keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Orde der artsen (Hervorming van)10/03/2026
VOORSTEL HERVORMING ORDE DER ARTSEN 2026

De Orde der artsen heeft, in overleg met haar organen, een voorstel tot hervorming uitgewerkt, dat u hierbij gevoegd vindt.

Het voorstel beoogt een constructieve bijdrage te leveren aan de hervorming die door het kabinet van de minister van Volksgezondheid zal worden voorbereid. Het legt de nadruk op de elementen die wij als Orde essentieel achten om het hoofd te bieden aan de toekomstige deontologische uitdagingen binnen het artsenkorps.

Met dit initiatief wensen wij onze expertise ter beschikking te stellen met het oog op de uitbouw van een moderne, transparante en maatschappelijk verankerde structuur, in het belang van de patiënt, de arts en de volksgezondheid.

Hierna lichten wij de krachtlijnen van het voorstel toe:

Het voorstel voorziet in een versterkte transparantie ten aanzien van zowel het publiek als de artsen.

Er zal een publiek jaarverslag worden opgesteld met informatie over de werking van de Orde en de uitvoering van haar wettelijke opdrachten.

Daarnaast zal op de website van de Orde een geanonimiseerd repertorium van de belangrijkste tuchtbeslissingen worden gepubliceerd, met respect voor de toepasselijke regelgeving inzake privacy en gegevensbescherming.

Het voorstel beoogt een vernieuwing en bredere representativiteit binnen de organen van de Orde.

Zo wordt bepaald dat een mandaat kan worden opgenomen na vijf jaar inschrijving op de lijst van de Orde, om ook jongere artsen reële kansen te bieden zich in te zetten binnen de Orde.

Met het oog op meer diversiteit en om te vermijden dat steeds dezelfde personen mandaten opnemen, wordt het aantal mandaten per persoon beperkt tot vier.

Het voorzitterschap van de federale raad wordt waargenomen door twee artsen, één uit elke taalgroep, wat een collegiaal en evenwichtig federaal bestuur moet bevorderen.

Daarnaast wordt bepaald dat vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de federale raad, om de maatschappelijke verankering en de dialoog te versterken.

Het voorstel voorziet eveneens in een grondige hervorming van de tuchtrechtelijke organisatie, met bijzondere aandacht voor rechtszekerheid, onpartijdigheid en conformiteit met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie.

De voornaamste elementen zijn:

  • de oprichting van twee tuchtraden van eerste aanleg (één per taalgroep), om de onpartijdigheid te waarborgen en de eenheid van de rechtspraak te bevorderen;
  • de invoering van een duidelijke scheiding tussen het onderzoek, de verwijzingsbeslissing en de tuchtbeslissing;
  • de invoering van openbaarheid van de zittingen van de tuchtraden van eerste aanleg, behoudens wettelijk voorziene uitzonderingen;
  • de versterking van de positie van de klager, onder meer via een expliciet hoorrecht en een recht op informatie;
  • de verdere waarborg en explicitering van de rechten van verdediging van de betrokken arts.

Naast haar normerende en handhavende opdracht wenst de Orde haar educatieve en preventieve rol te versterken.

De federale raad krijgt de opdracht om vormende activiteiten te organiseren, zoals symposia, seminaries en debatten, om reflectie over deontologische vraagstukken in verband met maatschappelijke evoluties te bevorderen.

De Orde wil zich aldus niet enkel profileren als handhavende instantie, maar ook als een forum voor preventie, dialoog en bevordering van minnelijke conflictoplossing.

Ten slotte, wordt er bijzondere aandacht besteed aan de begeleiding van artsen met psychosociale problemen.

Patiëntenrechten27/02/2026 Documentcode: a173003
report_problem

In dit advies werd de verwijzing naar Unia, de onafhankelijke interfederale openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijkheid bevordert, vervangen door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen dat bevoegd is ter zake.

Toewijzing van gemeenschappelijke kamers aan transgender of niet-genormeerde patiënten.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht of er rekening gehouden moet worden met de genderidentiteit of het toegewezen geslacht wanneer de patiënt tijdens zijn ziekenhuisopname kiest voor een gemeenschappelijke kamer.

Om zijn antwoord te onderbouwen heeft de nationale raad het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen geraadpleegd. Dit Instituut is van mening dat de patiënt een kamer moet krijgen op basis van zijn genderidentiteit (d.w.z. de persoonlijke ervaring van zijn eigen gender, die al dan niet overeenkomt met het geslacht dat bij de geboorte toegekend is of op de identiteitskaart vermeld staat).

De nationale raad herinnert eraan dat initiatieven die het welzijn en de waardigheid van de patiënt bevorderen met het oog op een humane en inclusieve geneeskunde met respect voor de individuen, bijdragen tot de toegang tot de zorg en bijgevolg tot de kwaliteit van de zorg.

