keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Ziekten (Overdraagbare-)25/06/2021 Documentcode: a168013
Het medisch beroepsgeheim – informatie aan de vader van een pasgeborene betreffende de behandeling die wordt voorgeschreven aan het kind omwille van de seropositiviteit van de moeder.

In zijn vergadering van 19 juni 2021 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen een vraag betreffende het informeren van de vader van een pasgeborene over de behandeling die zijn kind krijgt door de seropositiviteit van de moeder, waarvan de vader niet op de hoogte is.

De arts die wordt geconfronteerd met dergelijke situatie dient rekening te houden met meerdere juridische, ethische en deontologische beginselen.

1- De arts waakt over het welzijn van de patiënt.

Zowel moeder als kind zijn patiënten; de gezondheidstoestand van beiden vereist evenveel aandacht.

2- Bij alle beslissingen die het kind betreffen, komen de belangen van het kind op de eerste plaats. (art. 22, Grondwet; art. 3.1, Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20 november 1989)

3- De vertrouwensrelatie met het zorgteam houdt in dat de patiënt hen in vertrouwen kan nemen, toegang krijgt tot de beste zorg en zich houdt aan de behandeling. In het geval van HIV-positieve patiënten leidt dit tot een aanzienlijke vermindering van het risico van overdracht.

Preventie van HIV-overdracht van moeder op kind, door de behandeling van zowel moeder als kind, is van fundamenteel belang. De moeder moet naar behoren ingelicht worden over de ernstige gevolgen voor de gezondheid van het kind indien zij zich niet houdt aan de behandeling.

4- Het pasgeboren kind van een seropositieve moeder vereist speciale zorg, preventiemaatregelen en monitoring bij de geboorte, maar ook op lange termijn, zelfs als het kind niet besmet is (met name door de blootstelling aan antiretrovirale geneesmiddelen).

Het informeren van beide ouders over deze aspecten, het goed begrijpen en naleven ervan zijn noodzakelijk voor de goede gezondheid van de baby.

5- De arts is gehouden tot het beroepsgeheim, dat niet enkel de geheimen beschermt die de patiënt hem heeft toevertrouwd, maar ook alle inlichtingen waarvan de arts kennis heeft genomen in of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep (artikel 25 van de Code van medische deontologie 2018, zie ook artikel 458 van het Strafwetboek).

De seropositiviteit van de moeder is informatie die onder het medisch geheim valt bij het gehele medische team dat zorg verstrekt aan de moeder en het kind.

7- De arts moet de ouders die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen of de voogd voorafgaand infomeren over de zorg die het kind nodig heeft en dient hun toestemming te bekomen alvorens de zorg toe te dienen. (artt. 8 en 12, §1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en artikel 20, 1ste lid, van de Code van medische deontologie 2018).

Er bestaat een wettelijk weerlegbaar vermoeden dat inhoudt dat ten aanzien van derden die te goeder trouw handelen, elke ouder geacht wordt te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij of zij alleen een handeling stelt die verband houdt met gezag (artikel 373, 2de lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Het lid van het verzorgend team dat weet dat de vader niet op de hoogte is van de seropositiviteit van de moeder van zijn kind, kan zich niet op voormeld vermoeden beroepen om te rechtvaardigen dat de vader niet geïnformeerd wordt over de behandeling die op het kind toegepast wordt, ook al heeft de moeder daarmee ingestemd.

In het belang van het kind en teneinde elke bedreiging van zijn leven of elke ernstige aantasting van zijn gezondheid te voorkomen, wijkt de arts, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de door de ouders genomen beslissing betreffende de toe te dienen zorg (artikel 15, §2 van de voornoemde wet van 22 augustus 2002).

Informatie is een recht dat verschilt van het recht om in te stemmen met een behandeling. Het feit dat de behandeling zo onontbeerlijk is dat het zorgteam deze zelfs zonder toestemming van de ouders zal toepassen om ernstige schade aan de gezondheid van het kind te voorkomen, doet geen afbreuk aan het recht van de ouders om geïnformeerd te worden over de zorg die aan hun kind verleend wordt.

8- De patiënt heeft recht op inzage in en afschrift van zijn dossier; dit recht wordt uitgeoefend door de ouders of de voogd zolang het kind minderjarig is (artikel 8 van voornoemde wet van 22 augustus 2002).

De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt kan rechtvaardigen dat de arts het verzoek van de vertegenwoordiger van de minderjarige om inzage in of afschrift van zijn dossier te krijgen, geheel of gedeeltelijk afwijst (artikel 15, § 1, van de voornoemde wet van 22 augustus 2002).

In het onderhavige geval is de toepassing van deze uitzondering betwistbaar, aangezien het niet gaat om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige ten opzichte van zijn vader, maar veeleer om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de moeder.

Advies van de Nationale Raad

De bekendmaking van iemands seropositiviteit aan zijn entourage is moeilijk.

Een zwangere vrouw, op het ogenblijk dat ze in het ongewisse verkeert omtrent de virologische overdracht naar haar baby, bevindt zich in een psychologisch kwetsbare situatie omwille van de angst voor de reactie van haar partner bij de onthulling van haar seropositiviteit.

Zodra de zwangerschap aangekondigd is, moet zij psychologische steun krijgen om haar gerust te stellen, haar tot rede te brengen en haar te helpen haar seropositiviteit aan haar partner bekend te maken en om het paar te helpen een goede relatie met hun kind te ontwikkelen, ondanks de beangstigende context.

Net als de moeder heeft de vader van een pasgeboren kind het recht om spontaan door de gezondheidswerker ingelicht te worden over de preventieve behandeling die zijn kind krijgt en over de verantwoording van de diagnostische onderzoeken die verricht worden.

Geconfronteerd met de directe vragen van de vader over de zorg, zou zijn vertrouwen in het zorgteam sterk aangetast worden door ontwijkende of zelfs valse antwoorden.

Het informeren van de vader zal hem in staat stellen de gezondheid van zijn kind actief te volgen en eraan bij te dragen, terwijl zijn onwetendheid hem zou kunnen beletten adequaat te reageren.

Het verlies van vertrouwen in de medische wereld zou zeer nadelig kunnen zijn indien hij bij toeval de reden zou vernemen van de behandeling die zijn kind ondergaat of indien zou blijken dat het kind besmet is.

Indien een antiretrovirale, profylactische behandeling aan de neonaat wordt voorgeschreven, kan de informatie die de behandeling rechtvaardigt niet onthouden worden aan de vader, die het ouderlijk gezag heeft.

Wanneer een moeder weigert haar seropositiviteit bekend te maken aan de vader van de baby, staat het gezondheidsteam voor een dilemma tussen enerzijds het respecteren van het geheim dat de patiënt in staat gesteld heeft hen in vertrouwen te nemen en toegang te krijgen tot zorg in het belang van het kind, en anderzijds het informeren van de vader over de behandelingen, opdat maatregelen kunnen worden genomen en monitoring kan gebeuren die nodig zijn om de gezondheid van het kind te beschermen vanwege het besmettingsrisico.

De nationale raad beveelt aan dat in dit geval het belang van het kind nagestreefd wordt en dat de voorkeur gegeven wordt aan de oplossing die toegang biedt tot de beste zorg en behandeling om het kind te beschermen tegen ernstige schade aan zijn gezondheid, zelfs indien dit betekent dat het risico van besmetting als gevolg van de HIV-status van de moeder onthuld moet worden.

Alvorens een beslissing te nemen, moet rekening gehouden worden met de bijzondere medische, psychologische en sociale omstandigheden. Het welzijn van het kind vereist zorg, maar ook een omgeving die bevorderlijk is voor zijn ontwikkeling. De nationale raad beveelt aan dat het besluit het resultaat is van overleg binnen een ervaren multidisciplinair team.

In zo'n moeilijke situatie moet de beslissing gepaard gaan met de nodige multidisciplinaire, medische, psychologische en sociale ondersteuning voor beide ouders en het kind.

In zijn advies van 14 januari 2006, getiteld "HIV-positieve moeder", heeft de nationale raad geoordeeld dat er voldoende dwingende wettelijke en deontologische bepalingen zijn op grond waarvan het kind behandeld kan worden zonder dat de vader in kennis gesteld hoeft te worden van de toestand van de moeder.

In het onderhavige advies heeft de nationale raad dit standpunt herzien, aangezien het behoud van de gezondheid van een kind dat blootgesteld is aan besmettingsgevaar niet alleen een medische behandeling vereist maar ook voorzorgsmaatregelen en dagelijkse controle. Het belang van het kind is het doorslaggevend element om te verantwoorden dat de vader wordt ingelicht over de zorg die aan zijn kind wordt verleend.

Beroepsgeheim25/06/2021 Documentcode: a168012
Gebruik van camera's in een ziekenhuis voor medisch toezicht of onderwijsdoeleinden

In zijn vergadering van 19 juni 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen onderzocht onder welke voorwaarden het deontologisch aanvaardbaar is dat een patiënt gefilmd wordt met het oog op medisch toezicht tijdens een ziekenhuisopname of voor onderwijsdoeleinden.

De nationale raad herinnert eraan dat hij op 21 september 2019 een advies uitbracht over het installeren van een bewakingscamera in de onderzoeksruimte van een medische praktijk met als doel misdrijven te voorkomen of vast te stellen, getiteld “Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk”.

Indien het gaat over het verwerken van beelden betreffende de gezondheid van een patiënt voor wetenschappelijk onderzoek, verwijst de nationale raad naar punt 3., B, van het document “Inleiding op de medische deontologie 2019-2020”.

1. Gebruik van camera’s voor medisch toezicht tijdens een ziekenhuisopname

Aangezien cameratoezicht een aanzienlijke aantasting van de privacy vormt, die de patiënt ook als een aantasting van zijn waardigheid kan ervaren, dient het slechts ingeschakeld te worden na een diepgaande ethische en medische reflectie. De hoofdarts, het diensthoofd en de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) worden op de hoogte gebracht opdat de regels betreffende de gegevensbescherming worden gerespecteerd.

De gezondheidstoestand van de patiënt dient een permanent visueel toezicht te rechtvaardigen, zowel om een diagnose te stellen als om hem te verzorgen.

Het zorgteam moet ervan overtuigd zijn dat het gebruik van dit toestel bijdraagt tot de kwaliteit van de zorg en dat minder ingrijpende bewakingsapparatuur, zoals een monitoringstoestel, geen geschikt toezicht kan bieden.

Indien een beroep op cameratoezicht essentieel lijkt, moet het beperkt blijven tot wat nodig is voor de toezichtbehoeften van de patiënt. De ruimte waar gefilmd wordt, de periode gedurende welke gefilmd wordt, de noodzaak al dan niet op te nemen, de personen die de beelden kunnen bekijken, zijn allemaal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden om de inbreuk op het privéleven van de patiënt zo veel mogelijk te beperken en zijn welzijn te bevorderen.

Camera’s mogen de persoonlijke relatie tussen de leden van het zorgteam en de patiënten niet verstoren, noch door de frequentie van de contacten te verminderen, noch door de spontaniteit ervan aan te tasten. Medische onderzoeken en verzorging moeten altijd uitgevoerd worden in omstandigheden die de privacy van de betrokkene vrijwaren.

De patiënt dient vooraf ingelicht te worden over het plan camera’s in te zetten, de medische redenen ervoor en het gebruik dat gemaakt zal worden van de beelden. Hij moet, indien mogelijk, volledig ingelicht worden over de concrete modaliteiten voor het maken van beelden, de bewaring ervan, de toegang ertoe, de mogelijke alternatieven op het gebied van toezicht, enz.

De patiënt, of in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger, moet ermee instemmen gefilmd te worden met het oog op medisch toezicht. De weigering van de patiënt betekent niet dat hij geen recht meer heeft op kwaliteitsvolle verstrekkingen.

Wanneer, in spoedeisende omstandigheden, de wil van de patiënt of zijn vertegenwoordiger onzeker is, dient de zorgverstrekker onmiddellijk de nodige handelingen te stellen in het belang van de patiënt. De zorgverstrekker noteert de handeling in het patiëntendossier en tracht de toestemming van de patiënt te bekomen van zodra dit mogelijk is.

De beelden mogen enkel bekeken worden door een gezondheidszorgbe-roepsbeoefenaar, bekwaam voor het uitoefenen van medisch toezicht, die betrokken is bij de zorg en in de mate dat dit noodzakelijk is voor de de zorg waarmee hij belast is.

Het medisch beroepsgeheim, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de regels inzake de verwerking van persoonsgegevens en de rechten van de patiënt moeten gewaarborgd worden.

2. Verwerking van medische beelden met onderwijsdoeleinden – Schriftelijke en duidelijke goedkeuring

Beelden met betrekking tot de fysieke of mentale gezondheid van een identificeerbare natuurlijke persoon, met inbegrip van de toediening van gezondheidszorg, die informatie over de gezondheidstoestand van die persoon onthullen, zijn persoonsgegevens betreffende de gezondheid, waarvan de verwerking onderworpen is aan de naleving van de AVG en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

Om beelden betreffende de gezondheid van een identificeerbare persoon rechtmatig te kunnen verwerken, moet ook toegezien worden op de naleving van de andere geldende wetgevingen, met name inzake het medisch beroepsgeheim en het recht op afbeelding.

Rekening houdend met de medische ethiek en de wet, is de nationale raad van oordeel dat persoonsgegevens (betreffende een geïdentificeerde of rechtsreeks of onrechtstreeks identificeerbare natuurlijke persoon) niet voor onderwijsdoeleinden gebruikt mogen worden zonder de voorafgaande geïnformeerde en schriftelijke toestemming van de patiënt.

Indien de patiënt met een dergelijk gebruik instemt, moeten alle nodige maatregelen genomen worden om de identificatie van de patiënt tot een minimum te beperken, bijvoorbeeld door toepassing van pseudonimisering (zoals omschreven in artikel 4, 5de lid, van de AVG).

Om een geïnformeerde toestemming te kunnen geven, moet de patiënt vooraf volledig ingelicht worden over de modaliteiten van deze verwerking van hem betreffende beelden voor onderwijsdoeleinden, zodat hij er al dan niet mee kan instemmen met kennis van zaken.

Internet04/06/2021 Documentcode: a168011
Communicatie in tijden van een gezondheidscrisis

Artsen hebben actief deelgenomen aan het openbare debat gedurende de aanpak van de door Covid-19 veroorzaakte gezondheidscrisis.

Hierbij zijn enkele vragen gerezen omtrent de vrije meningsuiting van een arts over een gezondheidsonderwerp.

De Orde der artsen meent dat het in het algemeen belang is dat artsen tijdens een gezondheidscrisis bijdragen tot informatie die de gezondheid helpt behouden en verbeteren.

Wetenschappelijke standpunten kunnen zeker bij het optreden van een nieuw ziektebeeld uiteenlopen en aanleiding geven tot wetenschappelijke discussies welke met het tijdsverloop leiden tot een voortschrijdend inzicht en uiteindelijk een gedragen universele aanpak.

