keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

5

pagina

Verantwoordelijkheid van de arts17/11/1990 Documentcode: a051008
Vroegtijdige defibrillatie

Een universitair ziekenhuis won het advies in van zijn Provinciale Raad van de Orde in verband met de mogelijkheid om een vroegtijdige semi-automatische defibrillatie te laten uitvoeren door ambulanciers (zie Tijdschrift nr. 50, blz. 34).

Na een gedachtenwisseling wordt het ontwerp-advies, dat voorgelegd werd door een raadslid, goedgekeurd.

Advies van de Nationale Raad :

Wij bevestigen U de goede ontvangst van uw brief van 26 juni 1990 alsmede van de bijlagen, met betrekking tot de semi-automatische hartdefibrillatie die toevertrouwd wordt aan ambulanciers.

Uit uw brief blijkt in de eerste plaats dat de bewuste behandeling zich beroept op medische en wetenschappelijke argumenten die zowel op nationaal als op internationaal vlak duidelijk geformuleerd worden door bevoegde medische teams. Bovendien is het experimenteel aspect ervan goedgekeurd door de Commissie voor medische ethiek van het Hôpital Universitaire St-Pierre te Brussel.

Het toevertrouwen van de reanimatieapparatuur en-technieken aan ambulanciers doet op deontologisch vlak het algemeen probleem rijzen van het toevertrouwen van medische handelingen aan medewerkers. Het toevertrouwen van medische handelingen vindt overigens meer en meer plaats en heeft soms betrekking op handelingen die zeer technisch zijn en risico's inhouden voor de patiënt.

Wij menen dat de volgende beginselen nageleefd dienen te worden:

  • Het toevertrouwen van de medische handelingen dient plaats te vinden op beslissing van een bevoegd geneesheer of medisch team, die zich zorgvuldig gebogen hebben over het wetenschappelijk belang ervan alsmede over de eventuele risico's en voor-en nadelen voor de patiënt. De geneesheer of het team moeten op ieder ogenblik in staat zijn hun standpunt hieromtrent, en bijgevolg ook het toevertrouwen van de medische handelingen, te herzien.
  • De verantwoordelijke geneesheren moeten het onderricht en de opleiding die de medewerkers nodig hebben voor de medische handelingen uitwerken. Het onderricht en de opleiding moeten gegeven worden door geneesheren of ten minste onder het reëel en efficiënt toezicht van geneesheren.
  • De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de medische handelingen die gesteld worden door de medewerkers, ligt bij een welbepaalde geneesheer die over het nodige gezag en de nodige middelen beschikt om regelmatig controles uit te oefenen. Die controle kan waargenomen worden door een medische instantie waaraan de verantwoordelijke geneesheer verbonden is of waarin hij opgenomen is.

Indien deze voorwaarden vervuld worden, zien wij geen enkel bezwaar op deontologisch vlak.

Verantwoordelijkheid van de arts21/11/1987 Documentcode: a039009
Verantwoordelijkheden van zevendejaars studenten

Een geneesheer vraagt de Nationale Raad te preciseren welke verantwoordelijkheden een zevendejaars student in de geneeskunde tijdens zijn ziekenhuisstage en een stage algemene geneeskunde mag nemen.

Tijdens de discussie wordt erop gewezen dat de student geen medische handelingen mag stellen en derhalve geen enkele verantwoordelijkheid kan nemen.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat een zevendejaars student geen enkele verantwoordelijkheid kan nemen.

Krachtens artikel 38ter, lid 2, van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967, mag de student in de geneeskunde wel activiteiten van verpleegkunde verrichten.

Artikel 38ter luidt inderdaad als volgt:

"Onverminderd de in het Strafwetboek gestelde straffen wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot tweeduizend frank of met een van deze straffen alleen:
1° hij die, zonder aan de vereiste voorwaarden te voldoen om de geneeskunde uit te oefenen of zonder in het bezit te zijn van een geviseerde bekwaamheidstitel, een of meer activiteiten van verpleegkunde, zoals bedoeld in artikel 21ter, § 1, a, uitoefent met de bedoeling er zijn beroep van te maken, of gewoonlijk een of meer activiteiten, zoals bedoeld in artikel 21ter, § 1, b en c, uitoefent.
Die bepaling is niet van toepassing op de student die voormelde activiteiten verricht in het kader van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het opleidingsprogramma tot het behalen van een van de in artikel 21bis vermelde titels, noch op de student in de geneeskunde die deze activiteiten verricht in het kader van zijn opleiding".

