keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Geneesmiddelen21/09/2019 Documentcode: a166014
Misbruik van geneesmiddelen, overconsumptie en beroepsgeheim

GEMEENSCHAPPELIJK ADVIES VAN DE ORDE DER APOTHEKERS EN DE ORDE DER ARTSEN

Artsen en officina-apothekers worden regelmatig geconfronteerd met patiënten die een te hoge dosis innemen van geneesmiddelen die tot verslaving leiden. De problematiek heeft betrekking op analgetica, sedativa en psychotrope middelen. De studie van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle (RIZIV) van 18 januari 2018 vestigde reeds de aandacht op een verhoogd gebruik van opioïden in België.

De arts en de apotheker kunnen onderling slechts informatie uitwisselen over gegevens van het medisch voorschrift dat de betrokken arts zelf heeft opgesteld. Het beroepsgeheim laat hen niet toe te communiceren over voorschriften van andere artsen. De misbruikers laten echter regelmatig voorschriften opmaken door verschillende artsen. Dit heeft tot gevolg dat de arts en de apotheker in dergelijke situaties machteloos toezien hoe de patiënt door overconsumptie een gevaar dreigt te vormen voor zichzelf en voor de maatschappij.

In de context van deze problematiek hebben de Orde der artsen en de Orde der apothekers een werkgroep opgericht. De werkgroep deelt ervaringen en bestudeert hoe om te gaan met verscheidene situaties van overconsumptie van geneesmiddelen die tot verslaving leiden.

De werkgroep heeft tot doel artsen en apothekers te sensibiliseren voor de hoge consumptie van geneesmiddelen die tot verslaving leiden. Daarnaast is de werkgroep bereid mee te werken aan initiatieven van de bevoegde overheden die een oplossing kunnen bieden voor deze problematiek.

Farmaceutische industrie06/12/2008 Documentcode: a123014
Informatie over geneesmiddelen door de farmaceutische industrie

De decaan van een Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen wenst het standpunt van Nationale Raad te kennen betreffende een voorstel van Europese Richtlijn tot wijziging van de Richtlijn 2001/83/EC volgens hetwelk door de farmaceutische industrie aan de burgers informatie m.b.t. geneesmiddelen zou mogen worden verschaft.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 6 december 2008 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw schrijven van 20 oktober 2008.

De Europese Commissie heeft een voorstel tot “Directive of the European Parliament and of the Council amending, as regards information to the general public on medicinal products subject to medical prescription, Directive 2001l83/EC on the Community code relating to medicinal products for human use” goedgekeurd (bijlage). Het voorstel tot directive zal nu gedebatteerd worden in het Europees Parlement en in de Raad van Ministers.

Dat voorstel heeft tot doel de farmaceutische industrie de mogelijkheid te geven het publiek rechtstreeks te ´informeren` over geneesmiddelen op voorschrift. Hiermee wordt het verbod op reclame voor geneesmiddelen op voorschrift zwaar ondermijnd.

Luidens artikel 9 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen is elke reclame voor een niet-geregistreerd geneesmiddel en reclame bestemd voor het publiek wanneer zij betrekking heeft op een geneesmiddel dat enkel op overlegging van een geneeskundig voorschrift mag worden afgeleverd, verboden.

De Koning kan in het belang van de volksgezondheid publieksreclame reglementeren of deze aan verbodsbepalingen onderwerpen. Daaraan werd gevolg gegeven met het KB van 7 april 1995 betreffende de voorlichting en de reclame inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik. Dit KB stelt dat de geneesmiddelenreclame controleerbaar dient te zijn en het rationele gebruik van medicijnen moet bevorderen door een objectieve omschrijving van de eigenschappen zonder overdrijvingen. Verder wordt bepaald dat de publiciteit niet misleidend mag zijn.

Omdat de farmaceutische industrie het grote publiek in algemene termen informeert en deze informatie onduidelijk en verwarrend kan zijn, meent de Nationale Raad dat enkel artsen en apothekers de aangewezen personen zijn om de patiënten objectief voor te lichten op maat van de patiënt bij het voorschrijven.

Deskundig advies is wenselijk in verband met bijwerkingen of interacties die kunnen ontstaan bij inname van verschillende geneesmiddelen.

De Nationale Raad is dan ook voorstander van het behoud van het verbod op reclame voor geneesmiddelen op voorschrift.

