van geneesheren.
Zo wijzen beide op de noodzaak van:

1. Het intensief informeren van de zorgverstrekkers en het brede publiek. In het advies van de Orde lezen we: "Politiek en maatschappelijk lijkt daarom minstens een zeer brede informatiecampagne noodzakelijk om "direct-to-consumer"-testen in het algemeen en zeker in het genetisch domein, voor het brede publiek in een voorbehoedend en breed-evenwichtig kader te plaatsen".

2. Een versterking van het nationaal en internationaal regelgevend toezicht. De bestaande wetgeving dekt onvoldoende de "Direct to consumer genetic testing services". In het advies van de Orde lezen we: "....kunnen deze onderzoeken aan quasi iedere professionele controle ontsnappen". De Nationale Raad van de Orde van Geneesheren kan zich vinden in een naar Zwitsers voorbeeld geïnspireerd model dat dwingende beperkingen inbouwt om dergelijke testen op de markt te brengen.

Beide visies onderstrepen duidelijk de waarde en feitelijke noodzaak van het betrekken van artsen bij deze problematiek: "Idealiter zouden we kunnen hopen dat de bestelling van genetische testen via internet bij wet verboden wordt en dat het uitvoeren ervan bij wet alleen kan op medisch voorschrift in een speciaal erkend laboratorium" of: "The SHC recommends that Belgium should implement similar legislation with regard to DTC genetic testing for health purposes as in Switzerland........, and requests that those tests are offered under medical supervision, have demonstrated, validated and published clinical utility, and are offered with respect for patient rights, and with correct information".

Wanneer artsen bij een dergelijke vraag betrokken worden "dienen ze zich te laten leiden door de deontologische principes die bepalen dat geen testen gebruikt worden zonder medisch-therapeutisch doel en die als regel stellen zich niet te mengen in familiale aangelegenheden". Bovendien zijn artsen in deze materie bij uitstek geplaatst "om de patiënten te informeren niet alleen over de waarde van de testen, maar ook over bijvoorbeeld de complexiteit van het informed consent", om duiding te geven bij "onverwachte positieve of negatieve gegevens", om te waken over "de weerslag op ons gezondheidssysteem, de consequenties van medisch-wetenschappelijk niet onderbouwde preventieve maatregelen als gevolg van medisch niet verantwoorde genetische onderzoeken", om te waken over beroepsgeheim en privacy "wat met de niet gewilde informatie over derden, is er veiligheid uitgebouwd om deze gegevens niet toegankelijk te moeten of mogen maken voor verzekeringsmaatschappijen of werkgevers".

Een bijkomend aandachtspunt, beklemtoond in het werkstuk van de Hoge Gezondheidsraad, is artsen te herinneren aan het algemeen aanvaard deontologisch principe van het voorkomen van een "conflict of interest": "A conflict of interest that may arise when the healthcare professionals involved in the counseling are employed by or linked to the companies selling the tests."

3. Meer onderzoek en overleg betreffende deze complexe en evoluerende problematiek. Het is duidelijk dat voor talrijke nog open en nieuwe vragen oplossingen zullen moeten worden uitgewerkt; denken we alleen al maar aan de bewaring van deze gevoelige gegevens: "Your genetic information is extremely sensitive. In fact, it may be the most sensitive information there is and as new discoveries are made, and more is learned about what your genes say about you, this information is likely to become ever more sensitive over time", centraal of perifeer: "Individuals want to have a more active role in the creation, storage and protection of their personal genetic information", of aan de logische gevolgen van: "Not supplying genetic testing services direct-to-the-public to those under the age of 16 or to those not able to make a competent decision regarding testing", op het huidige waarschijnlijk al meest gevraagde toepassingsgebied in de embryonale en foetale geneeskunde: "That the DTC offer of preconceptional carrier testing questions the offer of preconception care and the systematic offer of carrier tests towards a population of couples that are planning a pregnancy. Such a systematic screening offer doesn't exist in our healthcare system at this moment. It may however even more so create an increased impact on our health care system. Further interdisciplinary discussion on this matter is also necessary".