In artikel 21ter, § 1, wordt de verpleegkunde nader omschreven als volgt:

"Onder verpleegkunde wordt verstaan het uitoefenen door de in artikel 21bis bedoelde personen van nagenoemde activiteiten:
a) enerzijds, de observatie en het nauwkeurig vastleggen van de symptomen en reacties van de patiënt, zowel op fysiek als op psychisch vlak, ten einde zijn verschillende noden tegemoet te komen en bij te dragen tot het stellen van de diagnose door de geneesheer of het uitvoeren van de geneeskundige behandeling met het oog op de zorgen die zijn toestand vereisen, en anderzijds, het onder zijn hoede nemen van een gezonde of een zieke persoon om hem, dank zij een voortdurende bijstand, de handelingen te helpen verrichten die bijdragen tot het behoud, de verbetering of het herstel van de gezondheid of hem bij het sterven te begeleiden; dit alles om een globale verpleegkundige verzorging te verzekeren;
b) de uitvoering van technische verpleegkundige prestaties die verband houden met het stellen van de diagnose door de geneesheer of met het uitvoeren van een behandeling voorgeschreven door de geneesheer of het nemen van maatregelen van preventieve geneeskunde;
c) de uitvoering van geneeskundige handelingen die door een geneesheer kunnen worden toevertrouwd overeenkomstig artikel 5, § 1, tweede en derde lid".
Bij koninklijk besluit van 11 maart 1985 werd de lijst vastgelegd van de technische verstrekkingen in de verpleegkunde en de handelingen die door een arts aan verpleegkundigen kunnen worden toevertrouwd; de uitvoeringsmodaliteiten alsmede de vereiste kwalificatievoorwaarden werden op 3 april 1987 door de Raad van State vernietigd.

Verantwoordelijkheid van de arts15/01/1983 Documentcode: a031011
Verantwoordelijkheid

De Nationale Raad wordt door een provinciale raad om advies verzocht aangaande vier vragen voorgelegd door een verzorgingsinstelling:

  1. Wie is verantwoordelijk voor het kind dat ter wereld komt in de kraamafdeling ?
  2. Duur van deze verantwoordelijkheid ?
  3. Wie beslist over de tussenkomst van een pediater ?
  4. Quid bij weigering van de kraamvrouw om er een pediater bij te roepen ?

Na grondige beraadslaging over de kwestie van de verantwoordelijkheid, heeft de Nationale Raad in zijn vergadering van 15 januari 1983, het volgende antwoord gegeven:

