keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Code van medische deontologie (Interpretatie van de-)23/04/2020 Documentcode: a167012
Vergelijkende publiciteit
Na overleg met de leden van de nationale raad die in lockdown zijn, heeft het bureau, in zijn vergadering van 23 april 2020, de wijziging van artikel 37 van de gecommentarieerde Code van medische deontologie goedgekeurd.

Art. 37

De arts mag zijn medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

De informatie, onder welke vorm ook, is waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk. Zij is niet misleidend en zet niet aan tot overbodige medische prestaties.

De arts verzet zich tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken en die de bepalingen van het vorige lid niet respecteert.

1. Algemeen

1.1 Juridische restricties

Het recht van de arts om reclame te maken voor zijn medische activiteit volgt uit de Europese en nationale regelgeving. Dit recht is niet absoluut. Het kent beperkingen gemotiveerd door dwingende redenen van algemeen belang, voornamelijk de bescherming van de volksgezondheid.

De wettelijke restricties kunnen betrekking hebben op het onderwerp en de vorm van de reclame. Het Wetboek van economisch recht verbiedt misleidende reclame en legt een strikt wettelijk kader vast voor vergelijkende reclame. De recente wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg stelt regels op omtrent de praktijkinformatie die de gezondheidszorgbeoefenaar kenbaar mag maken aan het publiek. Tot slot regelt een bijzondere wet de reclame en informatie betreffende ingrepen van esthetische geneeskunde.

Er is een evolutie in de termen die gebruikt worden door de wetgever. In de wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg spreekt de wetgever van "praktijkinformatie" en niet langer van "reclame". De nieuwe term "praktijkinformatie" wordt gedefinieerd als "iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidsbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk".

1.2 Deontologische restricties

De arts heeft als taak het bevorderen van de gezondheid van de individuele patiënt en de volksgezondheid. Het is van belang dat hij relevante praktijkinformatie kan meedelen aan het publiek.

De gedeelde praktijkinformatie moet evenwel overeenstemmen met de regels van medische deontologie, in het bijzonder de onafhankelijkheid, waardigheid en integriteit van het beroep, evenals het beroepsgeheim.

De arts ziet er op toe dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, wetenschappelijk onderbouwd, discreet en duidelijk is.

Is onder meer niet toegelaten:

  • iedere vorm van misleidende publiciteit;
  • vergelijkende honorariatarieven (het toetredingsstatuut tot de nationale overeenkomst is echter een verplichte informatie, krachtens artikel 73, §1, lid 4 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen)
  • het aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen;
  • publicaties, conferenties en andere mededelingen zonder wetenschappelijk nut of die een commercieel oogmerk hebben;
  • publicatie van getuigenissen van patiënten;
  • communicatie van gegevens gedekt door het medisch geheim;
  • gebruik van een instrument om de bezoekers van een website buiten hun medeweten te identificeren of te profileren;
  • commerciële promotie van geneesmiddelen of andere gezondheidszorgproducten.

Het staat de arts vrij het advies van de provinciale raad te vragen over een project van professionele praktijkinformatie.

1.3 Verzet tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken

De arts dient zich te verzetten tegen publiciteit over zijn medische activiteit die de medische deontologie niet respecteert, ongeacht of hij al dan niet zelf de initiatiefnemer is.

1.4. Respect voor de fysieke en psychische integriteit van de patiënt

Wanneer de arts patiënten betrekt bij informatieverschaffing in de media, eerbiedigt hij hun persoonlijke levenssfeer en waardigheid. De arts moet zich ervan vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd worden en vrij toestemmen tot medewerking. De fysieke en psychische integriteit van de patiënt moet te allen tijde worden gerespecteerd.

2. Adviezen van de nationale raad

3. Wettelijke bepalingen

4. Informatie - Documentatie - Links

5. Trefwoorden

beroepsactiviteiten van de arts - publiciteit door arts - publiciteit door derden - reclame

Internet14/12/2019 Documentcode: a166020
e-Reputatie - Evaluatie van artsen op onlineplatforms

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de beoordeling van artsen op onlineplatforms.

1. De beoordeling van de kwaliteit van de zorg moet rekening houden met het oordeel van de patiënt: de methodes die gebruikt worden om te beoordelen en te analyseren hoe de patiënt de zorg beleefd heeft (PREM(1)) en hoe hij zijn gezondheidstoestand ervaart, (PROM(2)) moeten worden aangemoedigd(3).

Bovendien moet de patiënt de mogelijkheid krijgen klachten in verband met zijn behandeling te formuleren(4).

De patiënt het woord geven, verbetert de communicatie tussen hem en de verzorger en draagt bij tot de kwaliteit van de zorg. Tevens vormt het de basis van een zorgrelatie die gericht is op een partnerschap tussen verzorger en patiënt waarbij de patiënt centraal staat in de gezondheidszorg.

2. Naast beoordelingen die beogen de zorg te verbeteren, hebben onlineplatforms (websites, sociale media) de mogelijkheid een gezondheidsbeoefenaar in het openbaar te beoordelen.

De doelstellingen van deze platforms variëren. Sommige zijn verbonden aan een beroepengids, andere hebben publicitaire doeleinden, nog andere wensen louter informatief te zijn. Niet allemaal bieden ze waarborgen inzake transparantie, echtheid, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, recht op antwoord, recht op actualisering, enz.