Hoewel de administratieve dienst die verantwoordelijk is voor de opname doorgaans het geslacht dat in de identiteitsdocumenten vermeld staat in aanmerking neemt, moet dan ook een oplossing gezocht worden om het comfort van de patiënt te waarborgen wanneer het wettelijke geslacht niet overeenkomt met de genderidentiteit. De beleving van de genderidentiteit primeert op administratieve belangen.

De waarden van het beroep pleiten voor respect voor de persoonlijke levenssfeer, de intimiteit en de identiteit van alle patiënten (cultureel, seksueel, religieus, filosofisch, enz.). Dit houdt in dat een evenwicht gezocht moet worden tussen enerzijds de organisatorische beperkingen en de kwaliteitseisen en anderzijds de specifieke behoeften van ieder individu.

Getuigschrift27/02/2026 Documentcode: a173004
Omzichtigheid bij attestering van ‘gewichtige medische tegenindicaties’ voor vrijstelling van de gordelplicht.

De nationale raad werd geraadpleegd door de FOD Mobiliteit in verband met het stijgend aantal aanvragen voor een vrijstelling van de gordelplicht. Bij de aanvraag moet een medisch attest worden gevoegd dat voldoet aan bepaalde vormvereisten[1] en dat hoogstens 10 jaar geldig is.[2]

De stijging van het aantal aanvragen heeft wellicht te maken met recent gewijzigde regelgeving, waardoor elke verleende vrijstelling zonder geldigheidsduur die niet overeenkomt met het nieuwe model, zijn geldigheid is verloren op 1 januari 2026.[3]

De vrijstelling voor het dragen van de veiligheidsgordel moet een uitzondering blijven, aldus de FOD Mobiliteit. Hij legt de nadruk op de verkeersveiligheid en het levensreddend aspect van de veiligheidsgordel en verzoekt de nationale raad de artsen te herinneren aan de deontologische aspecten van medische attestering.

De nationale raad roept de artsen op om terughoudend te zijn bij de attestering van ‘gewichtige medische tegenindicaties’ voor het dragen van de veiligheidsgordel.

De deontologische beginselen van zorgvuldigheid, voorzichtigheid en objectiviteit moeten worden nageleefd.[4]

Subjectieve ongemakken van de patiënt bij het dragen van de veiligheidsgordel vormen in de regel geen ‘gewichtige medische tegenindicatie’.

De ‘gewichtige medische tegenindicatie’ moet concreet, individueel en proportioneel zijn, en moet gemotiveerd worden in het patiëntendossier.

De Orde der artsen roept de FOD Mobiliteit op tot het opstellen van een lijst van medische tegenindicaties die als voldoende ‘gewichtig’ kunnen worden beschouwd om een vrijstelling te rechtvaardigen, alsook zelf te voorzien in een medische dienst die de ‘gewichtige medische tegenindicaties’ beoordeelt.

Tenslotte, bij twijfel over de waarachtigheid van het medisch attest, maakt de FOD Mobiliteit het dossier over aan de bevoegde provinciale raad van inschrijving van de arts, met het oog op een passend deontologisch gevolg.


[1] Overeenkomstig artikel 4, §3, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem, moet het medisch attest volgende gegevens bevatten:

  • naam, voornaam, stempel en handtekening van de attesterende arts;
  • naam, voornaam, geboortedatum en adres van de aanvrager;
  • datum waarop het attest wordt uitgereikt;
  • duur van de gewichtige medische tegenindicatie.

[2] Artikel 4, §2, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem.

[3] Artikel 7, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem.

[4] Cf. artikel 26, Code van medische deontologie; advies van de nationale raad van 19 september 2020, ‘Opstellen van medische documenten – principes en aanbevelingen’.

Telegeneeskunde23/01/2026 Documentcode: a173002
De deontologische beginselen van toepassing op telegeneeskunde

Inhoud

1. Inleiding

2. Definitie

3. Wettelijk kader en grensoverschrijdend karakter

4. Medische deontologie en telegeneeskunde

4.1. Zorgkwaliteit en patiëntveiligheid

4.2. Gelijke behandeling

4.3. Praktijkinformatie en publiciteit

4.3.1. Verbod op misleidende publiciteit

4.3.2. Wetenschappelijke referenties op websites

4.4. Bekwaamheid en portfolio

4.5. Kwaliteitsvol verloop van een teleconsultatie

4.6. Vrije artsenkeuze

4.7. Financiële aspecten van telegeneeskunde

4.7.1. Verbod op hoger ereloon voor urgente zorg

4.7.2. Elementaire dienstverlening kan niet worden aangerekend

4.7.3. Geen omzeiling van de wet

4.7.4. Geen louter commercieel doel

4.8. Persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid

5. Terugbetaling van telegeneeskundige verstrekkingen door de ziekte- en invaliditeitsverzekering

6. Het nut van telegeneeskunde

7. Wetenschappelijk kader

8. Specifieke toepassingen

8.1. Medische controles via telegeneeskunde


1. Inleiding

Sinds de COVID-19-pandemie heeft telegeneeskunde een opmerkelijke opgang gekend binnen de medische praktijk. De noodzaak om fysieke contacten te beperken, heeft geleid tot een versnelde digitalisering van zorgprocessen en een toegenomen gebruik van teleconsultaties. Deze ontwikkeling heeft bijgedragen tot de zorgcontinuïteit in uitzonderlijke omstandigheden.