De Nationale Raad grijpt deze gelegenheid aan om te benadrukken dat het noodzakelijk is de reclame voor producten afgeleverd zonder voorschrift te regulariseren.

Bijlage : 1

Farmaceutische industrie04/02/2006 Documentcode: a112004
Promotie voor een geneesmiddel

Een farmaceutische firma organiseert een on-line enquête waarbij aan de artsen de mogelijkheid geboden wordt op een vooraf opgestelde lijst de collega’s aan te wijzen die zij als beste informatiebronnen beschouwen inzake de klinische vooruitgang die werd geboekt op het gebied van hypertensie en dyslipidemie. De artsen die niet wensen opgenomen te worden op deze lijst dienen dit aan de firma te melden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad nam kennis van de brief die op 31 oktober 2005 door de heer X in naam van de firma Y naar verschillende Belgische artsen werd gestuurd. In deze brief stelt de firma Y voor de naam van deze artsen, behoudens verzet van hun kant, op te nemen in een lijst van specialisten die geraadpleegd worden op de gebieden van hypertensie en dyslipidemie.

De Nationale Raad kan dit initiatief, dat vooral de commerciële belangen van de promotor nastreeft, niet goedkeuren. Bovendien vindt hij het onaanvaardbaar dat de artsen zelf stappen moeten ondernemen indien ze niet ingeschreven wensen te worden op de lijst van de firma Y.

De brief van 21 november 2005, afkomstig van dezelfde bron, bevat een vragenlijst waarover dezelfde opmerkingen geformuleerd kunnen worden, en biedt bovendien een geschenk aan in geval van toestemming.

De Nationale Raad verzoekt derhalve de artsen om deze vragenlijst niet in te vullen en hoopt voorts dat de firma Y het project, zoals het nu is opgevat, stopzet.

Beroepsgeheim19/03/2005 Documentcode: a108005
Sensibilisatiecampagne voor osteoporose op initiatief van een farmaceutische firma

In het kader van sensibilisatiecampagnes voor osteoporose verwijst de medisch directeur van de organiserende farmaceutische firma naar het advies van de Nationale Raad over de relatie van artsen met de farmaceutische industrie en experimenten (Tijdschrift Nationale Raad nr. 99, maart 2003, p. 7). Hij vraagt aan de Nationale Raad terug te komen op de noodzaak een dergelijk protocol voor te leggen aan een commissie voor medische ethiek.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad herhaalt de aanbevelingen die hij formuleerde in zijn advies van 16 november 2002. Hij dringt erop aan dat dergelijke initiatieven uitsluitend zouden georganiseerd worden in het belang van de patiënt en wars van elk publicitair of commercieel doel.

Hij merkt bovendien op dat de geanonimiseerde gegevens doorgegeven zullen worden aan de organiserende firma, waardoor een databank samengesteld wordt waarvan de doelstellingen niet nader bepaald zijn. Indien deze gegevens later worden verwerkt om bijvoorbeeld de frequentie en de ernst van osteoporose bij de onderzochte bevolking te documenteren, dan zal de campagne beantwoorden aan de criteria van een epidemiologische studie en zich derhalve dienen te voegen naar de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon (Belgisch Staatsblad, 18 mei 2004).

In dat geval is het advies van een commissie voor ethiek aangewezen. Deze zal zich dienen uit te spreken over onder meer het belang van de doelstellingen, de anonimiseringsprocedures en de omstandigheden waarin de gegevens worden verzameld, opgeslagen en verwerkt.

Farmaceutische industrie19/06/2004 Documentcode: a105002
Video-installatie door een farmaceutische firma in de wachtkamer van artsen - Publiciteit

Een mevrouw die werkzaam is in de sector van de publiciteit en de promotie vraagt of in een artsenwachtkamer een video-installatie mag geplaatst worden voor het vertonen van een programma van informatieve medische aard wanneer dit gepromoot wordt door één enkele firma en alleen de naam van de firma verschijnt in de montage.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vorige adviezen was de Nationale Raad van oordeel dat het installeren van een video-installatie in de wachtkamer van de huisarts niet verboden moet worden (advies 15 november 1986, Tijdschrift Nationale Raad nr. 35, maart 1987, p. 17). Hij voegde er evenwel aan toe dat deze installatie alleen toegelaten is op voorwaarde dat geen enkele reclameboodschap wordt getoond (advies 15 oktober 1994, Tijdschrift Nationale Raad nr. 67, maart 1995, p. 22).