Bloedafname24/03/2012 Documentcode: a137031
De arts en de « direct-to-consumer »-testen in het algemeen en zeker in het genetische domein
Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende vaderschapstesten via het internet en de verantwoordelijkheid van de artsen die de bloedafname uitvoeren.

Advies van de Nationale Raad :

Tegenwoordig kan door de burger een toenemend aantal genetische testen rechtstreeks via het internet worden besteld. Het betreft zowel vaderschapstesten, moederschapstesten, zygositeitstesten, broer-zusterrelatietestesten, Y-chromosoomonderzoek, prenatale testen, farmacogenetische testen, als testen die het risico van de aanvrager voor talrijke aandoeningen vergelijken met het algemene risico in de bevolking. Sinds 2011 is zelfs een totale genoomanalyse via het web beschikbaar.

Het spreekt voor zich dat, zo niet goed begeleid, de uitvoering en resultaten van deze testen aanleiding kunnen geven tot ernstige juridische, sociale, medische, economische en existentiële problemen. Men categoriseert nochtans deze testen gemakkelijk als "lifestyle-testen"en motiveert de vrije beschikbaarheid ervan vanuit het zelfbeschikkingsrecht: burgers kunnen zelf wel oordelen of een test al dan niet nuttig is.

Is voor sommige testen nog een bloedafname en een zorgverstrekker die deze akte kan en mag uitvoeren noodzakelijk, dan vergt de verzameling van ander onderzoekmateriaal nauwelijks of geen professionele hulp. Hierdoor kunnen deze onderzoeken aan quasi iedere professionele controle ontsnappen.

Indien artsen toch bij een dergelijke vraag betrokken worden, dienen ze zich te laten leiden door de deontologische principes die bepalen dat geen testen gebruikt worden zonder medisch-therapeutisch doel en die als regel stellen zich niet te mengen in familiale aangelegenheden. Artsen zijn in deze materie bij uitstek geplaatst om de patiënten te informeren niet alleen over de waarde van de testen, maar ook over bijvoorbeeld de complexiteit van het informed consent. Wat met onverwachte positieve of negatieve gegevens? Wat is de weerslag op ons gezondheidssysteem? Welke zijn de consequenties van medisch-wetenschappelijk niet onderbouwde preventieve maatregelen als gevolg van medisch niet verantwoorde genetische onderzoeken. Wat met de niet gewilde informatie over derden? Is er veiligheid uitgebouwd om deze gegevens niet toegankelijk te moeten of mogen maken voor verzekeringsmaatschappijen of werkgevers, zoals de huidige wetgeving trouwens bepaalt? Wat met de privacy? Wat met de problematiek van het gebruik van dit type testen bij minderjarigen?....

Idealiter zouden we kunnen hopen dat de bestelling van genetische testen via internet bij wet verboden wordt en dat het uitvoeren ervan bij wet alleen kan op medisch voorschrift in een speciaal erkend laboratorium, maar of dit in een open wereld nog realistisch is, is een andere vraag.

Politiek en maatschappelijk lijkt daarom minstens een zeer brede informatiecampagne noodzakelijk om "direct-to-consumer"-testen in het algemeen en zeker in het genetisch domein, voor het brede publiek in een voorbehoedend en breed-evenwichtig kader te plaatsen.

Hierbij kan beroep gedaan worden op de al erkende centra voor medische genetica, die hierin een bijzondere expertise en ervaring bezitten.

Geneeskunde (Arbeids-)30/05/2009 Documentcode: a126017
Uitvoeren van preventieve arbeidsgeneeskundige onderzoeken door een verpleegkundige

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad een vraag om advies voor betreffende het uitvoeren van preventieve arbeidsgeneeskundige onderzoeken door een verpleegkundige.

