keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Provinciale Geneeskundige Commissie17/09/2022 Documentcode: a169016
Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Gewijzigde artikelen 44 tot 63 met betrekking tot deToezichtcommissie

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde, op basis van een grondige analyse, de geconsolideerde versie van de artikelen 44 tot 63 met betrekking tot de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (Toezichtcommissie), gewijzigd door de wet van 30 juli 2022 tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (BS, 8 augustus 2022).

Brief aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Geachte heer minister,

De nationale raad van de Orde der artsen nam met belangstelling kennis van de wet van 30 juli 2022 tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (BS, 8 augustus 2022).

De artikelen 2 tot 21 (hoofdstuk 2) van deze wet brengen ingrijpende wijzigingen en aanvullingen aan in de op 1 juli 2022 in werking getreden artikelen 44 tot 63 (hoofdstuk 4) van de Kwaliteitswet, wat betreft de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (Toezichtcommissie).

Na grondige analyse van de geconsolideerde versie van de artikelen 44 tot 63 van de Kwaliteitswet vanuit deontologisch, juridisch en medisch oogpunt, is de nationale raad verheugd vast te stellen dat een aanzienlijk aantal bepalingen werden verfijnd, gepreciseerd en vernieuwd en dat lacunes werden opgevuld, rekening houdend met o.m. de door de Orde der artsen geformuleerde deontologische knelpunten en bekommernissen in zijn advies (a169009) van 23 april 2022 (cf. bijlagen).

Heel wat aangekaarte punten, zowel wat betreft de opdracht van de Toezichtcommissie, de samenstelling, de organisatie en werking, de toezichtprocedure als de mogelijk opgelegde maatregelen en sancties, werden in aanmerking genomen. Het is positief dat de toezichtprocedure werd vereenvoudigd met een centrale rol voor de Toezichtcommissie bij klachten en tekortkomingen.

Toch blijven er enkele leemtes, af te lijnen bepalingen en knelpunten.

De nationale raad is van mening dat de volgende deontologische knelpunten de nodige aandacht vereisen alvorens de bevoegde kamers van de Toezichtcommissie daadwerkelijk worden samengesteld en zij hun wettelijk opgelegde taken zullen kunnen opnemen.


(1) Een eerste aandachtspunt betreft de samenstelling van de kamers van de Toezichtcommissie die in de gewijzigde Kwaliteitswet niet meer is vastgelegd.

Overeenkomstig het nieuwe artikel 46, §2, bepaalt de Koning[1] de samenstelling van de kamers van de Toezichtcommissie[2].

Welke leden-gezondheidszorgbeoefenaars andere beroepen in de praktijk zullen beoordelen, algemeen en ad hoc in ieder dossier[3], dient duidelijk te worden ingevuld door uitvoeringsbesluiten. Het initiële artikel 59 van de Kwaliteitswet toonde de intentie om gezondheidszorgbeoefenaars (in belangrijke mate) te laten beoordelen door leden van de betrokken beroepsgroep. Dit spoor lijkt moeilijk terug te vinden in de wet van 30 juli 2022.

Ook de samenstelling van de werkgroepen, bestaande uit leden van de betrokken kamer van de Toezichtcommissie, en de uitbreiding met uitgenodigde experten, die geen deel uitmaken van de multidisciplinaire kamer, verdienen precieze regels met het oog op een objectief en uniform optreden[4] met de vereiste kennis van zaken.

(2) Een andere bezorgdheid betreft de hoedanigheid en de rol van de inspecteurs.

De kamers van de Toezichtcommissie hebben nu de bevoegdheid rechtstreeks aan een inspecteur de instructies te geven voor het uitvoeren van een concreet toezicht op het terrein en de inspecteurs bezorgen hun proces-verbaal aan de bevoegde kamer.

De inspecteurs krijgen nu ook zelf, ‘op eigen initiatief’[5], zonder tussenkomst van de kamer[6] de mogelijkheid een dossier te onderzoeken wat betreft alle vijf in artikel 45, tweede lid, van de Kwaliteitswet genoemde mogelijke tekortkomingen : de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar (1°), de naleving van de Kwaliteitswet (2°), de wettige uitoefening van een gezondheidszorgberoep (3°), de naleving van de wet patiëntenrechten (4°) en verdere praktijkvoering die zware gevolgen doet vrezen (5°).

De vraag rijst hoe de bepaling ‘wanneer ze kennis hebben van ernstige en aanhoudende aanwijzingen dat er vermoedelijk sprake is van een tekortkoming ...’ in de praktijk objectief en uniform zal worden geïnterpreteerd en toegepast. De nationale raad is van mening dat bij een dergelijk initiatief heel strikte regels en een verantwoording aan de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie dienen te worden vastgelegd.

Het artikel 49 concretiseert welke personen de functie van inspecteur kunnen opnemen, met het oog op de inhoud van de dossiers, de verwachte werklast voor de inspecteurs, hun (ontoereikend) aantal[7] en hun kwalificaties. Wat dit laatste betreft, vraagt de nationale raad, op basis van de toelichting[8], meer garanties.

De Kwaliteitswet hanteert ‘bekwaamheid’ als maatstaf voor kwaliteitsvol handelen. De nationale raad argumenteert opnieuw de noodzaak van een helder afgelijnde definitie van dit begrip en bevestigt zijn standpunt ‘De nationale raad pleit er in deze context voor dat de bekwaamheid van de arts binnen de Toezichtcommissie wordt beoordeeld door “peers”.’[9]. Ook de bekwaamheid van de inspecteurs dient duidelijk te worden gedefinieerd om mogelijk arbitraire beoordelingen ten koste van de zorgkwaliteit en de patiëntveiligheid te vermijden. Hoe zullen de inspecteurs in staat zijn met een adequate kennis van de specifieke problematiek in ieder dossier op te treden?

(3) Een bijzondere bekommernis van de Orde der artsen gaat uit naar de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaars om zonder risico's de uitoefening van hun beroep voort te zetten. Tot de inwerkingtreding van de Kwaliteitswet stelde de nationale raad, overeenkomstig zijn bevoegdheid[10], gedurende de laatste decennia onverwijld met zorg, op ieder verzoek van de provinciale geneeskundige commissies, colleges van deskundige artsen samen.

Deze opdracht van de Orde is sinds de inwerkingtreding van het hoofdstuk 4 van de Kwaliteitswet op 1 juli 2022 weggevallen. Zullen de werkgroepen binnen de kamer van de Toezichtcommissie, desgevallend aangevuld met externe experten, de rol van de door de Orde der artsen aangeduide colleges van deskundigen overnemen wat betreft het beoordelen van de fysieke en psychische geschiktheid van de (alle?) gezondheidszorgbeoefenaars? Of is het de bedoeling dat (een groter aantal?) inspecteurs deze taak op zich nemen?

De nationale raad onderstreept dat deze beoordeling door de Toezichtcommissie een bekwaamheid tot diagnosestelling inhoudt en dat bijgevolg een wettelijke garantie dient te worden vastgelegd dat artsen, hetzij als inspecteurs hetzij als experten, worden betrokken bij dergelijke voor de gezondheidszorgbeoefenaars voor hun beroepsuitoefening cruciale beslissingen. Een verbeterplan laat de verdere uitoefening van het beroep toe. Zonder geldig visum als licence to practise kan de beroepsbeoefenaar daarentegen (tijdelijk) zijn beroepsactiviteit niet verder uitoefenen.

De nationale raad dringt erop aan met spoed te vernemen welke uitkomst in de praktijk wat betreft dit toezicht zal worden gegeven, hoe de continuïteit van het toezicht op de momenteel lopende geschorste of ingetrokken visa van de gezondheidszorgbeoefenaars wordt verzekerd en welke richtlijnen de Orde der artsen dient te respecteren wat betreft de actuele vragen omtrent de fysieke en psychische geschiktheid van gezondheidszorgbeoefenaars, zolang de bevoegde kamers van de Toezichtcommissie niet zijn samengesteld en het nodige aantal inspecteurs niet in dienst zijn getreden.

(4) De nationale raad onderschrijft de belangrijke preciseringen en garanties in de wijzigingswet van 30 juli 2022 met betrekking tot de rechten van de verdediging van de gezondheidszorgbeoefenaar, o.m. in het nieuwe artikel 54 van de Kwaliteitswet.

De nationale raad stelt echter vast dat het fundamentele recht van de gezondheidszorgbeoefenaar op de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een beslissing van de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie tot het opleggen van een verbeterplan of het intrekken/schorsen van visum ontbreekt in de Kwaliteitswet. De memorie van toelichting maakt evenmin melding van een beroepsmogelijkheid, noch van de creatie van een beroepsinstantie.

De nationale raad noteert dat tegen het opleggen van een administratieve boete daarentegen wel een beroepsmogelijkheid is voorzien (art. 58/1, §4, 4°).

De mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde kamer van de geneeskundige kamer van beroep was wettelijk vastgelegd bij de beslissingen van de provinciale geneeskundige commissies wat betreft de beoordeling van de vereiste fysieke en psychische geschiktheid van een arts, apotheker, verpleegkundige, een dierenarts of een lid van een paramedisch beroep om zonder risico's de uitoefening van zijn beroep voort te zetten[11].

In de memorie van toelichting bij het initiële artikel 56 van de Kwaliteitswet merken de opstellers op dat ‘Tegen de uiteindelijke beslissing genomen door de minister kan de gezondheidszorgbeoefenaar eventueel in beroep gaan bij de Raad van State’[12]. Dient mutatis mutandis de minister te worden vervangen door de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie die in de gewijzigde Kwaliteitswet nu beslist?

(5) Het ingevoegde artikel 58/1 bepaalt uitgebreid de modaliteiten van het geheel nieuwe concept van de administratieve boete die kan worden opgelegd (art. 56, al. 1, 1°, b) en 2°, c)). Deze boete is geen sanctie op zich, naast het verbeterplan en het intrekken of schorsen van het visum, maar vormt een stok achter de deur wanneer de beroepsbeoefenaar de maatregelen niet naleeft of niet uitvoert.

Dit artikel besteedt ruime aandacht aan de rechten van de verdediging waaronder de garantie op een duidelijke communicatie met de gezondheidszorgbeoefenaar en op een, in dit geval wel voorziene, beroepsmogelijkheid (cf. supra art. 58/1, §4, 4°). Bij welke instantie de beroepsbeoefenaar hiervoor terecht kan, wordt nergens vermeld.

Bijzonder zorgwekkend volgens de nationale raad is de toegevoegde derde reden waarvoor een administratieve boete kan worden opgelegd in artikel 58/1, §1, tweede lid : ‘Tevens kan een administratieve boete zoals bedoeld in het eerste lid worden opgelegd aan de gezondheidszorgbeoefenaar die weigert zijn medewerking te verlenen aan de onderzoeksdaden bedoeld in artikel 52.’

Een boete omwille van niet-medewerking aan de onderzoeksdaden door de kamer van de Toezichtcommissie vraagt om verdere studie wat betreft het recht op verdediging in het licht van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, artikel 6.1, E.V.R.M. en 14, 3, g, IVBPR.

Over de verplichte medewerking van de arts aan het tuchtonderzoek door de Orde[13], werd binnen de nationale raad grondig gereflecteerd o.m. bij de redactie van zijn hervormingsvoorstellen (2016) evenals van de vernieuwde Code van medische deontologie (2018) en zijn commentaar (2019). Dergelijke bepaling is overeenkomstig de door o.m. internationaalrechtelijke regels gewaarborgde rechten van de verdediging niet meer opgenomen als deontologische verplichting.

De nationale raad acht het raadzaam om, analoog met de tuchtprocedure door de deontologische Ordes, te onderzoeken of de Toezichtcommissie, op straffe van een administratieve boete, een gezondheidszorgbeoefenaar legitiem het recht kan ontnemen niet verplicht te zijn bij te dragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten en mee te werken aan zijn veroordeling.

De restrictie ‘De beroepsbeoefenaar heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken.’ in het opgeheven[14] artikel 119, §1, 2°, b), tweede lid, WUG, wat betreft de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar, rechtvaardigt geenszins de genoemde bepaling in het artikel 58/1, §1, tweede lid, van de Kwaliteitswet.

(6) De bepalingen betreffende een door hem op te stellen huishoudelijk reglement (art. 59/1) concretiseren de werking van de Toezichtcommissie. Wat betreft de informatie over de andere mogelijkheden voor de afhandeling van de klacht (art. 59/1, tweede lid, 2°)[15], ondersteunt de nationale raad de verwijzing van de opstellers[16] naar ‘verschillende instanties’ voor ‘vaak verschillende aspecten’ bij ‘eenzelfde gedraging van de gezondheidszorgbeoefenaar’ maar merkt op dat de vermelding van de deontologische organen (Orde der artsen, …) hier ontbreekt. De Orde der artsen zet, in het licht van de positieve deontologie, steeds meer in op bemiddeling, overleg en preventie alvorens sanctionerend op te treden.

(7) Wat betreft de communicatie van de door hem opgelegde maatregelen en sancties door de Toezichtcommissie, herhaalt de nationale raad de bekommernissen die de Orde formuleerde in zijn analyse van 23 april 2022 (p. 75).

Met het oog op een veilige en loyale beroepsuitoefening door alle gezondheidszorgbeoefenaars stelt de nationale raad verder zijn expertise ter beschikking, in het belang van een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt en de volksgezondheid.

Met de meeste hoogachting,

voor de nationale raad,

B. DEJEMEPPE,

Voorzitter.

BIJLAGEN

  • Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies nationale raad, 23 april 2022, a169009)
  • integrale analyse van de Kwaliteitswet (bijlage bij advies nationale raad, 23 april 2022, a169009)


[1]‘De minimale criteria inzake samenstelling van de kamers worden in de wet geregeld. Verdere normen inzake samenstelling, zoals het aantal leden, zullen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald.’ (memorie van toelichting, p. 9)

[2]Enkel wat betreft het nemen van een dringende voorlopige maatregel is een beperkte samenstelling van ‘de kamer samengesteld uit de voorzitter en twee leden’ (art. 57, eerste lid) bepaald, in het geval er bij verdere praktijkvoering voor zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid wordt gevreesd. Er wordt niet vermeld of leden van de betrokken beroepsgroep worden bedoeld..

[3]De opstellers bij de initiële Kwaliteitswet dachten hier zelfs aan ‘bijvoorbeeld regels [...] voor de samenstelling van de kamers indien een persoon beschikt over een titel van verschillende gezondheidszorgberoepen of indien er verschillende gezondheidszorgbeoefenaars betrokken zijn bij eenzelfde dossier...’.

[4]art. 59/1, tweede lid, 4°.

[5]art. 45, tweede lid, b) (cf. memorie van toelichting p. 8) en art. 51, tweede lid.

[6]memorie van toelichting, p. 13.