De wet van 2 augustus 2002 definieert reclame bij de uitoefening van een vrij beroep echter als iedere vorm van mededeling bij de uitoefening van een vrij beroep die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de afzet van goederen of diensten te bevorderen… (hoofdstuk I, art.2, 4°). Met betrekking tot geneesmiddelen kan alleen de vermelding van de naam van de farmaceutische groep op zich reeds beschouwd worden als een zekere vorm van reclame. Dit geldt a fortiori wanneer de verspreide boodschap de indicaties en voordelen van een bepaalde behandeling onderstreept. Ook al wordt de informatie voorgesteld in het algemeen belang is het onvermijdelijk dat ze bijdraagt tot de promotie van producten voor gezondheidszorg.

Bovendien is misleidende reclame verboden bij wet. Indien de arts zich aan deze bepaling wil houden, moet hij de inhoud van de weer te geven cassette analyseren.
Om de inhoud, de relevantie en de wetenschappelijke waarde ervan te waarborgen en om zich ervan te vergewissen dat de boodschap geen enkele leugenachtige berichtgeving bevat, dient hij hierbij des te zorgvuldiger te werk te gaan daar de uitgezonden boodschap nu eenmaal aanlokkelijk, overtuigend, didactisch en niet-contradictoir is.

Om deze redenen kan de Nationale Raad niet aanvaarden dat informatieve boodschappen van algemeen belang die door handelsfirma’s opgesteld zijn, uitgezonden worden.

Daarbij komt nog dat wanneer een patiënt in een wachtkamer een tijdschrift uitkiest, hij dit doet zonder zijn keuze op te leggen aan de andere patiënten. De ononderbroken uitzending van visuele en gesproken boodschappen die overtuigend willen overkomen, kunnen de patiënt storen; hij kan niet verplicht worden er naar te kijken of te luisteren.

Buiten deze bezwaren kunnen nog andere aspecten opgeworpen worden zoals verplichtingen inzake auteursrechten en billijke retributies, maar die vallen buiten de bevoegdheid van de Nationale Raad.

Farmaceutische industrie21/02/2004 Documentcode: a104003
Regelgevingontwerpen aangaande geneesmiddelen

De heer Rudy DEMOTTE, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, legt aan de Nationale Raad twee regelgevingontwerpen voor betreffende geneesmiddelen : een wetsontwerp betreffende de bestrijding van de promotie van de geneesmiddelen en een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder geneesmiddelen voor menselijk gebruik in de vorm van monsters overhandigd mogen worden. De minister vraagt dat de Nationale Raad hem zijn opmerkingen of eventuele suggesties zou overmaken.

Advies van de Nationale Raad aan de heer Rudy DEMOTTE, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

De Nationale Raad waardeert uw verzoek aangezien hij veel belang hecht aan de relationele aspecten tussen het artsenkorps en de farmaceutische industrie. De Raad stelt in het bijzonder de verwijzingen naar zijn Code van plichtenleer in de memorie van toelichting op prijs. Hiermee legt u de nadruk op de inspanningen die de Raad levert, zowel via zijn Codeartikels als via zijn talrijke adviezen, om tussen de producenten en de voorschrijvers van geneesmiddelen een partnerschap te ontwikkelen dat de stempel draagt van de geneeskundige plichtenleer.

De Nationale Raad is zich bewust van de problemen die terzake rijzen, maar hij betreurt dat de memorie van toelichting een onterechte veralgemening bevat die de integriteit en de rechtschapenheid van het artsenkorps in zijn geheel in diskrediet brengt. Hij bevestigt dat hij, in het kader van de wetsontwerpen, bereid blijft samen te werken met de overheid om de problemen die zich voordoen bij de verstrekking van geneesmiddelen te voorkomen en op te lossen.

De Nationale Raad heeft geen belangrijke deontologische bezwaren met betrekking tot de geest van de ontwerpen. In verband met het “wetsontwerp betreffende de bestrijding van de promotie van de geneesmiddelen” merkt de Nationale Raad op dat het veeleer gaat over maatregelen die gericht zijn op de bestrijding van de abusieve promotie van geneesmiddelen. Vervolgens stelt hij vast dat de ontwerpen geen aandacht schenken aan de sommen die “bespaard” kunnen worden op publiciteit in de pers, het aantal medische afgevaardigden en hun activiteit, het nutteloze drukwerk en de marketinguitgaven die noodzakelijk gemaakt worden door de administratieve dwingende voorschriften van de ziekteverzekering.

