keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Publiciteit en reclame18/02/1995 Documentcode: a068024
Reclame en Ziekenhuisgeneeskunde

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan de circulaire van de Franstalige Provinciale Raad van Brabant in verband met 'Reclame en ziekenhuisgeneeskunde'.

RECLAME EN ZIEKENHUISGENEESKUNDE

De Voorzitters van de Medische Raden van de belangrijkste ziekenhuizen in onze provincie en de leden van het Bureau van de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van Brabant met het Frans als voertaal zijn op zaterdag 24 september 1994 samengekomen om een bespreking te wijden aan de problemen die de medische reclame met zich brengt binnen hun ziekenhuizen.

Samen hebben zij enkele consensusvoorstellen geformuleerd.

De volgende personen hebben deelgenomen aan deze vergadering :

Drs. J. Machiels, voorzitter, J. Vanatoru, ondervoorzitter, P. Malvaux, secretaris, P. Guerisse, waarnemend secretaris. Drs. L. Corbeel en J. Marin, respectievelijk effectief en plaatsvervangend afgevaardigde in de Nationale Raad. De heer P. Verlynde, magistraat-bijzitter.

Alsmede de dokters

D. Bayot, Clinique Ste-Anne-St-Remi, M. Boossens, Association Hosp. Etterbeek-Ixelles, S. Cadranel, Hôpital des Enfants, J.P. Degaute, Hôpital Académique Erasme, D. Dunham, Clinique Edith Clavell, M. Dupont, Clinique du Parc Léopold, J. Frühling, Institut Bordet, J.J. Haxhe, Cliniques Universitaires St-Luc, D. Hublet, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth, M. Lhermitte, Hôpital Universitaire Brugmann, R. Moens, Clinique St-Jean, D. Rodenstein, Cliniques Universitaires St-Luc, Fr. Van De Vijver, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth.

CONSENSUSVOORSTELLEN

Het lijdt geen twijfel dat de medische gemeenschap werkelijk bereid is om

  • de waardigheid, bescheidenheid en gereserveerdheid van het artsencorps te behouden,
  • zich te verzetten tegen afdwalingen die de artsen belachelijk maken en in diskrediet brengen,
  • reclame ten gunste van een individu, een dienst of een instelling te verbieden,
  • zich ertegen te verzetten dat de medische activiteit gebruikt wordt als een wapen in de commerciële strijd tussen verzorgingsinstellingen.

Aangezien de medische voorlichting en de gezondheidsopvoeding de bevolking voornamelijk bereiken via de media, is het artsencorps niet alleen verplicht mee te werken aan deze initiatieven, doch ook ze te controleren en te leiden. Het is de arts dus helemaal niet verboden de pers te woord te staan met het oog op het verstrekken van informatie, maar wel reclame te maken voor zichzelf, zijn dienst of zijn verzorgingsinstelling.

De voorstellen waarop de consensus gebaseerd is, zijn geïnspireerd op de Code van Plichtenleer, op de Europese Handleiding voor Medische Ethiek en op de adviezen van de Nationale Raad en van de Provinciale Raden.(*)

Enkele aspecten werden nader bepaald :

1- De persconferentie

Een persconferentie mag alleen tot doel hebben via de pers een mening, een idee, een feit of een niet-medisch principe te verdedigen. Een persconferentie mag niet gebruikt worden om een niet-oorspronkelijke techniek die door een arts of een groep artsen in een of andere omstandigheid gebruikt wordt, te promoten. De arts die er zijn medewerking aan verleent, is rechtstreeks verantwoordelijk voor een eventueel verwijt van reclame voor zichzelf of voor een groep.

2- De persdiensten of de diensten 'externe relaties'

De persdiensten of de diensten 'externe relaties' waarover grote ziekenhuizen beschikken, moeten voornamelijk tot doel hebben de mensen die het ziekenhuis bezoeken te helpen en te begeleiden en niet de mensen naar een welbepaalde instelling te leiden.

De Medische Raad dient bijgevolg een rechtstreekse controle uit te oefenen op de initiatieven die een persdienst naar buiten toe zou kunnen nemen met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde.

De modaliteiten van deze controle moeten vastgelegd worden in een schriftelijke overeenkomst.

3- Promoting van het ziekenhuis door de beheerder

Met het oog op de eerbiediging van artikel 14 van de Code van Plichtenleer moet in een overeenkomst tussen de beheerder en de Medische Raad of in een artikel van het Reglement van de Medische Raad, goedgekeurd door de beheerder, bepaald worden dat iedere mededeling aan de media met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde in de instelling voorafgaandelijk goedgekeurd en inhoudelijk gecontroleerd moet zijn door de voorzitter van de Medische Raad, die moet toezien op de naleving van de deontologische regels.