Advies van de Nationale Raad :

Aan een provinciale raad werd door de arbeidsgeneeskundige dienst X, het volgende voorstel voorgelegd, hetwelk wegens de provincieoverstijgende aard werd overgemaakt aan de Nationale Raad van de Orde van geneesheren.

Als arbeidsgeneeskundige dienst heeft X een acuut en chronisch tekort aan arbeidsgeneesheren en vraagt of er een wettelijke en een ethisch-deontologische basis bestaat om een aantal preventieve arbeidsgeneeskundige onderzoeken van laagrisicoberoepen, i.c. beeldschermwerkers, te laten uitvoeren door een verpleegkundige in plaats van door de arbeidsgeneesheer zelf.

De werknemer van zijn kant zou steeds de mogelijkheid hebben, indien hij er zelf om verzoekt of indien de arbeidsgeneesheer dit noodzakelijk acht, om door de arts persoonlijk te worden gezien. De resultaten van de door de verpleegkundige uitgevoerde onderzoeken zouden nadien wel voorgelegd worden aan de arbeidsgeneesheer die dan op zijn beurt overgaat tot de beoordeling van de betrokken werknemer via het invullen en ondertekenen van het formulier voor gezondheidsbeoordeling.

De Nationale Raad besprak voorliggend voorstel in zijn vergadering van 30 mei 2009.

***

Vooreerst dient vermeld dat uit de gezamenlijke lezing van de huidige regelgevingen betreffende preventieadviseur arbeidsgeneeskundige diensten zoals de Welzijnswet (wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk), het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, blijkt dat het de arbeidsgeneesheer niet verboden is zich voor een aantal preventieve onderzoekingen door verpleegkundig personeel of door personeel met een passende opleiding te laten bijstaan.

De preventieadviseur arbeidsgeneesheer is en blijft de eindverantwoordelijke voor het uitvoeren van het medisch toezicht.

Andere meer specifieke regelgeving, zoals de Richtlijn 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur en het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 dat de omzetting is van deze Richtlijn in Belgisch recht betreffende het werken met beeldschermapparatuur, stellen dat niet alle preventieve onderzoeken persoonlijk dienen uitgevoerd te worden door de preventieadviseur arbeidsgeneesheer.

Verder is er nog het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van gezondheidsberoepen dat stelt dat alleen artsen de geneeskunde mogen uitoefenen. Verpleegkundigen mogen taken verrichten die tot de verpleegkunde behoren. Deze taken worden bepaald in het koninklijk besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan de beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd evenals de wijze van uitvoering van de verstrekkingen en handelingen en de kwaliteitsvereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

Zo wordt gesteld in bijlage I van dit koninklijk besluit dat bepaalde technische verstrekkingen door een verpleegkundige zelf mogen worden verricht, al dan niet op voorschrift van een arts, terwijl in bijlage II de toevertrouwde handelingen worden bepaald die eveneens door een verpleegkundige kunnen worden verricht doch enkel onder toezicht van een arts.

Uit wat voorafgaat, blijkt dat verpleegkundigen de wettelijke bevoegdheid hebben zelf een aantal handelingen te stellen, hetzij op voorschrift, hetzij onder toezicht van een arts. De arts blijft de eindverantwoordelijke voor deze door de verpleegkundige uitgevoerde taken. Hij zal hiervoor kunnen worden aangesproken en is als enige bevoegd om een eindbeslissing te nemen.

De Nationale Raad verwijst tot slot naar de Code van geneeskundige plichtenleer die stelt dat bij het delegeren van taken aan verpleegkundigen de geneesheer er steeds dient over te waken ieder initiatief te vermijden dat hen ertoe zou kunnen aanzetten de geneeskunde op een onwettige wijze uit te oefenen, noch taken noch handelingen te doen verrichten die buiten hun bevoegdheid of competentie vallen.