De nationale raad wenst echter te benadrukken dat deze verschuiving niet mag uitmonden in een structurele en algemene toepassing van telegeneeskunde als standaardvorm van patiëntenzorg. Telegeneeskunde kan slechts worden verantwoord wanneer zij de nodige garanties biedt op het vlak van kwaliteit en veiligheid van de zorg.

Fysieke raadpleging blijft in de overgrote meerderheid van gevallen de meest kwaliteitsvolle en betrouwbare vorm van geneeskunde. Het directe, persoonlijke contact tussen arts en patiënt vormt immers de kern van een zorgvuldig medisch onderzoek, een correcte diagnose en een vertrouwensvolle therapeutische relatie.


2. Definitie

Zorg op afstand kan worden gedefinieerd als het verlenen van geneeskundige verstrekkingen door middel van informatie- en communicatietechnologieën in situaties waarin de zorgverlener of meerdere zorgverleners en de rechthebbende zich niet op dezelfde locatie bevinden.

Zorg op afstand kan verschillende vormen aannemen, onder meer raadpleging op afstand, behandeling op afstand, expertise op afstand, overleg op afstand, monitoring op afstand en advies op afstand.


3. Wettelijk kader en grensoverschrijdend karakter

Telegeneeskunde is een vorm van uitoefening van de geneeskunde. Ongeacht de vorm die ze aanneemt, dient ze dan ook te voldoen aan dezelfde wettelijke vereisten als de fysieke uitoefening van de geneeskunde (beroepskwalificaties, rechten van de patiënt, bescherming van de persoonsgegevens, continuïteit van de zorg, enz.).

Bij het bepalen van de toepasselijke regelgeving moet rekening worden gehouden met landgrensoverschrijdende elementen (bijv. de patiënt en de arts wonen in verschillende landen).

Wat de Europese wetgeving betreft, bepaalt Richtlijn 2011/24/EU van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg dat in het geval van telegeneeskunde de gezondheidszorg wordt geacht te zijn verstrekt in de lidstaat waar de zorgaanbieder is gevestigd (artikel 3, d).

Een arts die ingeschreven is op de lijst van de Belgische Orde der artsen en die aan telegeneeskunde doet vanuit België, dient de patiënt erop te wijzen dat hij zich voor de uitoefening van zijn beroep dient te houden aan de regels die gelden in België.

Het grensoverschrijdende karakter van telegeneeskunde impliceert dat tevens rekening moet worden gehouden met andere relevante Europese richtlijnen en regelgeving.

In geval de gebruikte technologie een medisch hulpmiddel uitmaakt, moet dit voldoen aan de regels zoals bepaald in de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen (…).

De Verordening (EU) 2025/327 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2025 betreffende de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU en Verordening (EU) 2024/2847 (van toepassing met ingang van 26 maart 2027) creëert een uniforme Europese ruimte voor gezondheidsgegevens (EHDS). Dit dient om snel en eenvoudig gezondheidsgegevens grensoverschrijdend te kunnen uitwisselen, onderzoek te bevorderen en de zorg-ICT-markt beter te kunnen reguleren.


4. Medische deontologie en telegeneeskunde

De arts die in België praktiseert en zorg verstrekt via telegeneeskunde, is onderworpen aan de regels van medische deontologie zoals bepaald door de Belgische Code van medische deontologie , de commentaar bij de Code en de adviezen van de nationale raad.

In wat volgt worden enkele deontologische principes nader toegelicht, omdat hun toepassing in de context van telegeneeskunde in de praktijk soms aanleiding geeft tot vragen of onduidelijkheden.


4.1. Zorgkwaliteit en patiëntveiligheid

De arts draagt de verantwoordelijkheid om elke patiënt kwaliteitsvolle zorg te bieden.

De kwaliteit van tussenkomst door middel van telegeneeskunde is zeer afhankelijk van het geval het een gekende patiënt betreft, het om een chronische of acute pathologie gaat en of er objectieve elementen aanwezig zijn die de diagnose kunnen staven. De Orde is van oordeel dat in geval van acute pathologie bij een ongekende patiënt het gebruik van telegeneeskunde als surrogaat van een klassieke consultatie te vermijden is.

Telegeneeskunde kan in bepaalde omstandigheden een nuttig hulpmiddel zijn voor triage.