4- Interview van een arts

Wanneer een arts verzocht wordt zijn medewerking te verlenen aan de pers in verband met een probleem betreffende de uitoefening van de geneeskunde, moet hij erop toezien dat de verbintenis aangegaan wordt om, overeenkomstig de Code van Plichtenleer,

  • de autonomie en de anonimiteit van de patiënt te eerbiedigen,
  • de aanbevelingen van de Orde aangaande de identificatie van de arts in acht te nemen,
  • zijn medewerking niet om te vormen tot een individuele raadpleging.

Hij dient de Raad van de Orde voorafgaandelijk te verwittigen.

5- Recht van antwoord

Wanneer een persartikel of een radio- of televisie-uitzending met betrekking tot een arts of een dienst feiten bekendmaakt die niet in overeenstemming zijn met de verklaringen van de arts, moet deze of de verantwoordelijke van de betrokken dienst het betrokken persorgaan een recht van antwoord bezorgen binnen de wettelijke termijn en in rechtsgeldige vorm. De provinciale raad dient hiervan een kopie te ontvangen.
Wanneer zij dit initiatief niet nemen, kunnen de betrokken artsen verzocht worden voor hun provinciale raad verantwoording af te leggen wegens niet-naleving van de beginselen van medische ethiek.

*Code van geneeskundige Plichtenleer, opgesteld door de Nationale Raad.

Europese Handleiding voor Medische Ethiek, opgesteld door de Internationale Conferentie van de Orden.

Tijdschrift nr 53/1991 van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren.

Publiciteit en reclame18/02/1995 Documentcode: a068023
Reclame

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan de circulaire van de Provinciale Raad van Luik in verband met 'reclame'.

Commissie Reclame

Synthese-rapport

Rekening houdend met de respectieve en geïntegreerde evoluties van het artsencorps en van de maatschappij op economisch, sociaal en filosofisch vlak, is de Provinciale Raad van Luik de mening toegedaan dat de deontologische regels die momenteel van toepassing zijn inzake reclame en informatie, aangepast moeten worden.

Hij steunt hierbij op het advies van de Provinciale Raad van Antwerpen van 30 september 1989 aangaande de betrekkingen van de artsen met de media, dat hij wenst aan te passen als volgt :

Inleiding

De Provinciale Raad wenst nieuwe aanbevelingen te verstrekken met betrekking tot deze materie.

HOOFDSTUK I : De media (radio, telecommunicatie, geschreven pers)

De Provinciale Raad wenst er de aandacht op te vestigen dat hij bij de eventuele disciplinaire toepassing van de aanbevelingen verder rekening kan houden met de vormelijke aspecten van de mededelingen en publikaties, en dat hij bovendien zeer speciaal zal toezien op het inhoudelijk aspect van de informatie, met name de relevantie en de kwaliteit ervan : de arts is persoonlijk betrokken bij de vorm en inhoud van zijn informatie, die het publiek werkelijk moet dienen.

1. Algemene aanbevelingen
  • Alvorens zijn medewerking aan de media te verlenen, zal de arts de Provinciale Raad per brief of per fax verwittigen. Zulks betekent niet dat hij hiervoor toestemming moet vragen, doch moet het de leden van zijn raad mogelijk maken de uitzending op radio of TV te volgen of kennis te nemen van de publikatie in de geschreven pers. De Provinciale Raad zal oordelen over de gegrondheid van een eventuele niet-naleving van deze verplichting.
  • Vóór iedere medewerking aan de media, zowel geschreven als gesproken (TV, radio), moet de arts met de journalist en/of een verantwoordelijke afspraken maken met betrekking tot het onderwerp en de omstandigheden.

Hij dient de nadruk te leggen op de volgende punten :

  • de eerbiediging van het medisch geheim overeenkomstig de regels van de Code van geneeskundige Plichtenleer;
  • de waarborg dat zijn tussenkomst op geen enkele manier de vorm kan aannemen van een individuele raadpleging;
  • de verderop beschreven aanbevelingen betreffende zijn identificatie;
  • de verplichting het publiek te informeren met de nodige bescheidenheid, eerlijkheid, duidelijkheid en objectiviteit.

Deze verschillende gegevens werden overgenomen in het bijgevoegde document, dat door de Provinciale Raad van Luik bezorgd zal worden aan zijn leden.

Aanbevelingen betreffende de identificatie :

Met de actuele informatiemogelijkheden kan de arts moeilijk anoniem blijven.

Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen :

    • Het gaat om diagnostische en therapeutische handelingen :
    • Indien het gaat om informatie over oorspronkelijk werk, mag de arts zijn naam en discipline alsook de naam van zijn instelling vermelden. Indien zulk oorspronkelijk werk reeds in toepassing werd gebracht door anderen in andere instellingen, moet de betrokkene dit feit vermelden.
    • Indien een arts informatie verstrekt over niet-oorspronkelijk werk, indien het gaat om vulgarisatie, mag die arts alleen zijn naam en discipline bekend maken met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.
  1. Het gaat om algemene medische problemen of algemene principes: alleen de naam en de discipline van de informatieverstrekkende arts mogen vermeld worden.