De nationale raad bracht reeds een advies uit over dit soort van platform(5).

De arts moedigt zijn patiënten niet aan om hem op dergelijke platforms te beoordelen.(6) Hij vermijdt actief te zijn op dergelijke platforms.

3. Soms gebeurt het dat kritiek weliswaar op een ongepaste manier is geformuleerd, maar toch pertinent is. In dit geval moet dit de arts aanzetten tot reflectie en eventueel tot verontschuldigingen.

Openbare kritiek, die vaak anoniem is, kan de persoon op wie ze gericht is, frustreren.

Indien de arts wenst te reageren op commentaar over hem en hij hiertoe de mogelijkheid krijgt, moet hij dit echter op een professionele wijze doen. Zijn antwoord dient respectvol te zijn en te getuigen van empathie tegenover datgene wat de patiënt verwoordt. De vertrouwelijkheid waarop de zorgrelatie stoelt, mag in geen geval geschonden worden. Een openbaar antwoord beperkt zich tot een vredelievend, algemeen en indien nodig uitleg verstrekkend antwoord. Voor het overige dient de arts een privégesprek voor te stellen.

Een ongepast antwoord schaadt soms meer iemands reputatie dan een anonieme commentaar. Bovendien leert de ervaring dat het ontkennen van een in de media verspreid gerucht vaak het tegenovergestelde effect heeft van wat men tracht te bereiken en soms is het dan ook beter te zwijgen.

4. Het publiceren van negatieve commentaar op een bij naam genoemde persoon is op zich niet onwettig. Het valt onder de vrijheid van meningsuiting, dat een fundamenteel recht is(7). Volgens het Europees Hof is de vrijheid van meningsuiting "een van de wezenlijke grondslagen van een democratische maatschappij en een van de fundamentele voorwaarden voor de vooruitgang ervan en voor de ontwikkeling van elkeen".

Wanneer een arts te maken krijgt met commentaar die hij ongepast acht, verzoekt hij de auteur ervan of de beheerder van de site deze commentaar te verwijderen. In geval van weigering, hangen de middelen die ingezet kunnen worden af van een juridische studie die dient na te gaan of de commentaar in strijd is met de regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens dan wel of ze een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk wetboek of zelfs een strafbaar feit zoals laster of eerroof.



(1) 1Patient-Reported Experience Measures

(2) Patient-Reported Outcome Measures

(3) https://kce.fgov.be/nl/het-gebruik-van-pati%C3%ABntuitkomsten-en-ervaringen-promsprems-voor-klinische-en-beleidsdoeleinden KCE Reports 303 A (2018)

(4) De patiënt kan worden doorverwezen naar de federale ombudsdienst "rechten van de patiënt" (ambulante sector) en de ombudsfunctie "rechten van de patiënt" (ziekenhuissector) (art. 11, § 1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt)

(5) Advies van 19 november 2016, ‘platform www.wisdoc.com', TNR nr. 155, a155001

(6) Advies van 7 februari 2015, Artsen en digitale media", TNR nr. 148

(7) Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens


Medische toerisme27/04/2019 Documentcode: a165004
« Medische toerisme »

Op 27 april 2019, heeft de nationale raad een advies uitgebracht over "medisch toerisme" op vraag van een reisorganisator.

De motieven voor een medische behandeling in een ander land dan dat waar de patiënt aangesloten is bij een gezondheidszorgsysteem, zijn veelsoortig : wachttijd, geografische nabijheid, (woonplaats in het buitenland of in de grenszone), toegang tot een specifieke expertise/technologie, economische redenen, bijzondere omstandigheden (noodgeval tijdens een verblijf in het buitenland), enz.

Dit advies gaat over de verstrekkingen uitgevoerd in het buitenland om louter economische redenen. Het buigt zich niet over de vragen inherent aan de terugbetaling van deze zorgverstrekkingen maar over de aspecten in verband met de gezondheid van de patiënt.

1°/ De Belgische burger kan aangetrokken worden door de besparing die hij kan doen op zorgverstrekkingen in het buitenland voornamelijk van esthetische, tandheelkundige of oftalmologische aard. Ook al kan deze zorg van goede kwaliteit zijn, dat neemt niet weg dat de geografische afstand belangrijke risico's kan meebrengen. Deze risico's zijn met name het gevolg van de beperkte, of zelfs onbestaande, opvolging, omwille van de afstand, en, bij een ingreep, van het verhoogde trombo-embolische risico verbonden met de vliegreis.

De opvolging en de behandeling bij complicaties in België kan bemoeilijkt worden door problemen verbonden met de uitwisseling van informatie tussen zorgverleners.

2°/ De anamnese en het klinisch onderzoek (beiden preoperatief) zijn noodzakelijk voor een optimale planning van de zorg en voor de gepersonaliseerde voorlichting van de patiënt zodat hij, goed ingelicht, kan instemmen met de voorgestelde ingreep.