In veel gevallen echter kan niet dezelfde zorgkwaliteit gegarandeerd worden als bij een fysieke raadpleging. Een zorgvuldig klinisch onderzoek, na een grondige anamnese en kennisname van de medische voorgeschiedenis, blijft essentieel voor een correcte diagnose en behandeling.

Om die reden roept de Orde de wetenschappelijke verenigingen van elk specialisme op om op basis van hoger opgesomde elementen richtlijnen uit te vaardigen die bepalen in welke gevallen telegeneeskunde als een kwalitatief werkinstrument kan gebruikt worden. Ook de modaliteiten voor het afleveren van getuigschriften van arbeidsongeschiktheid en het voorschrijven van medicatie dienen in deze richtlijnen opgenomen te worden.


4.2. Gelijke behandeling

Elke arts is ertoe gehouden alle patiënten even gewetensvol en zonder enige vorm van discriminatie te behandelen.

Dit fundamenteel beginsel geldt onverkort, ook binnen het kader van de telegeneeskunde. Het is dan ook onaanvaardbaar dat sommige patiënten, op basis van een hogere betaling, via teleconsultaties voorrang zouden krijgen op anderen. Een dergelijke praktijk maakt misbruik van de bestaande artsenpenurie en ondermijnt de billijke toegang tot zorg, met het risico het gezondheidssysteem structureel te ontwrichten.


4.3. Praktijkinformatie en publiciteit


4.3.1. Verbod op misleidende publiciteit

Een arts die zijn medische praktijk kenbaar maakt aan het publiek, moet waarheidsgetrouwe en objectieve informatie verstrekken.

Deze communicatie mag in geen geval misleidend zijn of valse verwachtingen wekken bij patiënten. Wanneer een arts telegeneeskunde aanbiedt en dit voorstelt als even kwaliteitsvol als een fysieke raadpleging, kan dit bij de patiënt verkeerde verwachtingen scheppen. Een dergelijke voorstelling miskent de beperkingen van telegeneeskunde en kan leiden tot een verkeerde inschatting van de geboden zorg, wat strijdig is met de deontologische plicht tot eerlijke en verantwoorde communicatie.


4.3.2. Wetenschappelijke referenties op websites

Websites die telegeneeskunde aanbieden en daarbij referenties vermelden, dienen erop toe te zien dat deze referenties wetenschappelijk onderbouwd en verifieerbaar zijn. De patiënt mag er immers redelijkerwijs van uitgaan dat artsen werken op basis van evidence-based geneeskunde. Het gebruik van niet-wetenschappelijke of misleidende bronnen ondermijnt het vertrouwen in de medische zorg en strookt niet met de professionele verantwoordelijkheid van de arts.


4.4. Bekwaamheid en portfolio

De arts moet beschikken over de vereiste kennis, deskundigheid en attitude om zijn beroep kwaliteitsvol uit te oefenen.

In lijn met de bepalingen van de Kwaliteitswet moet de arts bekwaam zijn en beschikken over een professioneel portfolio.

De patiënt heeft het recht op zijn verzoek door de arts geïnformeerd te worden over zijn beroepsbekwaamheid en beroepservaring.

Wanneer consultaties via telegeneeskunde worden aangeboden, blijven deze rechten en verplichtingen onverkort van kracht. Het moet voor de patiënt duidelijk zijn over welke specialisatie en deskundigheid de arts beschikt, ook in het digitale zorgaanbod.


4.5. Kwaliteitsvol verloop van een teleconsultatie

De nationale raad heeft op 18 juni 2022 een advies opgesteld met de deontologische regels waaraan een raadpleging op afstand (telefonisch of video geassisteerd) moet voldoen om kwaliteitsvol te verlopen.

Deze regels zijn nog steeds van toepassing:

o bij de opstart van een tele- of videoconsultatie, licht de arts de patiënt in over zijn identiteit en kwalificaties en onderneemt hij volgende stappen;

o de arts controleert de identiteit van de patiënt, de wilsbekwaamheid van de patiënt, de toestemming van de patiënt, de vrije artsenkeuze van de patiënt en er waakt er zoveel mogelijk over dat het gesprek vertrouwelijk verloopt;

o tussen de zorgbehoevende en de arts ontstaat een therapeutische of een zorgrelatie die bewezen is overeenkomstig het reglement betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en een zorgrelatie (zie https://www.ehealth.fgov.be/eh...)

Indien de therapeutische of zorgrelatie tussen de zorgbehoevende en de arts tot stand komt net voor het begin van de raadpleging op afstand, wordt de zorgbehoevende vooraf degelijk geïnformeerd over de gevolgen van de totstandkoming van deze therapeutische of zorgrelatie en wordt de therapeutische of zorgrelatie op het einde van de raadpleging op afstand beëindigd, tenzij de zorgbehoevende uitdrukkelijk aangeeft deze therapeutische of zorgrelatie te willen bestendigen.