[7]‘Bovendien zullen budgettair de nodige middelen worden vrijgemaakt om meerdere inspecteurs aan te werven.’ (memorie van toelichting, p. 5)

[8]Volgende wijzigingen worden aangebracht:

— […] Idealiter zijn de inspecteurs gezondheidszorgbeoefenaars maar dat is geen vereiste. Bedoeling is dat voor de voorbereiding van de dossiers beroep kan worden gedaan op inspecteurs met verschillende profielen. De Kamers die zijn samengesteld uit gezondheidszorgbeoefenaars en die de inspecteurs aansturen, zullen in functie van de kenmerken van elk dossier de meest geschikte en competente inspecteur inzetten. Dat zal indien de inspecteur een gezondheidszorgbeoefenaar is niet noodzakelijk een gezondheidszorgbeoefenaar van dezelfde categorie als de geïnspecteerde zijn. De Kamers zullen evenwel steeds waken over de gelijkheid tussen de inspecteur en de gezondheidszorgbeoefenaar die wordt geïnspecteerd. Er bestaat geen twijfel over dat elke inspectie zeer gegrond moet worden uitgevoerd. Het is dan ook niet uitgesloten dat een Kamer die van oordeel is dat een inspectie niet behoorlijk werd uitgevoerd een tweede inspectie desgevallend door een andere inspecteur beveelt;[…]

— indien de inspecteurs geen gezondheidszorgbeoefenaar zijn moeten zij een specifieke opleiding volgen met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Toezichtcommissie bevoegd is. Ook inspecteurs die wel gezondheidszorgbeoefenaar zijn zullen een specifieke opleiding moeten volgen voor de aangelegenheden waarin zij geen inzicht hebben op basis van hun specifiek gezondheidszorgberoep. (nieuwe § 2/2) Dergelijke opleiding draagt bij aan een degelijke voorbereiding van de dossiers door competente inspecteurs. Deze vereiste inzake opleiding heeft ook betrekking op de inspecteurs van het FAGG en het RIZIV zoals bedoeld in paragraaf 2.

Bij koninklijk besluit kan worden bepaald waaraan deopleiding telkens moet voldoen. (wijziging § 3)’

(memorie van toelichting, p. 12).

[9]cf. integrale analyse Kwaliteitswet, bijlage bij ‘Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies NR, 23 april 2022, a169009), pp. 12-14.

[10]cf. Koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies, artt. 11 e.v.

[11]cf. Koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies, artt. 24 tot 30.

[12]cf. integrale analyse Kwaliteitswet, bijlage bij ‘Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies NR, 23 april 2022, a169009), p. 73.

[13]opgelegd door het voormalige artikel 69 van de Code van geneeskundige plichtenleer (1975).

[14]door art. 82 van de Kwaliteitswet.

[15]In dit verband herinnert de nationale raad aan zijn vraag betreffende het principe non bis in idem in zijn analyse van 23 april 2022 (p. 76).

[16]memorie van toelichting, p. 21.

Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid17/09/2022 Documentcode: a169017
Mogelijkheid voor een arts om een ongeschiktheidsattest te verstrekken na afloop van een raadpleging op afstand.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht of een arts een getuigschrift van ongeschiktheid kan verstrekken na afloop van een raadpleging op afstand.

Voor het opstellen van een getuigschrift van ongeschiktheid gelden dezelfde deontologische regels, ongeacht of het opstellen gebeurt na afloop van een raadpleging op afstand of na een fysieke raadpleging.

De medische deontologie bepaalt dat de arts die een medisch feit beschrijft of vaststelt, moet waarheidsgetrouw, objectief en voorzichtig te werk gaan (artikel 26 CMD 2018; advies van 19 september van de nationale raad, ‘Opstellen van medische documenten : principes en aanbevelingen’, a167021).

De arts baseert zich op medische feiten die hij zelf vastgesteld heeft om objectief een medisch gegrond advies uit te brengen over de geschiktheid van de patiënt om een bepaalde activiteit te verrichten.

Momenteel verlopen de meeste raadplegingen op afstand via telefoon of video, zonder aanwezigheid van geavanceerde technologische middelen of zonder bijstand van een zorgberoepsbeoefenaar aan de patiënt.

In deze omstandigheden, kan een getuigschrift van ongeschiktheid slechts worden verstrekt na afloop van een raadpleging op afstand indien een fysiek onderzoek niet vereist is en indien de anamnese of de gegevens in het patiëntendossier voldoende objectieve gegevens bevatten om te beoordelen of de patiënt geschikt is om een bepaalde activiteit te verrichten. Deze situaties zijn uitzonderlijk en, behalve in bijzondere omstandigheden, zijn een goede kennis van de medische situatie van de patiënt (bijvoorbeeld bij een chronische ziekte) en toegang tot zijn gezondheidsgegevens vereist.

De beroepsverenigingen dienen, per specialisme, richtlijnen uit te werken in verband met het inzetten van raadplegingen op afstand en de opportuniteit om geneesmiddelen voor te schrijven en medische documenten te verstrekken.

Indien de arts over onvoldoende objectieve gegevens beschikt om een ongeschiktheid te attesteren, stelt hij de patiënt een fysieke raadpleging voor.

Net als bij een fysieke raadpleging, moet elke raadpleging op afstand geregistreerd worden in het medisch dossier, alsook de eventuele afgifte van documenten.

De arts is voorzichtig en nauwkeurig bij het opstellen van een getuigschrift. Hij vermeldt niet op het getuigschrift dat hij de patiënt fysiek onderzocht heeft indien dit niet het geval is.

De deontologische regels die nageleefd moeten worden bij een medische raadpleging op afstand zijn uiteengezet in het advies van 18 juni 2022 van de nationale raad, ‘Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische

Regels’, a169012. Ze preciseren met name dat de patiënt gewezen dient te worden op de grenzen van een raadpleging op afstand en van het verstrekken van een getuigschrift van ongeschiktheid.

Iedere arts draagt de verantwoordelijkheid om op een correcte wijze gebruik te maken van raadplegingen op afstand, die een nuttige en in bepaalde situaties noodzakelijke aanvulling kunnen zijn, met het oog op een kwaliteitsvolle geneeskunde in het voordeel van de patiënt en in het belang van de gemeenschap.

Sedert 1 augustus 2022 bestaat er een nieuw kader voor de terugbetaling van medische teleconsultaties, dat raadpleegbaar is op de website van het Riziv

https://www.riziv.fgov.be/nl/themas/kost-terugbetaling/door-ziekenfonds/Verstrekkingen-op-afstand-artsen/Paginas/default.aspx (geraadpleegd op 14 september 2022).

COVID-1917/09/2022 Documentcode: a169019
Deontologische plicht van de arts tot het dragen van een mondmasker in zijn medisch kabinet als preventiemaatregel om de verdere circulatie van het Coronavirus te verhinderen

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 17 september 2022 de vraag onderzocht of de arts deontologisch verplicht is een mondmasker te dragen in zijn dokterspraktijk (inclusief de wachtzaal).

In de ziekenhuizen en de zorginstellingen is elke arts wettelijk verplicht een mondmasker te dragen. Deze regelgeving geldt voor het hele Belgische grondgebied.[1]

Daarnaast, zijn de huisarts en de arts-specialist met een privépraktijk, werkzaam in Wallonië en Brussel, wettelijk verplicht een mondmasker te dragen in hun dokterskabinet.[2] In Vlaanderen geldt deze wettelijke verplichting niet.

Het wettelijk beleid omtrent de verplichting tot het dragen van een mondmasker voor de huisarts en de arts-specialist met een privépraktijk verschilt aldus naargelang de regio. Nochtans, gaat dit verschil in beleid niet samen met de incidentie van het aantal gevallen per regio. De nationale raad pleit bijgevolg voor één uniform beleid voor gans België.

Los van de wettelijke verplichting, behoort de preventiemaatregel van het dragen van een mondmasker in het medisch kabinet ook tot één van de plichten van medische deontologie. De aandacht voor het Coronavirus mag maatschappelijk dan wel sterk gedaald zijn, evenals de vele maatregelen rond de beperking van contacten en quarantaine, het virus circuleert nog steeds en het blijft de taak van de arts om waakzaam te zijn en de gezondheid van elke patiënt te beschermen.

Zolang de wetenschappelijke instanties het dragen van het mondmasker in het dokterskabinet aanbevelen[3], heeft elke arts de deontologische plicht deze maatregel op te volgen, op basis van de Code van medische deontologie.

De preventiemaatregel van het dragen van een mondmasker draagt bij tot:

- de bescherming van de gezondheid van de patiënt, in het bijzonder de patiënt die tot de risicogroep behoort door hoge leeftijd of onderliggende aandoening (art. 5, Code van medische deontologie);

- de bescherming van de gezondheid van de arts, die dient in te staan voor de continuïteit van de zorg (artt. 8, 10 en 13, Code van medische deontologie);

- de kwaliteit van de zorg (artt. 3 en 8, Code van medische deontologie);

- de veiligheid van de patiënt (artt. 9 en 39, Code van medische deontologie);

- en de verhindering van de verdere circulatie van het Coronavirus (artt. 4 en 5, Code van medische deontologie).

Deze maatregel wordt door de nationale raad geacht proportioneel te zijn aan het beoogde doel.

De arts mag daarnaast, ter bescherming van de andere patiënten en zijn eigen gezondheid, vragen aan de patiënt om eveneens een mondmasker te dragen wanneer deze laatste de praktijk betreedt.


[1] Art. 8, §1, 13°, Decreet van 21 oktober 2021 van de Waalse overheid betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht; art. 3, §1, Besluit van 11 maart 2022 van de Vlaamse regering over een mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in de zorginstellingen; art. 2, §1, Besluit van 22 mei 2022 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de mondmaskerplicht in zorginstellingen en tot opheffing van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie van 22 april 2022 betreffende de mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in zorginstellingen.

[2] Art. 8, §1, 13°, Decreet van 21 oktober 2021 van de Waalse overheid betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht; art. 2, §1, Besluit van 22 mei 2022 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de mondmaskerplicht in zorginstellingen en tot opheffing van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie van 22 april 2022 betreffende de mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in zorginstellingen.

[3]Mondmaskers | Coronavirus Covid-19 (sciensano.be)

Kwaliteit van de zorg18/06/2022 Documentcode: a169012
Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische regels

In zijn vergadering van 18 juni 2022 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen de plaats van teleconsultaties in het huidige zorglandschap.

Een teleconsultatie is een zorgprestatie op afstand van een zorgverlener met een patiënt. Het kan gaan om een consultatie via telefoon, e-mail, sms of chat, of om een videogesprek waarbij de zorgverlener en de patiënt elkaar vanop afstand kunnen spreken en zien (videoconsultatie). Teleconsultatie maakt samen met tele-expertise, telemonitoring, tele-assistentie en m-health deel uit van het bredere begrip telegeneeskunde.

In het verleden bracht de nationale raad meerdere adviezen uit over teleconsultatie met als rode draad de bezorgdheid voor de patiëntveiligheid, de kwaliteit en de continuïteit van zorg, en het respect voor het beroepsgeheim. Vóór de Covidcrisis werden teleconsultaties slechts als complementair beschouwd aan een klassieke face-to-face consultatie en op deontologisch vlak slechts aanvaardbaar indien het een gekende patiënt betrof, de arts kon beschikken over de medische gegevens en de continuïteit van de zorg kon waarborgen.

De Covidcrisis bracht een omwenteling teweeg omdat de klassieke consultatie met fysiek contact zoveel als mogelijk vermeden moest worden om de verspreiding van het virus in te dijken. Omwille van deze noodzaak werden denkprocessen versneld en technische implicaties sneller uitgerold zodat teleconsultaties op grote schaal konden plaatsvinden. Ook na de Covidcrisis bleef het aantal diensten, die teleconsultaties aanbieden, stijgen omwille van de blijvende marktvraag met als voornaamste insteek een antwoord te bieden op de lange wachttijden, administratieve overlast, penurie aan artsen, overbevolkte spoeddiensten, e.a..

Een recente studie[1] toont aan dat de Belgische bevolking over het algemeen tevreden is over het gebruik van teleconsultaties, deze als complementair aan fysieke contacten met zorgverleners beschouwt en ze vooral geschikt vindt voor de afhandeling van administratieve zaken en de opvolging van bestaande aandoeningen.

Het is duidelijk dat teleconsultaties niet meer weg te denken zijn in het huidige zorglandschap.

Nu de sanitaire crisis gestabiliseerd lijkt, is de tijd gekomen om deze nieuwe processen en diensten te evalueren op hun bruikbaarheid, kwaliteit en patiëntveiligheid en ze te toetsen aan de medische deontologie.

Artsen hebben een voorname rol te spelen bij de controle en de informatieverstrekking bij de opstart van een teleconsultatie, bij de adviesverstrekking, bij het gebruik van daartoe opgerichte platformen en bij de opmaak van wetenschappelijke richtlijnen en protocollen.

Bij de opstart, licht de arts de patiënt in over zijn identiteit en kwalificaties en onderneemt hij volgende stappen:

  • De arts controleert:
  • de identiteit van de patiënt;
  • de wilsbekwaamheid van de patiënt;
  • de toestemming van de patiënt;
  • de vrije artsenkeuze van de patiënt;
  • de privacy van de patiënt ‘aan de andere kant’ van de lijn.
  • De arts biedt de noodzakelijke informatie:
  • Vooraleer de raadpleging op afstand plaatsvindt, bestaat er tussen de zorgbehoevende en de arts een therapeutische of een zorgrelatie die bewezen is overeenkomstig het reglement betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en een zorgrelatie (zie https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/nl/reglementen)

Indien de therapeutische of zorgrelatie tussen de zorgbehoevende en de arts tot stand komt net voor het begin van de raadpleging op afstand, wordt de zorgbehoevende vooraf degelijk geïnformeerd over de gevolgen van de totstandkoming van deze therapeutische of zorgrelatie en wordt de therapeutische of zorgrelatie op het einde van de raadpleging op afstand beëindigd, tenzij de zorgbehoevende uitdrukkelijk aangeeft deze therapeutische of zorgrelatie te willen bestendigen;

