Resultaten
Resultaten
Reclame en Ziekenhuisgeneeskunde
De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan de circulaire van de Franstalige Provinciale Raad van Brabant in verband met 'Reclame en ziekenhuisgeneeskunde'.
RECLAME EN ZIEKENHUISGENEESKUNDE
De Voorzitters van de Medische Raden van de belangrijkste ziekenhuizen in onze provincie en de leden van het Bureau van de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van Brabant met het Frans als voertaal zijn op zaterdag 24 september 1994 samengekomen om een bespreking te wijden aan de problemen die de medische reclame met zich brengt binnen hun ziekenhuizen.
Samen hebben zij enkele consensusvoorstellen geformuleerd.
De volgende personen hebben deelgenomen aan deze vergadering :
Drs. J. Machiels, voorzitter, J. Vanatoru, ondervoorzitter, P. Malvaux, secretaris, P. Guerisse, waarnemend secretaris. Drs. L. Corbeel en J. Marin, respectievelijk effectief en plaatsvervangend afgevaardigde in de Nationale Raad. De heer P. Verlynde, magistraat-bijzitter.
Alsmede de dokters
D. Bayot, Clinique Ste-Anne-St-Remi, M. Boossens, Association Hosp. Etterbeek-Ixelles, S. Cadranel, Hôpital des Enfants, J.P. Degaute, Hôpital Académique Erasme, D. Dunham, Clinique Edith Clavell, M. Dupont, Clinique du Parc Léopold, J. Frühling, Institut Bordet, J.J. Haxhe, Cliniques Universitaires St-Luc, D. Hublet, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth, M. Lhermitte, Hôpital Universitaire Brugmann, R. Moens, Clinique St-Jean, D. Rodenstein, Cliniques Universitaires St-Luc, Fr. Van De Vijver, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth.
CONSENSUSVOORSTELLEN
Het lijdt geen twijfel dat de medische gemeenschap werkelijk bereid is om
- de waardigheid, bescheidenheid en gereserveerdheid van het artsencorps te behouden,
- zich te verzetten tegen afdwalingen die de artsen belachelijk maken en in diskrediet brengen,
- reclame ten gunste van een individu, een dienst of een instelling te verbieden,
- zich ertegen te verzetten dat de medische activiteit gebruikt wordt als een wapen in de commerciële strijd tussen verzorgingsinstellingen.
Aangezien de medische voorlichting en de gezondheidsopvoeding de bevolking voornamelijk bereiken via de media, is het artsencorps niet alleen verplicht mee te werken aan deze initiatieven, doch ook ze te controleren en te leiden. Het is de arts dus helemaal niet verboden de pers te woord te staan met het oog op het verstrekken van informatie, maar wel reclame te maken voor zichzelf, zijn dienst of zijn verzorgingsinstelling.
De voorstellen waarop de consensus gebaseerd is, zijn geïnspireerd op de Code van Plichtenleer, op de Europese Handleiding voor Medische Ethiek en op de adviezen van de Nationale Raad en van de Provinciale Raden.(*)
Enkele aspecten werden nader bepaald :
1- De persconferentie
Een persconferentie mag alleen tot doel hebben via de pers een mening, een idee, een feit of een niet-medisch principe te verdedigen. Een persconferentie mag niet gebruikt worden om een niet-oorspronkelijke techniek die door een arts of een groep artsen in een of andere omstandigheid gebruikt wordt, te promoten. De arts die er zijn medewerking aan verleent, is rechtstreeks verantwoordelijk voor een eventueel verwijt van reclame voor zichzelf of voor een groep.
2- De persdiensten of de diensten 'externe relaties'
De persdiensten of de diensten 'externe relaties' waarover grote ziekenhuizen beschikken, moeten voornamelijk tot doel hebben de mensen die het ziekenhuis bezoeken te helpen en te begeleiden en niet de mensen naar een welbepaalde instelling te leiden.
De Medische Raad dient bijgevolg een rechtstreekse controle uit te oefenen op de initiatieven die een persdienst naar buiten toe zou kunnen nemen met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde.
De modaliteiten van deze controle moeten vastgelegd worden in een schriftelijke overeenkomst.
3- Promoting van het ziekenhuis door de beheerder
Met het oog op de eerbiediging van artikel 14 van de Code van Plichtenleer moet in een overeenkomst tussen de beheerder en de Medische Raad of in een artikel van het Reglement van de Medische Raad, goedgekeurd door de beheerder, bepaald worden dat iedere mededeling aan de media met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde in de instelling voorafgaandelijk goedgekeurd en inhoudelijk gecontroleerd moet zijn door de voorzitter van de Medische Raad, die moet toezien op de naleving van de deontologische regels.
4- Interview van een arts
Wanneer een arts verzocht wordt zijn medewerking te verlenen aan de pers in verband met een probleem betreffende de uitoefening van de geneeskunde, moet hij erop toezien dat de verbintenis aangegaan wordt om, overeenkomstig de Code van Plichtenleer,
- de autonomie en de anonimiteit van de patiënt te eerbiedigen,
- de aanbevelingen van de Orde aangaande de identificatie van de arts in acht te nemen,
- zijn medewerking niet om te vormen tot een individuele raadpleging.