  2. In geval van tegensprekelijke debatten mogen de naam en de discipline van de arts alsook de naam van de instelling of vereniging waarvan hij woordvoerder is, vermeld worden.

De ervaring heeft bewezen dat het onontbeerlijk is met de journalist die verantwoordelijk is voor het artikel en/of de uitzending voorafgaandelijk een overeenkomst te treffen die voldoende waarborgen biedt voor het respecteren van de bovenvermelde aanbevelingen.

Indien zulke overeenkomst niet mogelijk is of indien de arts gegronde twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de journalist of van het medium waaraan hij zijn medewerking verleent, is het aangeraden dat hij afziet van elke medewerking.

Indien zulke overeenkomst niet geëerbiedigd wordt door de journalist, zal de betrokken arts op krachtdadige wijze schriftelijk protest aantekenen en dient hij de Provinciale Raad hierover in te lichten. De beelden dienen de regels van waardigheid en welvoeglijkheid in acht te nemen.
Tenslotte zal een passieve houding, vanwege de individuele arts of vanwege zijn medische raad, tegenover de directie, die hem zou betrekken in een wettelijk of deontologisch ongeoorloofd initiatief in de media, als vatbaar voor een disciplinair onderzoek beschouwd worden.

HOOFDSTUK II : Betrekkingen tussen confraters

Het is toegelaten onder confraters reclame te maken voor informatie van medische aard. Zij moet waarheidsgetrouw zijn en mag niet vergelijkend zijn. Wanneer deze informatie betrekking heeft op een nieuwe techniek of op een nieuwe dienst die ter beschikking wordt gesteld van de artsen en van het publiek, moet zij eerst voorgesteld worden aan de artsen die er belang bij hebben of kunnen hebben, alvorens eventueel verspreid te worden onder een niet-medisch publiek.

HOOFDSTUK III : Informatie in de lokale pers

Afhankelijk van het gebruik binnen de plaatselijke medische kringen en in gezamenlijk overleg met deze laatsten, zijn de volgende publikaties toegelaten :

  1. Opening kabinet
    vier keer in de loop van de 12 eerste vestigingsmaanden
  2. Verhuizing, nieuw telefoonnummer
    2 keer gedurende 1maand
  3. Afwezigheid wegens ziekte of vakantie
    één enkele publikatie met de data en de naam van de vervanger(s)
  4. Definitieve stopzetting van de activiteiten
    wekelijkse publikatie gedurende één maand, met vermelding van de naam van de eventuele opvolger.

Deze mededelingen dienen op bescheiden wijze gepubliceerd te worden in de voor de wachtdienst bestemde ruimte.

Voormelde bepalingen zijn uitsluitend van toepassing op het territorium van de Provinciale Raad van Luik !

HOOFDSTUK IV : Naamborden

De Provinciale Raad herinnert aan het advies van de Nationale Raad van 9 juli 1993 (Officieel Tijdschrift - Orde der geneesheren nr. 32 (1983-1984) en aan het Koninklijk Besluit van 25 november 1991.

BETREKKINGEN MET DE MEDIA

Beginselen van geneeskundige plichtenleer

Zowel de journalist als de arts zijn gebonden door elkaars beroepsdeontologie.
De Provinciale Raad van Luik acht het nuttig dat de arts de journalist aan wie hij zijn medewerking verleent, ter informatie een document bezorgt met de deontologische bepalingen die opgelegd worden aan de artsen.

Hierna vindt u een overzicht van de in acht te nemen beginselen :

  1. Eerbiediging van het medisch geheim, in het bijzonder door de autonomie en de anonimiteit van de patiënt te eerbiedigen en door gepaste maatregelen te treffen.
  2. Het treffen van maatregelen opdat de tussenkomst van de arts niet de vorm kan aannemen van een individuele raadpleging.
  3. Eerbiediging van de aanbevelingen van de Orde betreffende de identificatie van de practicus : in geval van tegensprekelijke debatten mogen alleen de naam en de discipline van de arts en/of van de instelling of medische vereniging waarvan hij de woordvoerder is, vermeld worden.
    Indien het gaat om informatie over oorspronkelijk werk of een oorspron-kelijke behandeling, mag de discipline van de arts vermeld worden, alsmede de naam van de instelling waaraan hij verbonden is. Indien het gaat om door anderen gedeelde informatie, moet dit vermeld worden.
    Indien het gaat om vulgarisatie mogen alleen de naam en de discipline van de arts bekendgemaakt worden, met de vermelding dat de verspreide informatie betrekking heeft op gangbare praktijken.
  4. De Provinciale Raad moet tijdig op de hoogte gebracht worden van de geplande uitzending of publikatie, zodat de leden van de Raad ervan kennis kunnen nemen.
  5. De arts is verplicht het publiek te informeren met de nodige bescheidenheid, eerlijkheid, duidelijkheid en objectiviteit.
  6. Medische reclame blijft verboden.
  7. Wanneer een uitzending (meer bepaald voor de TV) gepland is, dienen de nodige maatregelen getroffen te worden opdat de medische instelling waarin de uitzending plaatsvindt, of waarin de opnamen gedaan worden, niet herkend kan worden.
  8. Het is wenselijk dat een geschreven artikel vóór de publikatie ervan verbeterd wordt door de arts.