Het einde van de therapeutische relatie ontslaat de arts niet van zijn plicht tot organisatie van de zorgcontinuïteit.

o de patiënt wordt vóór het gebruik van het platform duidelijk ingelicht over de kritische succesfactoren en de beperkingen van een raadpleging op afstand;

o hetzelfde geldt voor de financiële aspecten van het e-consult (kost, terugbetaling);

o de arts zorgt voor een kwaliteitsvolle adviesverstrekking en follow-up;

o de duurtijd en de omstandigheden van de teleconsultatie dienen afdoende te zijn om een kwaliteitsvolle zorgverlening te waarborgen;

o de arts moet over voldoende relevante en betrouwbare gegevens van de patiënt beschikken om een medisch verantwoord individueel advies te kunnen geven;

o de arts neemt de vakinhoudelijke regels in acht die in zijn beroepsgroep gelden voor de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, evenals de rechten van de patiënt;

o de arts geeft duidelijk aan dat zijn advies is gebaseerd op gegevens die de patiënt heeft verstrekt en op eventueel beschikbare dossiergegevens. Daarbij geeft de arts aan dat de patiënt contact met hem of een andere arts moet zoeken als de klachten verergeren, als daartoe aanleiding is of bij onzekerheid;

o indien de arts niet de houder is van het globaal medisch dossier (GMD) van de zorgbehoevende, geeft hij, behoudens verzet van de zorgbehoevende, (elektronisch) feedback over de verleende zorg aan de eventuele GMD-houder en actualiseert hij indien nuttig de Sumehr en het medicatieschema van de zorgbehoevende in de gezondheidskluis ;

o de arts dient na te gaan of de gebruikte diensten voldoen aan onderstaande criteria wat betreft het vrijwaren van de informationele privacy :

o de ondersteuningsplatformen maken gebruik van een betrouwbaar systeem voor de authenticatie van hun identiteit; de authenticatiemiddelen met twee-factor-authenticatie (bezit en kennis) zijn in de Federal Authentication Service (FAS) geïntegreerd;

o zonder toestemming van de patiënt en de arts, wordt de video- of audiocommunicatie niet door de deelnemers aan de communicatie opgeslagen;

o de persoonsgegevens en de documenten uitgewisseld tijdens de raadpleging kunnen op het einde van de raadpleging ter beschikking worden gesteld van de deelnemers aan de communicatie;

o de geneesmiddelenvoorschriften worden elektronisch aangemaakt op Recip-e en zijn raadpleegbaar door de zorgbehoevende via de Personal Health Viewer; het uniek nummer van het elektronisch voorschrift (het zogenaamde RID), dat geen persoonsgegevens bevat, kan aan de zorgbehoevende worden overgemaakt;

o de documenten die de arts en/of de zorgbehoevende kunnen raadplegen via het e-gezondheidsportaal of de Personal Health Viewer, worden in principe daar geraadpleegd;

o de arts maakt ter ondersteuning van de zorgverlening bij voorkeur gebruik van een bij het eHealth-platform geregistreerd softwarepakket en neemt in elk geval de relevante gegevens over de zorgverlening op in een (elektronisch) patiëntendossier;

o een tele- of videoconsultatie brengt dezelfde verplichtingen met zich mee als een fysieke raadpleging wat betreft het opstellen, veilig bewaren en archiveren van het patiëntendossier, conform de geldende wettelijke en deontologische bepalingen. Dit geldt ook voor eventueel gedeeld foto- en beeldmateriaal.

Ten slotte, dient de zorg op afstand die aanleiding geeft tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging te voldoen aan de voorwaarden en de verplichtingen zoals bepaald in het Koninklijk besluit van 27 maart 2025 tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.


4.6. Vrije artsenkeuze

Bij het aanbieden van telegeneeskunde moet de vrije artsenkeuze van de patiënt ten volle worden gerespecteerd.

Websites die teleconsultaties aanbieden, dienen duidelijk aan te geven welke arts de patiënt zal behandelen en over welke bekwaamheid deze beschikt.

Ook in geval van doorverwijzing, blijft de vrije artsenkeuze van toepassing.


4.7. Financiële aspecten van telegeneeskunde

De arts moet zijn ereloon op een correcte en transparante wijze vaststellen, op basis van de werkelijk geleverde prestaties. De bepaling van het ereloon moet te goeder trouw gebeuren en moet eerlijk en gematigd zijn.

Bovendien is de arts verplicht de patiënt voorafgaand en duidelijk te informeren over de wijze waarop het ereloon wordt bepaald. De fundamentele principes van eerlijkheid en transparantie gelden eveneens bij het verstrekken van zorg op afstand. De patiënt wordt correct geïnformeerd over de aard van de beoogde prestatie en het bijhorend ereloon, zodat er sprake is van een geïnformeerde toestemming en een vertrouwensvolle zorgrelatie.