Wanneer een arts uitspraken doet buiten een wetenschappelijke kring houdt hij rekening met het kennisniveau en, bijgevolg, de kritische ingesteldheid van het publiek tot wie hij zich richt. Hoe ruimer en gevarieerder het publiek, hoe meer de arts zijn woorden dient te wikken en te wegen. De verstrekte medische informatie beïnvloedt de individuele en de collectieve keuzes door het vertrouwen dat men heeft in de artsen. De arts moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij draagt en hij mag de gezondheidsbelangen die op het spel staan nooit uit het oog verliezen.

De arts laat zich bij zijn communicatie leiden door de medische deontologie en ethiek en zal in geval van gevoelige thema’s een evenwichtig kader schetsen.

De arts mag geen onjuiste informatie verstrekken die manifest ingaat tegen de huidige inzichten van de wetenschap.

Wanneer de arts het woord neemt, maakt hij een duidelijk onderscheid tussen zijn persoonlijke opvattingen en zijn medische kennis.

Zijn analyses zijn nauwkeurig en zijn bewoordingen genuanceerd. De arts argumenteert zijn medische aanpak en vermeldt de bronnen waarop hij zich baseert bij zijn advies of raad. Hij wijst op mogelijke belangenconflicten die twijfel zouden kunnen zaaien over zijn onpartijdigheid.

Indien nodig herinnert hij eraan dat bij de toepassing van een individuele behandeling op maat van een patiënt altijd rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke gezondheidssituatie.

Geneeskunde (Universitaire opleiding in de-)07/05/2021 Documentcode: a168010
Arbeidsomstandigheden van artsen in opleiding

PERSBERICHT

De Vlaamse vereniging voor arts-specialisten in opleiding (VASO) en het Comité interuniversitaire des médecins assistants candidats spécialistes (CIMACS) ondernemen actie om het uitblijven van een akkoord over de arbeidsomstandigheden en de sociale bescherming van de kandidaat-specialisten binnen de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen aan de kaak te stellen.

Het feit dat de kandidaat-specialist in opleiding is, rechtvaardigt niet dat hij geen goede arbeidsomstandigheden, onder meer inzake arbeidstijd, en geen rechtvaardige sociale zekerheid geniet.

De opleiding dient te beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten van het onderwijs, van de zorg en van de patiëntveiligheid, zonder het welzijn van de arts zelf te verwaarlozen (artikelen 6 en 10, Code van medische deontologie 2018).

De jonge arts kan de waarden van het medische beroep, waaronder respect en empathie, ongetwijfeld beter begrijpen en in zich opnemen wanneer hij ze voor zichzelf toegepast voelt.

Collegialiteit is een plicht tegenover alle collega’s, zonder uitzondering (artikel 11, Code van medische deontologie 2018).

De stageomstandigheden moeten het de jonge arts mogelijk maken bekwaamheden te verwerven in een omgeving die gunstig is voor zijn persoonlijke en beroepsontplooiing.

Het is de plicht van de stagemeesters en van de academische overheden hierop toe te zien. De ziekenhuisbeheerders en de openbare overheden hebben, van hun kant, de verantwoordelijkheid de nodige maatregelen te nemen om dit te bereiken.

Keuze (Vrije artsen-)24/04/2021 Documentcode: a168009
Globaal Medisch Dossier (GMD) – Regelgeving en beheer

In zijn vergadering van 24 april 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de regelgeving en het beheer van het Globaal Medisch Dossier (GMD).

Dit advies vervangt het advies Het beheer van het Globaal Medisch Dossier (GMD) van 16 juli 2011 (a134010).

Het GMD is onderhevig aan talrijke evoluties sedert het ontstaan, met interacties tussen een wettelijk kader, de opeenvolgende Nationale Akkoorden Geneesheren-Ziekenfondsen en de aansluitende wijzigingen en/of aanpassingen in de RIZIV-bepalingen.

De inhoud van het GMD wordt bepaald in het koninklijk besluit van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen[1].

Artikel 33 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet)[2] bepaalt de gegevens die de gezondheidszorgbeoefenaar minstens dient op te nemen in het patiëntendossier.

De arts-patiëntrelatie ontstaat uit een vrijwillig engagement tussen de patiënt en de arts met respect voor de autonomie van zowel de arts als de patiënt. Beiden kunnen die relatie toezeggen, weigeren of beëindigen. De patiënt beschikt steeds over het recht om zijn arts vrij te kiezen en om deze keuze te wijzigen. De arts kan oordelen dat hij een therapeutische relatie niet kan verderzetten of geen tussenkomst of behandeling kan verlenen. Hij verwittigt de patiënt en eventueel zijn naastbestaanden tijdig en overlegt met hen. Hij organiseert de zorgcontinuïteit en verstrekt alle nuttige inlichtingen aan de arts die zijn taak overneemt (art. 32, Code van medische deontologie).

Uit het definiëren van een therapeutische relatie[3] volgt de plicht van de arts tot en het recht van de patiënt op een zorgvuldig bijgehouden patiëntendossier[4]. Artikel 22 van de Code van medische deontologie, bepaalt: ‘De arts houdt voor elke patiënt een patiëntendossier bij, waarvan de samenstelling en de bewaring beantwoorden aan de wettelijke en deontologische vereisten. De arts beheert, met respect voor het beroepsgeheim, het patiëntendossier als werkinstrument, communicatiemiddel, kwaliteitsreferentiepunt en bewijselement’.

De huisarts kan bij een eerste raadpleging van een nieuwe patiënt vragen naar het bestaan van een GMD bij een andere huisarts. Hij kan via MyCareNet[5] controleren of de informatie die de nieuwe patiënt hem verstrekt correct is. De mogelijkheid van het opvragen van lijsten is voorzien, zowel door de huisarts (lijst van patiënten waarvoor hij GMD-houdende huisarts is) als door andere huisartsen en artsen–specialisten (raadplegen van het GMD-recht van de patiënt).

Indien het eerste contact echter in een onstabiele omstandigheid gebeurt (afwezigheid, onbereikbaarheid of verlof van de eigen vaste huisarts) of indien de patiënt gewoon een second opinion verwacht of nog geen definitieve keuze wenst te maken voor een (nieuwe) GMD-houdende huisarts, dan moet dit gerespecteerd worden en is het deontologisch fout een GMD op te dringen of te openen.

Kwaliteitsvolle gezondheidszorg is een belangrijk patiëntenrecht. De huisarts informeert de patiënt correct over het belang van het GMD als werkinstrument voor een kwaliteitsvolle zorg, over de kwalitatieve doelstellingen en de financiële draagwijdte van een GMD. Op het vrijwillig en uitdrukkelijk verzoek van de patiënt[6] en met diens geïnformeerde toestemming opent de huisarts het GMD. De arts identificeert de patiënt aan de hand van de elektronische identiteitskaart (eID). Elektronisch - sinds 1 januari 2021 de enige mogelijkheid om recht te hebben op de voordelen[7] ervan - is het eenvoudig om een GMD aan te maken. De patiënt geeft blijk van zijn toestemming door het overhandigen van zijn eID. De arts vinkt het vakje betreffende de geïnformeerde toestemming ter bevestiging aan.

Een arts-patiëntrelatie is gestoeld op wederzijds vertrouwen en respect, communicatie en participatie. Het GMD verhoogt de kwaliteit van de zorg omdat alle informatie omtrent de patiënt door de huisarts verzameld en geïntegreerd wordt in een medisch dossier. Hierdoor krijgt de GMD-houdende huisarts een totaalbeeld van de gezondheidstoestand van de patiënt.

Indien een huisarts optreedt als vervangende arts mag deze, geconsulteerd om de continuïteit van zorg te verzekeren, geen GMD openen. Dit verbod is absoluut tijdens de bevolkingswachtdienst zowel in de weekends als op feestdagen. Dit geldt ook binnen een door de huisartsen georganiseerde weekwacht. Wanneer de huisarts optreedt als vervanger van een collega (afwezigheid, verlof, ziekte) kan er evenmin een verandering worden aangebracht in de status van het GMD.

De wachtarts heeft wel toegang tot het Sumehr[8]. Dit is een extractie uit het patiëntendossier. Het Summarized Electronic Health Record betreft een elektronisch document dat de minimale gegevens bevat die een arts nodig heeft om de gezondheidstoestand van een patiënt snel in te schatten en zo de best mogelijke zorg te bieden.

Zoals het Sumehr is ook het GMD geen apart dossier. Het bevat welbepaalde elementen uit het patiëntendossier (korte inhoud met acute medische informatie, belangrijke voorgeschiedenis van de patiënt, ... )[9].

Een ander essentieel patiëntenrecht is de autonome en vrije artsenkeuze. Het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt is onmisbaar voor de uitbouw van een vertrouwensrelatie met de arts. De patiënt heeft op elk ogenblik het recht om te kiezen met welke beroepsbeoefenaar hij een therapeutische relatie wenst aan te gaan en hij is steeds vrij deze keuze te wijzigen.

Artikel 27, al. 2, van de Code van medische deontologie, bepaalt

‘De arts bezorgt op verzoek of met toestemming van de patiënt aan een andere gezondheidszorgbeoefenaar relevante informatie en gegevens’.

Overeenkomstig artikel 34 van de Kwaliteitswet houdt de gezondheidszorgbeoefenaar het patiëntendossier bij en bewaart het, vanaf een nog bij koninklijk besluit te bepalen datum, in elektronische vorm.

De artikelen 36 tot 40 van de Kwaliteitswet bepalen de voorwaarden waaraan de gezondheidszorgbeoefenaar dient te voldoen om toegang te verkrijgen tot de gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars.

Bij verandering van behandelende huisarts deelt de arts, in het kader van de zorgcontinuïteit, binnen een redelijke termijn alle nuttige en noodzakelijke medische of farmaceutische inlichtingen betreffende de patiënt mee aan de door de patiënt aangeduide arts opdat de diagnose of de behandeling kan worden voortgezet of vervolledigd[10]. Vandaag is het gebruikelijk dat de arts een kopie van het volledige patiëntendossier[11] overdraagt aan de nieuwe huisarts via eHealth.

De patiënt kan vragen medische informatie aan zijn patiëntendossier toe te voegen of, in bepaalde gevallen, informatie te corrigeren.

De arts dient objectief vast te stellen vergissingen (bv. manifest foute diagnose, foutieve bloedgroep van de patiënt of foutieve spelling van zijn naam) kosteloos te verbeteren. De patiënt heeft in de regel echter niet het recht om relevante medische persoons- of gezondheidsgegevens uit zijn patiëntendossier te doen verwijderen. Anderzijds mag de arts niet om het even welke gegevens in het patiëntendossier opnemen. Hij moet rekening houden met de principes van minimale gegevensverwerking, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Meer informatie hieromtrent is terug te vinden in het advies van de nationale raad van 20 maart 2021 (a168007).

In het kader van de zorgkwaliteit krijgen andere huisartsen binnen éénzelfde groepspraktijk automatisch toegang tot de GMD-gegevens van elkaars patiënten wanneer ze daartoe gemachtigd[12] zijn. De patiënt hoeft hiervoor geen bijkomende administratieve stappen te ondernemen. De patiënt kan een therapeutische relatie met een bepaalde arts van de groepspraktijk weigeren. De behandelend arts informeert de patiënt hierover op het ogenblik van de aanmaak van het GMD.

In de praktijk stelt het verdelen en toewijzen van de Globale Medische Dossiers bij dissociaties van groepspraktijken van huisartsen soms problemen. In hun samenwerkingsovereenkomst dienen de betrokken artsen hierover duidelijke afspraken vast te leggen. Wanneer een huisarts de groepspraktijk verlaat, bevestigt de patiënt wie zijn GMD-houdende arts is. De nationale raad pleit ervoor om verder na te denken over het nog beter afstemmen van het concept van de solopraktijk van de GMD-houdende huisarts op de evolutie naar de samenwerking van huisartsen binnen een groepspraktijk.

Het honorarium per GMD voor de huisarts is beperkt tot 1 maal per kalenderjaar per patiënt. Sinds 1 januari 2021[13] is er een automatische verlenging. Eén jaar op twee dient er een raadpleging van de patiënt plaats te vinden[14].

Het beheer van een GMD is voorbehouden aan erkende huisartsen. Elke huisarts die GMD's wenst te beheren moet voldoen aan de voorwaarden om die erkenning te bekomen of te behouden. Huisartsen in opleiding kunnen geen GMD openen of beheren[15].

Vroeger[16] was één van de criteria voor het behoud van de erkenning dat de huisarts zowel op huisbezoek als in de consultatieruimte zorg verstrekt. Nu bepaalt het artikel 10 van het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen als enige criterium voor het behoud van de erkenning van de huisarts : ‘De erkende huisarts is ertoe gehouden gedurende zijn ganse loopbaan zijn bekwaamheid te behouden en te ontwikkelen door praktische en wetenschappelijke vorming.’

De nationale raad is evenwel van mening dat een GMD-houdende huisarts de volledige huisartsenzorg voor die patiënten moet kunnen verzekeren.

De nationale raad wenst met deze analyse de huisartsen bij te staan om met de nodige zorg en eerbiediging van de deontologische voorschriften het GMD van iedere patiënt te beheren.

Praktische modaliteiten en documentatie

https://www.ehealth.fgov.be/nl/egezondheid/beroepsbeoefenaars-in-de-gezondheidszorg/globaal-medisch-dossier-gmd/algemene-voorstelling

https://www.riziv.fgov.be/nl/themas/zorgkwaliteit/e-gezondheid/Paginas/MyCareNet.aspx(laatst aangepast 13 juli 2018)

https://www.inami.fgov.be/nl/professionals/individuelezorgverleners/artsen/kwaliteit/Paginas/globaal-medisch-dossier.aspx#Beheer_van_het_GMD_via_MyCareNet%3a_het_eGMD(laatst aangepast 2 maart 2021)

http://ned.mycarenet.be/sectoren2/dokter/de-beschikbare-diensten/medisch-administratief--dokter/beheer-globaal-medisch-dossier


[1].’Art. 1. In artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 februari 2013 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de omschrijving en de toepassingsregels van de verstrekking 102771 worden als volgt vervangen :
"Beheer van het globaal medisch dossier (GMD)
[…]
Het GMD bevat de volgende gegevens die regelmatig worden bijgewerkt :
a) de sociaal-administratieve gegevens;
b) de antecedenten;
c) de problemen;
d) de verslagen van de andere zorgverleners;
e) de chronische behandelingen;
f) de preventieve maatregelen die worden genomen, rekening houdende met de leeftijd en het geslacht van de patiënt, en die minstens betrekking hebben op :
1. de levensstijl (voeding, lichaamsbeweging, tabaks- en alcoholgebruik);
2. de cardiovasculaire ziekten (anamnese, klinisch onderzoek, acetylsalicylzuur voor de risicogroepen);
3. de opsporing van colorectale kanker, borstkanker en baarmoederhalskanker;
4. de vaccinatie (difterie, tetanus, griep en pneumokokken);
5. de biologische metingen : lipiden (> 50 jaar), glycemie (> 65 jaar), creatinine en proteïnurie (voor de risicogroepen);
6. de opsporing van depressie;
7. de mondzorg;
g) voor een patiënt van 45 tot 74 jaar die het statuut chronische aandoening geniet, diverse klinische en biologische gegevens die nuttig zijn voor de evaluatie van de gezondheidstoestand van de patiënt en voor de verbetering van de kwaliteit van de zorg.’ […]

[2] De Kwaliteitswet treedt in werking op 1 juli 2021.

[3] ‘Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder therapeutische relatie verstaan een relatie tussen een patiënt en een gezondheidszorgbeoefenaar in het kader waarvan gezondheidszorg wordt verstrekt.’ (wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg ,art. 37, al. 2)

[4] wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 9, §1.

[5] MyCareNet is een gezamenlijk initiatief van het Nationaal Intermutualistisch College (NIC), van eHealth (het gezondheidsportaal van de Belgische overheid) en van het RIZIV (https://ned.mycarenet.be/secto...).

[6]art. 1, 1°, al. 2, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bepaalt :

Een GMD wordt geopend op verzoek van de patiënt of van zijn behoorlijk geïdentificeerd gemachtigde; dat verzoek wordt vermeld in het dossier van de patiënt.’

[7] Het Riziv actualiseerde zijn webpagina betreffende het GMD

(https://www.riziv.fgov.be/nl/professionals/individuelezorgverleners/artsen/kwaliteit/Paginas/globaal-medisch-dossier.aspx). Sinds 1 januari 2021 krijgt de huisarts enkel het honorarium voor het beheer van het GMD als hij een elektronisch medisch dossier gebruikt (EMD). Het EMD moet worden beheerd met een softwarepakket geregistreerd door het eHealth-platform.

[8] cf.

https://www.vitalink.be/beknopte-medische-dossiers-delen-sumehr

https://www.ehealth.fgov.be/standards/kmehr/en/transactions/summarised-electronic-healthcare-record-v20

https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/file/view/AWl8XKSwgwvToiwBkf81?filename=GP%20documentation%20-8th%20July%20%2020191.pdf

Het aanmaken van een Sumehr wordt door de arts aangeklikt in de software. Het bevat informatie die uit het patiëntendossier wordt gehaald. Bovendien kunnen via COZO specialistenbrieven van alle Belgische ziekenhuizen, van eraan meewerkende extra-muros specialisten, laboratoria, e.a. teruggevonden worden.

[9] art. 1, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

[10]Code van medische deontologie, art. 26.

[11]De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 9, §2, bepaalt dat de patiënt recht heeft op inzage in zijn patiëntendossier.

[12]https://www.inami.fgov.be/nl/p...

[13] Vanaf 2021 wordt de betaling van de GMD-erelonen elk jaar in februari proactief gestort. De berekening wordt gemaakt op basis van het aantal GMD’s die op 31 december van het jaar ervoor bij MyCareNet zijn geregistreerd, voor alle patiënten die in hetzelfde ziekenfonds zijn ingeschreven. Voor nieuwe patiënten die na februari een GMD wensen te openen ontvangt de arts, na notificatie bij MyCareNet, een ereloon voor dat jaar. Voor patiënten met een GMD die van arts veranderen krijgt de nieuwe arts pas het jaar nadien een ereloon.

[14] Het ereloon voor het GMD is dus niet meer gebonden aan het verplichte jaarlijkse patiëntencontact.

[15] art. 1, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

[16] Het in het advies van de nationale raad van 16 juli 2011 vermelde Ministerieel besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen werd vernietigd door de raad van State. Heden is er het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.

Patiëntenrechten20/03/2021 Documentcode: a168007
Recht van de patiënt betreffende de rectificatie of het wissen van gegevens in zijn medisch dossier

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het recht van de patiënt onderzocht betreffende de rectificatie of het wissen van gegevens in zijn medisch dossier.

De patiënt heeft het recht op inzage in het hem betreffend patiëntendossier.[1] In de context van patient empowerment neemt de patiënt actiever deel aan zijn zorgproces en zal hij frequenter kennis nemen van zijn medische gegevens, onder meer via gezondheidsnetwerken.

Als gevolg hiervan krijgen meer en meer artsen de vraag van hun patiënten om bepaalde gegevens in hun medisch dossier te verbeteren en/of te wissen.

  1. Recht op rectificatie

De patiënt heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.[2] Het recht op rectificatie is een grondrecht.[3]

Persoonsgegevens moeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd. Alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te corrigeren.[4]

De juistheid van de gegevens moet worden nagekeken. Slechts wanneer de arts vaststelt dat de gezondheidsgegevens onjuist of onvolledig zijn, moeten zij worden verbeterd of aangevuld.

Dit recht is er niet op gericht de inhoudelijke juistheid van een medische diagnose – die het resultaat is van een professionele beoordeling en dus een medische “opinie” uitmaakt – te kunnen betwisten.[5] Subjectieve betwistingen omtrent de diagnosestelling worden beoordeeld door de betrokken arts en worden desgevallend zonder gevolg gelaten. De arts noteert in het patiëntendossier dat de diagnose wordt betwist en door wie.

Het recht op rectificatie kan evenwel worden uitgeoefend in situaties waar vergissingen in het dossier voorkomen, als gevolg van een onjuiste verwerking van persoonsgegevens.[6] Er kan in deze context worden gedacht aan bijvoorbeeld een objectief vast te stellen foute diagnose, het foutief registreren van de bloedgroep van de patiënt[7] of een foutieve spelling van de naam van de patiënt. Objectief vast te stellen vergissingen dienen steeds kosteloos te worden verbeterd.

2. Recht op het wissen van gegevens

De patiënt heeft in bepaalde gevallen[8] het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen.[9]

Het recht op het wissen van persoons- en gezondheidsgegevens is niet van toepassing indien de verwerking noodzakelijk is om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid, voor het verstrekken van gezondheidszorg en voor zover de verwerkingsverantwoordelijke gehouden is tot het beroepsgeheim.[10]

De relevantie van het recht om gezondheidsgegevens kosteloos te laten wissen is aldus gering. De verwerking en de bewaring van gezondheidsgegevens is noodzakelijk voor het verstrekken van kwaliteitsvolle zorg. De patiënt heeft bijgevolg niet het recht om relevante medische persoons- of gezondheidsgegevens te laten verwijderen uit zijn medisch dossier. De bewaartermijn voor gezondheidsgegevens bedraagt minimum 30 jaar[11] en maximum 50 jaar te rekenen vanaf het laatste patiëntencontact.[12]

Dit betekent niet dat de arts om het even welke gegevens in het patiëntendossier mag opnemen. De arts moet rekening houden met de principes van minimale gegevensverwerking, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Dit betekent dat de gegevensverwerking toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.[13]

De arts dient bij de opstelling van documenten en nota’s op datum telkens de persoons- en gezondheidsgegevens na te kijken en zich te vergewissen van hun juistheid en relevantie.


[1] Artikel 9, §2, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[2] Artikel 16, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[3] Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[4] Artikel 5, 1, Algemene Verordening Gegevensbescherming; artikel 170, Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

[5] Beslissing 21/2020 van 30 april 2020 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[6] Beslissing 21/2020 van 30 april 2020 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit

[7] Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[8] (a) de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; (b) de betrokkene de toestemming, waarop de verwerking berust, intrekt en er geen andere rechtsgrond is voor de verwerking; (c) de betrokkene bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden zijn voor de verwerking; (d) de persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt zijn; (e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een wettelijke verplichting: (f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij aan minderjarigen

[9] Artikel 17, 1 en 2, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[10] Artikel 17, 3, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[11] Artikel 24, Code van medische deontologie

[12] Artikel 35, Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[13] Artikel 5, 1, c), Algemene Verordening Gegevensbescherming

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168006
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtelijk deskundige

In zijn vergadering van 20 maart 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit om de deontologische aanbevelingen te kennen betreffende de toepassing vanhet evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtsdeskundige bij het opstellen van zijn verslag.

1. Deze vraag volgt op een beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020 van de Geschillenkamer in een dossier tegen een arts-gerechtsdeskundige[1]. Aan deze laatste werd verweten bij zijn verslag, waartegen de partijen tegenspraak kunnen voeren, het volledige verslag van de deskundige-psychiater gevoegd te hebben dat gevoelige gegevens bevatte die de betrokken persoon niet noodzakelijk achtte voor de uitvoering van de expertiseopdracht.

In dit dossier heeft de Geschillenkamer geoordeeld dat de overmaking door de gerechtelijk deskundige van het verslag van de deskundige-psychiater aan de procespartijen de artikels 6.1 en 9 van de AVG niet schond.

Ze werpt in haar beslissing echter op : (…)de Geschillenkamer stelt vast dat in casu een groot aantal gevoelige persoonsgegevens van de klaagster alsook haar echtgenoot werden verwerkt en ter beschikking gesteld van de tegenpartij in het kader van het rechtsgeding en meer bepaald in uitvoering van een door de rechtbank bevolen medisch deskundigenonderzoek.

De Geschillenkamer stelt vast dat aldus een spanningsveld bestaat tussen, enerzijds, het beginsel van tegensprekelijkheid van gerechtelijke deskundigenonderzoeken, (…) en, anderzijds, het recht op persoonsgegevensbescherming van de bij rechtsgedingen betrokken partijen[2].

Gelet op dit spanningsveld en de toepasselijkheid van het beginsel van tegenspraak in rechtszaken, wijst de Geschillenkamer op het bijzonder belang van het waarborgen van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking ex artikel 5.1 c) AVG door deskundigen bij het uitoefenen van deskundigenonderzoeken en het opstellen van deskundigenverslagen.

(…) wijst de Geschillenkamer erop dat een voorafgaande noodzakelijkheidstoets dient te worden uitgevoerd door (medische) deskundigen belast met de uitvoering van een deskundigenonderzoek, zodat enkel die persoonsgegevens die “ter zake dienend” zijn en “beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt” in de zin van artikel 5.1 c) AVG in deskundigenverslagen worden opgenomen en aan de tegenspraak worden onderworpen en aldus de beginselen van evenredigheid en minimale gegevensverwerking worden gewaarborgd.[3]

2. De arts-gerechtelijk deskundige is gebonden aan de deontologische code van de gerechtsdeskundigen[4] en aan de code van medische deontologie (CMD 2018).

De deontologische code van de gerechtsdeskundigen schrijft voor dat de gerechtsdeskundige het inwinnen van informatie, het aantal en de kostprijs van zijn onderzoeken (…) beperkt tot hetgeen voor het volbrengen van de opdracht absoluut noodzakelijk is[5].

De CMD 2018 bepaalt in ruimere zin dat de arts-gerechtsdeskundigezich strikt houdt aan de hem toevertrouwde opdracht[6].

Ze stelt ook algemeen dat de arts de finaliteit en de proportionaliteit bij de verwerking van gezondheidsgegevens eerbiedigt[7].

Deze deontologische plichten passen met name het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking toe volgens hetwelk persoonsgegevens moeten “toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt”[8].

Ze zijn ook gebaseerd op het medisch geheim waaraan de arts deskundige, zoals elke arts, gehouden is. De elementen waarvan hij in kennis gesteld werd tijdens of ter gelegenheid van het deskundigenonderzoek mogen niet openbaar gemaakt worden indien dit niet gerechtvaardigd is door de vereisten van de opdracht, of door een andere wettige reden.

Fundamenteler worden deze regels ingegeven door de bescherming van de intimiteit van de persoon.

De wet betreffende de rechten van de patiënt, die van toepassing is op de expertisegeneeskunde, herinnert dat de patiënt recht heeft op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie die verband houdt met zijn gezondheid. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover het bij wet is voorzien en nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen[9].

3. Het doel van zijn opdracht en zijn wettelijke en deontologische verplichtingen leiden de deskundige bij elke fase van zijn opdracht : bij het verzamelen van gegevens, het onderzoek van de persoon en het opstellen van het verslag.

Het komt hem toe geval per geval te oordelen hoe deze verplichtingen na te komen, zonder een daarvan te verwaarlozen.

Wanneer de deskundige zelf de persoonsgegevens van de persoon waarover de expertise gaat, verzamelt, informeert hij de persoon waartoe hij zich richt in overeenstemming met de bepalingen van de AVG. Hij vergewist zich ervan dat zijn gesprekspartner zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige, de opdracht waarmee hij belast is, het gebruik dat zal gemaakt worden van de gegevens (met inbegrip van de toegang ertoe) en, in voorkomend geval, de mogelijkheid te weigeren ze hem mee te delen, begrepen heeft.

Hij zorgt ervoor alleen gegevens te verzamelen die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht en die niet verder gaan dan wat nodig is om het medisch advies te geven dat hem gevraagd wordt.

Wanneer een medisch dossier in beslag genomen wordt, sluit de afgevaardigde van de provinciale raad van de Orde de stukken uit die geen verband houden met de zaak in kwestie[10].

De geneeskundige anamnese en het medisch onderzoek uitgevoerd door de deskundige dienen afgestemd te zijn op de aard van het trauma of van het te onderzoeken feit.

De deskundige onthoudt zich van elk onderzoek dat als enig doel heeft een partij tevreden te stellen. Hij behoudt zijn onafhankelijkheid.

De arts-deskundige past strikt dezelfde principes toe bij het opstellen van zijn verslag. Het komt hem toe te oordelen wat hij moet vermelden om zijn advies voldoende met redenen te omkleden en te objectiveren, meer bepaald of hij bepaalde verklaringen van de persoon moet weergeven.

Hetgeen de arts-deskundige zal onthullen, zal ter kennis gebracht worden van de procespartijen, die niet gehouden zijn door een vertrouwelijkheidsplicht.

De arts-deskundige dient toe te zien op de eerbiediging van de waardigheid en de integriteit van het individu dat onderworpen is aan zijn deskundigenonderzoek. De medisch deskundige moet in gedachten houden dat het medisch deskundigenonderzoek, of het nu fysiek of psychiatrisch is, voor de persoon die er het voorwerp van is, een intrusie is in zijn intimiteit door een arts die hij niet noodzakelijk vrij gekozen heeft[11].

Hij richt zich eerbiedvol en beleefd tot deze en ziet af van elk commentaar dat noch zijn opdracht, noch zijn bekwaamheid betreft.

Alle regels die voorafgaan zijn eveneens van toepassing op de arts-deskundige.

Indien de gerechtelijk deskundige zich vragen stelt over de toepassing van het beginsel van procedure op tegenspraak rekening houdend met het recht op eerbiediging van de private levenssfeer, kan hij zich tot de rechter wenden opdat hij het incident zou beslechten.

In een arrest van 2 november 2012 heeft het Hof van Cassatie herinnerd dat de tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek beperkt kan worden door de rechter, in dit geval rekening houdend met het recht op de eerbiediging van het privéleven, op voorwaarde dat er geen schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak uit voortvloeit[12].


[1]https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-51-2020.pdf

[2] Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950

[3] Punten 50, 51, 52 en 59 van de Beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020

[4] Koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 991quater van het gerechtelijk Wetboek werd opgeheven door de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank die een boek V toevoegde in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, dat de artikelen 555/6 tot 555/16 omvat, met als opschrift : "Boek V. Gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken.", zie artikel 555/9, 3°)

[5] Art. 5, lid 3, van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek

[6] Art. 44 CMD 2018

[7] Art. 27, §1er CMD 2018

[8] Art. 5. 1., c) AVG

[9] Art. 10, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[10] Advies van 14 september 2013 van de nationale raad, met als titel Code van geneeskundige plichtenleer – wijziging van artikel 66

[11] Artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat de rechter de deskundigen kan aanwijzen waarover partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen slechts afwijken bij een met redenen omklede beslissing.

Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies over de in het vonnis bepaalde opdracht.

[12] Cass., 2 november 2012, nr. C.11.0018.N

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168005
Inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise

In zijn vergadering van 20 maart 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise in het licht van de regels van de medische deontologie.

Het onderstaande advies neemt geen standpunt in over de regelmatigheid van de gerechtelijke procedure. Het bestudeert evenmin de hypothese waarin de rechter dit punt geregeld heeft.

1. De gerechtelijke medische expertise vormt op zich een ervaring die pijnlijk kan zijn voor de persoon op wie ze betrekking heeft. Deze moet immers gevoelige aspecten van zijn privéleven blootgeven in een conflictsituatie.

De medische gerechtsdeskundige moet toezien op het welzijn van de persoon en op de eerbiediging van zijn waardigheid tijdens de expertisezittingen.

2. Een videoconferentie laat niet toe dat men controle heeft op wie deelneemt aan de vergadering (aanwezige personen aan de andere kant van het scherm) noch op het feit dat ze opgenomen wordt door een van de partijen buiten het medeweten van de andere deelnemers.

3. Tijdens de medische handelingen staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon, en zelfs van derden, onder spanning door de plicht of de wil om mee te werken aan de expertise.

Gegevens die losstaan van het voorwerp van de expertise kunnen bekendgemaakt worden door de spontane verklaringen van de onderzochte persoon die oprecht en spontaan alles ten beste geeft zonder over de medische kennis te beschikken om te weten wat relevant is en zijn uitlatingen bijgevolg te beperken.

4. Wat betreft het fysiek of psychisch onderzoek is de nationale raad gekant tegen de inschakeling van een videoconferentie, ook al wordt de persoon onderzocht in aanwezigheid van de deskundige.

Wat betreft de medische, sociale en professionele anamnese (met inbegrip van de persoonlijke en familiale voorgeschiedenis) is het niet gunstig via videoconferentie te werken.

Indien bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen gebruik te maken van een videoconferentie, moet de toegang ertoe beperkt worden tot de raadslieden (juridische en technische) van de partijen die wettelijk onderworpen zijn aan deontologische beroepsregels en aan een tuchtoverheid. Deze verbinden zich ertoe alleen deel te nemen aan de expertisehandeling en er geen enkel audio- of filmspoor van te bewaren, tenzij zij hiervoor de toestemming gekregen hebben van alle deelnemers.

De persoon die onderworpen wordt aan de expertise moet altijd in aanwezigheid zijn van de deskundige wanneer deze overgaat tot de anamnese.

De medische gerechtsdeskundigen en technische raadslieden (raadgevend artsen en bijstandsartsen) komen overeen geen rekening te houden met de gegevens die niet noodzakelijk zijn voor de expertise en waarvan geen nota genomen wordt, gelet op het beginsel van de minimale gegevensverwerking (artikelen 5.1.c) en 9 van de AVG) en de deontologische regels waaraan ze onderworpen zijn[1].

Wat betreft de discussies over de richtinggevende feiten en over het rapport van de domeindeskundigen meent de nationale raad dat een videoconferentie aanvaardbaar is.

5. De deskundige moet ernstige redenen hebben om aan te nemen dat de videoconferentie hem toelaat de regels van goede (kwaliteits)praktijkvoering na te leven. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van alle concrete gegevens, zowel menselijke als wetenschappelijke en technologische.

Hij vergewist zich ervan dat de partijen in de mogelijkheid verkeren zich voluit uit te drukken en een beroep te doen op de bijstand van hun raadslieden in de meest optimale omstandigheden. De raadslieden van de partijen hebben ook de deontologische plicht toe te zien op dit aspect.

Er moet rekening gehouden worden met de vaardigheden van de medische gerechtsdeskundige en van de deelnemers om gebruik te maken van de technische apparatuur en om te communiceren (verhoor, beheersing van de taal, begrip van de medische en anatomische terminologie, stress, enz.).

6. Het inschakelen van een videoconferentie moet gewettigd zijn door een situatie die ertoe leidt dat de partijen meer baat hebben bij een videoconferentie dan bij een zitting met fysieke aanwezigheid. De deskundige mag de toepassing ervan niet aanmoedigen voor persoonlijk gemak.

Werken via videoconferentie kan alleen met de toestemming van alle partijen die op voorhand ingelicht zijn over onder meer de mogelijkheid om de zitting met fysieke aanwezigheid te houden en de gebruikte technologie.

De toestemming van een partij belet niet dat zij, van haar kant, fysiek aanwezig is op de zitting.

7. De medische gerechtsdeskundige weigert een videconferentie indien hij vaststelt dat ze hem verhindert zijn opdracht goed uit te voeren, om welke reden ook.

8. De nationale raad wijst erop dat, gezien de gevoelige aard van de gezondheidsgegevens, de AVG de medische gerechtsdeskundige ertoe verplicht de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen[2].


[1] Art. 5, 3de lid van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek; art. 27, § 1 en art. 44 van de CMD 2018

[2] Art. 5, § 1, f) en artikel 32 van de AVG

COVID-1920/03/2021 Documentcode: a168004
Deontologische en ethische aspecten van de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde op 20 maart 2021 de deontologische en ethische aspecten betreffende de doorgifte door de arts van persoonsgegevens van patiënten die in aanmerking komen voor prioritaire vaccinatie tegen COVID-19.

Bij vele artsen rees de vraag of zij in navolging van het voorliggende “Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 informatie van hun patiënten met ernstige ziekte ter beschikking mogen stellen aan de gegevensbank met de vaccinatiecodes om voorrang te krijgen bij de vaccinatie-uitrol tegen COVID-19.

Juridische kader

Overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek zijn artsen gehouden tot het beroepsgeheim, buiten het geval dat de wet hen toelaat of verplicht om hetgeen hen is toevertrouwd bij de uitoefening van hun beroep bekend te maken. Het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19, is een wetgevend instrument[1] dat de arts toelaat de strikt noodzakelijke persoonsgegevens van de patiënten waarvan men oordeelt dat zij in aanmerking komen voor een prioritaire vaccinatie door te geven aan het gemeenschappelijk informatiesysteem dat wordt opgezet voor de uitnodiging van de personen voor vaccinatie, voor de organisatie van de vaccinatie en voor de registratie van de vaccinatie.

Er wordt rekening gehouden met het principe van de minimale gegevensverwerking.[2] De arts vermeldt enkel de persoonsgegevens van zijn patiënten die in aanmerking komen voor een prioritaire vaccinatie omwille van hun gezondheidstoestand, zonder de diagnose te vermelden. De gegevensbank bevat aldus geen gegevens over de gezondheidstoestand van de patiënt, met uitzondering van de aanduiding van de vaccinatiestatus.

In verhouding tot het beroepsgeheim

De nationale raad is van oordeel dat er geen schending van het beroepsgeheim optreedt indien een arts die een zorgrelatie heeft met de betrokkene, op basis van de informatie waarover het/hij/zij beschikt over de gezondheidstoestand van een persoon, van oordeel is dat die persoon in aanmerking komt voor prioritaire vaccinatie en dit feit aanmerkt in de gegevensbank met de vaccinatiecodes, zonder dat enige onderliggende reden wordt meegegeven.

In verhouding tot de ethiek en de deontologie

De prioriteringsregels voor de vaccinatie zijn opgesteld op basis van 4 criteria: de leeftijd, de gezondheidstoestand (meer bepaald het feit of de persoon al dan niet lijdt aan bepaalde onderliggende aandoeningen zoals vastgelegd door de Hoge Gezondheidsraad), het beroep en/of de plaats van tewerkstelling van de betrokkene. Deze prioriteringsregels zijn fijnmazig opgesteld en beogen dat personen met een hoger risico vlugger aan bod komen bij de vaccinatie-uitrol. Hierdoor wordt ziekte en eventuele mortaliteit ingeperkt zeker als men rekening houdt met de relatief lange periode die nodig zal zijn om alle mensen te vaccineren. Bovendien is de prioritering van chronisch zieke patiënten een daad van solidariteit en een hart onder de riem voor mensen die omwille van hun gezondheid problemen ondervinden op fysiek, psychisch en dikwijls ook op financieel vlak.


[1] Op basis van artikel 92bis, §1 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijk beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op het gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden, of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven.

[2] Dit betekent dat de gegevensverwerking toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, art. 5, 1, c), Algemene Verordening Gegevensbescherming

Persoonlijke levenssfeer20/03/2021 Documentcode: a168003
Recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier om zich te verdedigen in rechte.

Dit advies betreft het recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier van de instelling waar hij werkt betreffende een patiënt met wie de ziekenhuisarts een therapeutische relatie had, om zich in rechte te verdedigen. Het breidt zich niet uit tot andere verwerkingen van deze gegevens door het ziekenhuis of de ziekenhuisarts.

1. De AVG[1] is van toepassing op de verwerking van de gegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier.

De verwerkingsverantwoordelijke van het ziekenhuisdossier ziet erop toe dat de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid die het bevat in overeenstemming is met alle eisen opgelegd door de AVG[2].

Het ziekenhuis stelt een reglement voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op die ter kennis gebracht wordt van de patiënten van het ziekenhuis[3], houdt een lijst bij van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens betreffende de gezondheid met een nauwkeurige beschrijving van hun functie ten opzichte van de verwerking van de gezondheidsgegevens[4], en een register van de verwerkingsactiviteiten[5].

Voordat hij de gegevens in het ziekenhuisdossier verwerkt met het oog op zijn verdediging in rechte, moet de ziekenhuisarts nagaan of hij dit doet zonder te handelen in strijd met zijn verplichtingen en met die van het ziekenhuis tegenover de patiënten inzake de verwerking van de patiëntengegevens, zoals deze ervan ingelicht werden[6].

Indien voornoemde documenten niet bepalen dat de ziekenhuisarts de gezondheidsgegevens in het ziekenhuisdossier mag verwerken om zich te verdedigen in rechte, moet deze overleg plegen met de functionaris voor gegevensbescherming van het ziekenhuis die hem zal helpen om zijn verplichtingen inzake de naleving van de regels betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer correct in te schatten.

De verwerking van persoonsgegevens om zich in rechte te verdedigen is een uitzondering op het verbod persoonsgegevens betreffende de gezondheid te verwerken[7]. Dergelijke verwerking dient te voldoen aan alle voorwaarden gesteld door de AVG, wat onder meer inhoudt dat de betrokken persoon ingelicht wordt over de verwerking van zijn gegevens voor de uitoefening van het recht op verdediging in rechte[8], dat de gebruikte persoonsgegevens betreffende de gezondheid afkomstig uit het ziekenhuisdossier toereikend en ter zake dienend zijn in deze context en dat er niet meer gegevens dan nodig verwerkt worden[9].

2. De regels inzake bescherming van de gegevens en van het medisch geheim[10] vullen elkaar aan. De ene doet geen afbreuk aan de andere.

De rechtspraak heeft aangenomen dat artikel 458 van het Strafwetboek geen absolute verplichting tot zwijgen inhoudt wanneer degene die tot het bewaren van een beroepsgeheim is gehouden, zich in rechte moet verdedigen.

Uit het advies van de nationale raad kan niet afgeleid worden dat de geheimplicht verdwijnt maar wel dat de arts goede redenen kan hebben om het geheim op te heffen binnen de perken nodig voor zijn verdediging, dit wil zeggen op evenredige en relevante wijze.

3. Het vertrouwen van de patiënt is fundamenteel voor de ontwikkeling van de technologische hulpmiddelen. Deze bieden, door de gegevensuitwisseling en -inzage die ze mogelijk maken, voordelen op het vlak van de kwaliteit en continuïteit van de zorg maar ook op het vlak van ondersteuning bij de uitoefening van het beroep.

Het is aan de artsen dit vertrouwen niet te ondermijnen, noch dat van de confraters die de gegevens die ze verzamelden delen, door rekening te houden met de principes betreffende het medisch geheim en de verwerking van persoonsgegevens.

Tot slot vestigt de nationale raad de aandacht van de artsen op de regels waaraan de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, die in werking treedt op 1 juli 2021, de toegang tot de gezondheidsgegevens onderwerpt[11].


[1] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

[2] Art. 4, 7), art. 5.2. en art. 24, AVG

[3] Bijlage N1, Bijlage A, III. Organisatorische normen, 9°quater, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd

[4] Art. 9, 1°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens en art. 32. 4 AVG

[5] Art. 30, AVG

[6] Art. 13, AVG

[7] Art. 9.2, f), AVG

[8] Art. 13, AVG

[9] Art. 5.1, a), b) en c), AVG

[10] Art. 458, Strafwetboek

[11] Art. 36 tot 40 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

COVID-1923/01/2021 Documentcode: a168002
Deontologische aspecten aangaande het vaccinatieprogramma tegen COVID-19

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht in zijn vergadering van 23 januari 2021 de deontologische aspecten aangaande het vaccinatieprogramma tegen COVID-19.

Sinds de lente van 2020 is ons land zoals de gehele wereld in de ban van de COVID-19 pandemie. Het virus eiste in België tot heden een dodentol van meer dan twintigduizend mensen en is verantwoordelijk voor ernstige en blijvende orgaanschade bij duizenden andere patiënten.

Het virus heeft zwaar ingehakt op de algemene volksgezondheid. Door de enorme toeloop aan acute en ernstige zieken kwam de opnamecapaciteit in ziekenhuizen onder enorme druk en door plaatsgebrek diende niet-dringende zorg uitgesteld te worden. Alle zorgverstrekkers zijn fysiek en psychisch zwaar op de proef gesteld.

Allerlei ingrepen van de overheid om de virusverspreiding in te perken, gaande van de promotie van algemene hygiënemaatregelen tot het opleggen van ingrijpende isolatiemaatregelen, hebben het aantal besmette personen tijdelijk kunnen terugdringen doch zijn ontoereikend om het virus definitief in de kiem te smoren. Dit doel kan alleen bereikt worden door een algemene vaccinatiecampagne. Zolang de beschermingsgraad door vaccinatie bij de bevolking onvoldoende zal zijn, kan niet overgaan worden naar de hervatting van het normale leven en blijven we in een status wat we het “nieuwe normaal” zijn gaan noemen.

Actueel zijn er twee vaccins op de Belgische markt beschikbaar na goedkeuring van het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA). De overheid is inmiddels gestart met een grootschalige vaccinatiecampagne in woonzorgcentra en in de ziekenhuizen. Enkele andere vaccins wachten nog op goedkeuring.

Vaccinatie tegen COVID-19 is in België niet wettelijk verplicht. Dit betekent dat de bevolking een vrije keuze kan maken om al dan niet deel te nemen aan het gratis aangeboden vaccinatieprogramma. Recente gezondheidsenquêtes tonen aan dat de bereidheid bij de bevolking om zich te laten vaccineren gestaag toeneemt van 56% tot 77%[1], [2], [3]. Motivatie op basis van solidariteit blijkt een sterke voorspeller van de bereidheid om zich te laten vaccineren. Tegenstanders van vaccinatie werpen een gebrek op aan vertrouwen in het vaccin. Respondenten geven aan dat de huisarts, gevolgd door de apotheker of een wetenschappelijk expert, het best geplaatst is om mensen te overtuigen om zich te laten vaccineren. Cijfers uit januari 2021 tonen aan dat 91% van het artsenkorps bereid is zich te laten vaccineren en dat 97% het vaccin aan hun patiënten zal aanraden[4].

De slaagkans van dit vaccinatieprogramma en het behalen van de vooropgestelde beschermingsgraad van 70% waarbij groepsimmuniteit optreedt, is sterk afhankelijk van het (blijvende) vertrouwen van de bevolking en het artsenkorps in de aangeboden vaccins. Dit zal voornamelijk afhangen van een transparante communicatie vanwege de overheid, de wetenschappelijke ondersteuning door gezaghoudende instanties (zoals de Hoge Gezondheidsraad en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België) en de manier waarop artsen in hun verschillende functies invulling geven aan hun rol als medicus, communicator, health advocate en expert.

Artsen-wetenschappers betrokken bij het vaccinatieprogramma hebben een belangrijke rol te vervullen door op een onafhankelijke manier op basis van de bestaande literatuur de veiligheid en de efficiëntie na te gaan en deze blijven te bewaken gedurende de gehele vaccinatiecampagne.

Artsen met medische praktijkvoering moeten op basis van de gezondheidstoestand (allergieën, immuunstatus, e.a.) nagaan of de patiënt in aanmerking komt voor vaccinatie. De arts dient de patiënt correct te informeren waarna deze (of zijn vertegenwoordiger) vrij kan toestemmen. Op basis van het sterke vertrouwen dat patiënten in hun behandelende arts stellen, zal hun beslissing om deel te nemen aan het vaccinatieprogramma sterk afhangen van de manier waarop de arts informatie verschaft en advies verleent. Omwille van de belangrijke gezondheidswinst verbonden aan dit vaccinatieprogramma is het overduidelijk dat een sterke aanbeveling vanwege de arts de enige manier is om aan adequate gezondheidspreventie, -bescherming en -promotie te doen, zoals het artikel 5 van de Code van medische deontologie (CMD 2018) voorschrijft. De Orde der artsen zal waken dat artsen hun deontologische plicht nakomen door een voortrekkersrol op te nemen bij het adviseren en promoten van de vaccinatie.

Artsen hebben daarnaast de deontologische plicht om nauwlettend toe te zien op eventuele bijwerkingen en deze onverwijld te melden bij het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) via de link https://www.fagg.be/nl/melden_van_een_bijwerking_als_gezondheidszorgbeoefenaar.

In het verleden heeft de verstrekking van desinformatie vanwege vaccinsceptici (arts of niet-arts) het vertrouwen in vaccinatie bij de bevolking dermate aangetast dat de vaccinatiegraad afnam en er een heropflakkering van de ziekte optrad. Bijgevolg zal streng opgetreden worden tegen het verspreiden van informatie welke niet met de huidige stand van de wetenschap strookt.

Tot slot verheugt de nationale raad zich over de massale bereidheid tot vaccinatie bij het artsenkorps. Hiermede beschermen artsen zichzelf en blijven ze in staat om - ook in een pandemie - hun sleutelrol in de zorg op te nemen.


[1]https://www.ugent.be/epg/nl/onderzoek/rapport-18-vaccinatiebereidheid

[2]https://www.uantwerpen.be/nl/onderzoeksgroep/mios/pers/vlaming-vertrouwt-op-vaccins-om-situatie-te-verbeteren/

[3]https://www.ugent.be/epg/nl/onderzoek/rapport-20-vignetten

[4] Grote artsen enquête van de Medische Wereld (persbericht 7/1/2021) persbericht_enquete_1000artsen_7_1_2021__1___1_.pdf (rmnet.be)

Telematica23/01/2021 Documentcode: a168001
Deontologische aspecten van het gebruik van big data en artificiële intelligentie voor biomedisch onderzoek

De nationale raad bestudeerde in zijn vergadering van 23 januari 2021 het gebruik van big data en artificiële intelligentie in een (bio)medische context. Dit advies formuleert een antwoord op de vele vragen die de materie oproept bij het artsenkorps en streeft naareen evenwicht tussen het verantwoord gebruik van een gigantische massa aan medische gegevens enerzijds en het faciliteren van wetenschappelijk onderzoek anderzijds. Verantwoord gebruik impliceert dat artsen een risicoanalyse op het vlak van gegevensbescherming[1] maken vooraleer ze onderzoeksplatformen opzetten bestaande uit grote datasets om er technieken van artificiële intelligentie op los te laten. Meer bepaald moeten zij zich bewust blijven tijdens het gehele proces dat de gegevensstromen afkomstig zijn uit medische dossiers die een neerslag zijn van informatie die patiënten aan artsen hebben toevertrouwd.

Inleiding.

De vooruitgang in de ICT (Information Communication Technology) maakt het mogelijk om enorme hoeveelheden aan gegevens te verzamelen, te bewaren en te analyseren. Krachtige processoren met grote rekenkracht in combinatie met grote hoeveelheden data vormen de basisvoorwaarden voor artificiële intelligentie op basis van algoritmen. Het concept waarbij innovatieve technologieën waarde putten uit deze beschikbare data noemt men “Big Data”. Technieken van artificiële intelligentie loslaten op grote gegevensbestanden leveren een schat van informatie en kennis op waardoor men betrouwbare voorspellingen kan maken en hierdoor snelle en accurate beslissingen kan nemen. In de zorg maakt artificiële intelligentie het voor artsen mogelijk om precisiegeneeskunde af te leveren op maat van de patiënt. Nu reeds, bij wijze van voorbeeld, levert het gebruik van artificiële intelligentie in de medische beeldvorming een enorme tijds- en kwaliteitswinst op.

Zoals elke vernieuwing in de geneeskunde, roept deze digitale revolutie vragen op over het gebruik van big data als basisingrediënt voor artificiële intelligentie in de zorg en het biomedisch onderzoek. Ongetwijfeld zal artificiële intelligentie en het gebruik van big data een impact hebben op de rechten en vrijheden van de burger, niet in het minst op de bescherming van de persoonlijk levenssfeer. Het (her)gebruik van medische gegevens onder de vorm van big data creëert een spanningsveld met privacy- en dataprotectiebeginselen[2]. In dit advies herinnert de nationale raad aan de deontologische beginselen van de verwerking van patiëntengegevens en benadrukt hij het belang van patiëntenparticipatie bij de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe technieken.

  1. Algemene beginselen

In het algemeen kan men stellen dat nieuwe technieken in de geneeskunde pas gebruikt kunnen worden als ze een maatschappelijke meerwaarde hebben, voldoende veilig, ontwikkeld zijn met respect voor het primaat van de mens en toegankelijk zijn voor iedereen. Transparantie en het betrekken van het publiek bij het uitwerken en implementeren van deze nieuwe technieken zijn essentieel voor het scheppen van een sfeer van vertrouwen en het bekomen van een duurzaam engagement.

Het gebruik van big data en artificiële intelligentie in het bijzonder moet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en ethische principes. Bovendien moeten deze toepassingen aan essentiële vereisten voldoen om als betrouwbaar te kunnen worden beschouwd: invloed en toezicht door mensen; technische robuustheid en veiligheid; privacy en datagovernance; transparantie; diversiteit, non-discriminatie en billijkheid; maatschappelijk en ecologisch welzijn; verantwoordingsplicht[3].

  1. Spanningsveld wetenschappelijk onderzoek en privacyregels.

Het belang van wetenschappelijk onderzoek is onontbeerlijk voor de vooruitgang van de biomedische wetenschap. Evenwel moet dit gebeuren conform de wet inzake experimenten op de menselijke persoon, de wetgeving op medische hulpmiddelen en met bijzondere aandacht voor de persoonlijke levenssfeer onder het toezicht van het ethisch comité en de Data Protection Officer (DPO). De wetgever voorzag in de wetgeving die de ontwikkeling van AI-toepassingen in de zorg reguleert in een belangrijke rol voor de ethische commissies. Net zoals bij de start van een ander wetenschappelijk onderzoek, moeten zij bij een wetenschappelijk onderzoek met een AI-toepassing, wat een medisch hulpmiddel kan zijn, een grondige ethische en juridische toetsing doen, met inbegrip van de principes van gegevensbescherming[4].

De Algemene Verordening Gegevensbescherming laat het hergebruik van gezondheidsgegevens toe zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene onder strikte voorwaarden: het wetenschappelijk onderzoek moet een publiek belang hebben, de patiënten moeten voorafgaandelijk geïnformeerd worden, technische en organisatorische maatregelen moeten voorkomen dat identificeerbare patiëntengegevens ontbloot worden. Een minimale gegevenswerking door technieken van anonimisering of pseudonimisering moet voorzien worden. Hierbij wordt een trusted third party (ook derde vertrouwenspersoon genoemd) ingeschakeld om het proces nog meer betrouwbaar te maken. Onder hogergenoemde voorwaarden is het toegelaten om gegevens te hergebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. In bepaalde gevallen kan de patiënt bezwaar aantekenen tegen het gebruik van de gegevens voor onderzoek[5]. Bovendien zijn, bij overdracht van persoonsgegevens naar andere entiteiten bindende overeenkomsten noodzakelijk in de onderscheidenlijke stappen van gegevensoverdracht.

De hogergenoemde strikt juridische benadering spoort niet met het concept van patiëntenparticipatie dat heden ten dage de basis vormt van een adequate arts-patiëntrelatie. Ook voorzien deontologische principes in de betrokkenheid en de inspraak van de patiënt en dit zonder afbreuk te doen aan de ontwikkeling van artificiële intelligentie en het big data-gebeuren.

Een evenwichtige stapsgewijze benadering:

  1. De overdracht van gegevens uit patiëntendossiers naar een onderzoeksplatform:

Het is de taak van artsen om bij de gegevensoverdracht vanuit medische dossiers naar een onderzoekplatform patiënten voldoende en in een begrijpelijke taal te informeren alvorens zij hierin kunnen toestemmen of bezwaar aantekenen. Dit proces dient ondersteund te worden door algemene informatiecampagnes die enerzijds de patiënt informeren over het gebruik van big data en artificiële intelligentie in het belang van wetenschappelijk onderzoek en anderzijds de ingebouwde controlemechanismen belichten. Naast algemene informatieverstrekking versterken specifieke inlichtingen omtrent onderzoeksinitiatieven op lokaal vlak (bv. door affichering in de wachtzaal) het transparantiebeginsel en ondersteunen zij de betrokkenheid van de patiënt.

Het voorafgaandelijk informeren omtrent de finaliteit van het onderzoek is mogelijk bij klassiek hypothese-gedreven onderzoeksmethoden. In het geval van artificiële intelligentie daarentegen is een gedetailleerde informatieverschaffing niet altijd mogelijk omdat gebruik wordt gemaakt van data-gedreven methodes waarbij het systeem op auto-adaptieve wijze data gaat onderzoeken (datamining). Deze visie wordt gevolgd in Considerans 33 van de AVG[6] :“Het is vaak niet mogelijk op het ogenblik waarop de persoonsgegevens worden verzameld, het doel van de gegevensverwerking voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden volledig te omschrijven (…)”. De toestemming op basis van het “broad consent”-principe dient onvermijdelijk gekoppeld te worden aan de oprichting van een “beheersstructuur” (cfr. infra onder punt b).

  1. Medische gegevens op een onderzoeksplatform ter beschikking stellen van wetenschappelijk onderzoek

Eens medische gegevens in geanonimiseerde of gepseudonimiseerde vorm op het onderzoeksplatform geplaatst zijn, moeten deze volgens de vigerende privacyregels beveiligd worden, die opgevolgd worden door de Data Protection Officer (DPO).

Specifiek bij het gebruik van artificiële intelligentie op basis van big data dient een beheersstructuur (“governance structure”) voorzien te worden om controle uit te oefenen op de nieuwe uitdagingen eigen aan de techniek.[7] De governance structuur moet ervoor zorgen dat de ethische principes van integriteit, solidariteit en verantwoording bij gegevensdeling in acht worden genomen en het onderzoek het karakter van een publiek belang behoudt. Aansturing en toezicht op het gebruik van de data vinden plaats in deze beheerstructuur, die naast stakeholders uit de gezondheidszorg ook een patiëntenvertegenwoordiging dient te bevatten. Gelet op de rol van de ethische commissies in de advisering bij de start van wetenschappelijk onderzoek is een nauwe samenwerking met deze instanties onontbeerlijk.

  1. Besluit

In dit advies belicht de nationale raad de rol van de arts bij het gebruik van big data en artificiële intelligentie. Hij herhaalt dat medische gegevens die de bron vormen van deze big data verkregen zijn binnen de arts-patiëntrelatie, die een vertrouwensrelatie bij uitstek is. Aan dit vertrouwen moet in de opeenvolgende stappen van verwerking voldoende aandacht geschonken worden door een heldere informatieverschaffing en het voorzien in een patiëntenparticipatie. De concepten “broad consent“ en “governance structure” onderstrepen niet alleen de deontologische beginselen van transparantie en betrokkenheid van patiënten, maar zorgen voor een duurzaam evenwicht tussen het respect voor de persoonlijke levenssfeer en de mogelijkheid om aan wetenschap onderzoek te kunnen doen.


[1]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32016R0679&from=NL#d1e1369-1-1

[2] Raeymaekers, Peter; Balthazar, Tom & Denier, Yvonne (2020), Big data in de gezondheidszorg. Technische, juridische, ethische en privacy-gerelateerde randvoorwaarden voor (her)gebruik van gezondheidsgegevens voor onderzoek. Brussel: Zorgnet-Icuro

[3] Ethische richtsnoeren voor betrouwbare KI: https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/d3988569-0434-11ea-8c1f-01aa75ed71a1

[4]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32017R0745&from=EN#d1e32-167-1

[5] Het recht op bezwaar kan worden beperkt indien het hergebruik van de gegevens noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke werd opgedragen. Dit is de rechtmatigheid van de verwerking, het bepalen van deze gronden is vaak ene juridische kwestie waarvoor best advies ingewonnen wordt van een data protection officer.

[6]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32016R0679

[7]https://www.wma.net/policies-post/wma-declaration-of-taipei-on-ethical-considerations-regarding-health-databases-and-biobanks/

Verkiezingen bij de Orde der artsen12/12/2020 Documentcode: a167042
Orde der artsen - verkiezingen: tijd voor nieuw bloed en een nieuwe uitdaging!

De nationale raad moedigt artsen aan zich kandidaat te stellen voor de ordinale verkiezingen van 2021.

De verkiezingen voor de Orde der artsen zullen in het voorjaar van 2021 voor de derde keer elektronisch plaatsvinden. De financiële winst door de afschaffing van het stemmen met aangetekende brieven is aangewend om het dienstbetoon te optimaliseren en het project "arts in nood" de nodige ondersteuning te geven.

Verkiezingen zijn het ideale moment om stil te staan bij het verleden. De broodnodige hervorming is alsnog niet doorgevoerd. We blijven evenwel aandringen op een grondige hervorming van de meer dan vijftig jaar oude wetgeving.

Ondertussen is de Code van medische deontologie grondig gewijzigd in 2018 en goed onthaald bij alle stakeholders in de gezondheidszorg omwille van innoverende aspecten: aandacht voor de privé-werk-balans, transparantie bij incidenten, autonomie voor artsen bij het opstellen van samenwerkingsverbanden, e.a.

Binnen de geledingen van de orde is een administratieve samensmelting aan de gang om als orgaan beter te kunnen functioneren en u nog beter van dienst te kunnen zijn.

Verkiezingen betekenen ook een nieuwe start nemen met andere mensen en met nieuwe inzichten. We zijn op zoek naar artsen die bereid zijn de positieve deontologie om te zetten in de praktijk. De ideale kandidaat is een vrouw/man met onberispelijke staat van dienst, actief op het werkveld en met interesse in het globale gezondheidsgebeuren. Van de kandidaat wordt verwacht zich hiervoor enkele uren per maand vrij te maken en dit tegen een billijke vergoeding.

Wat mag een kandidaat van de werking van Orde in beweging verwachten? Deel uitmaken van een onafhankelijke, dynamische structuur die invulling geeft aan een "positieve deontologie" gericht op de preventieve en proactieve begeleiding van artsen en streeft naar transparantie, toegankelijkheid en dienstbetoon.

Op provinciaal vlak bestaat een groot deel van het werk van de raadsleden uit de beoordeling van adviesvragen, klachten en suggesties, die het hele gezondheidslandschap betreffen. De studie om tot pasklare en voor de praktijk werkbare oplossingen te komen is bijzonder leerrijk en verhelderend. Door collegiaal te zoeken naar antwoorden die in de eerste plaats het belang van de patiënt nastreven, verwerven de raadsleden een unieke expertise op deontologisch vlak, die hen niet alleen van nut zal zijn bij de uitoefening van hun vak, maar vooral hun bijdrage en inbreng in allerlei raden en professionele kringen zal versterken.

Redenen genoeg voor leergierige artsen die uit zijn op een nieuwe uitdaging in hun carrière, om zich kandidaat te stellen. Meer informatie kan u krijgen bij de voorzitters van de provinciale raden of bij ondergetekenden.

Een organisatie is zo sterk als de sterkte van iedere afzonderlijke schakel.

Op u komt het aan!

Prof. Dr. Michel Deneyer Prof. Dr. Philippe Boxho

Ondervoorzitters van de Nationale raad


Beroepsgeheim12/12/2020 Documentcode: a167041
Uitbrengen van advies door de zorgpsychiater van de gevangenisinstelling over de verantwoordelijkheid van de geïnterneerde in de context van een tuchtprocedure

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht in zijn vergadering van 12 december 2020 de vraag of de arts-psychiater die instaat voor de behandeling van geïnterneerden in een gevangenisinstelling mag oordelen over de verantwoordelijkheid van een geïnterneerde in de context van een tuchtprocedure.

In principe is de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden van toepassing op alle gedetineerden, inclusief de geïnterneerden. Dit betekent dat het tuchtregime in de gevangenisinstellingen zoals bepaald door titel VII van voornoemde wet ook van toepassing is op geïnterneerden.

In de rechtsleer en de rechtspraak heeft men zich al geregeld de vraag gesteld of het opleggen van een tuchtsanctie aan een geïnterneerde gerechtvaardigd is.(1) De vraag stelt zich in hoeverre een geïnterneerde verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden en of de tuchtrechtelijke inbreuk aan hem toerekenbaar is.

Het is een gunstige evolutie dat de gevangenisinstellingen rekening trachten te houden met de vraag van verantwoordelijkheid van een geïnterneerde voor de gepleegde tuchtrechtelijke inbreuk. Het is dan ook onontbeerlijk dat een arts-psychiater wordt betrokken bij het oordeel over de toerekeningsvatbaarheid van de betrokken geïnterneerde.

Het is evenwel van belang dat de arts-psychiater, aan wie wordt gevraagd of de geïnterneerde verantwoordelijk kan worden gehouden of niet, zijn oordeel op een onafhankelijke, onpartijdige, zorgvuldige en integere manier kan vormen. Deze opdracht toekennen aan de (behandelende) zorgpsychiater van de geïnterneerde, zou de principes van onafhankelijkheid en de onpartijdigheid in het gedrang kunnen brengen. Het is dienvolgens aangewezen dat deze opdracht wordt toegekend aan een externe arts-psychiater.

Los van voornoemde deontologische principes, is de zorgpsychiater gehouden tot het beroepsgeheim. Het toevoegen van elementen uit het medisch dossier van de geïnterneerde aan diens tuchtdossier, betekent een inbreuk op het beroepsgeheim. Daarnaast kan het deelnemen aan het oordeel van toerekeningsvatbaarheid de opgebouwde vertrouwensrelatie tussen de zorgpsychiater en de geïnterneerde ontwrichten.

Tenslotte dient te worden gewezen op het recht op psychiatrische zorg en therapie van de geïnterneerde, dat meermaals werd bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit fundamenteel recht op zorg komt mogelijks in het gedrang wanneer de medische gegevens, verzameld in de context van de zorgrelatie, worden gebruikt om de geïnterneerde tuchtrechtelijk te sanctioneren. Dit zou als gevolg kunnen hebben dat de geïnterneerde geen beroep meer doet op de zorgpsychiater of niet meer vrijuit kan spreken, uit angst voor latere represailles in een tuchtprocedure.

De gevangenisinstelling kan tegemoet komen aan voornoemde problematieken door een beroep te doen op een onafhankelijk expert ter bepaling van de toerekeningsvatbaarheid van de geïnterneerde in de context van een tuchtprocedure, en niet op de zorgpsychiater van de gevangenisinstelling zelf.



(1) O. Nederlandt en O. Michiels, "Le régime disciplinaire appliqué aux internés: irresponsables au pénal, responsables au disciplinaire?", Journal des Tribunaux 2016, 561-570.


Beroepsgeheim12/12/2020 Documentcode: a167039
Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen

Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen - algemene beginselen

Inhoud

1. Inleiding

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

2.2. De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis - patiënt als dader of slachtoffer

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

2.9. Vermiste personen

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend karakter" van de verdwijning

2.9.2. Opsporing van de patiënt

2.9.3. Ten behoeve van het opstellen van een ante-mortem dossier

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

2.11.1. De getuigenis in rechte

2.11.2. casusoverleg

2.11.3. Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

2.11.3.3. Specifieke toepassing: gerechtelijke bloedafname indien het slachtoffer mogelijk besmet is met een ernstige ziekte ter gelegenheid van een strafbaar feit

2.11.3.4. DNA-onderzoek

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

3. Besluit

1. Inleiding

Binnen de context van het ziekenhuisgebeuren, hebben artsen en ziekenhuisinstellingen een andere finaliteit dan politiediensten en parketten. Waar eerstgenoemden tot doel hebben kwaliteitsvolle zorg te verstrekken aan iedere patiënt die zich aanbiedt op de ziekenhuisdienst, hebben laatstgenoemden de taak de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en objectieve vaststellingen te doen om naderhand de waarheidsvinding van de rechter te faciliteren.

Toch komen beiden geregeld met elkaar in aanraking en dwingt de situatie hen om samen te werken, niettegenstaande hun vaak tegenstrijdige doelen en normen. Zo is de arts gehouden tot het beroepsgeheim, terwijl de politie, in de context van een onderzoek, net zo veel mogelijk informatie van een potentiële dader of een slachtoffer poogt te verzamelen. Ook andere fundamentele rechten, zoals het recht op zorg en het recht van verdediging, blijven van toepassing.

Het voorziene wettelijke kader is soms onvoldoende gekend, zowel bij de artsen als de politiediensten, of schept niet genoeg duidelijkheid over hoe beide actoren in een specifieke situatie moeten handelen. In sommige regio's(1) hebben de ziekenhuizen, de politie en het openbaar ministerie een samenwerkingsprotocol opgesteld, dat een aantal afspraken vastlegt over hoe de interactie tussen hen moet verlopen met het oog op maximale efficiëntie en effectiviteit van beide diensten.

Dergelijke samenwerkingsprotocollen bevorderen een vlotte samenwerking tussen de verschillende actoren op het terrein en bieden een antwoord op een aantal specifieke situaties. Het risico bestaat er evenwel in dat iedere regio andere afspraken maakt of dat afspraken worden gemaakt die tegenstrijdig zijn met de bestaande wetgeving of de medische deontologie.

Om dit te voorkomen, geeft de nationale raad in volgend advies een overzicht van welke deontologische beginselen de arts in acht moet nemen in een bijzondere situatie, met respect voor het recht op privacy, het beroepsgeheim, de toegang tot de zorg, de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de menselijke waardigheid en de autonomie van de patiënt.

2. Bijzondere situaties

2.1. De patiënt pleegt een strafbaar feit in het ziekenhuis

Indien een patiënt zich schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens een andere patiënt, een arts, het ziekenhuispersoneel of het ziekenhuis, mag de arts hiervan aangifte doen bij de politie. Het kan bijvoorbeeld gaan om bedreigingen tegenover de arts, fysiek geweld ten aanzien van medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten, vernielingen aan de praktijkruimte, in het bezit zijn van gevaarlijke wapens(2), e.a.

De arts geeft aan de politie de naam van de dader en de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan. De medische gegevens van de dader worden niet vrijgegeven.

De politie die ter plaatse komt, wordt toegelaten tot de ruimte, waar de patiënt zich bevindt en waar de feiten zich hebben voorgedaan, om de eerste vaststellingen te kunnen doen.

2.2. De arts neemt kennis van een strafbaar feit buiten het ziekenhuis – patiënt als dader of slachtoffer

Wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep te weten komt dat de patiënt een strafbaar feit heeft gepleegd, valt dit onder het beroepsgeheim.

Ook wanneer de arts tijdens de uitoefening van zijn beroep verneemt dat de patiënt het slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, valt dit onder het beroepsgeheim en respecteert de arts de keuze van het slachtoffer om geen aangifte te doen bij de politie.

Voor sommige misdrijven gepleegd op een minderjarige of een kwetsbare persoon, bepaalt artikel 458bis van het Strafwetboek dat de arts zijn beroepsgeheim mag doorbreken, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden.(3) Het gaat in het bijzonder om misdrijven die een ernstige inbreuk vormen op de fysieke integriteit van een minderjarige of een kwetsbare persoon, zoals mensenhandel, moord of partnergeweld, of misdrijven van seksuele aard, zoals aanranding van de eerbaarheid of verkrachting van een kind of een gehandicapte persoon.(4)

Indien de arts kennis heeft van een voornoemd misdrijf en van oordeel is dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat dat de dader opnieuw zal toeslaan en hij de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de kwetsbare persoon niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, mag hij het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings.(5)

Naast de wettelijke uitzondering van artikel 458bis van het Strafwetboek, is de arts onderworpen aan artikel 422bis van Strafwetboek, dat een wettelijke hulpverplichting inhoudt aan een persoon die in groot gevaar verkeert. In sommige situaties is het niet evident om beide normen, met name het beroepsgeheim en de wettelijke hulpverplichting, met elkaar te verzoenen.(6) Bij dergelijk conflict van plichten kan de "noodtoestand" van toepassing zijn.

De noodtoestand is een begrip ontwikkeld in de rechtsleer en de rechtspraak, dat impliceert dat, in uitzonderlijke omstandigheden, het overtreden van een strafrechtelijke norm (bijvoorbeeld de schending van het beroepsgeheim) niet zal gestraft worden wanneer deze inbreuk kan worden verantwoord ter bescherming van een ander belang met eenzelfde of een hoger geachte waarde of ter voorkoming van een ander misdrijf (bijvoorbeeld moord). Een schending van het beroepsgeheim kan uitzonderlijk worden verrechtvaardigd indien een ernstig, actueel en zeker gevaar op geen enkele andere manier kan worden afgewend.(7) Of er sprake is van een noodtoestand, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Het is aan de arts om de beide normen of belangen tegenover elkaar af te wegen.(8)

Ten slotte is, overeenkomstig artikel 30 van het Wetboek van strafvordering, iedere persoon die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden.(9)

In de context van de zorgrelatie tussen een arts en een patiënt komt deze algemene aangifteplicht van geweld- en eigendomscriminaliteit in strijd met het beroepsgeheim. Bijgevolg werd in de rechtsleer en de rechtspraak de stelling ontwikkeld dat de in artikel 30 Sv. vervatte aangifteplicht niet geldt voor een feit waarvan een patiënt de dader is geweest van een misdrijf.(10)

Indien een patiënt het slachtoffer is van een misdrijf, dient de algemene aangifteplicht, gelezen in samenhang met de uitzonderingen in artikel 458bis van het Strafwetboek, worden genuanceerd. Het kan nooit de bedoeling zijn om aangifte te doen van een misdrijf wanneer dit ingaat tegen de belangen van de patiënt. Binnen de zorgrelatie zal er slechts aangifte worden gedaan na een weloverwogen afweging van verschillende normen. Bijgevolg is er sprake van een spreekrecht en geen spreekplicht.

2.3. Verdovende middelen op of in het lichaam van de patiënt

De arts die tijdens het onderzoek of de behandeling verdovende middelen aantreft op of in het lichaam van een patiënt, overhandigt deze zo spoedig mogelijk aan de politiediensten, zonder vermelding van de persoons- of medische gegevens van de patiënt, tenzij er sprake is van een uitzondering op het beroepsgeheim (cf. 2.2). Dit wordt gecommuniceerd aan de patiënt en wordt vermeld in het patiëntendossier. Het is van belang dat de patiënt het vertrouwen in de arts en de zorgverlening behoudt en dat duidelijk wordt uitgelegd aan de patiënt dat de arts geen opsporingsbevoegdheid heeft en de identiteit van de patiënt niet vrij zal geven aan de politiediensten.

De arts mag in deze context rekening houden met het proportionaliteitsbeginsel.

2.4. Patiënt onder politiebegeleiding

Indien de politie van oordeel is dat een door haar begeleide patiënt een bedreiging vormt voor de (fysieke) integriteit van het ziekenhuispersoneel, laat de arts toe dat de politie aanwezig is in de behandelingsruimte of in de onmiddellijke nabijheid.

De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening ernstig hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken zo veilig en kwaliteitsvol mogelijk kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het Strafwetboek.

2.5. Voorrang verlenen aan politie op spoedgevallendiensten

Afhankelijk van de dringendheid van medische zorgen aan de patiënten aanwezig op de spoedafdeling, verleent de arts voorrang aan de patiënt onder politiebegeleiding of aan de politieambtenaar die in de uitoefening van zijn functie zelf gewond is en verzorging nodig heeft.

2.6. Politie betreedt het ziekenhuis

De politie mag de publieke ruimtes, zoals de ontvangsthal, de wachtkamer en de gangen van het ziekenhuis vrij betreden.

De praktijkruimte mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt en de behandelende arts. De behandelende arts zal zich hiertegen slechts verzetten indien het betreden van de ruimte de verzorging ernstig hindert.

De patiëntenkamer mag slechts betreden worden mits toestemming van de patiënt, tenzij bij ontdekking op heterdaad of op bevel van de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering.

2.7. Politie vraagt om inlichtingen over interventies ziekenhuis

De politiediensten die het politioneel onderzoek voeren, trachten zoveel mogelijk informatie te verzamelen, onder meer medische informatie over een vermoedelijke dader of een slachtoffer.

De behandelende arts is gehouden tot de eerbiediging van het beroepsgeheim en mag in principe geen medische informatie doorgeven aan de politiediensten. Dit bemoeilijkt het onderzoek en is naderhand niet bevorderlijk voor de waarheidsvinding van de rechter, in het bijzonder wanneer de politieambtenaar de medische situatie interpreteert op een wijze die niet volledig strookt met de medische werkelijkheid.(11)

Toch primeert de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt en moet de arts zeer voorzichtig omspringen met het doorbreken van het beroepsgeheim. Een te lakse houding ten aanzien van het beroepsgeheim kan grotere risico's met zich meebrengen dan de gevaren of nadelen die eventueel kunnen worden voorkomen.

De patiënt kan evenwel vragende partij zijn om medische informatie mee te delen aan de politiediensten of het parket. De patiënt heeft het recht zelf te beschikken over zijn medische informatie en mag zijn medewerking verlenen aan de politiediensten. In dat geval kan de arts een specifiek medisch attest opstellen, met beperkte medische gegevens(12), dat via de patiënt wordt afgeleverd aan de politie. Het is de taak van de arts om de patiënt te beschermen tegen de overdracht van zijn medische gegevens aan derden en hem in te lichten over de mogelijke gevolgen van het overhandigen van zijn medische gegevens aan de politiediensten.

De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud er van is en of hij het heeft afgeleverd aan de patiënt zelf of rechtstreeks aan de politiediensten, op vraag van de patiënt.

Ten slotte informeert de arts de patiënt over de mogelijkheid een uitgebreid medisch verslag op te stellen. De patiënt kan ervoor opteren dit verslag toe te voegen aan het politioneel dossier, eventueel op een later tijdstip. In dat geval wordt door de arts het verslag onder gesloten omslag gericht aan de eventuele arts-gerechtsdeskundige en met vermelding "medisch geheim" overhandigd aan de politiediensten.

In het geval de patiënt wilsonbekwaam is, is het gebruikelijk dat de arts een medisch attest, met een beperkt aantal medische gegevens, overhandigt aan de vertegenwoordiger van de patiënt of, bij afwezigheid van een vertegenwoordiger, aan de familieleden(13).

Bij afwezigheid van een vertegenwoordiger of familieleden, kan de arts, in het belang van de patiënt, na afweging van het principe van proportionaliteit en indien noodzakelijk, een medisch attest met een beperkt aantal medische gegevens rechtstreeks afleveren aan de politiediensten. Voorbeelden van een dergelijk attest zijn terug te vinden in bijlage 1.

2.8. Verhoor in het ziekenhuis

Indien de politie oordeelt dat het noodzakelijk is de potentiële dader of het slachtoffer te verhoren in het ziekenhuis, verschaft de arts de politie toegang tot de behandelingsruimte of de patiëntenkamer, mits toestemming van de patiënt, en mits de medische situatie van de patiënt dit toelaat.

2.9. Vermiste personen

Wanneer een persoon als vermist wordt opgegeven, heeft de politie tal van redenen om contact op te nemen met de behandelende arts van de vermiste persoon of de naburige ziekenhuizen.

2.9.1. Inschatten van het "onrustwekkend" karakter van de verdwijning

De politie kan genoodzaakt zijn om medische informatie van de vermiste persoon op te vragen om het "onrustwekkend karakter" van de vermissing in te schatten. De behandelende arts van de vermiste persoon mag enkel meedelen aan de politiediensten of de vermissing, gezien de medische situatie van de patiënt, potentieel levensbedreigend is, bijvoorbeeld omdat de patiënt suïcidaal is, er een risico bestaat op desoriëntatie, of omdat de patiënt afhankelijk is van levensnoodzakelijke medicatie.

2.9.2. Opsporing van de patiënt

Op basis van de Ministeriële richtlijn "Opsporing vermiste personen" van 26 april 2014, zullen de politiediensten, in geval van een "onrustwekkende verdwijning", de omliggende ziekenhuizen contacteren.

Om te vermijden dat het opsporingsonderzoek onnodig wordt verdergezet, mag de betrokken arts de politiediensten op de hoogte brengen van het al dan niet aanwezig zijn van de patiënt in het ziekenhuis, zonder de medische gegevens van de patiënt vrij te geven.

Concrete problemen rijzen wanneer de patiënt zijn ziekenhuisopname voor zijn omgeving wil geheimhouden. Enerzijds moet het recht op privacy van de betrokken patiënt gerespecteerd worden, anderzijds moet worden voorkomen dat het opsporingsonderzoek wordt verder gezet. In dat geval is het aangewezen een beroep te doen op een tussenpersoon, bijvoorbeeld de voorzitter van een provinciale raad van de Orde der artsen, of een gedelegeerd raadslid, die de bevoegde parketmagistraat meedeelt dat er geen redenen voorhanden zijn om de verdwijning als "onrustwekkend" te beschouwen.(14)

2.9.3. Voor wat betreft de zoektocht naar delinquenten, maakt de arts een afweging tussen het beroepsgeheim en het algemeen belang. Ten behoeve van het opstellen van een ante mortem-dossier

Het Disaster Victim Identification (DVI) van de Federale Politie heeft onder meer de taak om de overleden slachtoffers te identificeren op basis van een vergelijking tussen het ante mortem-dossier en het post mortem-dossier.(15)

Ter voorbereiding van een identificatie van een potentieel slachtoffer, kan, in opdracht van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter een arts-gerechtsdeskundige worden aangesteld, voor het opmaken van een ante mortem-dossier. In dat geval zal de behandelende arts het patiëntendossier van de vermiste persoon overhandigen aan de politiediensten, onder gesloten omslag, gericht aan de arts-gerechtsdeskundige, met als opschrift "medisch geheim". De arts-gerechtsdeskundige zal oordelen welke gegevens uit het patiëntendossier nodig zijn voor het opstellen van het ante mortem-dossier.

De inzage van het patiëntendossier door de politiediensten met het oog op het opstellen van een ante mortem-dossier, houdt een schending in van het beroepsgeheim.

2.10. Medisch attest in verband met geschiktheid tot opsluiting

De situatie kan zich voordoen dat een persoon gewond raakt tijdens het plegen van een crimineel feit. Wanneer de politiediensten een gewonde persoon arresteren, zal deze in eerste instantie worden overgebracht naar het ziekenhuis voor verzorging. In het geval de politiediensten over gaan tot een vrijheidsberoving, wordt bij gelegenheid aan de behandelende arts gevraagd of de medische situatie van de patiënt het wel toelaat om de patiënt op te sluiten of te verhoren.

Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren dat bepaalt dat de medische situatie van de patiënt het toelaat deze laatste te verhoren of op te sluiten. De behandelende arts heeft immers niet de taak om op te treden als arts-gerechtsdeskundige. De behandelende arts heeft enkel de taak om verzorging te verlenen en kan, via de patiënt, een attest afleveren aan de politiediensten met een beperkt aantal medische gegevens (cf. supra).(16)

2.11. Wettelijke middelen ter ondersteuning van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek

Het beroepsgeheim is niet absoluut. De wet voorziet in een aantal uitzonderingen die de arts toelaten te spreken (cfr. 2.2.).

Daarnaast hebben de procureur des Konings en de onderzoekrechter wettelijke middelen ter beschikking voor het voeren van een efficiënt en waarheidsgetrouw onderzoek.

2.11.1.De getuigenis in rechte

De arts kan opgeroepen worden om een getuigenis af te leggen voor de onderzoeksrechter of voor een parlementaire onderzoekscommissie.(17)

De arts heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.(18)

Deze wettelijke uitzondering laat evenwel niet toe een getuigenis af te leggen voor de politiediensten of het parket.

2.11.2.Casusoverleg

Artikel 458ter van het Strafwetboek biedt mogelijkheden om tussen diverse dragers van het beroepsgeheim een zogenaamd casusoverleg te organiseren en tot een interdisciplinaire samenwerking te komen, met het oog op de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van een persoon of van derden, of ter voorkoming van terroristische misdrijven of van misdrijven in het raam van een criminele organisatie zoals bepaald in artikel 324bis van het Strafwetboek.

Het overleg wordt georganiseerd bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie, of bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings.(19)

De arts die gevraagd wordt deel te nemen aan het overleg heeft een spreekrecht, geen spreekplicht.

2.11.3.Aanstellen van een arts-gerechtsdeskundige tijdens het onderzoek - afname bloed of speeksel in het kader van opsporen intoxicatie (alcohol, drugs) of ter bepaling van een DNA-profiel

2.11.3.1. Algemeen

De procureur des Konings of de onderzoeksrechter kan tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek een arts-gerechtsdeskundige aanstellen om de medische toestand van de potentiële dader of het slachtoffer te onderzoeken.(20)

De arts die als arts-gerechtsdeskundige verslag uitbrengt over de gezondheidstoestand van een persoon, binnen de grenzen van zijn opdracht, schendt het beroepsgeheim niet.

De behandelende arts dient de nodige informatie ter beschikking te stellen aan de arts-gerechtsdeskundige.

De opdrachten als arts-gerechtsdeskundige zijn evenwel onverenigbaar met deze van behandelende arts.(21)

2.11.3.2. Gerechtelijke bloedafname

De arts die op vordering van de bevoegde overheid een gerechtelijke bloedafname uitvoert en een bijhorend verslag opstelt, maakt zich niet schuldig aan een schending van het beroepsgeheim. Indien enkel de behandelende arts kan worden gevorderd, neemt hij het gerechtelijk bloedstaal af zonder informatie te verschaffen over de eventuele tekens van intoxicatie of andere medische gegevens.

De arts is verplicht de gevorderde handelingen te stellen en kan zich hiervan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra-indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke de betrokkene aanvoert om zich eraan te onttrekken, als gegrond erkent.(22)

De resultaten van de bloedproef en het bijhorende verslag kunnen onder gesloten omslag worden meegegeven aan de politiediensten, die deze aan de opvorderende magistraat zullen overhandigen.

De arts mag geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene die weigert zich te onderwerpen aan de afname van een gerechtelijk bloedstaal.

2.11.3.3. Specifieke toepassing: gerechtelijke bloedafname indien het slachtoffer mogelijk besmet is met een ernstige ziekte ter gelegenheid van een strafbaar feit

Als er ernstige aanwijzingen zijn dat een slachtoffer van een misdrijf bij gelegenheid van dat strafbaar feit besmet kan zijn met een ernstige ziekte die voorkomt op een bij koninklijk besluit vastgestelde lijst(23), kan de procureur des Konings de verdachte vragen een bloedstaal te laten afnemen om te onderzoeken of hij drager is van deze ziekte.

In dit geval valt de medische informatie onder het beroepsgeheim en zal het gevorderde referentielaboratorium het resultaat enkel overmaken aan de behandelende arts van het slachtoffer, en de behandelende arts van de verdachte op diens verzoek. De medische gegevens worden niet overgemaakt aan de procureur des Konings.

2.11.3.4. DNA-onderzoek

De arts kan eveneens gevorderd worden voor het afnemen van haar (met wortels), wangslijmvlies of bloed tot het verrichten van een gerechtelijk DNA-onderzoek.(24) De arts is verplicht deze handelingen te stellen en een verslag op te maken.

Ook voor de uitvoering van een DNA-onderzoek mag de arts geen fysiek geweld gebruiken tegen de betrokkene. Indien de betrokkene weigert zich te onderwerpen aan de proeven, wordt dit vermeld in het proces-verbaal.

2.12. Bewakingscamera's plaatsen om misdrijven in het ziekenhuis te voorkomen of vast te stellen

Het maken van beeldopnames in de praktijkruimte of de patiëntenkamer is onaanvaardbaar.(25)

Onder de voorwaarden bepaald in de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, kunnen camera's geplaatst worden in ruimten toegankelijk voor het publiek (inkomhal, gangen van het ziekenhuis, enz.), teneinde de veiligheid voor artsen en patiënten in ziekenhuizen te garanderen en bewijzen te verzamelen van een misdrijf. Het beeldmateriaal van het misdrijf kan worden overhandigd aan de politiediensten.

3. Besluit

De samenwerking tussen de arts, het ziekenhuis, de politionele diensten en het openbaar ministerie moet gepaard gaan met respect voor de deontologische beginselen eigen aan ieders beroep. Het is de taak van de arts zich te informeren over de wettelijke bepalingen en de principes van medische deontologie alvorens medische informatie over te dragen aan de gerechtelijke overheid en de politie.

Het is de deontologische plicht van de arts om bij vordering door een magistraat zijn taak als arts-gerechtsdeskundige eerlijk en nauwgezet te vervullen. Een goede communicatie en duidelijke afspraken tussen beide actoren zijn bevorderend voor de goede werking van het justitieel apparaat en de zorgsector.

De deontologische principes in dit advies zijn van toepassing op alle artsen. Daarnaast werkt de nationale raad aan een advies betreffende de samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de huisartsen.

Voor deontologisch advies in concrete situaties kunnen artsen steeds terecht bij hun provinciale raad.