  1. Behalve wanneer de kinderarts aanwezig is bij de verlossing, wordt de medische verantwoordelijkheid over de pasgeborene opgenomen door de arts die de bevalling heeft geleid (huisarts, gynecoloogverloskundige, eventueel een andere geneesheer specialist).
    De Nationale Raad legt er de nadruk op dat de aanwezigheid van een kinderarts voor alle bevallingen "met grote risico's" ten zeerste wenselijk is.
  2. Indien er geen beroep wordt gedaan op de kinderarts:
    1. blijft de verantwoordelijkheid van de huisarts bestaan zolang de ouders deze niet aan een andere geneesheer hebben toevertrouwd;
    2. eindigt de verantwoordelijkheid van de gynecoloog verloskundige of van een andere geneesheer specialist, wanneer de pasgeborene de kraamafdeling verlaat of overgebracht wordt naar een andere dienst, mits de continuiteit van de zorgen effektief verzekerd is.
  3. De beslissing om de verantwoordelijkheid over de pasgeborene toe te vertrouwen aan een kinderarts, alsook de keuze van deze laatste, komt aan de ouders toe. Indien de geneesheer die de bevalling heeft geleid de mening is toegedaan dat de toestand van de pasgeborene zulks vereist, dient hij er bij de ouders op aan te dringen een beroep te doen op een kinderarts en hen zo nodig bij te staan in hun keuze met inachtneming van artikelen 144 en 145 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.
  4. Wanneer de ouders iedere tussenkomst van een kinderarts weigeren, dan is hun verantwoordelijkheid ten overstaan van de eventuele gevolgen van deze beslissing evident.
    Nochtans dient de geneesheer, die tegen wil en dank overeenkomstig alinea 2 hierboven, de verantwoordelijkheid over de pasgeborene draagt, in eer en geweten te onderzoeken of de toestand van de pasgeborene geen zorgen vereist die zijn bevoegdheid te buiten gaan, zoals voorzien in artikel 35 (1) van de Code van geneeskundige Plichtenleer.
    Indien blijkt dat de houding van de ouders neerkomt op een weigering van zorgen aan hun kind, mag de geneesheer geen acht slaan op deze weigering, in de geest van artikelen 30 (2) en 61 (3) van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

(1) Art. 35 Behalve in geval van overmacht, mag de geneesheer zijn beroep enkel uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorgen en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen.
Hij moet vermijden zijn bevoegdheid te overschrijden.
(2) Art. 30 Indien de patiënt minderjarig is of indien het een andere onbekwame persoon betreft, en het onmogelijk of niet wenselijk is de instemming van zin wettelijke vertegenwoordiger te bekomen, moet de geneesheer gewetensvol de passende zorgen toedienen.
(3) Art. 61 Wanneer de geneesheer meent dat een minderiarige wordt mishandeld, ondervoed is of onvoldoende wordt verzorgd, dient hij de ouders, de voogd of de gerechtelijke overheid hiervan op de hoogte te brengen.
Indien de geneesheer een willekeurige vrijheidsberoving of een poging tot vergiftiging vaststelt, moet hij de gerechtelijke overheid verwittigen.
In al deze gevallen treedt de geneesheer in de eerste plaats op om het slachtoffer te beschermen.

Anesthesie08/05/1982 Documentcode: a030016
Simultane anesthesie

De Nationale Raad wordt om advies verzocht in verband met de simultane anesthesie.

Na onderzoek van dit probleem, werd op 16 mei 1981 door de Nationale Raad het volgende geantwoord: «De Nationale Raad meent in dit verband te moeten verwijzen naar artikelen 34, 35 en 51 van de Code van geneeskundige Plichtenleer. De Raad heeft bovendien de studie van het hele probleem van de anesthesie aan een commissie ad hoc toevertrouwd die belast werd binnen de kortst mogelijke termijn een rapport ter zake voor te leggen". (cfr. OT nr. 29, p. 39).

In zijn vergadering van 8 mei 1982 heeft de Nationale Raad na overleg en behoudens enkele wijzigingen, het rapport van de Commissie goedgekeurd:

De Nationale Raad herinnert aan artikel 51 van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

«Indien een geneesheer met de anesthesie wordt belast, krijgt hij van de chirurg of ieder ander opererend geneesheer alle nuttige informatie en neemt hij zijn eigen verantwoordelijkheid op zich.

De geneesheer anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende heel de tijd van de ingreep. Hij moet de medische en paramedische medewerkers die hem bijstaan evenals het nodige materiaal kunnen kiezen en er zich verantwoordelijk voor stellen.»

De anesthesist moet in staat zijn om op de patiënt, voor wie hij de verantwoordelijkheid heeft opgenomen, effektief toezicht te houden zodat hij zonder verwijl kan optreden.

Zijn aktiviteit moet hij bijgevolg op zulke wijze organiseren, dat hij bestendig aan deze vereiste kan voldoen. Voorrang moet worden verleend aan de patiënt onder narcose en aan de behoeften in verband met de bewaking van patiënten in de ontwaakzaal. Hij mag niet aanvaarden simultaan verscheidene anesthesieën uit te voeren.

Vorige pagina

5

pagina