Hij dient de Raad van de Orde voorafgaandelijk te verwittigen.
5- Recht van antwoord
Wanneer een persartikel of een radio- of televisie-uitzending met betrekking tot een arts of een dienst feiten bekendmaakt die niet in overeenstemming zijn met de verklaringen van de arts, moet deze of de verantwoordelijke van de betrokken dienst het betrokken persorgaan een recht van antwoord bezorgen binnen de wettelijke termijn en in rechtsgeldige vorm. De provinciale raad dient hiervan een kopie te ontvangen.
Wanneer zij dit initiatief niet nemen, kunnen de betrokken artsen verzocht worden voor hun provinciale raad verantwoording af te leggen wegens niet-naleving van de beginselen van medische ethiek.
*Code van geneeskundige Plichtenleer, opgesteld door de Nationale Raad.
Europese Handleiding voor Medische Ethiek, opgesteld door de Internationale Conferentie van de Orden.
Tijdschrift nr 53/1991 van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren.
Media
De leden van de Nationale Raad die in de vergadering van 17 januari belast werden met de redactie van een advies in verband met het gebruik van de media door particuliere en ziekenhuisgeneesheren, leggen hun tekst aan de Raad voor.
Na een uitgebreide gedachtenwisseling wordt onderstaande tekst goedgekeurd.
Het door U naar voren gebrachte probleem wordt geregeld bij artikel 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer. Dit belangrijk vraagstuk werd reeds tot drie maal toe voor advies aan de Nationale Raad voorgelegd. De ter zake uitgebrachte adviezen werden gepubliceerd in het Officieel Tijdschrift van de Orde van geneesheren (O.T. nr 26, p. 23‑24, O.T. nr 28, p. 43‑44 en O.T. nr 29, p. 37‑38).
Volgens de interpretatie van artikel 16 moet in de huidige context ook rekening worden gehouden met de vooruitgang van de medische wetenschap en vooral, met de informatie via de mass media. Het publiek heeft recht op informatie en het is onze plicht daaraan te voldoen.
Het is evident dat deze voorlichting van het brede publiek aan bepaalde regels is onderworpen.
Een eerste punt betreft de modaliteiten.
In artikel 16 wordt in fine bepaald: "de geneesheer zal de provinciale raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio‑ of televisie‑uitzendingen"(*). In het laatste advies dat in 1980-1981 werd uitgebracht staat te lezen: "de geneesheer moet de provinciale raad waartoe hij behoort, vooraf inlichten over zijn medewerking aan een radio‑ of TV‑programma".
De arts wordt verzocht zijn provinciale raad voorafgaandelijk van zijn medewerking te verwittigen teneinde de leden van zijn raad de kans te geven hd programma in kwestie te volgen. Dit betekent evenwel niet dat hij de toestemming van zijn provinciale raad moet vragen. De provinciale raad die van dergelijke medewerking wordt ingelicht, zou er echter goed aan doen aan de berokken arts eventueel een reeks aanbevelingen te formuleren waarvan hieronder een beeld wordt geschetst. Indien bedoelde aanbevelingen niet worden nageleefd, kan de raad naderhand maatregelen treffen.
Ingeval de arts zijn provinciale raad niet voorafgaandelijk heeft ingelicht, kan deze hem op die tekortkoming wijzen en opmerkingen formuleren aangaande de eventuele niet‑naleving van deontologische regels tijdens de uitzending.
Een tweede punt betreft het anonimaat.
Met de informatiemogelijkheden die wij nu kennen kan de geïnterviewde moeilijk anoniem blijven.
Een derde punt betreft de aard van de informatie.
De geïnterviewde moet van een grote bescheidenheid getuigen. Voorts komt hierbij in aanmerking, de oorspronkelijkheid van de informatie en het belang ervan voor een breed publiek.
Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:
Het gaat om informatie over het oorspronkelijk werk van de geïnterviewde. In dat geval mogen de naam van de auteur en van de instelling worden vermeld. Onder werkzaamheden wordt verstaan: onderzoek, technieken, behandelingen.
Ingeval bedoelde werkzaamheden ook door anderen worden verricht, moet de betrokkene dat vermelden.
In geval van niet‑oorspronkelijke werkzaamheden of vulgarisatie mag enkel de naam van de geïnterviewde voorkomen met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.
De provinciale raad zal nagaan of al dan niet deontologische fouten werden begaan. De Raad moet daarbij rekening houden met de kwaliteit van de informatie en het uitzonderlijk karakter ervan en oordelen, of het publiek met deze informatie gediend is. Zodoende zal de provinciale raad ten volle zijn rol kunnen vervullen en gebeurlijk tuchtmaatregelen opleggen.
(*) Art. 16 De geneesheren mogen deelnemen aan medische voorlichtingscampagnes, aan radio‑ of televisie‑uitzendingen bestemd voor de volksopleiding en spreekbeurten houden, op voorwaarde dat ze de regels van bescheidenheid, waardigheid, kiesheid en omzichtigheid die eigen zijn aan het medisch b«oep eerbiedigen, dat zij, in het algemeen, naamloos optreden en dat zij geen enkele reclame maken voor hun privé‑prakijk of voor bepaalde instellingen.
De geneesheer zal de provinciale raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio‑ of televisie‑uitzendingen.