De Provinciale Raad is ervan overtuigd dat de eerbiediging van de deontologische regels eigen aan elk der partijen het vertrouwen dat onontbeerlijk is voor het welslagen van een doeltreffende en succesvolle samenwerking alleen maar in de hand kan werken.

De Provinciale Raad van Luik

Televisie21/11/1992 Documentcode: a059006
Televisie-uitzendingen

Televisie‑uitzendingen

1‑ln het kader van een sportmagazine zou een televisiemaatschappij enkele reportages willen maken over frequent voorkomende sportblessures. Het is de bedoeling bij enkele dokters opnamen te gaan maken bij de behandeling van dergelijke blessures.
De Raad is de mening toegedaan dat het advies van de Provinciale Raad van Antwerpen "Geneesheren en reclame", goedgekeurd door de Nationale Raad en gepubliceerd in het Tijdschrift nr. 53, voldoende elementen bevat.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 november 1992 kennis genomen van uw brief van 15 oktober 1992 betreffende het maken bij dokters van opnamen bij de behandeling van "sportblessures".

Wanneer patiënten rechtstreeks worden betrokken bij dergelijke opnamen en media‑uitzendingen dient de arts er op toe te zien dat in alle omstandigheden de waardigheid van de patiënt wordt geëerbiedigd en diens anonimiteit wordt verzekerd.

Als bijlage stuur ik u een door de Nationale Raad goedgekeurd advies van de Provinciale Raad van Antwerpen inzake "Geneesheren en reclame".

Advies van de Provinciale Raad van Antwerpen:

GENEESHEREN EN RECLAME

Inleiding:

De Provinciale Raad wenst opnieuw deontologische richtlijnen te publiceren met betrekking tot deze materie.
Hiervoor steunt hij op de volgende documenten:

  1. Code van geneeskundige Plichtenleer ‑ Hoofdstuk III
  2. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren gepubliceerd in zijn tijdschrift nr. 36 ‑ juni 1987 ‑ blz. 16, 19, 25 tot 27
  3. Wet op de ziekenhuizen ‑ erkenning ‑ Bijlage bij K.B. van 23/10/64 ‑ Hoofdstuk III - Organisatorische normen ‑ 8e
  4. Artikel 7bis van het K.B. van 24/12/63 gewijzigd bij verordening van 9/3/81 en van 10/5/82
  5. Artikel 67 van de sociale herstelwet van 1/8/85.

De media (radio, TV, geschreven pers):

De Provinciale Raad wenst er de aandacht op te vestigen dat hij bij de eventuele disciplinaire toepassing van de richtlijnen verder rekening zal houden met de vormelijke aspecten van de mededelingen en publikaties, en dat hij bovendien zeer speciaal zal toezien op het inhoudelijk aspect van de informatie, met name de relevantie en de kwaliteit ervan: de geneesheer is ten volle verantwoordelijk voor vorm en inhoud van zijn informatie, die het publiek werkelijk moet dienen.

1. Algemene richtlijnen:

‑ Alvorens zijn medewerking aan de media te verlenen, zal de geneesheer de Provinciale Raad schriftelijk of telefonisch verwittigen. Zulks betekent niet dat hij hiervoor toestemming moet vragen, doch moet het de leden van zijn raad mogelijk maken de uitzending op radio of TV te volgen of kennis te nemen van de publikatie in de geschreven pers.

De Provinciale Raad zal oordelen of de geneesheer, die deze verplichting in bepaalde omstandigheden eventueel niet naleefde, voldoende gegronde redenen hiertoe had.

‑ De geneesheer zal het publiek, met de nodige bescheidenheid, eerlijk, duidelijk en objectief informeren. Hij zal vermijden paniek te zaaien of valse hoop te wekken.

‑ De geneesheer zal zijn medewerking aan de media slechts verlenen onder de strikte voorwaarden van het eerbiedigen van het beroepsgeheim en zal erop toezien dat zijn medewerking er niet in bestaat eventuele raadplegingen te houden.