De Nationale Raad wenst de nadruk te leggen op het belang van de onafhankelijkheid en objectiviteit van de administratieve structuur die het visum verleent in verband met de ondersteuning en de organisatie van wetenschappelijke manifestaties. Hij vindt het uiterst belangrijk dat de onafhankelijkheid van de sprekers gewaarborgd wordt en maakt zich zorgen over § 4 van het door art. 1 gewijzigde art. 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.

Ten slotte wenst hij uw aandacht te vestigen op de rol die de farmaceutische industrie momenteel speelt in de financiering van de voortgezette opleiding en van de wetenschappelijke tijdschriften. Bij wegvallen van deze financiering, zou een overheidsfinanciering noodzakelijk kunnen blijken.

Met betrekking tot het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder geneesmiddelen voor menselijk gebruik in de vorm van monsters overhandigd mogen worden, verheugt het de Nationale Raad vast te stellen dat de artsen over voldoende monsters kunnen beschikken om een behandeling uit te proberen, een behandeling waarvoor goedkeuring vereist is op te starten, een patiënt uit de nood te helpen die zich niet kan verplaatsen of geen apotheek in de buurt kan bereiken, een behandelingsfactuur te verlichten. Hij heeft wel vragen bij de invoering van een evaluatie van de praktijken op het gebied van de verstrekking van monsters.

Onafhankelijkheid van het beroep16/11/2002 Documentcode: a099007
Relatie artsen met farmaceutische industrie - Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België

Relatie artsen met farmaceutische industrie – Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België

Een provinciale raad stuurt een brief door van een apotheker die er bezwaar tegen heeft mee te werken aan een initiatief van een farmaceutische firma die een reclamecampagne voert voor één van zijn producten. Aangezien dit product alleen wordt afgeleverd op voorschrift meent de provinciale raad dat zich hier ook deontologische problemen stellen voor de artsen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad deelt de bezorgdheid van de Academies voor Geneeskunde aangaande de relaties tussen het medische korps en de farmaceutische industrie en sluit zich aan bij de aanbevelingen die deze hierover formuleerden.

Hij herhaalt dat de onafhankelijkheid van de arts als wetenschapper of als voorschrijver essentieel is voor de kwaliteit van de verzorging. Het belang van de patiënt moet de eerste zorg zijn. Op geen enkele manier mogen financiële of persoonlijke imperatieven invloed hebben op een diagnostische of therapeutische beslissing.

Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België over de relatie tussen artsen en de farmaceutische bedrijven *:

De leden van de Belgische Academies voor Geneeskunde (Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België en Académie Royale de Médecine de Belgique) menen de aandacht te moeten vestigen op het probleem van de relatie tussen artsen en farmaceutische bedrijven. De relaties tussen de farmaceutische industrie, de artsenwereld (onderzoekers, "opinion leaders" en voorschrijvers), het publiek, op de eerste plaats patiënten, de overheid (als organisator/regelaar en financier van gezondheidszorg, en sponsor van wetenschappelijk onderzoek) zijn complex en multidirectioneel. De communicatie tussen al deze geledingen gebeurt onder vele vormen en kan zowel wetenschappelijke, vulgariserende, promotionele als zakelijke vormen aannemen. Hoewel de uiteindelijke bedoeling van alle betrokkenen de bewaring of het herstel van de gezondheid van onze bevolking beoogt, zijn de belangen van de verschillende groepen dikwijls uiteenlopend. Recentelijk is er vernieuwde aandacht gegaan naar de communicatie en de relatie tussen de verschillende betrokkenen, vooral tussen de farmaceutische industrie en de artsen die zouden moeten gebeuren via publicaties die de omschrijving "wetenschappelijke publicatie" waardig zijn. Sinds kort hebben talrijke analyses in het buitenland de problemen bij deze relaties beklemtoond. De leden van de Academies voor Geneeskunde menen dat ook in België zich op dat gebied problemen stellen, zowel voor de arts als klinisch onderzoeker, als voor de arts als voorschrijver van geneesmiddelen.