De arts deelt de patiënt mee of hij geconventioneerd is en of de verstrekte zorg al dan niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.


4.7.1. Verbod op hoger ereloon voor urgente zorg

Sommige websites bieden consulten aan waarbij de prijzen variëren in functie van de urgentie van de vraag of de wachttijd voor de patiënt om een medisch advies of een behandelplan te ontvangen, bijvoorbeeld over een huidaandoening.

Bijzondere eisen van de patiënt kunnen in bepaalde gevallen een verhoging van het ereloon rechtvaardigen. Het is echter deontologisch ontoelaatbaar om een urgente vraag als een ‘bijzondere eis’ te beschouwen en op die basis een hoger ereloon aan te rekenen. In geval van een reële hoogdringende medische situatie heeft de arts immers de deontologische plicht om snel en adequaat op te treden, ongeacht de financiële draagkracht of voorkeuren van de patiënt. Het verlenen van dringende zorg mag nooit afhankelijk worden gemaakt van bijkomende ereloonvoorwaarden.

Bovendien is de patiënt in de meeste gevallen onvoldoende medisch geschoold om de dringendheid of de ernst van zijn/haar pathologie in te schatten.

Daarnaast is telegeneeskunde niet geschikt voor de evaluatie of de behandeling van urgente pathologie, behalve in het geval van triage zoals aangehaald in punt 4.1. Bij dringende medische situaties is een fysiek onderzoek doorgaans noodzakelijk om de ernst en de aard van de aandoening correct in te schatten en tijdig gepaste zorg te verlenen.


4.7.2. Elementaire dienstverlening kan niet worden aangerekend

Een telefonische tussenkomst na een fysieke raadpleging - bijvoorbeeld om een bijkomende vraag te stellen - vormt geen volwaardige raadpleging in de zin van een nieuw medisch contact met nieuwe klachten. Dergelijke korte telefoongesprekken met de patiënt zijn een verlengde van de fysieke raadpleging en kunnen niet afzonderlijk worden aangerekend aan de patiënt of de sociale zekerheid.


4.7.3. Geen omzeiling van de wet

Het kan niet de bedoeling zijn dat telegeneeskunde wordt aangewend om wettelijke ereloonbeperkingen te omzeilen die van toepassing zijn bij fysieke consultaties. In het bijzonder moet worden gewaakt over de correcte naleving van het verbod op ereloonsupplementen voor geneeskundige verzorging verleend aan rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming. Telegeneeskunde mag geen achterpoortje vormen om deze beschermingsmaatregelen te ondergraven.


4.7.4. Geen louter commercieel doel

Telegeneeskunde mag niet louter commerciële voordelen beogen maar moet beantwoorden aan een medische behoefte van de patiënt en de volksgezondheid. De gebruiksvriendelijkheid vormt op zich geen afdoende rechtvaardiging. Enkel indien het ook een voordeel oplevert voor de gezondheid van de patiënt, is het gebruik gerechtvaardigd.


4.8. Persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid

De informatie- en communicatietechnologieën die in de telegeneeskunde worden gebruikt, moeten de nodige garanties bieden om het beroepsgeheim en de persoonsgegevens te beschermen, overeenkomstig de AVG en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

De arts moet zich bewust zijn van de praktische implicaties van de wetgeving inzake gegevensbescherming in de context van telegeneeskunde (invullen van het verwerkingsregister, authenticatiesysteem, toegangsbeheer, beveiliging van de inhoud van uitgewisselde communicatie of documenten, beheer van de toegang tot gegevens, bewaren van gegevens, verwerkersovereenkomst, enz.).

Hij informeert naar de aanbevelingen van de overheid op dit gebied.


5. Terugbetaling van telegeneeskundige verstrekkingen door de ziekte- en invaliditeitsverzekering

De arts deelt aan de patiënt mee of de voorgestelde zorg al dan niet wordt terugbetaald in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering .

Zorg op afstand die aanleiding geeft tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging moet voldoen aan de criteria zoals bepaald door het Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (KB Zorg op afstand - Tegemoetkoming verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging).

Komen in aanmerking voor een terugbetaling, voor zover de bijzondere voorwaarden vermeld in voornoemd Koninklijk besluit worden nageleefd: de raadpleging op afstand, de behandeling op afstand, de expertise op afstand, het overleg op afstand, de monitoring op afstand en het advies op afstand.

De minister bevoegd voor Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van voornoemd Koninklijk besluit.

Meer informatie is raadpleegbaar op de website van het Riziv: Referentiekader Zorg op afstand.


6. Het nut van telegeneeskunde

Telegeneeskunde kan in bepaalde situaties een meerwaarde bieden in het belang van de patiënt.

In dergelijke gevallen is er echter nood aan de uitwerking van omkaderde zorgtrajecten, ondersteund door specifieke wetenschappelijke richtlijnen en samenwerking tussen verschillende zorgdiensten.