2. Richtlijnen betreffende de identificatie:

Met de actuele informatiemogelijkheden kan de geneesheer moeilijk anoniem blijven. Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:

  1. Het gaat om diagnostische en therapeutische handelingen:
    • Indien het gaat om informatie over zijn oorspronkelijk werk, mag de geneesheer zijn naam en discipline alsook de naam van zijn instelling vermelden. Indien zulk oorspronkelijk werk reeds in toepassing werd gebracht door anderen in andere instellingen, moet de betrokkene dit feit vermelden.
    • Indien een geneesheer informatie verstrekt over niet‑ oorspronkelijk werk, indien het gaat om vulgarisatie, mag die geneesheer alleen zijn naam en discipline bekend maken met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.
  2. Het gaat om algemene medische problemen of algemene principes:
    Alleen de naam en de discipline van de informatie verstrekkende geneesheer mogen vermeld worden.
  3. In geval van tegensprekelijke debatten mogen de naam en de discipline van de geneesheer alsook de naam van de instelling of vereniging, waarvan hij woordvoerder is, vermeld worden.

De ervaring heeft bewezen dat het onontbeerlijk is met de journalist voorafgaandelijk een overeenkomst te treffen, die voldoende waarborgen biedt voor het respecteren van hoger vermelde richtlijnen.

In die zin is het dan ook wenselijk dat de geneesheer voorafgaandelijk kennis neemt van de vorm en de inhoud van hetgeen de journalist zal publiceren. Indien zulke overeenkomst niet mogelijk is of indien de geneesheer gegronde twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de journalist of van het medium waaraan hij zijn medewerking verleent, dient de geneesheer van elke medewerking af te zien.

Indien zulke overeenkomst niet geëerbiedigd wordt door de journalist, zal de geneesheer op krachtdadige wijze schriftelijk protest aantekenen en dient hij de Provinciale Raad hierover in te lichten. De aan persartikels eventueel toegevoegde fotografische documenten, en inzonderheid betreffende de geneesheer‑geïnterviewde of auteur van het persartikel, kunnen door de Provinciale Raad slechts aanvaard worden mits de regels van waardigheid, kiesheid en bescheidenheid strikt gerespecteerd worden.

Tenslotte betreffende geneesheren werkzaam in verzorgingsinstellingen, zal de Provinciale Raad een passieve houding, vanwege de individuele geneesheer of vanwege zijn medische raad, tegenover de directie, die hen zou betrekken in een wettelijk of deontologisch ongeoorloofd initiatief in de media, als vatbaar voor een disciplinair onderzoek beschouwen.

2‑ Een andere televisieproducer heeft het voornemen een uitzending te maken over slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen. Daar hij in contact wenst te treden met familieleden en vrienden van het slachtoffer alsmede met de chauffeur die het ongeval veroorzaakt heeft, wendt hij zich tot de verschillende spoedgevallendiensten om de identiteit van de slachtoffers te achterhalen.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 november 1992 kennis genomen van uw brief van 19 oktober 1992 betreffende een schrijven van "X" gericht aan het hoofd van de dienst spoedgevallen.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat aan dergelijke vraag geen gevolg kan gegeven worden en dat in geen geval de gevraagde informatie over slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen mag verstrekt worden.

Publiciteit en reclame22/08/1992 Documentcode: a058007
IVF - Bekendmaking via de media

Een ziekenhuis wenst via de pers de geboorte aan te kondigen van een meisjestweeling die verwekt werd door een in vitro fertilisatie welke uitgevoerd werd in zijn dienst gynaecologie- verloskunde.
Het artikel dat het ziekenhuis wil publiceren in de pers, vertoont volgens de provinciale raad een publicitair karakter. Hij legt zijn antwoord voor aan de Nationale Raad, die er zijn goedkeuring aan hecht mits de termen "vertoont volgens onze mening een publicitair karakter" vervangen worden door "vertoont een publicitair karakter".

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 22 augustus 1992 kennis genomen van uw brief van 24 juni 1992, met betrekking tot de bekendmaking via de media van een succesvolle in vitro fertilisatie.

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan uw ontwerp-antwoord van 24 juni aan Dr. X, Directeur van Y, op voorwaarde dat de derde paragraaf gewijzigd wordt (zie bijlage).

Bijlage: brief van de provinciale raad:

Op 16 juni jongstleden hebben wij van de directie van het ziekenhuis Y een brief ontvangen die ondertekend was door de heren X en Z en waarin zij ons hun wens te kennen gaven om via de media de geboorte aan te kondigen van een meisjestweeling verwekt door in vitro fertilisatie.

Op grond van artikel 6 van het Koninklijk Besluit nr. 79 van 10 november 1967, houdende regeling van de bevoegdheden van de provinciale raden, behoort het niet tot onze taken een gevolg te geven aan het verzoek van deze heren.