Wat de artsen in het klinisch onderzoek betreft, werd in september 2001 een gemeenschappelijk editoriaal gepubliceerd in een aantal vooraanstaande klinische tijdschriften (Lancet, British Medical Journal, New England Journal of Medicine, …). In dat editoriaal wordt er om te beginnen de aandacht op gevestigd dat klinisch onderzoek rond geneesmiddelen, om economische redenen (sponsoring heeft meerdere betekenissen en kan begripsverwarring oproepen) zich te veel richt op problemen waarvan de resultaten commercieel interessant zijn (ook al zijn de resultaten interessant), en waarbij meer relevante vragen onbeantwoord blijven. Zo dienen ook oudere middelen opnieuw te worden onderzocht, en in vergelijkende studies met de nieuwe producten worden betrokken. Verder wordt in dit editoriaal ook beklemtoond dat het opstellen van het protocol, de analyse van de resultaten, en de publicatie van het onderzoek meestal in handen zijn van het sponsorend bedrijf, waarbij de onderzoeker te weinig impact heeft of vraagt. Bij de publicatie dienen belangrijke aandachtspunten beklemtoond, zoals de reële winst door de interventie, en hoe die zich vergelijkt met deze van andere interventies. De onderzoeker stelt zich te weinig op als de echte verantwoordelijke voor het onderzoek ten opzichte van alle andere betrokkenen (collega artsen, patiënten, overheid). Onduidelijke afspraken hebben ertoe geleid dat sponsorende bedrijven onderzoekers verbod oplegden hun resultaten te publiceren. Onrust is ook ontstaan omdat bepaalde universitaire onderzoekscentra door quasi-exclusiviteitscontracten hun onafhankelijkheid ten opzichte van de industrie dreigen te verliezen. Zonder de indruk te willen wekken dat een lakse houding veralgemeend zou zijn, lijkt het de leden van de Academies voor Geneeskunde wenselijk dat een nadere analyse van dit probleem in België zou gebeuren met het oog op preventieve maatregelen.

Ook de relatie van de arts als voorschrijver met de farmaceutische industrie dient bekeken te worden. Hoe wordt de arts geïnformeerd over de waarde van een geneesmiddel? Het spreekt vanzelf dat de uitgevers van medische tijdschriften er dienen over te waken dat de publicatie van geneesmiddelenstudies, en commentaren en editorialen daaromtrent, objectief zijn. Het feit dat de meeste tijdschriften om te overleven in belangrijke mate geneesmiddelenpubliciteit nodig hebben, leidt tot een ambigue situatie. Belangrijke tijdschriften eisen wel van de auteurs duidelijke uitspraken over mogelijke belangenconflicten. Toch weet men dat sommige academici hun naam lenen als auteurs voor artikels die in werkelijkheid door anderen zijn geschreven. Sinds geruime tijd wordt de arts overstelpt met gratis periodieken die volledig gefinancierd worden door publiciteit, maar de bijdragen worden niet onderworpen aan het advies van experten (peer review); daarenboven is het onderscheid tussen wetenschappelijke bijdragen en publiciteit zeer dikwijls onduidelijk. Er is ook de directe publiciteit, toegestuurd met de post of via gratis ter beschikking gestelde internetabonnementen. Er zijn de medische vertegenwoordigers waaraan ons land zeer rijk is. De opleiding op graduaat en postgraduaat niveau dient de arts deskundigheid en een kritische attitude bij te brengen. De permanente navorming, bijvoorbeeld in het kader van de accreditering, dient deze attitude aan te scherpen. Men verwacht dat lesgevers en voordrachtgevers zich steunen op gecontroleerde studies ("evidence based medicine"), maar regelmatig ziet men dat sommige programma’s, bijvoorbeeld van nascholingsinitiatieven, worden opgesteld en georganiseerd door een farmaceutisch bedrijf, wat zeker de keuze van de onderwerpen en van de sprekers kan beïnvloeden. Over niet correcte directe voordelen voor voorschrijvers, onder de vorm van vergoedingen, reizen, deelneming aan congressen, wordt veel gesproken, maar het is onduidelijk hoever een mogelijke beïnvloeding reikt. Vanzelfsprekend is vergoeding van de kosten aanvaardbaar en zijn niet alle directe voordelen onrechtmatig, maar er moet transparantie zijn.