Telegeneeskunde wordt bij voorkeur ingezet bij gekende patiënten en in het kader van chronische zorgopvolging. Ze is daarentegen in de regel niet geschikt voor primaire diagnosestelling of acute, urgente situaties, waar een zorgvuldig klinisch onderzoek vereist is.


7. Wetenschappelijk kader

De rode draad doorheen de medische literatuur is éénduidig: telegeneeskunde zal een sleutelrol spelen in de toekomst van de gezondheidszorg, maar de technologie van telegeneeskunde moet worden toegepast in geschikte omgevingen en situaties.

Geschikte training, verbeterde documentatie, goede communicatie en het naleven van richtlijnen voor informatiebeheer zullen in belangrijke mate bijdragen aan het vermijden van valkuilen die gepaard gaan met zorg op afstand.


8. Specifieke toepassingen


8.1. Medische controles via telegeneeskunde

De nationale raad heeft op 21 februari 2025 geantwoord op de vraag of het vanuit deontologisch oogpunt is toegelaten dat een medische controle gebeurt via telegeneeskunde.

De raad heeft besloten dat telegeneeskunde in de regel geen geschikte methode is voor het verrichten van medische controles.

Uitzonderlijk kan van deze regel worden afgeweken, met name:

o Wanneer objectieve medische elementen de controle via telegeneeskunde mogelijk maken (te denken valt aan de interpretatie van een bloedonderzoek, een operatieverslag of medische beeldvorming);

o Wanneer het mogelijk is contact op te nemen met de behandelend arts, mits toestemming van de patiënt, en deze de noodzakelijke toelichting kan verstrekken bij de arbeidsongeschiktheid.

Overlijdensattest23/01/2026 Documentcode: a173001
Het invullen van een overlijdensattest (model III C) door de arts met wachtdienst – Mogelijkheid tot inzage in het patiëntendossier van de overledene via de uitwissingsnetwerken

De wet schrijft voor dat het overlijden van een persoon moet worden vastgesteld door een arts.

De invulling van het overlijdensattest is een taak van algemeen belang, die bij voorkeur wordt verricht door de behandelend arts van de overledene.

Indien de behandeld arts niet beschikbaar is, moet de arts met wachtdienst zich ter plaatse begeven en het overlijden vaststellen.

Omdat de arts met wachtdienst geen zorgrelatie heeft met de overleden persoon, is het niet eenvoudig voor hem het overlijdensattest in te vullen zonder te beschikken over de gezondheidsgegevens van de overledene.

Daarom wordt uitzonderlijk toegelaten dat de wachtarts die het overlijdensattest dient in te vullen maar geen therapeutische relatie heeft met de overleden persoon, conform het proportionaliteitsbeginsel, via de uitwisselingsnetwerken toegang neemt tot de gezondheidsgegevens van de overledene die relevant, pertinent en noodzakelijk zijn om te voldoen aan zijn wettelijke plicht.

De betreffende loggings worden geregistreerd en de gedeelde gezondheidsgegevens blijven niet langer beschikbaar dan 24 uur na de vaststelling van het overlijden.

(Bron: Reglement betreffende de uitwisseling van gezondheidsgegevens tussen gezondheidssystemen verbonden via het verwijzingsrepertorium van het eHealth-platform)

Chirurgie07/11/2025 Documentcode: a172013
Laattijdige annulering of niet komen opdagen voor een chirurgische ingreep.

In zijn zitting van 7 november 2025 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag onderzocht betreffende de mogelijkheid voor een arts of een ziekenhuisinrichting om aan de patiënt een schadevergoeding te vragen wanneer hij laattijdig een ingreep afzegt of niet komt opdagen.

Het is niet in strijd met de medische deontologie dat een arts of een instelling van de patiënt een vergoeding eist voor de door zijn toedoen geleden schade. Dit geldt ook in geval van late annulering of het niet verschijnen voor een geplande chirurgische ingreep.

1.De juridische geldigheid van het vragen van een schadevergoeding valt niet onder de bevoegdheid van de Orde der artsen.

De nationale raad beperkt zich tot de opmerking dat een schadevergoeding, naast een geldige overeenkomst en een fout, ofwel het bewijs vereist van de daadwerkelijk geleden schade, ofwel moet vastgelegd zijn in een geldige contractuele clausule waarvan de patiënt nauwkeurig in kennis gesteld is en die hij aanvaard heeft.

Een schadebeding moet duidelijk en in begrijpelijke taal worden opgesteld en moet wederkerig en proportioneel zijn.

Indien de clausule misleidend is in de zin van het Wetboek van economisch recht, is ze nietig[1].