  • De patiënt wordt vóór het gebruik van het platform duidelijk ingelicht over de kritische succesfactoren en de beperkingen van een raadpleging op afstand;
  • Hetzelfde geldt voor de financiële aspecten van het e-consult (kost, terugbetaling).
  • De arts zorgt voor een kwaliteitsvolle adviesverstrekking en follow-up:
  • De duurtijd en de omstandigheden van de teleconsultatie dienen afdoende te zijn om een kwaliteitsvolle zorgverlening te waarborgen;
  • De arts moet over voldoende relevante en betrouwbare gegevens van de patiënt beschikken om een medisch verantwoord individueel advies te kunnen geven;
  • De arts neemt de vakinhoudelijke regels in acht die in zijn beroepsgroep gelden voor de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, evenals de rechten van de patiënt;
  • De arts geeft duidelijk aan dat zijn advies is gebaseerd op gegevens die de patiënt heeft verstrekt en op eventueel beschikbare dossiergegevens. Daarbij geeft de arts aan dat de patiënt contact met hem of een andere arts moet zoeken als de klachten verergeren, als daartoe aanleiding is of bij onzekerheid;
  • Indien de arts niet de houder is van het globaal medisch dossier (GMD) van de zorgbehoevende, geeft hij, behoudens verzet van de zorgbehoevende, (elektronisch) feedback over de verleende zorg aan de eventuele GMD-houder en actualiseert hij indien nuttig de Sumehr en het medicatieschema van de zorgbehoevende in de gezondheidskluis.
  • De arts dient na te gaan of de gebruikte diensten voldoen aan onderstaande criteria wat betreft het vrijwaren van de informationele privacy[2]:
  • De ondersteuningsplatformen maken gebruik van een betrouwbaar systeem voor de authenticatie van hun identiteit; de authenticatiemiddelen met twee-factor-authenticatie (bezit en kennis) zijn in de Federal Authentication Service (FAS) geïntegreerd;
  • De video- of audiocommunicatie wordt niet door de deelnemers aan de communicatie opgeslagen;
  • De persoonsgegevens en de documenten uitgewisseld tijdens de raadpleging kunnen op het einde van de raadpleging ter beschikking worden gesteld van de deelnemers aan de communicatie;
  • De geneesmiddelenvoorschriften worden elektronisch aangemaakt op Recip-e en zijn raadpleegbaar door de zorgbehoevende via de Personal Health Viewer; het uniek nummer van het elektronisch voorschrift (het zogenaamde RID), dat geen persoonsgegevens bevat, kan aan de zorgbehoevende worden overgemaakt;
  • De documenten die de arts en/of de zorgbehoevende kunnen raadplegen via het e-gezondheidsportaal of de Personal Health Viewer, worden in principe daar geraadpleegd;
  • De arts maakt ter ondersteuning van de zorgverlening bij voorkeur gebruik van een bij het eHealth-platform geregistreerd softwarepakket en neemt in elk geval de relevante gegevens over de zorgverlening op in een (elektronisch) patiëntendossier;

Artsen hebben – elk binnen hun eigen specialisme – een belangrijke rol te spelen bij het opstellen van wetenschappelijke richtlijnen en protocollen waarin de krijtlijnen vastgelegd worden voor een kwaliteitsvolle dienstverlening. Artsen betrokken bij de opleiding moeten in de opleiding arts en de master na master het gebruik van teleconsultatie voldoende belichten omdat veel artsen in opleiding vinden dat er vanuit de opleiding onvoldoende aandacht aan wordt besteed.[3]

Om de misverstanden die er in de praktijk bestaan, zowel bij artsen als patiënten, weg te werken zijn een wettelijk kader en duidelijke regels voor de terugbetaling noodzakelijk. Het verstrekken van een kwaliteitslabel aan de diensten die op een conforme wijze teleconsultaties aanbieden, zal de patiënten beter wegwijs maken bij hun keuze en hen meer vertrouwen inboezemen bij deze vorm van uitoefening van geneeskunde.


[1] Teleconsultaties tijdens de Covid-19-pandemie. Analyse van het intermutualistisch agentschap (IMA) voorgesteld op de Koninklijke Academie voor geneeskunde van België op 30 april 2022.

[2] Informatieveiligheidscomité Kamer sociale zekerheid en gezondheid. ivc/kszg/22/206: Beraadslaging nr. 20/098 van 7 april 2020, gewijzigd op 24 mei 2022, met betrekking tot de goede praktijken die toegepast dienen te worden door de platformen voor zorg op afstand.

[3] Volgens een recente studie liefst 78,6% (How do doctor-specialists, who are educated at the free university of brussels, view the use of teleconsultation? Astrid Van Assche, VUB, Masterthesis 2021.)

Getuigschrift afgeleverd door een familielid18/06/2022 Documentcode: a169014
Deontologische aspecten van de zorgrelatie tussen een arts en een patiënt die tevens een naaste of een vriend is

In zijn vergadering van 18 juni 2022 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de deontologische aspecten onderzocht van de zorgrelatie tussen een arts en een patiënt die tevens een naaste of een vriend is.

In de privésfeer gebeurt het vaak dat een familielid of een persoon met wie de arts een emotionele of vriendschappelijke relatie heeft een beroep doet op diens medische bekwaamheid en kennis.

Dergelijke vraag komt er doorgaans gemakshalve en omdat de persoon vertrouwen heeft in de arts als persoon en als beroepsbeoefenaar. Soms is het de wens van de arts zelf om zijn kinderen of naasten te verzorgen.

Hoewel er enkele wettelijke onverenigbaarheden[1] zijn, is het niet verboden dat een arts een therapeutische relatie heeft met een familielid of een naaste.

Vanuit deontologisch oogpunt is het verlenen van zorg aan een patiënt met wie de arts een emotionele of vriendschappelijke relatie heeft niet altijd wenselijk en moet aandacht geschonken worden aan de volgende aspecten.

  1. Kwaliteit van de zorg

De arts is zich ervan bewust dat de persoonlijke relatie die hij heeft met de patiënt invloed heeft op hun respectieve gedrag in de context van de zorgrelatie.

De patiënt zou uit schaamte wegens hun privérelatie bepaalde inlichtingen of antecedenten kunnen achterhouden.

De arts van zijn kant zou om redenen van gêne, indiscretie of ongemak problemen kunnen ondervinden om de anamnese en het medisch onderzoek nauwkeurig uit te voeren.

Het medisch onderzoek en de anamnese zijn fundamenteel voor kwalitatieve zorg. Indien ze door de feitelijke omstandigheden niet correct kunnen plaatsvinden, verwijst de arts de patiënt door naar een collega.

De arts is alert voor emoties die vreemd zijn aan de zorgrelatie en die zijn klinisch oordeel kunnen beïnvloeden.

Hij bewaart zijn onafhankelijkheid en geeft niet toe aan onterechte eisen om niet tegen te werken of om te behagen.

Hij staat in voor het bijhouden van het dossier en de nazorg van de patiënt.

Kwaliteitszorg vereist een aangepaste omgeving en ingesteldheid. Informele, onaangekondigde en in ongeschikte ruimtes gehouden raadplegingen dienen vermeden te worden. De arts die in de privésfeer om een medisch advies of mening gevraagd wordt, is voorzichtig, genuanceerd en spoort de patiënt zo nodig aan een beroepsbeoefenaar te raadplegen in omstandigheden die de kwaliteit van de zorg waarborgen.

  1. Zelfbeschikkingsrecht van de patiënt

De privérelatie die een arts met een patiënt heeft, mag niet belemmeren dat de patiënt gebruik maakt van zijn zelfbeschikkingsrecht bij het maken van keuzes in verband met zijn gezondheid. De arts besteedt hier bijzondere aandacht aan wanneer de patiënt een naaste is, vooral wanneer zijn leeftijd, gezondheidstoestand of economische afhankelijkheid hem in een kwetsbare situatie plaatst.

Hij respecteert de wensen van de patiënt en vermijdt een paternalistische houding aan te nemen wegens zijn genegenheid voor de patiënt. Niet-professionele overwegingen die eigen zijn aan de arts of aan de omgeving van de patiënt mogen hem niet leiden bij de keuze van de behandeling of de zorg. De zorgrelatie mag niet uitmonden in een ongewenste inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de intimiteit van de patiënt.

Indien de arts een gebrek aan therapietrouw vaststelt als gevolg van een rolverwarring, verwijst hij de patiënt door naar een collega.

Hoewel het vragen van een second opinion, de voorkeur geven aan een andere behandeling, het weigeren van zorg en het nemen van een beslissing na volledig geïnformeerd te zijn volstrekt natuurlijke houdingen zijn in een zorgrelatie, zouden zij in een privérelatie aanzien kunnen worden als een uiting van een gebrek aan vertrouwen. De arts zorgt ervoor dat onduidelijkheden weggenomen worden door heldere en professionele communicatie.

De arts onderschat de complexiteit van de zorg voor een naaste niet. Wanneer hij met een ethisch dilemma wordt geconfronteerd, vraagt hij advies aan ervaren collega's.

  1. Vertrouwelijkheid en belangenconflicten

Alvorens de gezondheidsgegevens van een naaste of een kennis die advies of zorg vraagt in te kijken, licht hij deze in over de gegevens waarin hij inzage zal hebben en verzekert hij zich ervan dat de patiënt hierin toestemt.

De eerbiediging van het beroepsgeheim en van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt zijn essentieel voor elke zorgrelatie. Wanneer de arts vragen krijgt van familieleden of vrienden, handelt hij in overleg met de patiënt en respecteert hij zijn wensen.

De arts laat zich leiden door het belang van zijn patiënt. In geen geval mag hij de elementen waarvan hij in het kader van de zorgrelatie kennis heeft genomen voor persoonlijke privédoeleinden gebruiken. Wanneer de arts geconfronteerd wordt met een belangenconflict, beëindigt hij de medische relatie zonder de continuïteit van de zorg uit het oog te verliezen.

  1. Getuigschriften en andere medische documenten

De arts ziet erop toe dat hij onafhankelijk is en zich niet blootstelt aan gegronde twijfel omtrent zijn onafhankelijkheid.

Banden van verwantschap en vriendschap kunnen bij de persoon aan wie het getuigschrift overhandigd wordt twijfel doen rijzen over de objectiviteit en de onpartijdigheid van diegene die het opgesteld heeft.

Daarom is het, in het bijzonder wanneer uit de overlegging van een geneeskundig getuigschrift een sociaal of contractueel voordeel voortvloeit (gewaarborgd loon, vergoeding in uitvoering van een verzekeringspolis, enz.), niet gepast een dergelijk document te verstrekken aan een naast familielid of een nauwe vriend en, a fortiori, aan zichzelf.

5. Voorschrijven van geneesmiddelen

Het voorschrijven voor zichzelf of naasten van medicatie die aanleiding kunnen geven tot misbruik of misbruik bestendigen moet worden verboden.

De arts spoort familieleden of vrienden die om het voorschrijven van dergelijke stoffen verzoeken aan zich tot hun huisarts te wenden.

6. Welzijn van de arts

Het gescheiden houden van het privéleven en het beroepsleven draagt bij tot het welzijn van de arts.

De arts moet oog hebben voor de emotionele complexiteit van het onderhouden van een medische en een familie- of vriendschapsrelatie met dezelfde persoon, of er nu sprake is van het omgaan met ontevredenheid over de zorg, het weigeren van een voorschrift of getuigschrift, het voldoen aan de verwachtingen van voortdurende beschikbaarheid, het brengen van slecht nieuws, het respecteren van de vertrouwelijkheid, enz.. De gevolgen voor de kwaliteit van het privéleven en de privérelaties mogen niet onderschat worden.

Tot besluit, hoewel de arts zelf moet beslissen over de betrokken waarden bij de behandeling van een naaste, een vriend of zichzelf, moet hij van de behandeling afzien bij twijfel over de mogelijkheid zijn beroep uit te oefenen met eerbiediging van de deontologie.

De arts heeft het recht om zorg te weigeren, behalve in dringende situaties. Moeilijkheden bij de verzorging van een naaste zijn goede redenen om de patiënt door te verwijzen naar een collega.

Het is verstandig degene met wie men een privérelatie heeft aan te moedigen een andere behandelend arts dan zichzelf te kiezen.


[1] Bijvoorbeeld artikel 488bis, §6, Burgerlijk Wetboek dat stelt dat de omstandige geneeskundige verklaring gevoegd bij het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder niet mag worden opgesteld door een arts die een bloed- of aanverwant is van de te beschermen persoon of de verzoeker

Voorschriften18/06/2022 Documentcode: a169015
Voorschrift voor een logopedisch bilan

Tijdens zijn vergadering van 18 juni 2022 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de probleemstelling onderzocht van het medisch voorschrift voor een logopedisch bilan met het oog op het verkrijgen van een vergoeding van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

De arts mag een voorschrift niet antidateren, hetgeen neerkomt op valsheid in geschrifte, om de terugbetaling van reeds uitgevoerde verstrekkingen van een logopedisch bilan mogelijk te maken.

In de nomenclatuur en de toelichting daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat de arts het logopedisch bilan moet voorschrijven voordat het uitgevoerd wordt (artikel 36 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen).

Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet de noodzaak van een logopedisch bilan blijken uit de anamnese en het medisch onderzoek van het kind door een arts; hoe goed men ook geïnformeerd is, deze beslissing behoort niet toe aan de ouders, het onderwijzend personeel of de logopedist.

De regels ter zake worden door het RIZIV duidelijk aan de logopedisten meegedeeld en moeten door de artsen nageleefd worden.

De nationale raad zal de aandacht van de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten en van de Union professionnelle des logopèdes francophones op deze probleemstelling vestigen.

Continuïteit van de zorg23/04/2022 Documentcode: a169009
Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen

De nationale raad bestudeerde uitvoerig de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet).

Op 11 december 2021 deelde hij aan de minister van Volksgezondheid enkele belangrijke deontologische bekommernissen mee betreffende de artikelen van de Kwaliteitswet die op 1 januari 2022 vervroegd in werking zouden treden.

De integrale analyse van de Kwaliteitswet werd afgerond. De nationale raad stelt deze studie ter beschikking als toelichtend werkdocument voor alle betrokkenen in de gezondheidszorg (cf. document als bijlage).

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen vernam de goedkeuring door de ministerraad van het ontwerp van koninklijk besluit houdende vaststelling van een datum van inwerkingtreding voor een aantal artikelen van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

Binnen de nationale raad is een commissie opgericht die een grondige studie uitvoert van de kwaliteitswet vanuit deontologisch, juridisch[1] en medisch oogpunt. Deze analysetekst zal in de komende weken worden afgerond en verspreid als informatiedocument voor de artsen. Daarnaast is de nationale raad ervan overtuigd dat deze uitgebreide studie ook een bijdrage kan leveren als werkdocument bij het opstellen van de vele koninklijke besluiten ter uitvoering van de Kwaliteitswet en als werkdocument voor overleg tussen verschillende gezondheidszorgberoepen.

De Kwaliteitswet vertrouwt de Orde der artsen enkele nieuwe bevoegdheden toe en biedt ook voor de Orde der artsen een bijkomend instrument ter beoordeling van het handelen van de artsen.

De nationale raad betreurt dat de Kwaliteitswet wordt beschouwd als een lex specialis. Rekening houdend met de algemene formulering van de kwaliteitsvereisten, van toepassing op alle gezondheidszorgbeoefenaars, is het volgens de nationale raad meer aangewezen de wet te beschouwen als een lex generalis, die in latere wetgeving en voor specifieke aspecten kan worden gedetailleerd in bijzondere regelgeving.

In afwachting van de gehele inwerkingtreding en uitvoering van de Kwaliteitswet wenst de nationale raad u reeds in kennis te stellen van enkele belangrijke deontologische bekommernissen betreffende de artikelen van de Kwaliteitswet die mogelijk op 1 januari 2022 vervroegd in werking treden.