De farmaceutische bedrijven zijn vanzelfsprekend essentieel bij het ontwikkelen van geneesmiddelen. Ze spelen een onvervangbare rol in de vernieuwing van het diagnostisch en therapeutisch arsenaal door de kennisgeneratie gebaseerd op het recent biomedisch onderzoek, efficiënt om te zetten in nieuwe medische technologieën of medicaties. Dit vergt de inzet van steeds complexere methoden met uiterst grote langetermijnrisico's die het overleven van de betrokken farmaceutische bedrijven in het gedrang kunnen brengen. De farmaceutische bedrijven zijn een partner in het klinisch onderzoek, en vormen een bron van informatie voor de voorschrijver. Farmaceutische bedrijven en artsen dienen zich echter bewust te zijn dat ze elk hun rol hebben. In het klinisch onderzoek zijn het de onderzoekers die de ultieme medische en ethische garantie moeten bieden aan proefpersonen en de gemeenschap; zij moeten erover waken dat alleen relevante vraagstellingen leiden tot klinisch onderzoek, en ze zijn verantwoordelijk voor de objectieve verwerking en publicatie van de resultaten. Transparantie omtrent de afspraken tussen bedrijven en onderzoekers, ook de financiële, is nodig. Bij het voorschrijven van geregistreerde medicaties dient de arts zich te laten leiden door de belangen van de patiënt.

Onafhankelijkheid van de arts als onderzoeker of als voorschrijver ten opzichte van de industrie is essentieel. Belangenconflicten zijn onvermijdelijk, maar mogen niet leiden tot belangenverstrengeling: transparantie over mogelijke belangenconflicten kan een garantie zijn. De Academies voor Geneeskunde doen een oproep tot alle artsen, klinisch onderzoekers en voorschrijvers, om hun eigen rol op te nemen en daarover naar buiten duidelijkheid te creëren. De oproep gaat speciaal naar academici en anderen die als “opinion leaders” een voorbeeldrol hebben in het onderzoek en bij het voorschrijven: “opinion leader” zijn is een ernstige verantwoordelijkheid, en men moet vermijden dat de term een pejoratieve bijklank krijgt, alsof dit mensen zijn die zich gewild of ongewild laten misbruiken voor het brengen van boodschappen die niet op wetenschappelijke evidentie gebaseerd zijn. België telt een aantal waardevolle medische tijdschriften die een belangrijke rol spelen in de informatie voor de Belgische arts; ook zij dienen hun verantwoordelijkheid op te nemen. De arts dient te weten dat een aantal gratis ter beschikking gesteld brochures en periodieken soms geen onderscheid maken tussen evidentie en publiciteit, ook al worden de boodschappen gestaafd met uitspraken en foto's van vooraanstaande universitairen.
Van de overheid kan verwacht worden dat zij de kwaliteit van de geneesmiddelenbijsluiters garandeert, initiatieven rond objectieve informatie voldoende steunt, toeziet op de objectiviteit van de geneesmiddelenpubliciteit en, wat het klinisch onderzoek betreft, instaat voor een erkenning van ethische comités die een belangrijke rol dienen te spelen.
Van de overheid kan en moet ten slotte ook verwacht worden dat ze de werking van klinische onderzoekers en academische centra zodanig ondersteunt dat deze hun onafhankelijke rol bij het genereren en communiceren van informatie adequaat kunnen vervullen.


* Het gemeenschappelijk advies werd voorbereid door een gemeenschappelijke commissie, samengesteld uit de HH. J. Lauweryns, M. Bogaert, R. Bouillon, A. Herman, G. Mannaerts, S. Scharpé, I. Vergote en H. Goossens voor de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België, en de HH Ch. Van Ypersele de Strihou, A. Dresse, T. Godfraind, G. Rorive, J.C. Demanet en R. Bernard voor de “Académie Royale de Médecine de Belgique”.
Het advies werd goedgekeurd door de Academies tijdens hun respectieve plenaire zittingen op 28 september 2002.