Dit voorafgaand rechtstreeks contact dient gevolgd te worden door een voldoende lange bedenktijd die met name rekening houdt met het invasieve of onomkeerbare karakter van de zorg, het spoedeisende karakter, de risico's inherent aan de voorgestelde handeling. Zo nodig moet de patiënt de tijd hebben om andere informatiebronnen of zelfs een andere arts voor een tweede advies te raadplegen.

3°/ De Belgische wetgeving(1) en de artikels 37 en 38 van de code van medische deontologie beschermen de patiënt tegen bepaalde reclamepraktijken.

Dergelijke bescherming kan in het buitenland ontbreken.



(1) Boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" van het Wetboek van economisch recht; de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren [en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen

Publiciteit en reclame19/11/2016 Documentcode: a155001
Platform www.wisdoc.com

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het platform www.wisdoc.com bestudeerd.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 november 2016 het platform www.wisdoc.com bestudeerd. Via deze website kan de internetgebruiker een arts of een ziekenhuis opzoeken, een arts aanbevelen en aan zijn familie- of vriendenkring een specialist voor een bepaalde pathologie aanraden.
De nationale raad formuleert volgende opmerkingen:
1/ De nationale raad heeft in zijn advies van 29 oktober 2011 "Publiciteit van artsen via de website www.vlazoem.be" reeds gesteld dat ‘het voor particuliere bronnen niet mogelijk [is] de veranderingen in de praktijkvoering van een arts op de voet te volgen waardoor de consulteerbare gegevens voor de bevolking weinig bruikbaar en zelfs misleidend kunnen zijn'.

2/ De kennis, bekwaamheid en vaardigheden van een arts liggen aan de basis van diploma's die de universiteiten afleveren evenals beroepstitels en beroepsbekwaamheden die door de bevoegde gemeenschapsminister worden erkend. Artsen zijn bovendien deontologisch en wettelijk verplicht zich gedurende hun hele beroepscarrière bij te scholen teneinde steeds kwaliteitsvolle gezondheidszorg aan te bieden.

3/ Patiënten die negatieve ervaringen hebben met artsen kunnen deze via verschillende officiële kanalen (ombudsdiensten, tuchtinstanties, geschillencommissies, ...) melden zodat hieraan een passend en objectief gevolg kan worden gegeven. Beoordelingen van patiënten op fora, zoals hetwelk in dit advies wordt besproken, zijn vaak erg subjectief en niet verifieerbaar. Hierdoor kunnen de patiënten schade toebrengen aan de arts. Zij zetten het patiëntenrecht op de vrije keuze van arts onder druk.

4/ Het platform www.wisdoc.com verwerkt persoonsgegevens van artsen zonder hun medeweten en toestemming. De nationale raad is van oordeel dat artsen om die reden hun persoonsgegevens kunnen laten verwijderen van dergelijke fora, krachtens artikel 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens*.

*Art. 12. § 1. Eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren.
(Eenieder is bovendien gerechtigd om wegens zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, zich ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behalve wanneer de rechtmatigheid van de verwerking gesteund is op de in artikel 5, b) en c), bedoelde redenen.
Indien de persoonsgegevens verkregen worden met het oog op direct marketing mag de betrokkene zich kosteloos en zonder enige motivering tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzetten.
In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de verantwoordelijke voor de verwerking verrichte verwerking niet langer op deze persoonsgegevens betrekking hebben.) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
Eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard.
§ 2. Om (de in §1 bedoelde rechten) uit te oefenen dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de (verantwoordelijke voor de verwerking) of bij iedere andere persoon die de Koning aanwijst. <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
§ 3. (Binnen een maand te rekenen van het tijdstip van indiening van het verzoek op grond van § 2, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking de verbeteringen of verwijderingen van gegevens, gedaan op grond van § 1, mee aan de betrokkene zelf, alsmede aan de personen aan wie de onjuiste, onvolledige of niet ter zake dienende gegevens zijn meegedeeld, voor zover hij nog kennis heeft van de bestemmelingen van de mededeling en de kennisgeving aan deze bestemmelingen niet onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.
Indien de betrokkene zich tegen de verwerking of de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzet in toepassing van § 1, tweede en derde lid, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking aan de betrokkene binnen dezelfde termijn mee welk gevolg hij aan het verzoek heeft gegeven.) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
§ 4. (opgeheven) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>

Hoofdarts17/09/2016 Documentcode: a154009
Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten

Naar aanleiding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987, actualiseert de nationale raad zijn advies ‘Taken van de hoofdarts, deontologische en juridische aspecten', 14 april 2008 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 120, p. 11) door invoeging van een punt ‘3.1/bis Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten'.

Advies van de nationale raad :

Taken van de hoofdarts, deontologische en juridische aspecten, 14 april 2008 (laatste wijziging in maart 2010), Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 120, p. 11
(Leidraad opgesteld door de Commissie "Ziekenhuisgeneeskunde" van de Nationale Raad van de Orde der artsen )


3.1/bis Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten
Sedert 18 augustus 2014(1) kan de hoofdarts een gerichte medische audit organiseren wanneer hij meent dat de goede werking inzake het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt binnen het medische departement in het gedrang komt.

Dergelijke audit heeft tot doel de oorzaken van een bepaald disfunctionerend gedrag bloot te leggen en eventueel actiepunten voor een oplossing voor te stellen, in het belang van de patiënt.

Voordat de hoofdarts beslist tot een audit pleegt hij overleg met de arts-diensthoofd. Voorts adviseert de nationale raad dat de hoofdarts in dit stadium een gesprek voert met de arts die betrokken is bij het functioneringsprobleem. Tot slot brengt hij de medische raad en de algemeen directeur op de hoogte van zijn plannen en van de elementen die er de aanleiding toe geven.

De beslissing om een gerichte medische audit uit te voeren komt in alle stadia (vóór de audit, tijdens en na afloop ervan) toe aan de hoofdarts, maar de organisatie en de conclusies ervan zijn het resultaat van overleg tussen de hoofdarts en de arts-diensthoofd.

Het verloop van de audit en de resultaten ervan worden meegedeeld aan de betrokken arts, de beheerder en de medische raad.

De gerichte audit wordt op transparante wijze uitgevoerd, volgens een procedure vastgelegd in het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit van het ziekenhuis.

Om tot een nuttig resultaat te komen is het noodzakelijk dat de verschillende personen betrokken bij het functioneringsprobleem eraan meewerken, zowel de ziekenhuisarts, het ziekenhuispersoneel, de patiënt als zijn behandelende arts.

Deze samenwerking vereist een procedure die de deelnemers toelaat zich vrij uit te drukken, in een klimaat van vertrouwen en wederzijds respect, gunstig voor het bereiken van een gemeenschappelijk doel, met name de zorgkwaliteit en de veiligheid van de patiënt.

De beschrijving van de procedure in het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit van het ziekenhuis moet de volgende punten bevatten :

1° de selectie en de omschrijving van het klinische of organisatorische probleem

Om aanleiding te geven tot een gerichte audit zoals beschreven in artikel 6/1 van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987, moet het klinische of organisatorische probleem het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt mogelijk in gevaar brengen.

Het is echter niet omdat een klinisch of organisatorisch probleem mogelijk het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt in het gedrang brengt dat het aanleiding moet geven tot een gerichte audit. De hoofdarts kan andere maatregelen treffen die hij in dat geval geschikter acht op grond van het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit in het ziekenhuis.

De elementen die een dergelijk probleem aan het licht brengen kunnen zowel door een gezondheidswerker als een niet-gezondheidswerker gesignaleerd worden.

Dit moet aangemoedigd en vergemakkelijkt worden door een duidelijke informatie over het nagestreefde doel, de procedure en de praktische modaliteiten. Deze informatie wordt toegankelijk gesteld voor het volledige ziekenhuispersoneel en voor de externe personen met de nadruk op het preventieve doel van dergelijk initiatief.

Wanneer deze elementen opduiken in het kader van een bemiddelingsprocedure in toepassing van de wet betreffende de rechten van de patiënt, brengt de bemiddelaar de patiënt ervan op de hoogte dat hij de feiten ook kan melden aan de hoofdarts.

Wat dat betreft verwijzen we naar het advies van de nationale raad van 6 februari 2010, met als titel "Relatie hoofdarts/ombudsfunctie", Tijdschrift van de nationale raad nr. 129, dat stelt :

In geval van herhaalde tekortkomingen door een ziekenhuisarts of van structurele nalatigheden, die de zorgverlening en de organisatie ervan ernstig in het gedrang brengen of kunnen brengen kan de ombudspersoon, in overeenstemming met artikel 11, § 2, 5°, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, de hoofdarts inlichten.

De ombudspersoon maakt zijn jaarverslag, waarin hij de nodige aanbevelingen doet, over aan de hoofdarts.

Bovendien kan de ombudspersoon, geconfronteerd met zwaarwichtige feiten die de patiënten of de goede werking van de instelling in gevaar kunnen brengen, zich beroepen op de noodtoestand om de hoofdarts in te lichten.

Het is niet uitgesloten dat de patiënt zelf zich met zijn klacht zou richten tot de hoofdarts. De patiënt kan immers rechtstreeks contact opnemen met de hoofdarts, ofwel kan de ombudspersoon, tot wie de patiënt zich eerst richtte en daarbij om tussenkomst van de hoofdarts verzocht, de patiënt meedelen dat de patiënt zelf de hoofdarts dient te contacteren.

Als de gebeurtenissen plaatsvinden in het kader van zorgverstrekking, rijst de vraag van de eerbiediging van de private levenssfeer van de betrokken patiënten.

Persoonsgegevens die de gezondheid betreffen mogen slechts verwerkt worden in de omstandigheden en hypotheses beschreven in artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens(2) . Onder die hypotheses lijken er drie de verwerking van de gegevens in de context van de gerichte audit te kunnen rechtvaardigen:

- wanneer artikel 6/1 van het koninklijk besluit van 15 december 1987 de verwerking van de gegevens noodzakelijk maakt;
- wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen van een concreet gevaar;
- wanneer de patiënt zijn toestemming heeft gegeven voor de verwerking.

De hoofdarts beoordeelt of hij te maken heeft met een functioneringsprobleem inzake het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt.

Het overleg met de arts-diensthoofd helpt hem in zijn beoordeling. Hij kan ook andere meningen vragen en een gesprek voeren met de betrokken arts teneinde te beslissen een gerichte audit te organiseren.

Indien hij meent dat er een functioneringsprobleem bestaat, beschrijft hij dit in een document waarin de betrokken ziekenhuisarts en de risico's voor de veiligheid van de patiënten die er het gevolg van kunnen zijn vermeld worden en geeft hij dit document door aan de medische raad en aan de algemeen directeur.

In de veronderstelling dat het functioneringsprobleem betrekking heeft op de arts-diensthoofd zelf, meent de nationale raad dat de medische raad - op voordracht van de hoofdarts - een ervaren arts van het ziekenhuis dient aan te duiden om de rol te vervullen die aan de arts-diensthoofd toegewezen werd bij artikel 6/1 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 december 1987.

2° het vastleggen van de aard van de te verzamelen gegevens en gebeurlijk de af te toetsen standaarden conform de stand van de wetenschap

De organisatie van de audit valt onder de bevoegdheid van de hoofdarts.

Voor de uitvoering van de audit kan hij zich laten bijstaan door één of meerdere personen die hij gekwalificeerd acht, rekening houdend met hun ervaring, hun objectiviteit of het vertrouwen dat ze inboezemen. Ze kunnen extern zijn aan de instelling.

Het doel van de audit, de te voeren onderzoeken, met inbegrip van de normen die getoetst moeten worden en de gegevens die verzameld moeten worden, evenals de kalender van de verschillende procedurefasen dienen nauwkeurig weergegeven te worden.

Indien een bij de uitvoering van de audit betrokken persoon het doel van zijn opdracht of de te voeren onderzoeken onvoldoende acht, moet hij kunnen vragen dat deze uitgebreid worden. Indien dit niet kan, vermeldt hij zijn opmerkingen in het verslag.

3° verzamelen van gegevens

Wanneer deze gegevens persoonsgegevens zijn, moeten ze verzameld worden met eerbiediging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, met name rekening houdend met de principes van finaliteit en proportionaliteit.

De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen dient te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de hoofdarts; de personen die ze uitvoeren zijn gebonden door het geheim.

Het verzamelen van informatie kan gerealiseerd worden door middel van het raadplegen van geschreven documenten of door verhoren.

De gehoorde persoon krijgt het verslag van zijn verhoor voor ondertekening.

De ziekenhuisarts is wettelijk verplicht mee te werken aan de audit.

De tijdens de audit verzamelde persoonsgegevens worden bewaard gedurende de tijd die nodig is voor het uitvoeren van het onder punt 4° bedoelde implementatieplan.

4° de aanduiding van de actiepunten en het overleg met de betrokken diensthoofden

Na afloop van de audit stelt de hoofdarts, in overleg met de arts-diensthoofd, een schriftelijk verslag op van het verloop ervan.

Dit verslag bevat de identiteit van de betrokken ziekenhuisarts, het functioneringsprobleem inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënt dat aanleiding gaf tot de audit, de planning en het verloop van de werkzaamheden van de audit, de conclusie betreffende het al dan niet gegrond zijn van het probleem en, in voorkomend geval, de voorgestelde oplossingen (actiepunten).

De betrokken ziekenhuisarts ontvangt kopie van dit verslag en heeft de mogelijkheid erop te reageren.

De resultaten van de gerichte medische audit worden doorgegeven aan de medische raad. Enkel de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de medische raad worden doorgegeven.

De hoofdarts geeft een mondelinge uitleg aan de beheerder en overhandigt hem het schriftelijk verslag van het verloop waarin de persoonsgegevens betreffende de patiënten anoniem gemaakt zijn.

De hoofdarts stelt, in samenwerking met de betrokken arts-diensthoofd, een implementatieplan met actiepunten op en evalueert de uitvoering van deze actiepunten.

Bij het onderzoek van het resultaat van de gerichte medische audit binnen het orgaan dat, volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis, belast is met het beheer van de exploitatie van het ziekenhuis, geven de hoofdarts en de betrokken ziekenhuisartsen commentaar als hen dat gevraagd wordt.

1.Datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987
2.Zie o.m. het advies van 30 mei 2009 van de nationale raad, met als titel «Inzage van het medisch dossier door de hoofdarts van het ziekenhuis», Tijdschrift van de nationale raad, nr. 126.

Publiciteit en reclame16/07/2016 Documentcode: a154004
Reclame voor het maken van 3D/4D-echografieën van de foetus in de baarmoeder met niet-medische doeleinden

De nationale raad wordt om advies verzocht over reclame voor het maken van 3D/4D-echografieën van de foetus in de baarmoeder met niet-medische doeleinden.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 16 juli 2016 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen het probleem van het maken van 3D/4D-echografieën van de foetus in de baarmoeder met niet-medische doeleinden, ook "pret- of souvenirecho's" genoemd.

Hij formuleert de volgende bemerkingen.

1/ Medische echografie is verantwoord in het belang van het kind en de moeder. Dergelijke echografie is immers een techniek die kan bijdragen tot kwaliteitsvolle zorg onder meer bij de opsporing van eventuele misvormingen. Ze helpt bij het stellen van een medische diagnose. Ze houdt echter ook een risico in zoals de blootstelling van de foetus aan ultrasone geluidsgolven.

Dit risico wordt als miniem beschouwd indien enkele voorzorgsmaatregelen worden genomen, zoals de kwaliteit van het toestel, de beroepsopleiding en de eerbiediging van de aanbevelingen inzake evidence-based medicine (EBM) en van de onderzoeksprotocols in verband met het beperken van de frequentie en de duur van de onderzoeken tot wat strikt noodzakelijk is voor de diagnose.

2/ Een "souvenirecho" met commerciële doeleinden biedt geen enkel voordeel dat opweegt tegen het risico voor de foetus.

Doordat gestreefd wordt naar de tevredenheid van de klant nemen de risico's op thermische en mechanische effecten van de toegepaste ultrasone geluiden toe. De duur van de blootstelling van de foetus aan ultrasone geluiden is bij een "souvenirecho" niet meer beperkt tot het ogenblik dat de diagnose gesteld wordt, maar tot het ogenblik dat de ouders en de omgeving die betalen om de foetus te zien, tevreden zijn. Hierdoor kan het onderzoek aanzienlijk langer duren. Een langere blootstelling aan ultrasone geluiden kan de lichaamstemperatuur van de foetus verhogen, met nadelige gevolgen.

De intensiteit van de ultrasone geluiden bij een "souvenirecho" wordt bovendien bepaald door het streven naar een esthetisch en kwalitatief beeld dat aangenaam is om te bekijken en begrijpelijk is voor de ouders; bij een medische echografie is de intensiteit beperkt tot wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een beeld dat voldoende kwalitatief is voor het stellen van de medische diagnose.

Bij een "souvenirecho" kunnen bepaalde gedeelten van het lichaam van de foetus (profiel, gezicht, genitaliën, enz.) te lang statisch blootgesteld worden aan ultrasone geluiden, in tegenstelling tot het bewegend aftastend onderzoek met de sonde. Een lange en gerichte blootstelling van fragiele organen zoals ogen en hersenen is toxisch voor de weefsels door de thermische effecten ervan.

Tot slot moeten de kwaliteit van het toestel, het periodieke onderhoud ervan, de kwalificaties om een echografie uit te voeren en de omstandigheden waarin de echografie uitgevoerd wordt aan controle onderworpen worden.

3/ De banalisering van het maken van echografieën van een foetus in de baarmoeder, creëert het risico dat de onderliggende medische handeling ook gebanaliseerd wordt.

Bij een souvenirecho" moet de zwangere vrouw er correct over geïnformeerd worden dat het niet gaat om een medische tussenkomst maar om een risicohandeling zonder diagnostisch belang.

Zij moet ertoe aangespoord worden eerst een morfologisch echografisch onderzoek te laten verrichten door een arts-echografist.

Bij een niet-medische echografie kunnen de ouders een uiterlijk bevredigend beeld van de foetus verkeerd begrijpen als het bewijs van de goede gezondheid en de integriteit van de foetus. Maar net zozeer kunnen zij geconfronteerd worden met de onverwachte ontdekking van een misvorming of zelfs van de dood van de foetus.

De nationale raad :
- meent dat de uitvoering van echografieën met niet-medische doeleinden gereglementeerd dient te worden;
- waarschuwt de patiëntes bijgevolg voor de mogelijke risico's van 3D/4D-echografieën van de foetus in de baarmoeder met niet-medische doeleinden.


Bij het opstellen van dit advies hield de nationale raad rekening met :
- het advies van de Hoge Gezondheidsraad nr. 8635 : "Medische en niet-medische prenatale echografieën", gewijzigde versie van 16 april 2014, en
- het technische evaluatieverslag van de ‘Haute Autorité de Santé' (Frankrijk) van 26 april 2012 : "échographies foetales à visée médicale et non médicale : définitions et compatibilité"

Beroepsgeheim19/09/2015 Documentcode: a150014
Vestiging van een artsenpraktijk in de Brusselse metro

Het Bureau van de Nationale Raad van de Orde der artsen onderzocht de vraag betreffende de vestiging van een artsenpraktijk in de Brusselse metro.

Advies van het Bureau van de Nationale Raad :

Het Bureau van de Nationale Raad van de Orde der artsen heeft uw vraag betreffende de vestiging van een artsenpraktijk in de Brusselse metro, onderzocht.

Een afvaardiging van het Bureau bracht een bezoek ter plaatse. Bovendien vonden er gesprekken plaats met de arts die in dit centrum werkt en met de uitbaters (niet-artsen) ervan.

Op deontologisch gebied formuleert de Nationale Raad de volgende opmerkingen :
1° De Nationale Raad is voorstander van een eerstelijnsgeneeskunde die gebaseerd is op een stabiele en duurzame relatie tussen de patiënt en de behandelend arts. Deze is gericht op de totale en continue behandeling van de patiënt en op de preventie van zijn gezondheidsproblemen.

Een duurzame relatie tussen de arts en de patiënt maakt het mogelijk een globaal medisch dossier op te stellen dat beheerd wordt door de arts en een nuttig instrument vormt voor de kwaliteit van de zorg aangezien het een totale en continue kijk biedt op de gezondheidssituatie van de patiënt.

2° De uitbater van dit centrum in de gang van de metro argumenteert dat hij deze locatie gekozen heeft omdat hij streefde naar een vlot bereikbare huisarts voor patiënten die zich verplaatsen met de metro en voor wie weinig ruimte overblijft voor een artsenconsult gezien hun dagelijkse verplichtingen zoals het werkuurrooster en de afstand tussen woonst en werkplaats.

Wanneer men een beroep wenst te doen op occasionele zorg, speelt de nabijheid van de werkplaats of van vervoersmiddelen in het voordeel. Een huisarts kan moeilijk een medische behandeling die beantwoordt aan de criteria in punt 1° bieden aan een patiënt die ver van zijn praktijk af woont.

In grote steden brengt de organisatie van de continuïteit van de zorg en van de opvang van spoedsituaties in de huisartsgeneeskunde bijzondere problemen met zich wanneer de patiënt geen vertrouwde huisarts heeft. De patiënten richten zich spontaan tot de spoeddiensten van ziekenhuizen, waardoor deze diensten overbelast worden met problemen die geen zware ziekenhuisinfrastructuur vergen.

Deze vaststelling heeft geleid tot de vestiging van medische wachtposten en urgentiecentra voor huisartsgeneeskunde, doorgaans in de nabijheid van een ziekenhuisspoeddienst.

Bovendien kan een patiënt die opgevolgd wordt door een vertrouwde huisarts om persoonlijke redenen toch een andere arts willen consulteren.

In een stedelijke context kan een vlot bereikbare artsenpraktijk zoals deze die onlangs opgericht werd in het centraal station dan ook een dienst bewijzen aan de bevolking, ook al is deze dienst geen eerstelijnsgeneeskunde die beantwoordt aan de criteria in punt 1°. Dergelijke artsenpraktijk kan er met name toe bijdragen de bevolking te wijzen op het belang van een aangepaste medische behandeling.

Het is belangrijk dat het medisch personeel dat instaat voor het centrum blijvend en beschikbaar is.
Dit soort van praktijk dient te verlopen in samenwerking met de eventuele behandelend arts naar wie de patiënt opnieuw doorverwezen moet worden telkens wanneer dit mogelijk is en rekening houdend met de wens van de patiënt.
Daarnaast kan een dergelijke structuur het voornaamste medisch contactpunt worden voor sommige patiënten.

3° De artikelen 20 tot 26 van de Code van geneeskundige plichtenleer zetten de regels uiteen in verband met de vestiging. Ze preciseren onder meer dat het verboden is de geneeskunde uit te oefenen in commerciële vertrekken. Ook de uitoefening van marktgeneeskunde is verboden.

De gang van de Brusselse metro waar het betrokken centrum zich bevindt, is een doorgangsruimte ook al zijn er enkele handelszaken gevestigd. Bij het bezoeken van het medisch centrum en de directe omgeving ervan wordt niet de indruk van een handelsactiviteit gewekt.

De geneeskunde dient uitgeoefend te worden op een degelijke en aangepaste plaats. De provinciale raden gaan na of de vestigingsplaats in overeenstemming is met de geneeskundige plichtenleer.

Publiciteit en reclame04/07/2015 Documentcode: a150006
Opzetten van een platform waarmee online medische afspraken gemaakt kunnen worden

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren onderzocht de adviesaanvraag van een handelsfirma aangaande het opzetten van een platform waarmee online medische afspraken gemaakt kunnen worden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren onderzocht in zijn vergadering van 4 juli 2015 de adviesaanvraag van een handelsfirma aangaande het opzetten van een platform waarmee online medische afspraken gemaakt kunnen worden.

1° Het maken van een afspraak via elektronische weg kan handig zijn voor de patiënt en kan voor de arts bijdragen tot een administratieve vereenvoudiging.

In zijn advies van 7 februari 2015 "Artsen en digitale media" stelt de Nationale Raad dat artsen gebruik mogen maken van een programma voor het online vastleggen van afspraken, maar dat daarbij de eerbiediging van het medisch geheim gevrijwaard dient te worden.

De arts dient na te gaan of de digitale-agendadienst die hem voorgesteld wordt beantwoordt aan en overeenstemt met de wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij dient zich ervan te vergewissen dat de nodige waarborgen geboden worden met betrekking tot de beveiliging van de gegevens bij het verzamelen, opslaan of om het even welke andere verwerking om te verhinderen dat de persoonsgegevens die via dit platform doorgegeven worden ingekeken worden door gelijk welke persoon die daartoe niet gemachtigd is door de gebruiker (arts of patiënt) van de agenda.

De rechten van de patiënt, die een afspraak maakt via deze applicatie, op bescherming van zijn persoonsgegevens, in het bijzonder deze betreffende zijn gezondheid, dienen geëerbiedigd te worden.

2° Een dergelijk platform dat ter beschikking staat van een reeks beroepsbeoefenaars mag er niet toe leiden dat deze de deontologische regels inzake publiciteit schenden.

3° Om de vrije keuze van de patiënten te vrijwaren, meent de Nationale Raad dat openbare lijsten van artsen duidelijk en ondubbelzinnig aan diegenen die ze raadplegen dienen aan te geven of ze volledig zijn of beperkt tot sommige artsen. Om dezelfde reden meent hij dat de arts niet mag dulden dat de eraan gekoppelde zoekmotor met voorrang bepaalde namen laat verschijnen. Dit zou overigens in strijd zijn met de regels van collegialiteit.