De Nationale Raad besluit dan ook dat het zelfstandig autonoom onderzoeken van i.c. beeldschermwerkers door een verpleegkundige niet mag vermits deze taak niet is voorzien in de lijst van toegestane autonome verrichtingen voor verpleegkundigen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 18 juni 1990. Immers, de preventieadviseur arbeidsgeneesheer woont het onderzoek niet bij; hij kan het ook niet controleren vermits hij de patiënt zelf niet ziet en er kan dus geen sprake zijn van bijstand; de arbeidsgeneesheer beperkt zijn toezicht tot het invullen en ondertekenen van het formulier inzake gezondheidsbeoordeling, terwijl hij de patiënt zelf niet persoonlijk heeft gezien noch onderzocht.

Het laten uitvoeren van deze onderzoekstaken door een verpleegkundige in de plaats van en zonder supervisie van een arts zou, binnen het huidige wettelijke kader, aanleiding kunnen geven tot onwettige uitoefening van de geneeskunde en is deontologisch onaanvaardbaar.

Radiografie06/12/2008 Documentcode: a123016
Aanwezigheid van een arts-radioloog bij het uitvoeren van röntgenonderzoeken

Een verpleegkundige legt aan de Nationale Raad een brief voor van een team radiologietechnici, al dan niet verpleegkundigen, die vragen wie verantwoordelijk is wanneer zij bij bepaalde radiologische onderzoeken injecties met contrastvloeistoffen toedienen buiten de aanwezigheid van een radioloog.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak in zijn vergadering van 6 december 2008 uw adviesvraag per e-mail van 22 mei 2008 betreffende de fysieke aanwezigheid van de geneesheer-radioloog bij het uitvoeren van röntgenonderzoeken die de IV. injectie van contrastmiddelen vereisen.

Artikel 1, § 4 bis, van het koninklijk besluit van 25 juli 1994 dat een bijlage is bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, stelt dat bij het uitvoeren van een RX-onderzoek :

  • een erkende verpleger(ster) voor röntgenologie of de radiotechnieker(ster) hun onderzoeken uitvoeren onder toezicht en verantwoordelijkheid van een geneesheer-radioloog;

  • de fysieke aanwezigheid van de geneesheer-radioloog vereist is voor de therapeutische handelingen tijdens de volledige duur van het werk van zijn gekwalificeerde helpers en voor de diagnostische handelingen, tijdens de duur van het werk van de meeste van zijn helpers, dat wil zeggen tijdens de normale werkuren van de Dienst Radiologie. Dit geldt zowel voor de privaat- als de hospitaalradiologie.

  • buiten de normale openingsuren van de hospitaaldienst RX de fysieke aanwezigheid van de radioloog niet vereist is voor zover geen aanspraak gemaakt wordt op het maximaal terugbetalingsforfait type 3.
    Wel dient te allen tijde de continuïteit van zorg verzekerd te zijn door een te bereiken of oproepbare geneesheer-radioloog van wacht voor dringend advies over de uitgevoerde technische verstrekkingen.

  • in ieder geval moeten alle uitgevoerde technische prestaties geprotocoleerd worden binnen de 24 uur.

De intraveneuze injectie van jodiumhoudende contrastmiddelen dient te geschieden onder medisch toezicht. Het komt alleen de geneesheer-radioloog toe te beslissen of het aangevraagde onderzoek al dan niet met contrastinjectie moet gebeuren. Hij alleen oordeelt over de meest efficiënte techniek van onderzoek.

De belangrijkste verwikkelingen betreffen de contrast-extravasatie ter hoogte van de veneuze punctie, maar voornamelijk de allergische problematiek, die in zeldzame gevallen zelfs aanleiding kan geven tot een letale anafylactische shock. Het erkennen van deze verwikkelingen is een medische diagnose en kan bijgevolg niet gedelegeerd worden aan een medewerker niet-medicus. Dit vereist dat de opgeroepen geneesheer ter plaatse is. Wel kan een beroep gedaan worden op het toezicht door een bevoegde collega niet-radioloog . Dit veronderstelt echter een voorafgaandelijke en duidelijke afspraak tussen collega’s.

Bijlage :
Artikel 17 en 17bis van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging