keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Code van medische deontologie (Interpretatie van de-)23/04/2020 Documentcode: a167012
Vergelijkende publiciteit
Na overleg met de leden van de nationale raad die in lockdown zijn, heeft het bureau, in zijn vergadering van 23 april 2020, de wijziging van artikel 37 van de gecommentarieerde Code van medische deontologie goedgekeurd.

Art. 37

De arts mag zijn medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

De informatie, onder welke vorm ook, is waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk. Zij is niet misleidend en zet niet aan tot overbodige medische prestaties.

De arts verzet zich tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken en die de bepalingen van het vorige lid niet respecteert.

1. Algemeen

1.1 Juridische restricties

Het recht van de arts om reclame te maken voor zijn medische activiteit volgt uit de Europese en nationale regelgeving. Dit recht is niet absoluut. Het kent beperkingen gemotiveerd door dwingende redenen van algemeen belang, voornamelijk de bescherming van de volksgezondheid.

De wettelijke restricties kunnen betrekking hebben op het onderwerp en de vorm van de reclame. Het Wetboek van economisch recht verbiedt misleidende reclame en legt een strikt wettelijk kader vast voor vergelijkende reclame. De recente wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg stelt regels op omtrent de praktijkinformatie die de gezondheidszorgbeoefenaar kenbaar mag maken aan het publiek. Tot slot regelt een bijzondere wet de reclame en informatie betreffende ingrepen van esthetische geneeskunde.

Er is een evolutie in de termen die gebruikt worden door de wetgever. In de wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg spreekt de wetgever van "praktijkinformatie" en niet langer van "reclame". De nieuwe term "praktijkinformatie" wordt gedefinieerd als "iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidsbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk".

1.2 Deontologische restricties

De arts heeft als taak het bevorderen van de gezondheid van de individuele patiënt en de volksgezondheid. Het is van belang dat hij relevante praktijkinformatie kan meedelen aan het publiek.

De gedeelde praktijkinformatie moet evenwel overeenstemmen met de regels van medische deontologie, in het bijzonder de onafhankelijkheid, waardigheid en integriteit van het beroep, evenals het beroepsgeheim.

De arts ziet er op toe dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, wetenschappelijk onderbouwd, discreet en duidelijk is.

Is onder meer niet toegelaten:

  • iedere vorm van misleidende publiciteit;
  • vergelijkende honorariatarieven (het toetredingsstatuut tot de nationale overeenkomst is echter een verplichte informatie, krachtens artikel 73, §1, lid 4 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen)
  • het aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen;
  • publicaties, conferenties en andere mededelingen zonder wetenschappelijk nut of die een commercieel oogmerk hebben;
  • publicatie van getuigenissen van patiënten;
  • communicatie van gegevens gedekt door het medisch geheim;
  • gebruik van een instrument om de bezoekers van een website buiten hun medeweten te identificeren of te profileren;
  • commerciële promotie van geneesmiddelen of andere gezondheidszorgproducten.

Het staat de arts vrij het advies van de provinciale raad te vragen over een project van professionele praktijkinformatie.

1.3 Verzet tegen publiciteit die derden over zijn medische activiteit verstrekken

De arts dient zich te verzetten tegen publiciteit over zijn medische activiteit die de medische deontologie niet respecteert, ongeacht of hij al dan niet zelf de initiatiefnemer is.

1.4. Respect voor de fysieke en psychische integriteit van de patiënt

Wanneer de arts patiënten betrekt bij informatieverschaffing in de media, eerbiedigt hij hun persoonlijke levenssfeer en waardigheid. De arts moet zich ervan vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd worden en vrij toestemmen tot medewerking. De fysieke en psychische integriteit van de patiënt moet te allen tijde worden gerespecteerd.

2. Adviezen van de nationale raad

3. Wettelijke bepalingen

4. Informatie - Documentatie - Links

5. Trefwoorden

beroepsactiviteiten van de arts - publiciteit door arts - publiciteit door derden - reclame

Publiciteit en reclame16/07/2011 Documentcode: a134009
Deelname van artsen aan televisie-uitzendingen, docusoaps en artikels in de pers

Gezien talrijke reacties naar aanleiding van bepaalde reality-televisie-uitzendingen, docusoaps en artikels in de pers wenst de Nationale Raad de artsen te wijzen op de mogelijke deontologische ontsporingen in verband met publiciteit.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 16 juli 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het volgende advies uitgebracht met betrekking tot de deelname aan televisie-uitzendingen.

Gezien de reacties van heel wat confraters naar aanleiding van bepaalde reality-televisie-uitzendingen, docusoaps en artikels in de pers, wenst de Nationale Raad de artsen te wijzen op de mogelijke deontologische ontsporingen in verband met publiciteit.

Aangezien medische informatie de bevolking voornamelijk bereikt via de media, is het aanbevolen dat het artsenkorps zijn medewerking verleent aan deze initiatieven. Het is wenselijk met de pers te spreken om informatie te verstrekken aan het publiek, maar men moet erop letten dat deze informatie waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk is. Ze mag in geen geval misleidend of vergelijkend zijn.

In de eerste plaats dient eraan herinnerd dat de toegelaten inlichtingen betrekking hebben op datgene wat voor de activiteit van de arts tot het openbare domein behoort (plaats van activiteit, specialisme, consultatie-uren, enz.). Formele informatie die strekt tot ronseling is deontologisch ontoelaatbaar. De artikelen 12 tot 17 van de Code van geneeskundige plichtenleer betreffende publiciteit dienen geëerbiedigd te worden, met inbegrip van artikel 15 volgens hetwelk artsen zich daadwerkelijk dienen te verzetten tegen elke publiciteit die de bepalingen van de artikelen 13 en 14 niet naleeft.

Artikel 16 bepaalt eveneens dat de provinciale raad voorafgaandelijk ingelicht dient te worden vóór elke medewerking met de media. Behalve in geval van dringendheid waarbij een tussenkomst absoluut niet kan uitgesteld worden, heeft dit contact tot doel de provinciale raad in staat te stellen kennis te nemen van de elementen die de arts denkt mee te delen en opmerkingen te formuleren in het kader van een collegiale dialoog. De Nationale Raad wijst de provinciale raden op hun verantwoordelijkheid om aan dit probleem de aandacht te schenken die het verdient.

Bovendien dient eraan herinnerd dat wanneer patiënten, samen met de arts, betrokken zijn bij deze contacten met de media, de arts zich ervan dient te vergewissen dat de patiënten nauwgezet ingelicht werden en hun toestemming gaven, overeenkomstig artikel 17 van de Code.

Aangezien deze regels de laatste tijd herhaaldelijk met voeten getreden werden, is het noodzakelijk preciseringen aan te brengen. In dit opzicht acht de Nationale Raad het zinvol aan de provinciale raden "guidelines" te verstrekken in de vorm van een charter dat nagekomen dient te worden door iedere arts die zijn medewerking verleent aan de media :

1° Behoudens dringende noodzaak moet de provinciale raad voorafgaandelijk ingelicht zijn en moet indien de arts werkzaam is in een zorginstelling de goedkeuring van de hoofdarts en van de voorzitter van de medische raad verkregen zijn. Indien het initiatief uitgaat van de niet-medische directie van de zorginstelling dient de hoofdarts de deontologische reikwijdte van elk initiatief na te gaan en er zich indien nodig tegen te verzetten (cf. advies van de Nationale Raad van 14 april 2008 betreffende de taken van de hoofdarts, TNR, nr. 120 p. 8).

2° De verstrekte informatie moet in overeenstemming zijn met het artikel 13 van de Code. Er zal in het bijzonder op gelet worden dat de titel van een uitzending niet ronselend is.

3° Het is aangewezen dat de persoon waarover een uitzending, interview of artikel handelt, in één keer aan bod komt en niet "in serie" om zo de getrapte val van ronselende publiciteit te vermijden.

4° Wanneer patiënten meewerken aan een uitzending dient de arts zich er persoonlijk van te vergewissen dat de voorwaarden in artikel 17 van de Code vervuld werden en dat de mogelijke gevolgen voor deze patiënten op het gebied van hun imago of van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer met hen overlopen en besproken werden.

5° De arts dient te reageren via een recht van antwoord of op gelijkaardige wijze (artikel 15 van de Code) indien artikels of introductiefilmpjes ronselende publiciteit voor het artikel of de geplande uitzending maken.

Publiciteit en reclame30/06/2007 Documentcode: a117012
Behandeling esthetische chirurgie voor winnares van een televisiewedstrijd

De voorzitter van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Plastische, Reconstructieve en Esthetische Chirurgie en van het VBS-GBS Plastische Chirurgie reageert op het voornemen van een filiaal van een commerciële televisiezender om een wedstrijd te organiseren waarbij de winnares “een paar borsten” (cf. artikel in de krant Le Soir d.d. 20 juni 2007 op p. 36) of m.a.w. een interventie van esthetische chirurgie krijgt.
Deze Vereniging verzet zich tegen het herleiden van de esthetische chirurgie tot een zuiver commerciële activiteit en tegen het voeren van dergelijke publiciteit in de media en vraagt aan de Nationale Raad zijn standpunt hierover duidelijk te maken.

Advies van de Nationale Raad :

Op 18 juni 2005 bracht de Nationale Raad een advies uit betreffende een reality-televisieprogramma waarin de opname van een bevalling zou worden uitgezonden. Onlangs nog ensceneerde een Nederlandse televisiezender een zogenaamde patiënte in terminale fase die moest kiezen aan welke van drie werkelijk zieke dialysepatiënten ze een van haar nieren zou schenken. Op 20 juni 2007 maakt de pers melding van een televisiezender die, om een nieuwe serie over esthetische chirurgie te lanceren, een “paar borsten” (esthetische chirurgie) uitlooft voor de winnares van de wedstrijd.

Gezien de herhaling van deze gebeurtenissen acht de Nationale Raad het zinvol eraan te herinneren dat hij zich met klem verzet tegen deze handelwijze die de medische zorg banaliseert voor zuiver commerciële doeleinden.

De Nationale Raad wijst erop dat elke medische of chirurgische handeling precieze indicaties inhoudt, alsook contra-indicaties, nevenwerkingen en potentiële complicatiegevaren waarvan de frequentie en de ernst afhangen van de individuele toestand van elke patiënt. Het is deze laatste die, behoorlijk voorgelicht door zijn behandelend arts, in laatste instantie moet beslissen of hij akkoord gaat met de behandeling die wordt voorgesteld om tegemoet te komen aan het gerezen gezondheidsprobleem.

De Nationale Raad bevestigt zijn advies van 18 juni 2005 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 109, september 2005, p. 9) en keurt deze uitbating van patiënten voor commerciële of publicitaire doeleinden af. Hij meent dat artsen niet kunnen meewerken aan dergelijke reality-televisieprogramma’s en verzoekt de provinciale raden toe te zien op de naleving van dit advies .

Publiciteit en reclame18/06/2005 Documentcode: a109015
Medewerking van artsen aan een reality tv/docusoap

De communicatieverantwoordelijke van een ziekenhuis vraagt aan de Nationale Raad advies betreffende het deelnemen van artsen aan een reality tv/docusoap programma waarbij het informatieve karakter louter bijkomstig zou zijn.
Hij vraagt enerzijds of de medewerking van een arts aan een dergelijk programma in overeenstemming is met de Code van geneeskundige plichtenleer en, anderzijds, of de instemming van de patiënt om vrijwillig aan het programma mee te werken, het ziekenhuis (de arts) van zijn verplichtingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en waardigheid ontslaat.

Advies van de Nationale Raad :

Het antwoord op de door u gestelde vragen vindt u in de Code van geneeskundige plichtenleer onder Titel I, Hoofdstuk III betreffende publiciteit. De tekst van dit hoofdstuk luidt als volgt:

PUBLICITEIT
(Gewijzigd op 21 september 2002)

Art. 12
Mits naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen geneesheren hun medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

Art. 13
§1. De verstrekte informatie dient waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk te zijn. Zij mag in geen geval misleiden. Zij mag niet vergelijkend zijn.
Resultaten van onderzoeken en behandelingen mogen niet voor publicitaire doeleinden worden aangewend.

§2. Publiciteit mag het algemeen belang inzake de volksgezondheid niet schaden. Zij mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen.
Ronseling van patiënten is niet toegelaten.
De campagnes voor preventie en vroegdetectie dienen wetenschappelijk onderbouwd te zijn en vereisen de voorafgaande toelating van de bevoegde ordinale instantie.

§3. Bij het voeren van publiciteit dienen de geneesheren de regels van het medisch beroepsgeheim te eerbiedigen.

Art. 14
De verwoording en vormgeving van de publiciteit evenals de hierbij gebruikte methoden en technieken - inclusief internetsites, naamborden, briefhoofden en vermeldingen in gidsen - moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 13.

Art. 15
Geneesheren dienen zich daadwerkelijk te verzetten tegen elke door derden gevoerde publiciteit, betreffende hun medische activiteit, die de bepalingen van dit hoofdstuk niet naleeft.

Art. 16
Geneesheren mogen hun medewerking verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek.
Hierbij dienen de bepalingen van dit hoofdstuk nageleefd te worden.

De geneesheer zal voorafgaandelijk de provinciale raad waarbij hij ingeschreven is inlichten over zijn medewerking met de media.

Art. 17
Wanneer patiënten door de media betrokken worden bij het informeren van het publiek mogen geneesheren alleen meewerken voor zover de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van deze patiënten geëerbiedigd worden. In die omstandigheden dienen de geneesheren er zich van te vergewissen dat de patiënten volledig geïnformeerd werden en vrij toestemden tot medewerking.

Uit de lezing van deze artikelen volgt dat artsen hun medewerking kunnen verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek. Zoals in uw schrijven gesteld, is het informatieve karakter van het programma “de Bevalling” “louter bijkomstig”, wat niet strookt met de voorwaarden voor medewerking door een arts zoals bepaald in het hoger geciteerde artikel 16 van de Code van geneeskundige plichtenleer.

Artikel 17 van de Code, waarnaar u in uw schrijven verwijst, is niet van toepassing daar artikel 16 niet nageleefd wordt.

De Nationale Raad is van mening dat artsen aan programma’s zoals door u voorgesteld hun medewerking niet kunnen verlenen.

Televisie21/11/1992 Documentcode: a059006
Televisie-uitzendingen

Televisie‑uitzendingen

1‑ln het kader van een sportmagazine zou een televisiemaatschappij enkele reportages willen maken over frequent voorkomende sportblessures. Het is de bedoeling bij enkele dokters opnamen te gaan maken bij de behandeling van dergelijke blessures.
De Raad is de mening toegedaan dat het advies van de Provinciale Raad van Antwerpen "Geneesheren en reclame", goedgekeurd door de Nationale Raad en gepubliceerd in het Tijdschrift nr. 53, voldoende elementen bevat.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 november 1992 kennis genomen van uw brief van 15 oktober 1992 betreffende het maken bij dokters van opnamen bij de behandeling van "sportblessures".

Wanneer patiënten rechtstreeks worden betrokken bij dergelijke opnamen en media‑uitzendingen dient de arts er op toe te zien dat in alle omstandigheden de waardigheid van de patiënt wordt geëerbiedigd en diens anonimiteit wordt verzekerd.

Als bijlage stuur ik u een door de Nationale Raad goedgekeurd advies van de Provinciale Raad van Antwerpen inzake "Geneesheren en reclame".

Advies van de Provinciale Raad van Antwerpen:

GENEESHEREN EN RECLAME

Inleiding:

De Provinciale Raad wenst opnieuw deontologische richtlijnen te publiceren met betrekking tot deze materie.
Hiervoor steunt hij op de volgende documenten:

  1. Code van geneeskundige Plichtenleer ‑ Hoofdstuk III
  2. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren gepubliceerd in zijn tijdschrift nr. 36 ‑ juni 1987 ‑ blz. 16, 19, 25 tot 27
  3. Wet op de ziekenhuizen ‑ erkenning ‑ Bijlage bij K.B. van 23/10/64 ‑ Hoofdstuk III - Organisatorische normen ‑ 8e
  4. Artikel 7bis van het K.B. van 24/12/63 gewijzigd bij verordening van 9/3/81 en van 10/5/82
  5. Artikel 67 van de sociale herstelwet van 1/8/85.

De media (radio, TV, geschreven pers):

De Provinciale Raad wenst er de aandacht op te vestigen dat hij bij de eventuele disciplinaire toepassing van de richtlijnen verder rekening zal houden met de vormelijke aspecten van de mededelingen en publikaties, en dat hij bovendien zeer speciaal zal toezien op het inhoudelijk aspect van de informatie, met name de relevantie en de kwaliteit ervan: de geneesheer is ten volle verantwoordelijk voor vorm en inhoud van zijn informatie, die het publiek werkelijk moet dienen.

1. Algemene richtlijnen:

‑ Alvorens zijn medewerking aan de media te verlenen, zal de geneesheer de Provinciale Raad schriftelijk of telefonisch verwittigen. Zulks betekent niet dat hij hiervoor toestemming moet vragen, doch moet het de leden van zijn raad mogelijk maken de uitzending op radio of TV te volgen of kennis te nemen van de publikatie in de geschreven pers.

De Provinciale Raad zal oordelen of de geneesheer, die deze verplichting in bepaalde omstandigheden eventueel niet naleefde, voldoende gegronde redenen hiertoe had.

‑ De geneesheer zal het publiek, met de nodige bescheidenheid, eerlijk, duidelijk en objectief informeren. Hij zal vermijden paniek te zaaien of valse hoop te wekken.

‑ De geneesheer zal zijn medewerking aan de media slechts verlenen onder de strikte voorwaarden van het eerbiedigen van het beroepsgeheim en zal erop toezien dat zijn medewerking er niet in bestaat eventuele raadplegingen te houden.

2. Richtlijnen betreffende de identificatie:

Met de actuele informatiemogelijkheden kan de geneesheer moeilijk anoniem blijven. Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:

  1. Het gaat om diagnostische en therapeutische handelingen:
    • Indien het gaat om informatie over zijn oorspronkelijk werk, mag de geneesheer zijn naam en discipline alsook de naam van zijn instelling vermelden. Indien zulk oorspronkelijk werk reeds in toepassing werd gebracht door anderen in andere instellingen, moet de betrokkene dit feit vermelden.
    • Indien een geneesheer informatie verstrekt over niet‑ oorspronkelijk werk, indien het gaat om vulgarisatie, mag die geneesheer alleen zijn naam en discipline bekend maken met de uitdrukkelijke vermelding dat het gangbare praktijken betreft.
  2. Het gaat om algemene medische problemen of algemene principes:
    Alleen de naam en de discipline van de informatie verstrekkende geneesheer mogen vermeld worden.
  3. In geval van tegensprekelijke debatten mogen de naam en de discipline van de geneesheer alsook de naam van de instelling of vereniging, waarvan hij woordvoerder is, vermeld worden.

De ervaring heeft bewezen dat het onontbeerlijk is met de journalist voorafgaandelijk een overeenkomst te treffen, die voldoende waarborgen biedt voor het respecteren van hoger vermelde richtlijnen.

In die zin is het dan ook wenselijk dat de geneesheer voorafgaandelijk kennis neemt van de vorm en de inhoud van hetgeen de journalist zal publiceren. Indien zulke overeenkomst niet mogelijk is of indien de geneesheer gegronde twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de journalist of van het medium waaraan hij zijn medewerking verleent, dient de geneesheer van elke medewerking af te zien.

Indien zulke overeenkomst niet geëerbiedigd wordt door de journalist, zal de geneesheer op krachtdadige wijze schriftelijk protest aantekenen en dient hij de Provinciale Raad hierover in te lichten. De aan persartikels eventueel toegevoegde fotografische documenten, en inzonderheid betreffende de geneesheer‑geïnterviewde of auteur van het persartikel, kunnen door de Provinciale Raad slechts aanvaard worden mits de regels van waardigheid, kiesheid en bescheidenheid strikt gerespecteerd worden.

Tenslotte betreffende geneesheren werkzaam in verzorgingsinstellingen, zal de Provinciale Raad een passieve houding, vanwege de individuele geneesheer of vanwege zijn medische raad, tegenover de directie, die hen zou betrekken in een wettelijk of deontologisch ongeoorloofd initiatief in de media, als vatbaar voor een disciplinair onderzoek beschouwen.

2‑ Een andere televisieproducer heeft het voornemen een uitzending te maken over slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen. Daar hij in contact wenst te treden met familieleden en vrienden van het slachtoffer alsmede met de chauffeur die het ongeval veroorzaakt heeft, wendt hij zich tot de verschillende spoedgevallendiensten om de identiteit van de slachtoffers te achterhalen.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 november 1992 kennis genomen van uw brief van 19 oktober 1992 betreffende een schrijven van "X" gericht aan het hoofd van de dienst spoedgevallen.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat aan dergelijke vraag geen gevolg kan gegeven worden en dat in geen geval de gevraagde informatie over slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen mag verstrekt worden.

Televisie20/06/1992 Documentcode: a057017
Televisie-uitzending

Een provinciale raad die door een televisiemaatschappij om toestemming verzocht wordt voor het samenstellen van een uitzending waarin patiënten in beeld gebracht zouden worden, legt zijn antwoord voor aan de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad:

Wat dit concrete geval betreft, hecht de Nationale Raad zijn goedkeuring aan het door u geformuleerde antwoord.

Voorts vestigt hij uw aandacht erop dat het algemeen probleem betreffende de televisie-uitzendingen bestudeerd zal worden door de Commissie "Medische ethiek" van de Nationale Raad.

Antwoord van de Provinciale Raad van Henegouwen:

Meer bepaald zou u graag onze toestemming krijgen voor een uitzending waarin u patiënten zou filmen die lijden aan verschillende soorten hersenaandoeningen.

Wij brengen begrip op voor uw bekommernis om de bevolking voor te lichten en wij kunnen hiermee instemmen mits de volgende gerechtvaardigde voorwaarden geëerbiedigd worden.

In de allereerste plaats dient u de uitdrukkelijke toestemming van de goed voorgelichte patiënt te hebben, voor zover deze bekwaam is die te geven.

Is dit niet het geval, hetgeen wel eens vaak zou kunnen voorkomen bij dergelijke pathologieën, dienen de nabestaanden om toestemming verzocht en dient hun beslissing geëerbiedigd te worden.

In om het even welk geval dienen de mening en de toestemming van de geneesheer bij wie de patiënt in behandeling is gevraagd en geëerbiedigd te worden. Zijn uitstekende kennis van de patiënt kan diens getuigenis alleen maar steunen.

In verband met de omstandigheden waarin de opnamen tot stand komen, wensen wij te beklemtonen dat de waardigheid van de menselijke persoon steeds voor ogen gehouden moet worden.

Zo is het absoluut noodzakelijk dat het gezicht van de personen onherkenbaar gemaakt wordt, teneinde te vermijden dat medische informatie plaats zou maken voor sensatie, hetgeen onduldbaar zou zijn.

Publiciteit en reclame14/03/1981 Documentcode: a029020
Televisie-uitzendingen. Reklame

Televisie uitzendingen. Reklame

De Nationale Raad werd om advies verzocht in verband met het probleem van de TV uitzendingen waaraan geneesheren hun medewerking verlenen. Tevens werd de Raad dienaangaande om duidelijke richtlijnen gevraagd en om commentaar bij artikel 16 (*) van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

In zijn antwoord verwijst de Nationale Raad vooreerst naar zijn circulaire van 8 februari 1978 zoals gepubliceerd in nr. 26 van het Officieel Tijdschrift, en vervolgt:

De Raad vestigt U aandacht op lid 4 van voormeld rondschrijven waar duidelijk gewezen wordt op de noodzaak geen reklame te maken voor een privé praktijk of voor een bepaalde instelling.

De Raad legt eveneens de nadruk op de termen van artikel 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer «in het algemeen naamloos optreden».

Men kan begrij pen dat het noodzakelijk is de identiteit te vermelden van diegene die algemene principes verdedigt; het is daarentegen nutteloos en derhalve verboden, dit te doen bij het voorstellen van medische technieken.

De geneesheer mag in geen geval de plaats van zijn activiteiten kenbaar maken.

De Raad dringt er bij de Provinciale Raden op aan dat zij deze principes doen eerbiedigen desnoods door disciplinaire maatregelen te treffen.

Wat betreft de individuele consultaties die op de radio worden gegeven, deze zijn gevaarlijk en strijdig met de medische ethiek.

De mededeling van namen van patiënten is een schending van het beroepsgeheim.

De geneesheer moet de Provinciale Raad waartoe hij behoort, vooraf inlichten over zijn medewerking aan een radio of TV programma.

(*) Artikel 16: De geneesheren mogen deelnemen aan medische voorlichtingscampagnes, aan radio of televisie uitzendingen bestemd voor de volksopleiding en spreekbeurten houden, op voorwaarde dat ze de regels van bescheidenheid, waardigheid, kiesheid en omzichtigheid die eigen zijn aan het medisch beroep eerbiedigen, dat zij, in het algemeen, naamloos optreden en dat zij geen enkele reklame maken voor hun privé praktijk of voor bepaalde instellingen.
De geneesheer zal de provinciale Raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio of televisie uitzendingen.

Publiciteit en reclame01/01/1979 Documentcode: a028032
Televisie-uitzendingen. Reklame

De Nationale raad werd om advies verzocht in verband met het probleem van de TV uitzendingen waaraan geneesheren hun medewerking verlenen. Tevens werd de Raad dienaangaande om duidelijke richtlijnen gevraagd en om commentaar bij artikel 16 (*) van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

In zijn antwoord verwijst de Nationale raad vooreerst naar zijn circulaire van 8 februari 1978 zoals gepubliceerd in nr 26 van het Officieel Tijdschrift, en vervolgt:

De Raad vestigt U aandacht op lid 4 van voormeld rondschrijven waar duidelijk gewezen wordt op de noodzaak geen reklame te maken voor een privé praktijk of voor een bepaalde instelling.

De Raad legt eveneens de nadruk op de termen van artikel 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer « in het algemeen naamloos optreden».

Men kan begrijpen dat het noodzakelijk is de identiteit te vermelden van diegene die algemene principes verdedigt; het is daarentegen nutteloos en derhalve verboden, dit te doen bij het voorstellen van medische technieken.

De geneesheer mag in geen geval de plaats van zijn activiteiten kenbaar maken.

De Raad dringt er bij de Provinciale raden op aan dat zij deze principes doen eerbiedigen desnoods door disciplinaire maatregelen te treffen.

Wat betreft de individuele consultaties die op de radio worden gegeven, deze zijn gevaarlijk en strijdig met de medische ethiek.

De mededeling van namen van patiënten is een schending van het beroepsgeheim.

De geneesheer moet de Provinciale raad waartoe hij behoort, vooraf inlichten over zijn medewerking aan een radio- of TV-programma.

(*) Artikel 16: De geneesheren mogen deelnemen aan medische voorlichtingscampagnes, aan radio of televisie uitzendingen bestemd voor de volksopleiding en spreekbeurten houden, op voorwaarde dat zij de regels van bescheidenheid, waardigheid, kiesheid en omzichtigheid die eigen zijn aan het medisch beroep eerbiedigen, dat zij, in het algemeen, naamloos optreden en dat zij geen enkele reklame maken voor hun privé praktijk of voor bepaalde instellingen.