U vindt hieronder de knelpunten met toelichting wat betreft het hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied (artt. 2-3) en wat betreft het hoofdstuk 3 Vereisten inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, afdeling 1 - Diagnostische en therapeutische vrijheid (artt. 4-7), afdeling 2 - Bekwaamheid en visum (artt. 8-11), afdeling 3 - Karakterisatie (artt. 12-13), afdeling 4 - Omkadering (art. 14), afdeling 5 - Anxiolyse en anesthesie (artt. 15-16), afdeling 6 - Continuïteit (artt. 17-20), afdeling 8 - Voorschrift (artt. 27-30) en afdeling 11 - Patiëntendossier (artt. 33-35).

De nationale raad is bereid tot verder overleg met het oog op de inwerkingtreding en uitvoering van de Kwaliteitswet en stelt zijn expertise ter beschikking, in het belang van de kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt.

Knelpunten en deontologische bekommernissen van de Orde der artsen

Betreft : wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet), artikelen die mogelijk vervroegd in werking treden op 1 januari 2022.

Hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied (artt. 2-3)

De nationale raad van de Orde der artsen is algemeen van oordeel dat de begripsomschrijving en de definities in de Kwaliteitswet voor verwarring kunnen zorgen bij het artsenkorps.

De definiëring van het begrip “risicovolle verstrekking” wordt onvoldoende uitgewerkt en is te beperkend. Er bestaan tal van andere verstrekkingen die vanuit medisch oogpunt als “risicovol” worden beschouwd, maar evenwel niet zullen worden gekwalificeerd als een “risicovolle verstrekking” overeenkomstig de definiëring van de Kwaliteitswet.

Een duidelijke definiëring van de verschillende vormen van anesthesie, in overleg met de bevoegde beroepsinstanties van artsen-specialisten in de anesthesie en reanimatie, is sterk aangewezen.

Ten slotte kan worden opgemerkt dat de Kwaliteitswet in grote mate aandacht heeft voor gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie. Deze bijzondere aandacht mag evenwel niet leiden tot de stigmatisering van deze groep. Het is vreemd dat een Kwaliteitswet met een heel ruim toepassingsgebied en vele algemene kwaliteitsvereisten, een volledig hoofdstuk wijdt aan gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie. De nationale raad is daarom van oordeel dat afdeling – Anesthesie en anxiolyse veeleer thuishoort in een nader uit te werken koninklijk besluit, in overleg met de bevoegde beroepsinstanties van artsen-specialisten in de anesthesie en de reanimatie.

Hoofdstuk 3 Vereisten inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, afdeling 1 - Diagnostische en therapeutische vrijheid (artt. 4-7)

Het is positief dat bepaalde deontologische grenzen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid via de Kwaliteitswet wettelijk worden verankerd. Zoals blijkt uit de reeds bestaande wetgeving en artikel 7 van de Code van medische deontologie, is de diagnostische en therapeutische vrijheid een gebonden, geconditioneerde vrijheid.

Voor de nationale raad zijn echter de in artikel 4 van de Kwaliteitswet genoemde criteria waardoor de gezondheidszorgbeoefenaar zich moet laten leiden, nl. relevante wetenschappelijke gegevens, zijn expertise en de voorkeuren van de patiënt niet geheel duidelijk.

De Code van medische deontologie bepaalt in de commentaar van artikel 7 dat niet de voorkeuren van de patiënt maar eerder het belang van de patiënt primeert. Vanuit deontologisch oogpunt houdt de arts rekening met de autonomie van de patiënt en wordt niet enkel de gezondheidstoestand van de patiënt in acht genomen, maar ook diens persoonlijke situatie, behoeften en voorkeuren. De Code van medische deontologie is in dit opzicht ruimer dan de Kwaliteitswet.

Hoofdstuk 3, afdeling 2 - Bekwaamheid en visum (artt. 8-11)

De nationale raad merkt in de eerste plaats op dat een duidelijk afgelijnde definitie van het begrip ‘bekwaamheid’ ontbreekt. Deze lacune kan een enorme weerslag hebben op de beroepsuitoefening van de gezondheidszorgbeoefenaars en tevens zware gevolgen teweegbrengen, bijvoorbeeld het intrekken of schorsen van hun visum.

De nationale raad vreest dat deze maatstaf aanleiding dreigt te geven tot arbitraire beoordelingen wat betreft de zorgkwaliteit. De nationale raad pleit voor een beoordeling door ‘peers’. Deze is slechts beperkt voorzien in artikel 41 van de Kwaliteitswet wat betreft de risicovolle verstrekkingen. Het is daarenboven nog geheel onduidelijk hoe deze bepaling in de praktijk zal worden ingevuld.

De memorie van toelichting bij de Kwaliteitswet koppelt dit begrip aan het criterium van de ‘goede huisvader’ maar de nationale raad merkt op dat dit gegeven reeds vroeger bestond en geen wettelijke verankering in de Kwaliteitswet behoefde.

Het begrip ‘bekwaamheid’ mag niet worden verward met het begrip ‘bevoegdheid’. De bevoegdheid is de wettelijk afgebakende machtiging om bepaalde handelingen te mogen stellen. De arts kan wettelijk bevoegd zijn om een bepaalde medische handeling te stellen, zonder hiervoor bekwaam te zijn. Ook omgekeerd kan het zijn dat een gezondheidszorgbeoefenaar de bekwaamheid bezit om een handeling uit te voeren zonder hiervoor bevoegd te zijn.

In het bijzonder dient ook aandacht te worden besteed aan het onderscheid tussen “bekwaamheid’ en ‘bevoegdheid’ in de Franstalige teksten, waar ‘compétence’ voor beide begrippen wordt gebruikt.

Verder is de nationale raad van mening dat het begrip ‘bekwaamheid’ nauw samenhangt met de continue professionele ontwikkeling en de permanente bijscholing waartoe de arts verplicht is (fitness to practise). In de artikelen 3 en 4 van de Code van medische deontologie en de commentaar op deze artikelen hamert de nationale raad op deze verplichting die essentieel is voor de zorgkwaliteit en de patiëntveiligheid. De nationale raad dringt erop aan deze kwaliteitsvereiste expliciet voor alle gezondheidszorgbeoefenaars op te nemen bij de uitvoering van de Kwaliteitswet.

Ten slotte blijkt uit de memorie van toelichting dat het portfolio een bijkomende verplichting is voor de gezondheidszorgbeoefenaar, naast het reeds bestaande systeem van accreditering. De nationale raad vraagt de concrete inhoud van deze bijkomende verplichting uit te klaren.

Met het oog op de rechtszekerheid van de gezondheidszorgbeoefenaar is het van belang dat algemene, vage begrippen worden vermeden of duidelijker worden uitgelegd. De Orde der artsen is bereid mee te werken aan duidelijke begripsomschrijvingen.

Hoofdstuk 3, afdeling 3 - Karakterisatie (artt. 12-13)

De nationale raad onderstreept dat een grondige anamnese van de patiënt voor de arts de hoeksteen uitmaakt van de deontologische houding voor een kwaliteitsvolle geneeskunde.

De nationale raad van de Orde der artsen is van mening dat de karakterisatie op zich altijd pertinent zal zijn, zelfs indien de arts gezondheidszorg verstrekt waaraan weinig risico’s zijn verbonden. Een weinig risicovolle gezondheidszorgverstrekking kan in bepaalde gevallen toch risicovol worden, omwille van de gezondheidstoestand van de patiënt. Weinig of veel risico’s kan niet het criterium zijn. Daarnaast is het niet evident voor artsen om vooraf altijd de risico’s precies te kunnen inschatten.

De nationale raad is dan ook van oordeel dat het begrip ‘pertinente’ karakterisatie beter dient te worden omschreven, ook met het oog op een beoordeling van deze verplichting die niet arbitrair kan worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 3, afdeling 4 - Omkadering (art. 14)

De nationale is verheugd dat dit deontologische principe, bepaald in artikel 8 van de Code van medische deontologie, nu ook wettelijk is verankerd. Toch blijven er onduidelijkheden en juridische onzekerheden. Zo interfereert de omkadering waartoe de gezondheidszorgbeoefenaar, bijvoorbeeld een ziekenhuisarts, gehouden is en waarvoor hij verantwoordelijk is met deze die door de instellingen wordt georganiseerd. In hoeverre geldt deze verregaande verplichting voor een ziekenhuisarts? De nationale raad pleit voor een interpretatie die strookt met de algemene zorgvuldigheidsnorm. Dit zou betekenen dat hij niet alle voorschriften zoals vastgelegd door de erkenningsnormen dient te controleren, maar enkel dient te handelen als een zorgvuldig arts die nagaat of de zorg veilig en kwalitatief kan worden verstrekt. De arts met een privépraktijk draagt echter wel alle verantwoordelijkheden inzake omkadering zoals toegelicht door de memorie van toelichting.

Verder merkt de nationale raad opnieuw op dat ook hier een heel ruim en vaag begrip wordt gehanteerd. Uit de memorie van toelichting zou kunnen worden afgeleid dat administratief personeel niet onder het toepassingsgebied valt van het begrip ‘omkadering’. De commentaar bij artikel 8 van de Code van medische deontologie stelt evenwel dat ‘de arts zich omringt met bekwame medewerkers die aandacht besteden aan hun continue opleiding en op de hoogte zijn van hun beroepsverplichtingen, onder meer op het vlak van de eerbiediging van het beroepsgeheim’. In die zin is de medische deontologie ruimer, omdat zij betrekking heeft op zowel administratief als medisch personeel.

Hoofdstuk 3, afdeling 5 - Anxiolyse en anesthesie (artt. 15-16)

De nationale raad verwijst naar zijn hoger bij de artikelen 2 en 3 van de Kwaliteitswet aangehaalde aanbevelingen. Naast de stigmatisering die kan ontstaan door de gedetailleerde kwaliteitsvereisten specifiek voor gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie, zorgt dit hoofdstuk voor verwarring bij het artsenkorps.

De commissie ‘Kwaliteitswet’ van de nationale raad raadpleegde specialisten in de materie en kwam tot de bevinding dat ook in deze afdeling van de Kwaliteitswet nog begrippen ontbreken of dienen te worden gedefinieerd, bijvoorbeeld ‘diepe sedatie’.

Algemeen is de nationale raad de mening toegedaan dat de inwerkingtreding van deze bepalingen betreffende anxiolyse en anesthesie voorafgaand grondig dient te worden overlegd met de betrokken organisaties, onder meer de Belgische beroepsvereniging van artsen specialisten in de anesthesie en de reanimatie, de Society for anesthesia and resuscitation of Belgium en de Belgian Society of Intensive Care Medicine. Deze verenigingen hebben reeds een aanzienlijk aantal richtlijnen opgesteld, waaronder de Belgian standards for patient safety in anesthesia om de veiligheid en de kwaliteit bij de toepassing van anesthesie te optimaliseren en te garanderen.

Hoofdstuk 3, afdeling 6 - Continuïteit (artt. 17-20)

De nationale raad wijst erop dat het vage begrip ‘bekwaamheid’ ook binnen de verplichting tot het garanderen van de zorgcontinuïteit een essentiële rol speelt.

De Kwaliteitswet, in tegenstelling tot de WUG, vermeldt niet dat de zorgcontinuïteit moet worden gegarandeerd door ‘een beoefenaar met dezelfde bijzondere beroepstitel’, maar door ‘een beoefenaar die behoort tot hetzelfde gezondheidszorgberoep en beschikt over dezelfde bekwaamheid’. De opstellers bevestigen in de memorie van toelichting dat ‘de gezondheidszorgbeoefenaar niet noodzakelijk over dezelfde beroepstitel moet beschikken maar wel over dezelfde bekwaamheid’. Enerzijds maakt deze verruiming of versoepeling het eenvoudiger voor de arts om te voorzien in de continuïteit van de zorg, voornamelijk binnen de weinig voorkomende specialismen. Anderzijds brengt dit een grotere verantwoordelijkheid met zich mee voor de arts. De arts moet zich ervan vergewissen dat de arts die hij aanduidt om de zorgcontinuïteit te verzekeren ‘bekwaam’ is.

Hoewel het artikel 20 van de Kwaliteitswet niet behoort tot deze artikelen die mogelijk vervroegd in werking treden op 1 januari 2022, licht de nationale raad u erover in dat hij de nieuwe bevoegdheid met betrekking tot het bewaren van de patiëntendossiers van de artsen die niet meer bij machte zijn de continuïteit van de zorg te verzekeren, voorbereidt.

De nationale raad denkt na over een haalbaar cascadesysteem voor het doorgeven van de patiëntendossiers, met de focus op een regeling voor een dossieroverdracht naar een arts met dezelfde beroepstitel en zoniet zal de nationale raad instaan voor de bewaring.

Recent ontwikkelde de Orde der artsen, op verzoek van vele artsen, een beveiligde en AVG-conforme wachtwoordkluis waardoor de toegang tot de patiëntendossiers gegarandeerd blijft zelfs wanneer een arts daar niet meer toe in staat is.

Hoofdstuk 3, afdeling 8 - Voorschrift (artt. 27-30)

De nationale raad staat achter het nieuwe concept van het groepsvoorschrift, dat de kwaliteit van de zorg ten goede kan komen.

De praktische toepassing van dit begrip dient echter nog te worden geconcretiseerd in het kader van de samenwerkingsverbanden. En ook de verantwoordelijkheden van de erin betrokken beroepsbeoefenaars dienen te worden afgelijnd.

Ten slotte mag het groepsvoorschrift geen afbreuk doen aan de vrije keuze van de patiënt.

Hoofdstuk 3, afdeling 11 - Patiëntendossier (artt. 33-35)

De nationale raad betreurt dat de Kwaliteitswet niet de verdienste heeft om de gefragmenteerde regelgeving met betrekking tot het patiëntendossier te uniformiseren. Ook dient te worden nagegaan of mogelijke lacunes, zoals bijvoorbeeld de vaccinatiestatus van de patiënt, in de opsomming in artikel 33 nog kunnen worden opgevuld.

Verder is de nationale raad van mening dat het artikel 33, 15°, van de Kwaliteitswet dat enkel geneesmiddelen met betrekking tot een operatie vermeldt, onvolledig is. Wat met andere medicatie, in het bijzonder met verslavingsgevoelige medicatie? De nationale raad onderstreept het belang en de aandacht voor de problematiek van de toxicomanie.

Verder is het volgens de nationale raad raadzaam alle ‘verwikkelingen’ (artikel 33, 16°, Kwaliteitswet) in het patiëntendossier op te nemen, ook deze die geen aanleiding hebben gegeven tot een bijkomende behandeling. De nationale raad pleit voor een transparante communicatie betreffende alle relevante incidenten die de patiënt overkomen en verwijst in dit verband naar zijn recent advies ‘Ondersteuning van het “raamwerk open disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform’ (a168023) van 20 november 2021.

De nationale raad onderstreept het belang van de beveiligde bewaring van elektronisch verwerkte gegevens die door het beroepsgeheim worden gedekt. Het risico op lekken of oneigenlijke toegang tot de gegevens dient te worden vermeden. Bij de vernietiging van het dossier dient de vertrouwelijkheid van de dossierinhoud te worden gewaarborgd.

Ten slotte, moedigt de nationale raad alle betrokkenen aan om na te denken over het ideaalbeeld bestaande uit één elektronisch dossier in de cloud, goed beveiligd en opgesteld in één uniforme software voor alle lijnen.