Bijlage 1

Bijlage 2

Bronnen

Wetgeving

- Artt. 422bis, 458, 458bis, 458ter, Strafwetboek

- Artt. 30, 43, 44, 56, Wetboek van Strafvordering

- Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

- Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's

- Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)

Koninklijk Besluit van 16 maart 1968, tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het Wegverkeer

Documentatie

- Code van medische deontologie, versie 2018

- Handboek Gezondheidsrecht Volume II, T. Vansweevelt en F. Dewallens

- Omgaan met beroepsgeheim, B. Hubeau, J. Mertens, J. Put, R. Roose, K. Stas, F. Vander Laenen

- Beroepsgeheim en hulpverlening, I. Van der Straete, J. Put

- Forensische geneeskunde, W. Van de Voorde

- Beroepsgeheim en Politie/Justitie, KNMG

- Samenwerkingsprotocol tussen de Limburgse algemene ziekenhuizen -Limburgse politiediensten - Parket Limburg

- Samenwerkingsprotocol tussen de functies gespecialiseerde spoedgevallenzorg en de lokale politie Antwerpen

- Samenwerkingsprotocol politiezones-huisartsen tussen de lokale huisartsenkring en artsenkring Zennevallei

- Protocolakkoord-organisatie en afspraken wachtdienstregeling artsen gedwongen opnames voor meerderjarigen-Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen-afdeling Dendermonde

Adviezen nationale raad Orde der artsen

- Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk, advies NR van 21 september 2019, a166010

- Drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen, advies NR van 19 maart 2005, a108007

- Opname in een psychiatrisch ziekenhuis-mededeling aan politie of procureur des Konings, advies NR 24 april 1999, a085004

- Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie, advies NR van 20 april 2013, a141014-R

- Begrip ‘ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid' voor het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen - artikel 399 van het Strafwetboek, advies NR 6 mei 2017, a157009

- Medisch geheim en justitie, advies NR 30 september 2013, a144011



(1) Bijvoorbeeld in Antwerpen en Limburg

(2) Zie ook advies nationale raad Orde der artsen, "drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen", 19 maart 2005, a108007

(3) Dit geldt zowel voor de situatie waarbij de patiënt de dader is, als voor de situatie waarbij de patiënt het slachtoffer is.

(4) Artikel 458bis, Strafwetboek

(5) Ibid.

(6) Bijvoorbeeld: een patiënt wil uit het leven stappen en vertrouwt de arts toe dat hij bij thuiskomst eerst zijn echtgenote van het leven zal beroven. De arts is enerzijds gehouden tot het beroepsgeheim, anderzijds is hij verplicht een persoon in groot gevaar te helpen (t.t.z. de patiënt en de echtgenote). De arts kan oordelen dat de wettelijke hulpverplichting doorweegt op het beroepsgeheim en derden op de hoogte brengen (bijvoorbeeld de politiediensten).

(7) Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de patiënt de arts toevertrouwt dat hij van plan is een andere persoon van het leven te beroven.

(8) Bij conflict zal het uiteindelijk de rechter zijn die oordeelt of er sprake is van een noodtoestand.

(9) Art. 30 Wetboek van Strafvordering

(10) Het is evenwel niet uitgesloten dat de bekendmaking van de feiten dan wordt gerechtvaardigd door een beroep te doen op de noodtoestand, bijvoorbeeld wanneer de patiënt de arts, andere medewerkers van het ziekenhuis of andere patiënten ernstig bedreigt of het ziekenhuis vernielt (cf. 2.1.). De arts van de patiënt-dader, die soms de enige getuige zal zijn van het misdrijf, kan de politiediensten oproepen om de veiligheid van collega's en andere patiënten in het ziekenhuis te waarborgen. De arts zal in dergelijke situatie evenwel geen medische informatie van de patiënt doorgeven aan de politiediensten.

(11) Bijvoorbeeld de identificatie van het type letsel.

(12) In dit attest worden opgenomen: naam en voornaam patiënt, geboortedatum, adres, datum van verzorging, naam van het ziekenhuis, algemene beschrijving van de letsels, raming van de ernst, raming van de voorziene duur van arbeidsongeschiktheid

(13) De echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de feitelijk samenwonende partner, de kinderen, de ouders, de zussen of de broers.

(14) Advies nationale raad Orde der artsen, "Opname in een psychiatrisch ziekenhuis - Mededeling aan politie of procureur des Konings", 24 april 1999, a085004

(15) Interpol standing committee on DVI - Resolution AGN/65/res/13; Koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de Civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari betreffende de nood- en interventieplannen; Koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie

(16) Zie ook advies van de nationale raad Orde der artsen, "Afleveren van een attest voor een opsluiting bij de politie", 20 april 2013, a141014-R

(17) Art. 458 Strafwetboek

(18) Art. 28 Code van medische deontologie

(19) Art. 458ter Strafwetboek

(20) Art. 43, 44 en 56 Wetboek van strafvordering

(21) Art. 43 Code van medische deontologie

(22) Koninklijk Besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

(23) Koninklijk besluit van 17 mei 2018 houdende vaststelling van de besmettelijke ziekten voor dewelke de procedure bedoeld in ‘Hoofdstuk IX - Onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit', van boek II, titel IV, van het Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast en tot vaststelling van de laboratoria aan dewelke deze onderzoeken kunnen worden opgedragen

(24) Art. 44ter e.v. Wetboek van strafvordering

(25) Advies nationale raad Orde der artsen, "Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk", 21 september 2019, a166010

COVID-1926/11/2020 Documentcode: a167038
Steun aan de artsen van de eerste lijn

Persbericht

Het COVID-19 virus weegt zwaar op alle zorgverstrekkers, niet in het minst op de huisarts.

De tweede golf van de pandemie hakt zwaar in op het artsenkorps. Er was nauwelijks tijd om te herstellen van de eerste golf en het verwerken van de werkoverlast veroorzaakt door de uitgestelde zorg.

Vele collega's zijn erg ziek geworden. Enkele hebben de strijd tegen het verschrikkelijke virus verloren en hun leven geofferd voor de zieke medemens.

De bijdrage van huisartsen in de bestrijding van de COVID-19 pandemie is niet te onderschatten. Dit gegeven wordt onvoldoende belicht in de media omdat het gewone werk in de huisartsgeneeskunde weinig spectactulaire taferelen oplevert.

Nu de winterkwalen de werkbelasting van de eerstelijnsartsen nog zal opdrijven wordt van hen verwacht dat ze onvermoeibaar hun plicht blijven vervullen tegenover hun patiënten. Zij zullen dit ongetwijfeld doen!

Zij verdienen alle aandacht, steun en bescherming omdat hun taak primordiaal is om de gezondheidscrisis het hoofd te kunnen bieden en onze bevolking te kunnen blijven verzorgen.

Huisartsen kennen de noden van het terrein als geen ander en deze kennis is absoluut belangrijk bij de besluitvorming. De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid houdt terdege rekening met de bezorgdheden van de huisartsen en zal dit gedurende de gehele crisis moeten blijven doen.

Er dienen doeltreffende maatregelen te worden genomen om de uitoefening van hun beroep te vergemakkelijken. De administratieve takenlast moet drastisch verminderen om tijd te maken voor een kwalitatieve zorg, hetgeen de eerste en fundamentele opdracht is van artsen.

Als er onvoldoende aandacht geschonken wordt aan het welzijn van artsen zullen op korte termijn meerdere collega's in een burn-out terechtkomen.

De huisartsen moeten ontlast worden van het opstellen van "nutteloze" getuigschriften. De overheid dient de omstandigheden waarin een medisch getuigschrift geëist kan worden van de behandelende arts te verduidelijken en in te perken.

De rol van de schoolarts en van de arbeidsarts bij het afleveren van quarantaine-attesten moet verder uitgebreid worden, zeker wanneer het contact met een COVID-19-geval in school- of beroepsverband gebeurde.

De strategieën voor het testen en opvolgen van patiënten zonder symptomen moeten geherdefinieerd en verfijnd worden. Hierbij moet het impact op de praktijkvoering van de huisartsen in rekening genomen worden.

Gezondheidswerkers maken er op basis van hun beroepsethiek een erezaak van zich te blijven inzetten in het belang van de volksgezondheid ondanks de risico's voor hun gezondheid en die van hun naasten. De vele problemen op persoonlijk en familiaal vlak die deze inzet met zich meebrengt worden als vanzelfsprekend beschouwd. De maatschappij is hen alle repect verschuldigd en is verplicht ook hun familie in sociaal opzicht alle steun te betuigen. Een vriendelijk woord van dank, een gemeende aanmoediging en een gebaar van respect zou wat kleur kunnen brengen in deze sombere tijden.

COVID-1902/11/2020 Documentcode: a167037
Nood aan een efficiënte aanpak onder leiding van de hoofdarts om in een ziekenhuis de dreigende schaarste aan middelen door de COVID-19-pandemie op te vangen

PERSBERICHT

Dit advies is uitgebracht op een ogenblik dat de coronacijfers een hoogtepunt bereiken zodat de capaciteit aan ziekenhuisbedden onder druk komt te staan en er schaarste dreigt zowel aan mankracht als aan ondersteunende middelen. Hierdoor dreigen patiënten die ernstig ziek zijn en dringende zorg nodig hebben aan een kwaliteitsvolle dienstverlening te ontlopen.

Dit advies is geldig gedurende de duur van deze uitzonderlijke periode, waarbij de therapeutische vrijheid en de professionele autonomie, tijdelijk en voor zover als nodig, plaats moeten maken voor een eendrachtig en krachtdadig optreden van alle ziekenhuisartsen onder leiding van de hoofdarts om het hoofd te kunnen bieden aan de toestroom van patiënten en de daaraan gekoppelde schaarste van middelen.

Het bureau van de nationale raad wijst de artsen op hun deontologische en ethische plichten in deze crisissituatie om niet-dringende medische zorg te staken en voorrang te verlenen aan acute pathologie.

Op ethisch vlak is elke arts in een rampscenario moreel verplicht de hoogste prioriteit te geven aan het redden van zoveel mogelijk mensenlevens en het vrijwaren van zoveel mogelijk kwaliteitsvolle levensjaren ("Maximizing the benefits", NEJM, "Fair Allocation of Scarce Medical Resources in the Time of Covid-19", March 23, 2020 ). Vertaald naar deze crisissituatie betekent dit dat de toewijzing van alle beddencapaciteit, mankracht en ondersteunende middelen hoofdzakelijk moet gaan naar ernstig zieke patiënten (COVID of non-COVID gerelateerd) en dat niet-dringende zorg dient uitgesteld te worden. Om dit te kunnen verwezenlijken bepaalt een coördinatiecel onder leiding van de hoofdarts de strategie en treedt deze binnen het ziekenhuis op als een éénheid van commando en communicatie.

De pijlers van de medische deontologie zijn professionaliteit, respect, integriteit en verantwoordelijkheid. In de huidige omstandigheden zijn volgende beginselen primordiaal: de collegiale plicht, het streven naar een consensus bij probleemsituaties, de nadruk op ethisch handelen met respect voor de patiënt, derden en de maatschappij en het principe dat de belangen van de patiënt en van de maatschappij primeren boven het financieel eigenbelang.

In zijn advies van 18 maart 2020 (https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/covid-19-richtlijnen) herhaalt de nationale raad dat de arts een deontologische behandelings- en verzorgingsplicht heeft en dat bij een pandemie het vervullen van zijn maatschappelijke rol primordiaal is voor de gemeenschap.

Om die reden is het in een crisissituatie waarin de COVID-19-pandemie ons nu gebracht heeft, onontbeerlijk om over te gaan tot planning van de zorgen, dient voorrang gegeven te worden aan dringende en essentiële zorg en dienen andere zorgen uitgesteld te worden. Deze beslissingen moeten rationeel genomen worden, volgens doordachte en transparante criteria. De toepassing van deze criteria komt toe aan de hoofdarts en de coördinatiecel.

Het is de deontologische plicht van elke arts om bij te dragen tot een optimale verdeling van de beschikbare middelen. Daartoe is het nodig om de beslissingen van de hoofdarts en de coördinatiecel te aanvaarden en loyaal uit te voeren. Indien men het met deze beslissingen niet eens is, dan kan met argumenten en in het belang van de patiënten om een herziening gevraagd worden. Het ontwijken van deze beslissingen is deontologisch niet aanvaardbaar.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167034
Beroepsgeheim – Meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts

De nationale raad beantwoordde meerdere vragen wat betreft het meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Wat betreft de vraag of een arts de diagnose van een overleden patiënt mag meedelen aan het mortuarium en de begrafenisondernemer ingeval het gaat om een COVID-19-patiënt, verwijst de nationale raad o.a. naar de aanbevelingen van Sciensano, "Procedure voor het beheer van een overlijden van een patiënt met Covid-19", versie van 30 april 2020, https://epidemio.wiv-isp.be/ID/Documents/Covid19/COVID-19_procedure_deaths_NL.pdf.

Uit punt 3 "Informatieoverdracht" blijkt uitdrukkelijk dat personeel van het mortuarium en de begrafenisondernemers op de hoogte moeten worden gebracht van een (mogelijk) overlijden door COVID-19, via strook A van het overlijdensattest (Model IIIC en IIID).

Punt 10 "Administratieve bepalingen", preciseert het volgende:
"Op het overlijdensattest (Model IIIC of IIID) moet de arts bij het overlijden van een patiënt die COVID-19 positief testte of bij een klinisch vermoeden dat deze COVID-19 positief is, maar geen test werd uitgevoerd (mogelijk geval) op strook A bij rubrieken ‘bezwaar tegen schenking lichaam(2)': ja aankruisen en bij ‘bezwaar tegen eventueel vervoer zonder kist(6)': neen.
(...)
Op de strook A moet gespecifieerd worden dat het gaat om een (mogelijk) overlijden aan COVID-19.
COVID-19 is geen tegenindicatie voor crematie."

Wat betreft de vermelding van de diagnose van COVID-19 op het geneesmiddelenvoorschrift ter bescherming van de apotheker die het geneesmiddel aflevert, is de nationale raad van mening dat het beroepsgeheim van toepassing blijft.
De diagnose van de patiënt moet niet worden vermeld op het geneesmiddelenvoorschrift.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167035
Vroegtijdig verlaten van ziekenhuis door COVID-19-patiënt - Verantwoordelijkheid van de arts

De nationale raad beraadde zich over de vraag wat de arts mag ondernemen indien de patiënt het zorgcentrum/ziekenhuis verlaat en hierdoor de maatregelen overtreedt en andere personen in gevaar brengt (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Een zorgcentrum/ziekenhuis dat instaat voor de zorg aan COVID-19-patiënten heeft niet de wettelijke bevoegdheid patiënten te verhinderen de zorginstelling te verlaten.

De zorgverleners binnen de zorginstelling zijn gehouden tot het beroepsgeheim. Evenwel kunnen zij zich, na een afweging tussen het belang van het beroepsgeheim en het risico op besmetting en het gevaar voor de volksgezondheid, beroepen op de noodtoestand en de bevoegde instanties of personen op de hoogte brengen van de problematiek, bijvoorbeeld de nachtopvangdiensten, de naasten van de patiënt of de dienst infectiebestrijding.

Het is van belang om, in eerste instantie, goed te communiceren met de patiënt, de maatregelen op een duidelijke manier uit te leggen, alsook de gevolgen die de patiënt veroorzaakt door het vroegtijdig verlaten van de instelling.

De nationale raad verwijst tevens naar zijn advies Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven van 19 september 2020 (a167027).