Wij wensen niettemin op te merken dat de brief die zij wensen te publiceren in de pers in verschillende opzichten een publicitair karakter vertoont, ofschoon wij in onze brief van 27 mei 1992 aan Dr. X aanbevolen hebben een informatief artikel op te stellen.
Het ontwerp-artikel zoals nu opgesteld kan bijgevolg onze goedkeuring niet wegdragen.

Publiciteit en reclame11/05/1991 Documentcode: a053008
Reclame - Informatie

Reclame ‑ Informatie

In september 1990 verzochten twee Provinciale geneeskundige commissies de Nationale Raad om verduidelijkingen in verband met de interpretatie die gegeven dient te worden aan de artikelen 12, 14, 15 en 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.
Zij stellen namelijk vast dat deze regels van plichtenleer zowel op nationaal als op internationaal niveau op uiteenlopende wijze toegepast worden en verlangen dat de Nationale Raad door middel van een advies een einde zou maken aan die situatie.

De Commissie "Code en Vooruitzichten", waaraan de bestudering van dit probleem toevertrouwd was, brengt verslag uit bij de Raad.
Nadat de Raad kennis genomen heeft van een uitvoerig advies van de Provinciale Raad van Antwerpen "Geneesheren en reclame" en nadat hij de vroeger uitgebrachte adviezen (Tijdschrift nr. 36) opnieuw doorgenomen heeft, beslist hij de tekst van de Provinciale Raad van Antwerpen als antwoord te zenden. (Zie Adviezen van Provinciale Raden, blz. 37).

Brief vanwege de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 17 november 1990 kennis genomen van uw adviesaanvraag met betrekking tot de interpretatie die gegeven dient te worden aan de artikelen 12, 14, 15 en 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer (Reclame).

De Commissie "Code en Vooruitzichten" heeft tijdens de vergadering van de Nationale Raad van 20 april 1991 het resultaat van haar werkzaamheden voorgelegd.

Na een gedachtenwisseling heeft de Nationale Raad in zijn vergadering van 11 mei 1991 zijn goedkeuring gehecht aan het recente standpunt van de Provinciale Raad van Antwerpen betreffende het optreden van geneesheren in de media.

Als bijlage vindt U een kopie van die teksten.

De Nationale Raad wenst evenwel uw aandacht te vestigen op het feit dat art. 74 van de wet op de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering (artikel m.b.t. reclame) gewijzigd werd bij art. 37 van de wet van 30 december 1988 en vervangen werd door het nieuwe artikel 71.

Publiciteit en reclame11/05/1991 Documentcode: a053015
Reclame en informatie

Reclame ‑ Informatie

In september 1990 verzochten twee Provinciale geneeskundige commissies de Nationale Raad om verduidelijkingen in verband met de interpretatie die gegeven dient te worden aan de artikelen 12, 14, 15 en 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

Nadat de Raad kennis genomen heeft van een uitvoerig advies van de Provinciale Raad van Antwerpen "Geneesheren en reclame" en nadat hij de vroeger uitgebrachte adviezen (Tijdschrift nr.36) opnieuw doorgenomen heeft, beslist hij de tekst van de Provinciale Raad van Antwerpen als antwoord te zenden.

Advies van de Provinciale Raad van Antwerpen:

GENEESHEREN EN RECLAME

Inleiding:

De Provinciale Raad wenst opnieuw deontologische richtlijnen te publiceren met betrekking tot deze materie.
Hiervoor steunt hij op de volgende documenten:

  1. Code van Geneeskundige Plichtenleer Hoofdstuk III
  2. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren gepubliceerd in zijn tijdschrift nr. 36 juni 1987 blz. 16, 19, 25 tot 27
  3. Wet op de ziekenhuizen erkenning Bijlage bij K.B. van 23/10/64 Hoofdstuk III Organisatorische normen 8e
  4. Artikel 7 Bis van het K.B. van 24/12/63 gewijzigd bij verordening van 9/3/81 en van 10/5/82
  5. Artikel 67 van de sociale herstelwet van 1/8/85

De media (radio, TV, geschreven pers)

De Provinciale Raad wenst er de aandacht op te vestigen dat hij bij de eventuele disciplinaire toepassing van de richtlijn en verder rekening zal houden met de vormelijke aspecten van de mededelingen en publikaties, en dat hij bovendien zeer speciaal zal toezien op het inhoudelijk aspect van de informatie, met name de relevantie en de kwaliteit ervan: de geneesheer is ten volle verantwoordelijk voor vorm en inhoud van zijn informatie, die het publiek werkelijk moet dienen.