[1] De nationale raad onderschrijft in grote mate de studie gepubliceerd in Vansweevelt, T., et al., De Kwaliteitswet, Reeks Gezondheidsrecht 23, Brussel, Intersentia, 2020.

Relatie arts-patiënt23/04/2022 Documentcode: a169010
Huisbezoeken bij mobiele patiënten

In zijn vergadering van 23 april 2022 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen een vraag betreffende het aanvaarden van een huisbezoek voor mobiele patiënten.

De adviesaanvraag betreft consulten buiten de wachtdienst. De deontologische aanbevelingen die de nationale raad formuleerde in zijn advies ‘Wachtdienst voor huisartsgeneeskunde: Plicht tot deelname – Verplaatsing van de huisarts van wacht – Telefonische triage’ van 6 december 2008 (a123013) kunnen wat de verplaatsing van de huisarts betreft ook tijdens de normale praktijkuren worden toegepast. Hieronder vindt u enkele citaten uit dit advies.

De nationale raad onderstreept het belang van de verdere ‘bewustmaking (ook in de dagelijkse huisartsenpraktijk) van de bevolking om bij voorkeur steeds op raadpleging te gaan en het huisbezoek voor te behouden voor uitzonderlijke omstandigheden’.

Een huisarts heeft het recht de patiënt die een huisbezoek vraagt, te verzoeken om naar de raadpleging te komen. In zijn kabinet beschikt de huisarts over een betere uitrusting en een uitgebreider instrumentarium om kwaliteitsvolle zorg te verlenen. De huisarts doet er goed aan zijn patiënten vooraf hierop te wijzen. Dit kan bv. ook via een bericht op de website en/of in de wachtkamer. Dit neemt niet weg ‘dat het “huisbezoek” – naast de “raadpleging” – een essentieel en volwaardig onderdeel is van het normale geneeskundige handelen van de huisarts’.

Een huisbezoek dient te worden voorbehouden aan patiënten die zich moeilijk of niet kunnen verplaatsen. Over de beoordeling hiervan stelt de nationale raad in het genoemde advies ‘Het probleem van de ‘medische opportuniteit’ of de relevantie van de aanvraag van een huisbezoek stelt zich niet alleen bij de wachtdienst; ook bij de normale uitoefening tijdens de week wordt elke huisarts daarmee – quasi dagelijks – geconfronteerd. Het belangrijkste verschil blijft dat de huisarts de aanvraag voor eigen patiënten beter en correcter kan inschatten en beoordelen’.

In overleg met de patiënt oordeelt de huisarts bij iedere vraag over de opportuniteit en de mogelijkheid van de patiënt om zich naar de raadpleging te verplaatsen en al dan niet op huisbezoek te gaan. Zodoende kan de huisarts meer tijd vrijmaken voor de zorg voor zijn patiënten, in het bijzonder in omstandigheden of in de regio’s van het land waar door een huisartsentekort veel zorgvragen zijn. Bij praktische moeilijkheden om op raadpleging te komen zoals bv. concrete verplaatsingsproblemen kan samen naar een adequate oplossing gezocht worden.

Kwetsbare personen23/04/2022 Documentcode: a169011
Toestemming van de vertegenwoordiger van de patiënt voor het verstrekken van gezondheidszorg

De nationale raad wordt ondervraagd over de toestemming van de vertegenwoordiger van de patiënt voor het verstrekken van gezondheidszorg.

Alle patiënten hebben dezelfde rechten maar niet allen kunnen ze persoonlijk uitoefenen (jonge minderjarige, mentaal gehandicapte volwassene, patiënt in coma, enz.).

1. Wanneer een meerderjarige patiënt onbekwaam is om zijn rechten uit te oefenen, worden deze, overeenkomstig het cascadesysteem zoals bepaald door artikel 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, uitgeoefend door de vertegenwoordiger, aangeduid door de patiënt op een moment dat hij bekwaam was (zie als bijlage het advies van 19 september 2020 van de nationale raad, met als titel Inschatten van de wilsbekwaamheid van een patiënt – zorgvolmacht, a167026), ofwel door de bewindvoerder van de persoon aangewezen door de vrederechter (art. 492/1 van het Burgerlijk Wetboek), ofwel door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de feitelijk samenwonende partner of, indien deze niet optreedt, in opeenvolgende volgorde, een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus van de patiënt. Bij gebreke, is het de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, die de belangen van de patiënt behartigt. Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee of meer personen die gemachtigd zijn de patiënt te vertegenwoordigen (artikel 14, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt).

De meerderjarige patiënt die wilsonbekwaam is, wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn begripsvermogen. Het feit dat hij een vertegenwoordiger heeft die zijn rechten uitoefent, onder meer om ingelicht te worden, neemt niet weg dat er hem persoonlijk aangepaste informatie wordt gegeven.

Indien de patiënt, toen hij nog in staat was zijn rechten uit te oefenen, schriftelijk te kennen gaf zijn toestemming tot een welomschreven tussenkomst te weigeren, dient deze weigering te worden geëerbiedigd zolang de patiënt ze niet herroept op een moment dat hij in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen (artikel 8, §4, lid 4, van de wet betreffende de rechten van de patiënt).

2. Wanneer de patiënt minderjarig is, worden zijn rechten als patiënt, waaronder het recht om toe te stemmen in de zorg na informatie te hebben gekregen, uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd. De minderjarige patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. Wanneer de arts meent dat de minderjarige patiënt in voorkomend geval in staat is tot een redelijke beoordeling van zijn belangen, kan hij zijn rechten zelfstandig uitoefenen.

3. In het belang van de minderjarige of meerderjarige onbekwame patiënt en, teneinde een bedreiging van diens leven of een ernstige aantasting van diens gezondheid af te wenden, wijkt de arts, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de wil van de vertegenwoordiger (een motivering toevoegen in het dossier) (artikel 15, §2, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt). De arts speelt dus een fundamentele rol in de bescherming en de eerbiediging van de kwetsbare persoon in de context van de zorg die hem wordt verstrekt.

In een spoedgeval en bij onzekerheid over de wil van de patiënt of van zijn vertegenwoordiger, voert de arts iedere noodzakelijke tussenkomst uit in het belang van de patiënt (melding plaatsen in het dossier) (artikel 8, §5, van de wet betreffende de rechten van de patiënt).

De arts moet altijd de meest gepaste ingreep kiezen op basis van de behoeftes en het belang van de patiënt, zonder te zwichten voor externe druk.

4. In het algemeen legt de wet niet op dat de toestemming wordt geformaliseerd. In geval van betwisting, kan het bewijs ervan op om het even welke wijze worden geleverd (brief van de behandelend arts, getuigenis, formulier van geïnformeerde toestemming, enz.). Het getuigt van voorzichtig handelen om in het dossier van de patiënt te vermelden welke belangrijke informatie aan hem en aan zijn vertegenwoordiger is gegeven, door wie en op welke datum, en ook eventuele communicatieproblemen. Het belangrijkste is niet te zoeken naar een perfect bewijs, maar ervoor te zorgen dat de patiënt of zijn vertegenwoordiger de informatie goed heeft begrepen en geassimileerd en in staat is geweest vrij toestemming te verlenen.

5. Wanneer een arts vaststelt dat een patiënt onbekwaam is om een geïnformeerde toestemming te geven voor een zorghandeling die hij hem voorstelt uit te voeren en de patiënt vergezeld is van een persoon die niet zijn vertegenwoordiger is, is het aan de arts in het voorkomend geval te oordelen of hij rechtmatig kan aannemen dat de toestemming werd gegeven, onder meer rekening houdend met de woorden van de begeleider, zijn nauwe relatie met de patiënt en zijn vertegenwoordiger, het voorschrift voor het onderzoek door de confrater, de pathologie waaraan hij lijdt, de aard van de te verrichten medische handeling (ernst, onomkeerbaarheid, spoedeisend karakter, enz.), en de andere elementen waarover hij beschikt (toestemmingsformulier, enz.).

In geval van moeilijkheden, komt het hem toe de nodige stappen te ondernemen om zich te verzekeren van de geïnformeerde toestemming van de vertegenwoordiger. Het belang van de kwetsbare patiënt om kwaliteitszorg te ontvangen, vereist dat zorgvuldig en doeltreffend wordt opgetreden om hem de noodzakelijke zorg niet te onthouden. De samenwerking en de vertrouwensrelatie met de andere leden van het verzorgend team of van de sociale hulpdienst zijn van fundamenteel belang om ervoor te zorgen dat deze patiënten de beste zorg krijgen.

Documentatie :

  • Advies van 18 september 2009 van de Federale commissie “Rechten van de patiënt” inzake de mededeling van informatie over de gezondheidstoestand van minderjarigen
  • Advies van 18 maart 2011 van de Federale commissie “Rechten van de patiënt” betreffende de toepassing van artikel 8 van de wet betreffende de rechten van de patiënt in de sector van de geestelijke gezondheidszorg of het recht van de patiënt om voorafgaandelijk geïnformeerd, en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar
Euthanasie25/03/2022 Documentcode: a169006
Euthanasie in de woonzorgcentra

In zijn vergadering van 19 maart 2022 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht in welke mate de directie van een woonzorgcentrum mag worden betrokken bij de uitvoering van euthanasie bij één van zijn bewoners.

De arts is gehouden tot het beroepsgeheim bij elke medische tussenkomst.[1] De arts mag de directie van het woonzorgcentrum waar de patiënt verblijft dus niet bevragen of inlichten over het verzoek van de patiënt tot euthanasie of het verloop van de euthanasieprocedure.

De arts moet evenwel vooraf en in alle gevallen het verzoek van de patiënt bespreken met het verplegend team dat regelmatig in contact staat met de patiënt.[2] De arts die de beslissing neemt zal desgevallend een beter inzicht krijgen in de globale medische situatie van de patiënt. Het eventueel advies van de leden van het verplegend team is niet-bindend.

Om organisatorische redenen kan het soms onvermijdelijk en noodzakelijk zijn dat de directie van het woonzorgcentrum op de hoogte wordt gebracht van de datum van de daadwerkelijke uitvoering van de euthanasie. De directie kan zich niet verzetten tegen deze uitvoering, noch heeft zij enige rol in de oordeelsvorming. Wel heeft elk individueel lid van het verzorgend team het recht zijn medewerking bij de uitvoering van de euthanasie te weigeren (op basis van een gewetensclausule).

Indien de arts bij de uitvoering van de euthanasie technische assistentie behoeft en er in het woonzorgcentrum geen verzorgend personeel is met de nodige kennis/ervaring of bereid de arts bij te staan, dient hij de hulp in te roepen van een externe deskundige of organisatie.


[1] Art. 458 Strafwetboek, art. 25, Code van medische deontologie

[2] Art. 3, §2, 4°, wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

Provinciale Geneeskundige Commissie19/03/2022 Documentcode: a169007
Aanwezigheid van een raadsman en een andere gezondheidszorgbeoefenaar tijdens het deskundigenonderzoek ingesteld door de provinciale geneeskundige commissie

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 maart 2022 onderzocht of een arts zich mag laten bijstaan door een raadsman en/of een gezondheidszorgbeoefenaar (bijstandsgezondheidszorgbeoefenaar) tijdens een deskundigenonderzoek betreffende zijn fysieke of psychische geschiktheid, ingesteld door een provinciale geneeskundige commissie overeenkomstig artikel 119, §1, 2°, b) van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

De arts heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundige te onttrekken.[1] De arts dient zich te onderwerpen aan het onderzoek dat de deskundigen menen te moeten verrichten.[2]

Indien tijdens het deskundigenonderzoek wordt vastgesteld dat de arts niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheid om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten, kan de provinciale geneeskundige commissie het visum van de arts intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van de aanvaarding door de betrokken arts van opgelegde beperkingen.[3] Dit betekent dat een ongunstige beslissing aanleiding geeft tot een beperking van de rechtsbekwaamheid van de betrokken arts, met name een ontzetting uit het recht zijn beroep uit te oefenen, al dan niet gedeeltelijk.

Gelet op de mogelijke ernstige gevolgen aangaande de burgerlijke rechten van de betrokken arts, moeten de procedurele waarborgen van het deskundigenonderzoek en het recht van verdediging worden gerespecteerd, onder meer door de aanwezigheid van een raadsman of een gezondheidszorgbeoefenaar (bijstandsgezondheidszorgbeoefenaar), onverminderd de rechten zoals bepaald door de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Er dient evenwel opgemerkt dat de aanwezigheid van een raadsman storend kan zijn voor de relatie tussen de deskundige en de te onderzoeken arts, in het bijzonder wanneer het gaat om een psychiatrisch onderzoek. Het is aangewezen dat de raadsman een passieve houding aanneemt.

Idealiter, vanuit het oogpunt van de kwaliteit van het psychiatrisch deskundigenonderzoek, vindt het onderzoek plaats in een een-op-een relatie tussen de deskundige en de betrokken arts, eventueel in de aanwezigheid van een andere gezondheidszorgbeoefenaar (bijstandsgezondheidszorgbeoefenaar).

Indien de deskundige van oordeel is dat het onderzoek belemmerd wordt door de aanwezigheid van een raadsman, dient hij dit neer te schrijven in het rapport. De provinciale geneeskundige commissie kan daaruit de conclusies trekken die zij geraden acht.


[1] Art. 119, §1, 2°, b), tweede lid, gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen

[2] Art. 17, koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies

[3] Art. 119, §1, 2°, b), eerste lid, gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen

Euthanasie19/02/2022 Documentcode: a169002
Deontologische richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening – Actualisering advies van de nationale raad van 27 april 2019

In zijn vergadering van 19 februari 2022 heeft de nationale raad zijn richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening geactualiseerd.

Dit advies vervangt het advies van 27 april 2019 (a165002).

  1. Inleiding

Deze adviestekst met deontologische richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening (hierna “euthanasie bij psychiatrische patiënten”), kwam tot stand binnen de commissie Euthanasie van de nationale raad van de Orde der artsen. De commissie heeft zich onder meer gebaseerd op de adviestekst “Hoe omgaan met een euthanasieverzoek in psychiatrie binnen het huidig wettelijk kader?” van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie (hierna “VVP”). Daarnaast werd ook het advies ingewonnen van haar Franstalige tegenhanger, de Société Royale de Médecine Mentale de Belgique (hierna de “SRMMB”).

De wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (hierna “Euthanasiewet”) bepaalt dat euthanasie bij psychiatrische patiënten mogelijk is, mits het naleven van bepaalde voorwaarden. De nationale raad is evenwel van mening dat het uitvoeren van euthanasie bij psychiatrische patiënten, omwille van de specifieke problematiek van deze patiënten, met zeer grote omzichtigheid moet gebeuren.

Dit advies voegt aan de Euthanasiewet enkele deontologische richtlijnen toe als leidraad voor de artsen bij het verzoek en de toepassing van euthanasie bij psychiatrische patiënten. De richtlijnen geven een deontologische interpretatie aan de wettelijke voorwaarden of voegen gedragsregels toe aan de bestaande wetgeving.

  1. Deontologische richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij psychiatrische patiënten
  1. Overleg tussen minstens drie artsen

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts die euthanasie toepast bij een patiënt die kennelijk niet binnen afzienbare tijd zal overlijden, twee artsen moet raadplegen, die inzage nemen van het medisch dossier, de patiënt onderzoeken en zich moeten vergewissen van het aanhoudende en ondraaglijke fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden. De eerste geraadpleegde arts moet bevoegd zijn om over de aandoening in kwestie te oordelen. De tweede geraadpleegde arts moet een psychiater zijn of een specialist in de aandoening in kwestie. Beide geraadpleegde artsen zijn onafhankelijk ten opzichte van de patiënt en de behandelende arts en stellen een verslag op van hun bevindingen. De behandelende arts brengt de patiënt hiervan op de hoogte.

Een psychiatrische aandoening op zichzelf resulteert meestal niet in het overlijden van de patiënt binnen afzienbare tijd. De arts die euthanasie overweegt bij psychiatrische patiënten zal dus in de praktijk steeds twee artsen raadplegen. Minstens twee van de drie artsen die bij de euthanasie betrokken zijn, dienen psychiaters te zijn.

De nationale raad is van mening dat de arts die euthanasie overweegt bij psychiatrische patiënten nog een stap verder dient te gaan en moet vergaderen met de geraadpleegde artsen, waarbij elke arts zijn standpunten zo objectief mogelijk uitlegt. Een schriftelijke neerslag van het overleg wordt genoteerd in het medisch dossier.

Het is aangewezen dat bij dit overleg rekening wordt gehouden met de bevindingen van de zorgverleners die regelmatig in contact staan met de psychiatrische patiënt.

De nationale raad stelt voor dat het RIZIV voorziet in een terugbetaling van dergelijk fysiek overleg, onder de noemer “Multidisciplinair Euthanasie Consult” (MEC), naar analogie met het “Multidisciplinair Oncologisch Consult” (MOC) binnen de specialisatie van de oncologie.

  1. De patiënt is uitbehandeld

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts die euthanasie bij psychiatrische patiënten overweegt zich ervan moet verzekeren dat de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening.

Het bepalen van de ongeneeslijkheid en/of de uitzichtloosheid van een psychiatrische aandoening is een complexe opdracht voor de arts, temeer door de significante comorbiditeit en de grotere zelfdodingsincidentie. De psychiatrische aandoening op zich zal slechts zelden aanleiding geven tot het overlijden van de patiënt en de uiteindelijke evolutie van de aandoening is moeilijk in te schatten. Toch kan er sprake zijn van ongeneeslijkheid of uitzichtloosheid omdat er bij bepaalde psychiatrische patiënten steevast geen uitzicht is op een positieve evolutie van hun gezondheidstoestand.

De arts die vaststelt dat de patiënt lijdt aan een ongeneeslijke en uitzichtloze psychiatrische aandoening, moet zich ervan verzekeren dat de patiënt is uitbehandeld. Dit betekent dat de patiënt alle mogelijke evidence-based behandelingen voor zijn aandoening heeft gehad. Wanneer de psychiatrische patiënt voor bepaalde evidence-based behandelingen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op weigering, kan de arts geen euthanasie toepassen.

De arts moet hierbij een zekere redelijkheid aan de dag leggen. Hij mag niet vervallen in een therapeutische hardnekkigheid. Het redelijk aantal te volgen behandelingen is begrensd. Het is de bedoeling dat de arts ervan overtuigd is dat er voor de situatie waarin de patiënt zich bevindt, vanuit een objectief medisch-psychiatrisch perspectief, geen redelijke behandeling meer is die het lijden van de patiënt kan verlichten.

  1. Een ziekteproces van jaren

De Euthanasiewet bepaalt dat, indien de arts van oordeel is dat de patiënt kennelijk niet binnen afzienbare tijd zal overlijden, hij minstens één maand moet laten verlopen tussen het schriftelijke verzoek van de patiënt en het toepassen van de euthanasie.

Daarnaast bepaalt de Euthanasiewet dat de arts zich moet verzekeren van het aanhoudende fysiek of psychisch lijden van de patiënt en van het duurzaam karakter van zijn verzoek. Daartoe voert de arts gesprekken met de patiënt die, rekening houdend met de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van de patiënt, over een redelijke periode worden gespreid.

De nationale raad is van mening dat de arts zich slechts kan verzekeren van het duurzaam karakter van het verzoek van de psychiatrische patiënt indien de patiënt wordt opgevolgd gedurende een voldoende langdurige periode. De evolutie van de gezondheidstoestand van de psychiatrische patiënt is vaak onvoorspelbaar. De initieel uitzichtloze gezondheidssituatie kan aanzienlijk veranderen na verloop van tijd en mits de toepassing van een gepast zorgtraject. Het is thans niet aanvaardbaar om het verzoek tot euthanasie van de psychiatrische patiënt in te willigen op basis van het feit dat er een wettelijke termijn van één maand is verlopen na het schriftelijke verzoek, zonder dat deze patiënt een behandeltraject heeft gevolgd, gespreid over een langdurige periode.

  1. De naasten betrekken bij het proces

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts vooraf en in alle gevallen, indien de patiënt dit wenst, het verzoek moet bespreken met zijn naasten die hij aanwijst.

De arts moet de patiënt aansporen zijn familie en naasten bij het proces te betrekken, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen.

De nationale raad is zich bewust van het feit dat hierdoor conflicten kunnen ontstaan tussen enerzijds de autonomie van de patiënt en anderzijds het belang van de familie en/of de maatschappij. De arts heeft evenwel niet enkel plichten ten aanzien van de patiënt, maar ook ten aanzien van derden die ernstig kunnen geschaad worden door het verzoek van de patiënt. Het ondersteunen van derden en het beschermen van de maatschappij is onlosmakelijk verbonden met de problematiek van het uitvoeren van euthanasie bij psychiatrische patiënten.

Daarnaast is het betrekken van de naasten ook van belang voor de wettelijke beoordeling of het verzoek al dan niet tot stand kwam als gevolg van externe druk. De nationale raad onderschrijft hiervoor de tekst “Hoe omgaan met een euthanasieverzoek in psychiatrie binnen het huidig wettelijk kader” van de VVP, die zich gebaseerd heeft op de Nederlandse “Richtlijn verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis”.

  1. De patiënt is handelingsbekwaam en bewust

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts die euthanasie toepast, geen misdrijf pleegt wanneer hij zich ervan verzekerd heeft dat de patiënt handelingsbekwaam en bewust was op het ogenblik van zijn verzoek.

Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de handelingsbekwaamheid en de feitelijke bekwaamheid van de patiënt.

De handelingsbekwaamheid van een persoon is een juridisch begrip. Het is meestal de vrederechter die, mede met de hulp van een arts, zal bepalen of een persoon handelingsonbekwaam is en welke rechtshandelingen deze bijgevolg niet meer kan stellen. De arts die euthanasie toepast, moet nagaan of er op de patiënt die een euthanasieverzoek indient dergelijke juridische beschermingsmaatregel van toepassing is.

De feitelijke bekwaamheid, ook wel de wilsbekwaamheid of het zich bewust zijn van de handelingen die men stelt, is een feitelijke situatie waarover de arts die euthanasie toepast, moet oordelen. Bij psychiatrische patiënten is deze beoordeling niet evident omdat een psychiatrische stoornis de wilsbekwaamheid van de patiënt kan aantasten. Een psychiatrische stoornis impliceert evenwel niet automatisch dat de patiënt geen weloverwogen en geldig euthanasieverzoek kan formuleren.

Voor de beoordeling door de arts of de patiënt al dan niet wilsbekwaam is, onderschrijft de nationale raad de tekst “Hoe omgaan met een euthanasieverzoek in psychiatrie binnen het huidig wettelijk kader” van de VVP, die zich gebaseerd heeft op de Nederlandse “Richtlijn verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis”.

  1. Doorverwijzen indien de arts de uitvoering van euthanasie weigert

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts niet kan worden gedwongen euthanasie toe te passen.[1]

Weigert de geraadpleegde arts op grond van zijn gewetensvrijheid euthanasie toe te passen, dan moet hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig en ten laatste binnen zeven dagen na de eerste formulering van het verzoek laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht en de patiënt of de vertrouwenspersoon doorverwijst naar een andere door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.[2]

Weigert de geraadpleegde arts euthanasie toe te passen op een medische grond, dan dient hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig te laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht. In dat geval wordt die medische grond opgetekend in het medisch dossier van de patiënt.[3]

De arts die weigert in te gaan op een euthanasieverzoek moet de patiënt of de vertrouwenspersoon in elk geval de contactgegevens bezorgen van een centrum of een vereniging die in euthanasierecht is gespecialiseerd. Hij moet binnen de vier dagen volgend op de vraag van de patiënt of de vertrouwenspersoon, het medisch dossier van de patiënt bezorgen aan de door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.[4],[5]

In de ziekenhuizen is het aangewezen een persoon aan te duiden die kennis heeft van het euthanasierecht en informatie over de wettelijke voorwaarden kan meedelen aan de patiënt.

  1. Besluit

Met deze adviestekst stelt de nationale raad een leidraad op met deontologische richtlijnen opdat de vraag naar euthanasie bij psychiatrische patiënten zou worden geëvalueerd met de grootste omzichtigheid.

De tekst is niet-exhaustief en kan evolueren in de tijd. Derhalve zal de commissie Euthanasie van de nationale raad van de Orde der artsen zich de komende jaren blijven buigen over de problematiek.


[1]Art. 14, tweede lid, Euthanasiewet.

[2]Art. 14, vijfde lid, Euthanasiewet.

[3]Art. 14, zesde lid, Euthanasiewet.

[4]Art. 14, zevende lid, Euthanasiewet.

[5]cf. ook ‘Deontologische doorverwijsplicht bij weigering van toepassing van euthanasie – Advies van de nationale raad van 6 mei 2017 (advies NR, 16 september 2017, a158004)

Consent (Fully Informed-)19/02/2022 Documentcode: a169001
Toepassing van euthanasie - Psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie

In zijn vergadering van 19 februari 2022 heeft de nationale raad de problematiek besproken inzake de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie en kennelijk niet binnen afzienbare tijd zullen overlijden.

1. Inleiding

Dit advies heeft tot doel richtlijnen te formuleren om artsen te ondersteunen in het zorgvuldig handelen bij de toepassing van euthanasie, in het bijzonder in complexe situaties waarbij er rechtsonzekerheid bestaat over de toepassing ervan omwille van mogelijke verschillen in interpretatie over de ernst en onomkeerbaarheid van de medische toestand. Het geactualiseerde advies van de nationale raad van 19 februari 2022 “Deontologische richtlijnen voor de toepassing van euthanasie bij patiënten die psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening”, kan niet zonder meer worden aangewend in situaties van psychisch lijden ten gevolge van somatische aandoeningen of polypathologie.

2. De wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en het Advies van het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek nr. 73 van 11 september 2017

In het geval van een euthanasievraag dient de arts te oordelen of er is voldaan aan de voorwaarden zoals bepaald door de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (hierna: Euthanasiewet).

De arts moet zich met name ervan vergewissen dat ‘de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening’[1].

Dit vergt een interpretatie van de wettelijke voorwaarden, die, in uitzonderlijke gevallen, vatbaar kan zijn voor discussie.

Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek publiceerde het Advies nr. 73 van 11 september 2017 betreffende euthanasie in geval van niet-terminale patiënten, psychisch lijden en psychiatrische aandoeningen, dat meerdere, voor onderstaande deontologische richtlijnen van de Orde der artsen zeer relevante elementen bevat.

Niettegenstaande een aantal onopgeloste discussiepunten bevat dit uitgebreide advies een consensus

(1) dat enkel lijden dat voldoet aan de voorwaarde dat het het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening, een wettelijke grond voor euthanasie kan vormen;

(2) dat het tot de verantwoordelijkheid van de arts behoort om te oordelen over de ongeneeslijkheid van de ernstige door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening; en

(3) dat, daarentegen, de beoordeling of het fysiek of psychisch lijden al dan niet aanhoudend en ondraaglijk is, bij de patiënt ligt.’[2]

De Euthanasiewet[3] verwijst ook naar de voorwaarde dat het ‘lijden niet gelenigd kan worden’, om te bepalen of een patiënt zich in een medisch uitzichtloze situatie bevindt.

De interpretatie van het criterium ‘niet-lenigbaarheid’ van het lijden en de vraag of de arts dan wel de patiënt beslist of het lijden al dan niet lenigbaar is, zijn voor discussie vatbaar.

In ieder geval vereist de vaststelling van het (on)lenigbare karakter van het lijden ‘een diepgaande en constante dialoog tussen de patiënt en diens arts’[4].

Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek stelt dat ‘levensmoeheid zonder medische grondslag niet voldoet aan de vereisten van art. 3(1) van de wet en dus geen wettelijk aanvaardbare grond kan vormen voor de uitvoering van euthanasie’[5]. De Euthanasiewet bepaalt dat het ondraaglijk lijden het gevolg dient te zijn van een aandoening veroorzaakt door ziekte of ongeval. Ook al is het lijden van heel wat patiënten een combinatie van medische problemen en psychosociale problemen, zoals eenzaamheid, verlatenheid of een nutteloos gevoel, het zijn de medische problemen die de oorzaak moeten zijn van het aanhoudend en ondraaglijk lijden.[6]

Wat betreft polypathologie als grondslag voor euthanasie, zijn alle leden van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek van mening ‘dat sommige vormen van polypathologie – d.i. de aanwezigheid van meerdere aandoeningen - een medische grondslag kunnen zijn om een euthanasieverzoek in aanmerking te nemen onder de voorwaarde dat de ondraaglijkheid én de medische uitzichtloosheid én de niet-lenigbaarheid van het lijden van de betrokkene veroorzaakt worden door de polypathologie in kwestie’.[7]

3. Deontologische richtlijnen

De nationale raad is van oordeel dat de volgende deontologische richtlijnen voor zorgvuldig handelen kunnen helpen om juridische conflicten te voorkomen.

Bij de behandeling van een patiënt met polypathologie moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan het psychische lijden ten gevolge van de somatische aandoeningen.

3.1. Overleg tussen artsen, minstens een psychiater

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts die euthanasie uitvoert een andere arts moet raadplegen die bevoegd is om over de aandoening in kwestie te oordelen.[8]

De medische situaties die aanleiding geven tot discussies over de interpretatie van de wettelijke voorwaarden hebben altijd te maken met aandoeningen waarvan de arts verwacht dat de patiënt niet binnen afzienbare tijd zal overlijden. In dat geval bepaalt de Euthanasiewet dat de arts een bijkomende arts (‘tweede arts’ genoemd in de wet) moet raadplegen, die psychiater is of specialist in de aandoening in kwestie.[9]

Het is deontologisch raadzaam steeds een psychiater te betrekken bij de toepassing van euthanasie bij patiënten bij wie psychisch lijden ten gevolge van een of meerdere somatische aandoeningen of polypathologie een belangrijke rol speelt in de euthanasievraag.

Indien ‘de tweede’ geraadpleegde arts een specialist is in de aandoening in kwestie, maar geen psychiater, zoals bij wet is toegelaten, is het deontologisch aangewezen een derde arts te raadplegen, die psychiater is.

De geraadpleegde artsen moeten volgens de wet een verslag opstellen van hun bevindingen, dat wordt toegevoegd aan het medisch dossier.

Deontologisch is het aangewezen dat de derde geraadpleegde arts ook een verslag opstelt.

Daarbij acht de nationale raad het wenselijk dat er naast de loutere raadpleging met schriftelijk verslag ook een overleg plaatsvindt tussen de betrokken artsen.

De nationale raad herhaalt zijn vraag aan het RIZIV om te voorzien in een terugbetaling van dergelijk overleg onder de noemer van een Multidisciplinair Euthanasie Consult (MEC).

3.2. Tijdspanne tussen het verzoek en de uitvoering van euthanasie

De Euthanasiewet bepaalt dat, indien de arts van oordeel is dat de patiënt kennelijk niet binnen afzienbare tijd zal overlijden, hij minstens één maand moet laten verlopen tussen het schriftelijke verzoek van de patiënt en het toepassen van de euthanasie.[10]

In het geval van psychisch lijden ten gevolge van polypathologie kunnen de inhoudelijke voorwaarden[11] van de Euthanasiewet in vele gevallen vervuld zijn, waarbij de wettelijke termijn van één maand als voorwaarde kan volstaan.

Dit betekent echter niet dat er geen twijfel of discussie kan zijn. In geval van een polypathologie zal de arts nagaan of er geen symptomatische behandelingen meer mogelijk zijn die het lijden onder de onlenigbare grens zouden kunnen terugbrengen. De arts kan oordelen dat er voor één of meerdere van de aandoeningen nog een bijkomende zinvolle behandeling bestaat. In de praktijk gebeurt het dat de volledige procedure meer tijd in beslag neemt dan de wettelijk opgelegde termijn van één maand. De arts probeert zorgvuldig met de patiënt te blijven overleggen en hem mogelijk te overtuigen zich te laten behandelen, ook al heeft hij andere niet te lenigen aandoeningen die als ongeneeslijk kunnen worden gekwalificeerd. De arts moet hierbij een zekere redelijkheid aan de dag leggen en mag niet vervallen in een therapeutische hardnekkigheid.

3.3. De naasten betrekken bij het proces

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts vooraf en in alle gevallen, indien de patiënt dit wenst, het verzoek van de patiënt moet bespreken met zijn naasten die hij aanwijst.[12]

Indien de patiënt dit niet wenst, moet de weigering worden opgetekend in zijn medisch dossier. Indien de arts dit opportuun acht, mag hij ook de weigeringsredenen van de patiënt noteren in het medisch dossier.

De nationale raad is zich bewust van het feit dat hierdoor conflicten kunnen ontstaan tussen enerzijds de autonomie van de patiënt en anderzijds het belang van de familie en/of de maatschappij. Het is de deontologische plicht van de arts om derden te ondersteunen die ernstig geschaad kunnen worden door het verzoek van de patiënt, ter vrijwaring van het algemeen vertrouwen van de maatschappij in het artsenkorps.

3.4. Doorverwijzen indien de arts de uitvoering van euthanasie weigert

De Euthanasiewet bepaalt dat de arts niet kan worden gedwongen euthanasie toe te passen.[13]

Artikel 14 van de Euthanasiewet bepaalt verder :

‘Weigert de geraadpleegde arts op grond van zijn gewetensvrijheid euthanasie toe te passen, dan moet hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig en ten laatste binnen zeven dagen na de eerste formulering van het verzoek laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht en de patiënt of de vertrouwenspersoon doorverwijst naar een andere door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.’[14]

‘Weigert de geraadpleegde arts euthanasie toe te passen op een medische grond, dan dient hij dit de patiënt of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig te laten weten, waarbij hij de redenen van zijn weigering toelicht. In dat geval wordt die medische grond opgetekend in het medisch dossier van de patiënt.’[15]

‘De arts die weigert in te gaan op een euthanasieverzoek moet de patiënt of de vertrouwenspersoon in elk geval de contactgegevens bezorgen van een centrum of een vereniging die in euthanasierecht is gespecialiseerd, alsook, op vraag van de patiënt of de vertrouwenspersoon, binnen vier dagen volgend op die vraag, het medisch dossier van de patiënt bezorgen aan de door de patiënt of door de vertrouwenspersoon aangewezen arts.’[16],[17]

In de ziekenhuizen is het aangewezen een persoon aan te duiden die kennis heeft van het euthanasierecht en informatie over de wettelijke voorwaarden kan meedelen aan de patiënt.


[1] Art. 3, §1, derde streepje, Euthanasiewet.

[2]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73 van 11 september 2017 betreffende euthanasie in geval van niet-terminale patiënten, psychisch lijden en psychiatrische aandoeningen (hierna Advies nr. 73), p. 60.

[3]Art. 3, §1, Euthanasiewet.

[4]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 41.

[5]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, pp. 60 en 53.

[6] Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 53.

[7]Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, Advies nr. 73, p. 52.

[8]Art. 3, §2, 3°, Euthanasiewet.

[9]Art. 3, §3, 1°, Euthanasiewet.

[10]Art. 3, §3, 2°, Euthanasiewet.

[11]i.e. een medisch uitzichtloze toestand van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden en het gevolg is van een ernstige of ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening.

[12]Art. 3, §2, 5°, Euthanasiewet.

[13]Art. 14, tweede lid, Euthanasiewet.

[14]Art. 14, vijfde lid, Euthanasiewet.

[15]Art. 14, zesde lid, Euthanasiewet.

[16]Art. 14, zevende lid, Euthanasiewet.

[17]cf. ook ‘Deontologische doorverwijsplicht bij weigering van toepassing van euthanasie – Advies van de nationale raad van 6 mei 2017 (advies NR, 16 september 2017, a158004).

Discipline19/02/2022 Documentcode: a169003
Beleidsvisie inzake wellwillendheidsattesten

De nationale raad bestudeerde in zijn vergadering van 19 februari 2022 het toenemend probleem van het foutief of vals opstellen van medische documenten. De aanleiding is het stijgend aantal klachten bij de provinciale raden over kwestieuze medische attesten en de recente undercoverreportage[1] waarin werd aangetoond dat een groot aantal artsen inging op de vraag naar welwillendheidsattesten.

Ondanks de recente herhaling van de principes die gelden bij het opstellen van medische documenten in de nieuwe Code van medische deontologie[2] en in het advies van de nationale raad van 19 september 2020[3], blijven artsen attesten opstellen die niet stroken met de medische deontologie. Het afleveren van kwestieuze attesten haalt de geloofwaardigheid van de individuele arts en het vertrouwen in het gehele artsenkorps onderuit. Bovendien kan de patiënt nadeel ondervinden bij het verwerven van sociale of andere voordelen indien de instantie twijfelt aan de waarachtigheid van deze medische documenten.

Om deze redenen, heeft de Orde een actieplan opgesteld, dat steunt op drie pijlers: preventie, controle en tuchtrechtelijke handhaving.

Wat de preventie betreft, zullen de decanen van de faculteiten geneeskunde worden aangeschreven om het maatschappelijke belang van medische attesten te benadrukken in de master geneeskunde en de master na masteropleiding. Ook de lokale kwaliteitsgroepen (LOK) zullen worden verzocht de materie op te frissen in hun bijscholingen. Om het actieplan te ondersteunen, wordt voor de artsen als bijlage een affiche ter beschikking gesteld, die kan worden uitgehangen in de wachtzaal en waarin zowel de patiënt als de arts op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gewezen. Digitaal lesmateriaal wordt beschikbaar gesteld voor het onderwijs en de bijscholingsactiviteiten.

Wat de controle en de handhaving betreft, zullen de artsen die valse attesten opstellen ter verantwoording worden geroepen door de bevoegde provinciale raden om hen te wijzen op het maatschappelijke belang van medische documenten. Het opstellen van attesten dat niet strookt met de medische deontologie betreft een deontologische inbreuk en kan het voorwerp uitmaken van een disciplinaire sanctie.

Bijlage 1 : affiche in het Nederlands

Bijlage 2 : Medische attesten - digitaal lesmateriaal


[1] Reportage “Factcheckers” van 15 februari 2022 op één, VRT

[2]https://ordomedic.be/nl/code-2...

[3] https:/ordomedic.be/nl/adviezen/attesten/getuigschrift/opstellen-van-medische-documenten-principes-en-aanbevelingen

Honoraria11/12/2021 Documentcode: a168029
Ereloon – onduidelijkheden voor patiënten

In zijn vergadering van 11 december 2021 nam de nationale raad kennis van onduidelijkheden bij patiënten omtrent de inning van het ereloon door hun arts na een consultatie.

Tientallen patiënten hadden zich in een consumentenprogramma op de openbare omroep beklaagd omdat ze enkele euro’s meer dienden te betalen dan het vermelde bedrag op het ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp. De patiënten voelden zich hierdoor bedrogen en gaven aan dat het vertrouwen in hun arts hierdoor geschonden was. Zij vroegen zich af waar ze duidelijke informatie over de terugbetaling en inning van medische prestaties konden raadplegen en waar ze aangifte konden doen van onregelmatigheden.

De nationale raad betreurt de aangekaarte wantoestanden en herinnert aan het artikel 33 van de Code van medische deontologie dat stelt: “De arts bepaalt zijn ereloon correct en op basis van de werkelijk geleverde prestaties. De arts informeert de patiënt vooraf duidelijk over de bepaling van zijn ereloon”.

De nationale raad benadrukt dat het voor het vertrouwen, dat de basis vormt van een goede arts-patiëntrelatie, noodzakelijk is dat de arts de patiënt voorafgaandelijk inlicht over het ereloon en de inning op een correcte manier uitvoert.

Er rijzen nog vele onduidelijkheden over het gebruik van het getuigschrift voor verstrekte hulp en het bijhorende ontvangstbewijs, niet in het minst omwille van de vele omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voordoen (conventiestatus van de arts, bijzondere eisen van de patiënt, al of niet toepassing van de derdebetalersregeling, directe of uitgestelde inning, enz.). De exacte modaliteiten zijn terug te vinden op

https://www.medattest.be/site/nl/applications/Riziv/content/help.html

onder de rubriek E3.

Indien patiënten klachten hebben over het financieel aspect van de zorgverlening kunnen ze terecht bij de provinciale raad van inschrijving van de arts* of bij de federale ombudsdienst “Rechten van de patiënt”** voor de ambulante zorgsector of bij de ombudsdienst van het ziekenhuis waar de prestatie plaatsvond.

* https://ordomedic.be/nl/provinciale-raden/provinciale-raden

** Federale ombudsdienst “Rechten van de patiënt”:

Nederlandstalige federale Ombudspersoon

Tel. : 02/524.85.20; Fax: 02/524.85.38

E-mail: bemiddeling-patientenrechten@health.fgov.be

Medisch dossier11/12/2021 Documentcode: a168026
Medisch document nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven ingevuld door een behandelend arts

In zijn vergadering van 11 december 2021, heeft de nationale raad van de Orde der artsen onderzocht of het in overeenstemming is met de medische deontologie dat een behandelend arts een medisch document invult nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven.

De medische deontologie verbiedt om de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de beoordeling van de gezondheidstoestand van eenzelfde patiënt gelijktijdig uit te voeren wanneer deze aanvraag uitgaat van een derde (artikel 43 van de Code van medische deontologie).

Wanneer het de patiënt is die het hem vraagt, kan de behandelend arts aanvaarden de medische documenten in te vullen nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven (levensverzekering, schuldsaldoverzekering, gewaarborgd loon).

De behandelend arts gebruikt de gezondheidsgegevens waarover hij als behandelend arts beschikt om de documenten in kwestie in te vullen enkel met het uitdrukkelijke akkoord van de patiënt.

Hij legt aan deze laatste uit welke gegevens hij bekendmaakt in het medisch document zodat de patiënt, perfect ingelicht over de inhoud ervan, vrij beslist welk gebruik hij ervan zal maken op grond van zijn zelfbeschikkingsrecht.

Indien de patiënt zich verzet tegen bepaalde bekendmakingen, beoordeelt de arts of hij moet weigeren het document op te stellen met als reden dat de door de patiënt gevraagde weglating de oprechtheid van zijn verklaringen aantast.

De arts heeft de verantwoordelijkheid om bij het opstellen van een medisch document de beginselen van oprechtheid, objectiviteit, voorzichtigheid en discretie in acht te nemen.

In het belang van de patiënt verwijst de behandelend arts hem door naar een arts gespecialiseerd in verzekeringsgeneeskunde en medische expertise indien hij vaststelt dat een bijzondere technische kennis vereist is om de documenten in te vullen of om de patiënt in te lichten over zijn rechten.

Tot slot herinnert de nationale raad aan zijn advies van 15 september 2018, met als titel Vraag van de patiënt aan de behandelende arts om medische formulieren in te vullen voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract (a162008).

Het is een deontologische plicht van de behandelend arts, binnen de grenzen van zijn bekwaamheden en objectief, te voldoen aan de rechtmatige vragen van de patiënt die slechts kunnen worden geconcretiseerd met zijn medewerking. Hij kan zich er niet aan onttrekken zonder gegronde reden. (artikel 26 van de Code van medische deontologie).

De woorden “ Het medisch onderzoek dat voorafgaat aan het sluiten van een verzekeringsovereenkomst van de sector leven (levensverzekering, schuldsaldoverzekering, gewaarborgd loon) is een verrichting die gevraagd en vergoed wordt door de verzekeringsmaatschappij. De behandelend arts dient deze opdracht dan ook niet te aanvaarden.” worden weggelaten uit de commentaar bij artikel 43 van de Code van medische deontologie en uit het advies van 15 februari 2020 met als titel Inzage in de medische gegevens van een persoon door de arts die zijn gezondheidstoestand dient te beoordelen (a167002).

Beroepsgeheim11/12/2021 Documentcode: a168028
Arrest van het Hof van Cassatie van 26 maart 2021 betreffende het beroepsgeheim en de bescherming van minderjarigen - art. 458 en 458bis van Strafwetboek.

In zijn vergadering van 11 december 2021 heeft de nationale raad de deontologische gevolgen onderzocht naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 26 maart 2021, nr. D.18.0015.N.

In het arrest van 26 maart 2021 voegt het Hof van Cassatie bijkomende voorwaarden toe aan de uitzonderingen op het beroepsgeheim zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek en de patiënt-slachtoffer-regel.

Onderstaand advies becommentarieert de bijkomende voorwaarden zoals bepaald door het Hof, vanuit het deontologische standpunt van de arts.

  1. Artikel 458bis Strafwetboek

Artikel 458bis Strafwetboek bepaalt dat de arts die kennis heeft van een bepaald misdrijf[1], gepleegd op een minderjarige of een kwetsbare persoon, het misdrijf ter kennis kan brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of kwetsbare personen het slachtoffer worden van de bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 26 maart 2021 geoordeeld dat “artikel 458bis Strafwetboek niet van toepassing is in een geval waarin een hulpverlener enkel met het slachtoffer van een misdrijf in de zin van dat artikel contact heeft gehad”. Met andere woorden, de arts kan zich slechts beroepen op de uitzondering zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek indien hij in contact is gekomen met de dader en het slachtoffer van het misdrijf.

De nieuwe voorwaarde gesteld door het Hof van Cassatie is problematisch ten opzichte van het deontologisch standpunt dat de Orde tot nu toe heeft aangenomen.

De arts heeft een zorgfunctie en een beschermingsfunctie. Overeenkomstig artikel 29 van de Code van medische deontologie, moet de arts, na de nodige zorgen te hebben toegediend, de minderjarige of kwetsbare patiënt die mogelijks het slachtoffer is geworden van een ernstig misdrijf, beschermen. Dit gebeurt door de betrokkene in veiligheid te brengen, het probleem met hem te bespreken en hem aan te sporen initiatieven te nemen. Indien noodzakelijk, kan de arts aangifte doen bij de bevoegde instanties, mits voldaan is aan de voorwaarden zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek of mits hij zich kan baseren op een andere wettelijke of door de rechtspraak ontstane uitzondering op het beroepsgeheim.

Het is niet de opdracht van de arts de rol op te nemen van opsporingsambtenaar. De arts heeft de deontologische plicht neutraal te zijn en zich te onthouden van elk oordeel over een mogelijk daderschap.

Bijgevolg is de bijkomende voorwaarde gesteld door het Hof van Cassatie in de praktijk moeilijk toepasbaar.

  1. De patiënt-slachtoffer-regel

De patiënt-slachtoffer-regel is een uitzondering op het beroepsgeheim die ontstaan is uit eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie. De regel bepaalt dat het beroepsgeheim van de arts zich niet uitstrekt tot misdrijven waarvan de patiënt het slachtoffer is.[2]

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 26 maart 2021 geoordeeld dat de patiënt-slachtoffer-regel slechts van toepassing is “in een geval waar de hulpverlener enkel met dat slachtoffer in contact is gekomen”. Met andere woorden, de arts kan zich niet beroepen op de patiënt-slachtoffer-regel indien hij ook met de dader in contact is gekomen.

De nationale raad heeft eerder al kritiek geuit op de patiënt-slachtoffer-regel.[3] Het beroepsgeheim heeft tot doel de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt te beschermen. Elke situatie waarin het beroepsgeheim in vraag wordt gesteld, moet door de arts worden beoordeeld op grond van de wettelijke uitzonderingen, in het bijzonder artikel 458bis Strafwetboek en de noodtoestand. Het loutere feit dat de patiënt het slachtoffer is geworden van een misdrijf, is geen voldoende reden voor de arts om het beroepsgeheim te doorbreken en de bevoegde instanties in te lichten. De nationale raad houdt dit standpunt aan, onverminderd de bijkomende voorwaarde die het Hof hieraan verbindt.


[1] Het betreft onder meer bepaalde vormen van voyeurisme, aanranding van de eerbaarheid en verkrachting, bepaalde feiten die te maken hebben met prostitutie, bepaalde feiten gelieerd aan kinderporno, doodslag, opzettelijke slagen en verwondingen, genitale verminking, kinderverwaarlozing, mensenhandel, etc.

[2] Cass. 18 juni 2010; Cass. 22 mei 2012; Cass. 31 oktober 2012

[3] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 4 juli 2015, “Eerbiediging van het medisch geheim wanneer de arts verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer was van een misdrijf”, a150004

Beroepsgeheim20/11/2021 Documentcode: a168022
Slachtoffer van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.

Problematiek van onwettig politiegeweld : het handelen van de arts en de rol van het medisch attest inzake bewijsvoering

1. Inleiding

In een eerder advies van de nationale raad van de Orde der artsen, “Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[1], wordt uiteengezet hoe het artsenkorps en de politiediensten kunnen samenwerken met respect voor ieders finaliteit en bevoegdheden. In voornoemd advies wordt er verondersteld dat beide actoren hun bevoegdheden in eer en geweten uitoefenen en wordt er geen aandacht besteed aan eventuele misbruiken, bijvoorbeeld onwettig politiegeweld.

Naar aanleiding van een rapport[2] van Police Watch, het waarnemingscentrum voor politiegeweld van de Liga Voor Mensenrechten, heeft de nationale raad van de Orde der artsen in zijn vergadering van 20 november 2021 onderzocht hoe de arts moet handelen indien de patiënt aangeeft het slachtoffer te zijn van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.

2. Aangifte door het slachtoffer

Op 8 november 2021 heeft de Liga voor Mensenrechten in Nederlandstalig België een meldpunt voor slachtoffers en getuigen van politiegeweld gelanceerd, genaamd Police Watch, reeds bestaande in Franstalig België.[3] Het doel bestaat erin buitensporig politiegeweld in kaart te brengen en slachtoffers te adviseren inzake hun rechten en mogelijkheden voor klachtindiening.

Slachtoffers van onwettig politiegeweld kunnen een klacht indienen bij verschillende instanties, onder meer de Dienst Intern Toezicht, het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (comité P), de Algemene Inspectie, de lokale ombudsdienst, het Kinderrechtencommissariaat en het Interfederaal gelijkekansencentrum Unia.[4]

Tot slot is het mogelijk voor het slachtoffer om aangifte te doen bij het parket of een klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter.

Ter staving van de klacht, is er een belangrijke rol weggelegd voor het attest dat wordt opgesteld door een arts die de letsels vaststelt. Het is immers aan de patiënt om deel te nemen aan het bewijs van zijn beweringen, een reden waarom het medisch attest onmisbaar is. In deze context, dient de arts de patiënt een medisch attest te bezorgen dat voldoet aan de principes van medische deontologie, zoals beschreven in punt 3 van dit advies.

3. Rol van het medisch attest – deontologische beginselen

3.1. Principe: op vraag van de patiënt

De arts bezorgt de patiënt de medische documenten die hij nodig heeft.[5]

In de meeste gevallen zal de patiënt de arts zelf te kennen geven het slachtoffer te zijn geworden van onwettig politiegeweld en vragen zijn letsels te beschrijven met het oog op de bewijsvoering.

Het medisch attest zal dienen als bewijsmiddel voor zijn beweringen.

De arts is verplicht de patiënt het medisch attest te bezorgen dat hij nodig heeft. Elke arts wordt geacht bekwaam te zijn de externe letsels van een patiënt te beschrijven. Evenwel, indien hij zich niet bekwaam acht, heeft hij de verplichting de patiënt in te lichten en de patiënt door te verwijzen naar een andere gekwalificeerde arts.[6]

Het kan ook gebeuren dat de patiënt omwille van zijn verwondingen handelingsonbekwaam is geworden, bijvoorbeeld omdat hij zich bevindt in een toestand van coma, en het medisch attest wordt opgevraagd door de naasten van de patiënt met het oog op het indienen van een klacht. In dit geval zal de arts, in het belang van de patiënt, het medisch attest overhandigen aan diens wettelijke vertegenwoordiger.[7]

De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud ervan is en aan wie hij het attest heeft afgeleverd.

Tenslotte kan een medisch attest onder gesloten omslag worden afgeleverd aan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter volgens de gebruikelijke procedures, zoals beschreven in het advies van de nationale raad van de Orde der artsen, ““Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[8].

3.2. Inhoud van het medisch attest – letselattestering

De arts stelt de medische documenten waarheidsgetrouw, objectief, voorzichtig en discreet op, met aandacht voor het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt. Hij vermeldt daarbij geen gegevens over derden.[9]

Het medisch attest dat letsels attesteert dient duidelijk, nauwkeurig en volledig te zijn.

De letsels dienen gedetailleerd te worden beschreven: het type letsel (schaving of schaafletsel, kneuzing, hematoom of bloeduitstorting, scheurwonde of laceratie, steekwonde, snijwonde enz.), de afmetingen (de lengte, de breedte), de kleur, de vorm, de omvang, de precieze anatomische locatie en de diepte indien mogelijk. Het is aangewezen om foto’s (overzicht en detail met meetstaf) als bijlage toe te voegen aan het medisch attest of deze te bewaren in het patiëntendossier.

Het attest maakt een onderscheid tussen de objectieve vaststellingen door de arts en de subjectieve klachten van de patiënt. In geen geval bepaalt de arts welk mechanisme de letsels heeft veroorzaakt, evenmin wie de letsels heeft toegebracht. Hoogstens kan worden bepaald dat hetgeen de patiënt beschrijft compatibel is met de objectief vastgestelde letsels.

Het medisch attest vermeldt de dagen van arbeidsongeschiktheid.

De arts dateert het medisch attest op de dag van de redactie en voegt een kopie toe aan het patiëntendossier.

4. Rol van de arts – bijzondere situaties

4.1. Medisch attest in verband met geschiktheid tot verhoor of opsluiting

Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren tot verhoor of opsluiting. De behandelende arts is gerechtigd de vraag van de politiediensten om dergelijke attesten op te stellen, te weigeren.

Geschiktheidsattesten tot verhoor of opsluiting kunnen enkel worden afgeleverd door een arts-gerechtsdeskundige, die wordt aangesteld door een gerechtelijke overheid.

4.2. Aanwezigheid van politie tijdens de zorgverlening

De situatie kan zich voordoen dat een persoon onder politiebegeleiding naar het ziekenhuis wordt gebracht voor verzorging.

In een eerder advies van de nationale raad[10] werd gesteld dat de arts de aanwezigheid van de politie in de behandelruimte of in de onmiddellijke nabijheid moet toelaten, indien de politieambtenaar van oordeel is dat de patiënt een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van de arts of het ziekenhuispersoneel. Wanneer de patiënt het slachtoffer is geworden van onwettig politiegeweld, bevindt hij zich evenwel in een zeer kwetsbare positie. De patiënt zal zich niet durven uitdrukken, uit angst voor latere represailles.

De nationale raad onderkent de kwetsbare positie van het slachtoffer en hecht belang aan het recht op privacy en de intimiteit van de patiënt, maar behoudt evenwel haar eerder standpunt, te meer omdat het voor de arts zeer moeilijk is om in te schatten in hoeverre de patiënt een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van de arts en het ziekenhuispersoneel, waarvoor de arts mede verantwoordelijk is.

De arts kan bij een sterk vermoeden van onwettig politiegeweld vragen aan de politieambtenaar om zich te verwijderen uit de behandelruimte, al blijft deze laatste bevoegd om de situatie te beoordelen en al dan niet gevolg te geven aan de vraag van de arts. De arts noteert zijn vraag en de aanwezigheid van de politie in het patiëntendossier.

In deze context is het ook van belang dat de arts de letsels in het patiëntendossier noteert overeenkomstig de richtlijnen in punt 3.2 van dit advies.

4.3. Handboeien tijdens de zorgverlening

De politiediensten hebben de bevoegdheid de patiënt te boeien overeenkomstig de principes van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit.

De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken veilig en kwalitatief kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het strafwetboek.

4.4. Gerechtelijk-geneeskundig bezwaar – model III C

Indien de arts die het overlijden vaststelt, twijfelt over de oorzaak ervan (natuurlijk of gewelddadig), kruist hij op strook A van het formulier III C het vakje “ja” aan in de rubriek “gerechtelijk-geneeskundig bezwaar”. Daarnaast kruist hij op strook C van hetzelfde formulier onder punt 1 (aard van het overlijden) het vakje “kan niet bepaald worden” aan.

De arts die gevraagd wordt een overlijdensattest op te maken, vervult zijn opdracht op onafhankelijke en objectieve wijze en mag hierbij geen eventuele druk ondervinden door de politiediensten.[11]


[1] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[2] Police Watch, “Violences policières et la charge de la preuve: le rôle du certificat médical”, Analyse_LDH_Le-rôle-du-certificat-médical_version-longue_decembre-2020.pdf (liguedh.be)

[3]Police Watch - Accueil; Police Watch

[4]Liga voor Mensenrechten | Dossier politiegeweld in België

[5] Art. 26, lid 1, Code van medische deontologie

[6] Art. 6, Code van medische deontologie

[7] Overeenkomstig de cascade zoals bepaald door art. 14, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[8] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[9] Art. 26, Code van medische deontologie

[10] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[11] Zie ook advies nationale raad van de Orde der artsen van 15 februari 2020, “Druk die een arts kan ondervinden wanneer een overlijdensattest model III C/D dient te worden opgesteld”, a167003

Ziekenhuizen20/11/2021 Documentcode: a168023
Ondersteuning van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform

Ondersteuning van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform

De nationale raad van de Orde der artsen heeft zijn medewerking verleend bij de totstandkoming van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform.[1] Het Raamwerk biedt handvatten voor het verloop van een open communicatie tussen de zorginstelling, de zorgverstrekker en de patiënt na een patiëntveiligheidsincident.

Het “Raamwerk Open Disclosure” bevat tien communicatieprincipes als leidraad voor een effectief en volledig open-disclosere-proces: introductie van het communicatieproces, erkenning van het patiëntveiligheidsincident, verontschuldiging en uiten van spijt, waarheidsgetrouwe en duidelijke communicatie, verwachtingen van de patiënt en verdere planning, professionele ondersteuning, verbeteren van patiëntveiligheid, systeemaanpassingen, vertrouwelijkheid en dossiervorming, en continuïteit van de zorg.

Het “Raamwerk Open Disclosure” kadert binnen het artikel 9 van de Code van medische deontologie, dat stelt dat de arts adequaat en transparant moet handelen bij incidenten.

Het voeren van open communicatie wordt vanuit deontologisch oogpunt beschouwd als een belangrijk en essentieel aspect van kwaliteitsvolle en patiëntveilige zorg.

De arts dient op een professionele wijze en met de nodige empathie objectief en transparant te communiceren met de patiënt en zijn nabestaanden over het incident.

Een open dialoog en een nabespreking aangaande de omstandigheden en de gevolgen van het incident binnen het medisch team dat betrokken was bij het incident, verdient aanbeveling. Hiervoor kan de hulp worden ingeroepen van de hoofdarts.

Het is op deontologisch vlak aan te bevelen om binnen het ziekenhuis een “kwaliteitsteam” op te richten dat vertrouwd is met de problematiek en tevens aandacht besteedt aan een “second victim”-beleid voor de arts die betrokken is bij het incident.

Binnen het ziekenhuis zal er na een incident frequent klacht worden ingediend bij de ombudsdienst. De ombudspersoon neemt ten opzichte van het ziekenhuis een onafhankelijke positie in en kan de rol vervullen van bemiddelaar tijdens het communicatieproces.

Alle relevante incidenten die de patiënt overkomen worden op een objectieve wijze genoteerd in het patiëntendossier, evenals de bijkomende onderzoeken en behandelingen.


[1]Rapport-open-disclosure_30042021.pdf (vlaamspatientenplatform.be)