De Nationale Raad herinnert eraan dat de website van de Orde der geneesheren (www.ordomedic.be) een repertorium bevat van de in België werkzame artsen. Deze lijst wordt regelmatig bijgehouden en is publiek toegankelijk.

4° De arts dient zich ervan te vergewissen dat de op het internet beschikbare gegevens betreffende zijn beroepsactiviteit up-to-date zijn.

Overeenkomstig artikel 173 van de Code van geneeskundige plichtenleer dient hij de overeenkomst tussen hem en de firma voorafgaandelijk voor te leggen aan de provinciale raad waarin hij ingeschreven is zodat deze kan nagaan of ze in overeenstemming is met de geneeskundige plichtenleer (*).

Indien een arts vaststelt dat hij opgenomen is in een online gegevensbank zonder dat hij daarin toegestemd heeft of zonder dat er enige wettelijke basis is om hem er in te vermelden, heeft hij het recht om weglating van zijn naam uit deze gegevensbank te verzoeken.

(*) Sedert mei 2018 bepaalt de nieuwe Code van medische deontologie niet langer dat de overeenkomsten voorafgaandelijk ter goedkeuring dienen voorgelegd te worden aan de provinciale raad.

Commercialisatie van de geneeskunde17/01/2015 Documentcode: a148002
Samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 januari 2015 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw vraag van 1 augustus 2014 betreffende de samenwerking van artsen met schoonheids-, wellness- en verzorgingscentra.

Sommige van deze centra trachten artsen in te schakelen voor verstrekkingen inzonderheid op het gebied van voeding, dermatologie en esthetische geneeskunde.

1° De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat (artikel 10 van de Code van plichtenleer).

Het is in strijd met de plichtenleer dat een arts raadplegingen, voorschriften of medische adviezen verstrekt in handelscentra of op om het even welke plek waar door hem voorgeschreven of door hem gebruikte geneesmiddelen, producten of apparaten worden verkocht.

De arts mag zich bij zijn zorgaanbod slechts laten leiden door het belang van de patiënt en niet door persoonlijk voordeel.

De beroepsonafhankelijkheid van de arts vormt de basis van de vertrouwensrelatie met de patiënt. Daarnaast wettigt ze het vertrouwen van de maatschappij en impliceert ze dat de arts zijn verantwoordelijkheid opneemt bij het beheer van de middelen van de gemeenschap.

De arts mag zich niet laten beïnvloeden - of de schijn hiervan opwekken - door een ander doel dan de gezondheid van de patiënt, zoals de verkoop door derden van cosmeticaproducten of diensten (massage, epilatie, gymlessen, enz.).

Hij moet vermijden dat een handelszaak gebruik maakt van zijn activiteit om patiënten aan te trekken door bijvoorbeeld gewag te maken van medisch toezicht of medisch advies.

De arts moet er zich tegen verzetten dat handelszaken zijn naam of zijn beroepsactiviteit gebruiken voor reclamedoeleinden.
De ronseling van patiënten of de collusie via dergelijke centra zijn verboden.

Bij de uitoefening van zijn beroep dient de arts slechts samen te werken met personen die beschikken over de beroepskwalificaties die zijn vereist door de wetgeving betreffende de gezondheidszorgberoepen (met name artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

Hij weigert zijn medewerking te verlenen aan eender welke vorm van onwettige uitoefening van de geneeskunde.

2° Voordat een arts start met zijn praktijk op een plek die hij deelt met andere beroepen moet hij informatie inwinnen over de structuur van de onderneming, de activiteiten die er worden uitgeoefend en de uitoefeningsvoorwaarden voor zijn praktijk.

De geneeskunde moet worden beoefend in een omgeving die de uitoefening van een kwaliteitsvolle geneeskunde stimuleert. Dit vergt lokalen waarin het medisch geheim kan worden gevrijwaard, waarin wordt voldaan aan de eisen inzake hygiëne, die correct zijn uitgerust met het oog op de handelingen die er worden verricht en die waarborgen dat de bewaring en de inzage van de medische dossiers gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de arts.

De Nationale Raad herinnert eraan dat elke overeenkomst tussen artsen of artsen-vennootschappen en niet-artsen en die een invloed kan hebben op de deontologische aspecten van de beroepsuitoefening van de arts schriftelijk dient te worden vastgelegd en slechts mag worden ondertekend nadat het ontwerp ervan op deontologisch vlak werd goedgekeurd door de bevoegde provinciale raad en dat hetzelfde geldt voor elke wijziging van een dergelijke overeenkomst (artikel 173, § 1, van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Bij de beoordeling van deze overeenkomsten gaat de provinciale raad na of de samenwerking in overeenstemming is met de regels van geneeskundige plichtenleer.

De provinciale raad controleert of de arts bij de bekendmaking van zijn activiteit de deontologische en wettelijke regels naleeft, met name de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen.

3° Wat meer bepaald de verstrekkingen van esthetische geneeskunde betreft, verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 20 september 2014, "Problematiek van inrichtingen die patiënten laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep", Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 147.

Voorts verwijst hij naar zijn advies van 16 april 2011, "Toediening van botulinetoxine (botox)", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 133.