1. Algemene richtlijnen:

‑ Alvorens zijn medewerking aan de media te verlenen, zal de geneesheer de Provinciale Raad schriftelijk of telefonisch verwittigen. Zulks betekent niet dat hij hiervoor toestemming moet vragen, doch moet het de leden van zijn raad mogelijk maken de uitzending op radio of TV te volgen of kennis te nemen van de publikatie in de geschreven pers. De Provinciale Raad zal oordelen of de geneesheer, die deze verplichting in bepaalde omstandigheden eventueel niet naleefde, voldoende gegronde redenen hiertoe had.

‑ De geneesheer zal het publiek, met de nodige bescheidenheid, eerlijk, duidelijk en objectief informeren. Hij zal vermijden paniek te zaaien of valse hoop te wekken.

‑ De geneesheer zal zijn medewerking aan de media slechts verlenen onder de strikte voorwaarden van het eerbiedigen van het beroepsgeheim en zal erop toezien dat zijn medewerking er niet in bestaat individuele raadplegingen te houden.

2. Richtlijnen betreffende de identificatie

Met de actuele informatiemogelijkheden kan de geneesheer moeilijk anoniem blijven.
Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:

  1. Het gaat om diagnostische en therapeutische handelingen:
    • Indien het gaat om informatie over zijn oorspronkelijk werk, mag de geneesheer zijn naam en discipline alsook de naam van zijn instelling vermelden. Indien zulk oorspronkelijk werk reeds in toepassing werd gebracht door anderen in andere instellingen, moet de betrokkene dit feit vermelden.
    • Indien een geneesheer informatie verstrekt over niet‑ oorspronkelijk werk, indien het gaat om vulgarisatie, mag die geneesheer alleen zijn naam en discipline bekend maken met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.
  2. Het gaat om algemene medische problemen of algemene principes: Alleen de naam en de discipline van de informatie verstrekkende geneesheer mogen vermeld worden.
  3. In geval van tegensprekelijke debatten mogen de naam en discipline van de geneesheer alsook de naam van de instelling of vereniging, waarvan hij woordvoerder is, vermeld worden.

De ervaring heeft bewezen dat het onontbeerlijk is met de journalist voorafgaandelijk een overeenkomst te treffen, die voldoende waarborgen biedt voor het respecteren van hoger vermelde richtlijnen.

In die zin is het dan ook wenselijk dat de geneesheer voorafgaandelijk kennis neemt van de vorm en de inhoud van hetgeen de journalist zal publiceren. Indien zulke overeenkomst niet mogelijk is of indien de geneesheer gegronde twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de journalist of van het medium waaraan hij zijn medewerking verleent, dient de geneesheer van elke medewerking af te zien.

Indien zulke overeenkomst niet geëerbiedigd wordt door de journalist, zal de betrokken geneesheer op krachtdadige wijze schriftelijk protest aantekenen en dient hij de Provinciale Raad hierover in te lichten. De aan persartikels eventueel toegevoegde fotografische documenten, en inzonderheid betreffende de geneesheer geïnterviewde of auteur van het persartikel, kunnen door de Provinciale Raad slechts aanvaard worden mits de regels van waardigheid, kiesheid en bescheidenheid strikt gerespecteerd worden.

Tenslotte betreffende geneesheren werkzaam in verzorgingsinstellingen, zal de Provinciale Raad een passieve houding, vanwege de individuele geneesheer of vanwege zijn medische raad, tegenover de directie, die hen zou betrekken in een wettelijk of deontologisch ongeoorloofd initiatief in de media, als vatbaar voor een disciplinair onderzoek beschouwen.

Publiciteit en reclame21/03/1987 Documentcode: a036019
Media

De leden van de Nationale Raad die in de vergadering van 17 januari belast werden met de redactie van een advies in verband met het gebruik van de media door particuliere en ziekenhuisgeneesheren, leggen hun tekst aan de Raad voor.

Na een uitgebreide gedachtenwisseling wordt onderstaande tekst goedgekeurd.

Het door U naar voren gebrachte probleem wordt geregeld bij artikel 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer. Dit belangrijk vraagstuk werd reeds tot drie maal toe voor advies aan de Nationale Raad voorgelegd. De ter zake uitgebrachte adviezen werden gepubliceerd in het Officieel Tijdschrift van de Orde van geneesheren (O.T. nr 26, p. 23‑24, O.T. nr 28, p. 43‑44 en O.T. nr 29, p. 37‑38).

Volgens de interpretatie van artikel 16 moet in de huidige context ook rekening worden gehouden met de vooruitgang van de medische wetenschap en vooral, met de informatie via de mass media. Het publiek heeft recht op informatie en het is onze plicht daaraan te voldoen.

Het is evident dat deze voorlichting van het brede publiek aan bepaalde regels is onderworpen.

Een eerste punt betreft de modaliteiten.