Beroepsgeheim16/11/2002 Documentcode: a099008
Relatie artsen met farmaceutische industrie en experimenten

Een provinciale raad stuurt een adviesaanvraag door met betrekking tot een door een farmaceutische firma uitgevoerde opsporing van osteoporose. Deze firma komt de afspraken niet na betreffende het rechtstreeks meedelen van de resultaten van dit opsporingsonderzoek aan de resp. behandelende artsen en maakt reclame voor een door haar geproduceerd geneesmiddel tegen osteoporose.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 16 november 2002 kennis genomen van de wijze waarop een farmaceutische firma onder de verantwoordelijkheid van een universitaire dienst een opsporing van osteoporose organiseerde met overmaking van de resultaten door de medisch afgevaardigde van de firma. De Nationale Raad is van mening dat deze procedure niet aanvaardbaar is.
Hij onderzocht eveneens het nieuw geplande protocol voor deze opsporing in samenwerking met de plaatselijke groepen huisartsen.

Hij dringt erop aan dat dergelijke initiatieven voornamelijk in het belang van de patiënten georganiseerd worden en geen deel uitmaken van een commerciële of reclamecampagne. De vrije keuze van de patiënt en de therapeutische vrijheid van de arts dienen gewaarborgd te zijn. Alle maatregelen moeten genomen worden opdat de onderzoeken uitgevoerd zouden worden door beoefenaars van de geneeskunde of onder hun rechtstreekse verantwoordelijkheid.

Bovendien moet de geheimhouding van de gegevens zo goed mogelijk gewaarborgd worden. Noch de naam van de patiënt, noch deze van zijn behandelend arts mogen aan de organiserende firma meegedeeld worden.

Dergelijk protocol dient voor advies voorgelegd te worden aan een commissie voor ethiek.

Farmaceutische industrie22/01/2000 Documentcode: a088005
Nieuw geneesmiddel - Informatie aan de huisartsen door de universitaire centra

Nieuw geneesmiddel – Informatie aan de huisartsen door de universitaire centra

Een provinciale raad legt een vraag voor van een farmaceutische firma die van plan is alle Belgische universitaire diensten urologie als vraagbaak voor huisartsen in te schakelen naar aanleiding van het op de markt brengen van een bepaald product.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 januari 2000 besprak de Nationale Raad uw brief van 17 november 1999 waarin de vraag van een farmaceutisch bedrijf wordt voorgelegd dat van plan is alle Belgische universitaire diensten van een bepaalde discipline als vraagbaak voor huisartsen in te schakelen betreffende een welbepaalde aandoening en zijn behandeling. Aanleiding tot dit initiatief is het op de markt brengen van een product dat actief is tegen die aandoening.

Het is overduidelijk dat de farmaceutische industrie een informatieplicht heeft betreffende de geneesmiddelen die zij op de markt brengt. De deontologische code van de Algemene Vereniging van de Geneesmiddelenindustrie zegt dat de registratiehouder een permanente band dient tot stand te brengen met een wetenschappelijke dienst die wordt belast met de voorlichting betreffende de geneesmiddelen die de registratiehouder in de handel brengt (artikel 5, tweede alinea).

De universitaire centra hebben ongetwijfeld een taak in het postgraduaat onderwijs en in de permanente bijscholing van artsen zonder dat zij in dit vlak over een wetenschappelijk monopolie beschikken.

Het is niet aangewezen dat universitaire centra of andere medische diensten door een farmaceutisch bedrijf systematisch ingeschakeld worden als beantwoorder van vragen van huisartsen naar aanleiding van het op de markt brengen van een nieuw product. Dit wekt immers het vermoeden van partijdigheid, wat niet strookt met een objectieve benadering van een probleem.

Farmaceutische industrie22/08/1998 Documentcode: a082006
Voordelen door de farmaceutische industrie verschaft aan artsen

Na een schrijven van de heer M. COLLA, minister van Volksgezondheid en Pensioenen, en een onderhoud van de minister met de voorzitter van de Nationale Raad, bespreekt de Nationale Raad de problematiek van de voordelen die door de farmaceutische firma's aan artsen verleend zouden worden.

De Nationale Raad richt onderstaande brief tot de minister van Volksgezondheid en Pensioenen:

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren zette in zijn vergadering van 22 augustus 1998 de bespreking voort van uw brief van 2 april 1998.

Parallel aan de Europese Richtlijn bevat de Code van geneeskundige Plichtenleer verschillende belangrijke bepalingen over de betrekkingen tussen artsen en niet-artsen en over medisch-farmaceutische collusie.

Om te kunnen ingrijpen, moet de Orde zo nauwkeurig mogelijk ingelicht worden over onregelmatige praktijken waarbij artsen betrokken kunnen zijn in hun relaties met de geneesmiddelenindustrie.

De Orde der geneesheren wenst dat de media-informanten uit de anonimiteit treden en dat zij, net als alle personen die op de hoogte zijn van situaties zoals deze die in de verf gezet werden in sommige persartikels, de bevoegde overheden inlichten. Zo kunnen, wat de Orde der geneesheren betreft, alle inlichtingen of klachten hieromtrent gericht worden aan de provinciale raad waarin de arts ingeschreven is of rechtstreeks aan de Nationale Raad, die ze zal doorsturen naar de bevoegde provinciale raad.

Louter op grond van de anonieme geruchten die in de pers verschijnen, kan, indien dit nodig mocht zijn, geen einde worden gemaakt aan de praktijken die zij aan de kaak wensen te stellen.

De provinciale raden die geconfronteerd werden met bepaalde aspecten van de problematiek die u naar voren brengt, hebben de ontvangen klachten onderzocht en de beslissingen die genomen werden op tuchtrechtelijk vlak werden u, conform de wettelijke bepalingen, regelmatig meegedeeld.

De Nationale Raad zal de artsen via zijn Tijdschrift herinneren aan de deontologische regels die betrekking hebben op de relaties tussen de artsen en de geneesmiddelenindustrie op dit gebied.

***

Naar aanleiding van de publicatie in het tijdschrift van de landsbond van een ziekenfonds van een artikel over de voordelen die door de geneesmiddelenindustrie aan artsen verschaft zouden worden , ontvangen de raden van de Orde van geneesheren talrijke brieven van verontwaardigde artsen die het met de inhoud van het gewraakte artikel niet eens zijn en menen dat de goede naam van het artsenkorps hierdoor aangetast wordt.

De Nationale Raad stuurt onderstaande brief aan de secretaris-generaal van de betrokken landsbond:

De Nationale Raad ontving kopie van de talrijke brieven die naar hun provinciale raden gestuurd werden door artsen die verontwaardigd waren na het lezen van het artikel "Des ordonnances rentables", dat gepubliceerd werd in het tijdschrift "Profil de la vie", nr. 46, juli-augustus 1998. Sommige van deze brieven werden rechtstreeks naar u gezonden.

De Nationale Raad sluit zich aan bij de hevige reacties van deze artsen op deze publicatie, die door de redactie van uw tijdschrift goed en zinvol voor uw leden bevonden werd en die de integriteit van het hele artsenkorps onder zware verdenking plaatst.

De Nationale Raad nam in zijn vergadering van 22 augustus 1998 kennis van het antwoord dat u verstrekte aan de artsen die u een reactie stuurden op deze publicatie. In dit antwoord stelt u zich vragen bij de rol van het beroep in de reactie op compromissituaties "tussen verstrekkers en weinig scrupuleuze farmaceutische bedrijven". Uw vraagstellingen, enerzijds, en uw beweringen, anderzijds, met betrekking tot de artsen aan wie deze "milde geschenken" te beurt vallen en het feit dat de naar voren geschoven cijfers overeenkwamen met vrij speciale medische activiteiten, doen er bij de artsen niet langer twijfel over bestaan dat u de inhoud van deze artikels onderschrijft.

Opdat het beroep, in casu de Orde van geneesheren, kan ingrijpen, zoals u schrijft, moet zij beschikken over precieze inlichtingen. Het is inderdaad gemakkelijk anonieme, en dus veralgemeende, verdenkingen te zaaien en vervolgens het verwijt te maken dat niet gereageerd wordt op situaties waarvan misschien niet altijd bewijzen geleverd kunnen worden, tenzij andere redenen aan de basis liggen van de niet-mededeling ervan.

Over de betrekkingen tussen de artsen en de geneesmiddelenindustrie bestaan zowel wettelijke bepalingen als deontologische voorschriften. De Orde van geneesheren wenst dat iedere persoon die op de hoogte is van onregelmatige praktijken in deze betrekkingen de bevoegde overheden daarvan in kennis stelt. Wat de Orde van geneesheren betreft, is de provinciale raad waarin de arts ingeschreven is, bevoegd om informatie of klachten hieromtrent te ontvangen. Wanneer de Nationale Raad belast wordt met dit soort van informatie, zal hij deze doorsturen naar de bevoegde provinciale raad.