In artikel 16 wordt in fine bepaald: "de geneesheer zal de provinciale raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio‑ of televisie‑uitzendingen"(*). In het laatste advies dat in 1980-1981 werd uitgebracht staat te lezen: "de geneesheer moet de provinciale raad waartoe hij behoort, vooraf inlichten over zijn medewerking aan een radio‑ of TV‑programma".

De arts wordt verzocht zijn provinciale raad voorafgaandelijk van zijn medewerking te verwittigen teneinde de leden van zijn raad de kans te geven hd programma in kwestie te volgen. Dit betekent evenwel niet dat hij de toestemming van zijn provinciale raad moet vragen. De provinciale raad die van dergelijke medewerking wordt ingelicht, zou er echter goed aan doen aan de berokken arts eventueel een reeks aanbevelingen te formuleren waarvan hieronder een beeld wordt geschetst. Indien bedoelde aanbevelingen niet worden nageleefd, kan de raad naderhand maatregelen treffen.

Ingeval de arts zijn provinciale raad niet voorafgaandelijk heeft ingelicht, kan deze hem op die tekortkoming wijzen en opmerkingen formuleren aangaande de eventuele niet‑naleving van deontologische regels tijdens de uitzending.

Een tweede punt betreft het anonimaat.

Met de informatiemogelijkheden die wij nu kennen kan de geïnterviewde moeilijk anoniem blijven.

Een derde punt betreft de aard van de informatie.

De geïnterviewde moet van een grote bescheidenheid getuigen. Voorts komt hierbij in aanmerking, de oorspronkelijkheid van de informatie en het belang ervan voor een breed publiek.

Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:

  • Het gaat om informatie over het oorspronkelijk werk van de geïnterviewde. In dat geval mogen de naam van de auteur en van de instelling worden vermeld. Onder werkzaamheden wordt verstaan: onderzoek, technieken, behandelingen.

  • Ingeval bedoelde werkzaamheden ook door anderen worden verricht, moet de betrokkene dat vermelden.

  • In geval van niet‑oorspronkelijke werkzaamheden of vulgarisatie mag enkel de naam van de geïnterviewde voorkomen met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.

De provinciale raad zal nagaan of al dan niet deontologische fouten werden begaan. De Raad moet daarbij rekening houden met de kwaliteit van de informatie en het uitzonderlijk karakter ervan en oordelen, of het publiek met deze informatie gediend is. Zodoende zal de provinciale raad ten volle zijn rol kunnen vervullen en gebeurlijk tuchtmaatregelen opleggen.


(*) Art. 16 De geneesheren mogen deelnemen aan medische voorlichtingscampagnes, aan radio‑ of televisie‑uitzendingen bestemd voor de volksopleiding en spreekbeurten houden, op voorwaarde dat ze de regels van bescheidenheid, waardigheid, kiesheid en omzichtigheid die eigen zijn aan het medisch b«oep eerbiedigen, dat zij, in het algemeen, naamloos optreden en dat zij geen enkele reclame maken voor hun privé‑prakijk of voor bepaalde instellingen.

De geneesheer zal de provinciale raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio‑ of televisie‑uitzendingen.

Publiciteit en reclame21/02/1987 Documentcode: a036012
Media

De vergadering van 21 februari begint met een nader onderzoek van het rapport dat werd opgesteld door de commissie belast met de studie van het gebruik van de media door bepaalde medische diensten en meer bepaald naar aanleiding van de ingebruikneming van nieuwe medische apparatuur.

Volgens een in 1981 uitgebracht advies van de Nationale Raad, mogen geneesheren die in een uitzending algemene principes verdedigen, hun identiteit vermelden maar werd daarentegen het anonimaat aangeraden bij de voorstelling van nieuwe medische technieken. Voorts werd gezegd dat de geneesheer in geen geval de plaats van zijn activiteiten mocht kenbaar maken.

Er moet vandaag de dag rekening worden gehouden met de evolutie van de media en het is zo goed als onmogelijk geworden om nog aan een uitzending deel te nemen zonder zijn identiteit te vermelden of aan het publiek te worden voorgesteld. Voorts is het evenmin normaal dat de burgers van ons land niet zouden beseffen dat hier ook uitstekende specialisten voorhanden zijn en voor een groot aantal technieken en ingrepen niet noodzakelijk naar het buitenland moet worden gegaan. Alhoewel steeds moet worden vermeden dat de naam wordt vermeld van instellingen waar nieuwe technieken worden toegepast, is het daarentegen normaal dat de naam wordt vermeld van diegene of diegenen die bedoelde technieken hebben uitgevonden of de naam wordt gegeven van een instelling waar oorspronkelijke research gebeurt of spitstechnieken worden uitgevonden.

Een commissie wordt belast met het opstellen van een ontwerp-advies. (zie p. 19 en p. 25)