Dit is bijvoorbeeld het geval indien ze bepaalt dat alleen een late annulering door de patiënt aanleiding geeft tot schadevergoeding, zonder te voorzien in wederkerigheid indien de ziekenhuisinrichting of de arts in gebreke blijft. Hetzelfde geldt indien de voorziene schadevergoeding duidelijk de omvang van de potentiële schade overschrijdt.

Het recht om af te zien van zorg[2] stelt de patiënt in staat om zijn toestemming in te trekken, maar ontslaat hem niet van een eventuele schadevergoeding als hij een fout begaat. De fout kan bestaan uit het uitblijven of de laattijdigheid van de annulering. De beoordeling van de laattijdigheid is een feitelijke kwestie. De annuleringstermijn die vastgelegd is in een schadevergoedingsclausule in geval van niet-verschijnen voor een medische ingreep moet het recht van de patiënt om af te zien van zorg eerbiedigen en overeenkomen met het moment waarop de annulering schade veroorzaakt.

Wanneer het niet nakomen van de afspraak geen fout inhoudt (bijvoorbeeld in geval van overmacht), kan aan de patiënt geen schadevergoeding gevraagd worden.

2. Op deontologisch vlak zou de problematiek van het niet verschijnen van een patiënt voor een medisch gerechtvaardigde chirurgische ingreep, waarvan de noodzaak en de voordelen hem uitgelegd werden en waarmee hij na bedenktijd vrijwillig ingestemd heeft, breder benaderd moeten worden dan alleen vanuit financieel oogpunt.

Om dit tegen te gaan, dient ongetwijfeld een reeks maatregelen genomen te worden die inspelen op de verscheidenheid van de oorzaken. Net zoals automatische herinneringen algemeen geworden zijn, kunnen ook andere structurele oplossingen ontwikkeld worden.

De financiële, professionele of familiale situatie van de patiënt kan een belemmering vormen voor de zorg. Door de toegang tot nauwkeurige informatie over de kosten van de zorg, de omvang van de verzekeringsdekking of de sociale rechten te vergemakkelijken, en door een alleenstaande patiënt door te verwijzen naar een dienst die hem kan helpen bij de thuiszorg of hem kan aflossen als hij voor een afhankelijke persoon zorgt, kunnen moeilijkheden voorkomen worden.

De arts-patiëntrelatie moet de patiënt de mogelijkheid bieden om zijn vragen, zorgen en angsten te uiten.

Ten slotte, en meer in het algemeen, moet de sensibilisering van patiënten over het belang van het nakomen van afspraken en de gevolgen van late annuleringen voor de organisatie van de zorg gepaard gaan met een eenvoudig annuleringsproces.


[1] Hoofdstuk 6 van titel 3 van boek VI van het Wetboek van economisch recht

[2] Artikel 8/1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

Medisch dossier12/09/2025 Documentcode: a172011
Inzage in het patiëntendossier door de arts die het omstandig geneeskundig verslag opstelt in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de vraag onderzocht of de arts die belast is met het opstellen van een omstandig geneeskundig verslag in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening inzage mag nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon.


1/ Voorafgaand

De wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd recentelijk gewijzigd.[1]

De wijzigingen beogen verschillende doelstellingen: meer aandacht voor zorg, minder gebruik van dwang, respectvoller omgaan met de rechten van de patiënt, gebruik van kwaliteitsvolle medische verslagen, aandacht voor de omgeving van de patiënt, enz.[2]

Tot de belangrijkste wijzigingen behoren de invoering van een wettelijke definitie van ‘psychiatrische aandoening’, (in het kader van de spoedprocedure) de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen, en de invoering van een vrijwillige behandeling onder voorwaarden als nieuwe beschermingsmaatregel.

Zowel in de gewone procedure als in spoedeisende gevallen kan de rechter, in voorkomend geval de procureur des Konings, slechts een beschermingsmaatregel opleggen onder voorbehoud van de tussenkomst van een arts die de gezondheidstoestand van de betrokkene onderzoekt.

De arts beoordeelt vanuit medisch oogpunt of de te onderzoeken persoon een psychiatrische aandoening heeft overeenkomstig de wettelijke definitie. Onder ‘psychiatrische aandoening’ wordt verstaan een volgens de huidige stand van de wetenschap als zodanig omschreven aandoening die de realiteitsperceptie, het oordeelsvermogen, de denkprocessen, de stemming of de controle over diens daden ernstig kan verstoren.[3] Daarnaast beoordeelt de arts in hoeverre deze aandoening de gezondheid van de persoon ernstig in gevaar brengt of een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, en in welke mate deze gezondheidstoestand een beschermingsmaatregel vereist.

Bij Koninklijk Besluit van 12 december 2024 is een model van omstandig geneeskundig verslag vastgesteld: FAQ-4-4-Bijlage-III-Omstandig-geneeskundig-verslag.docx.

Het omstandig geneeskundig verslag mag niet worden opgesteld door de arts die om de maatregel verzoekt of door de arts die een bloed- of aanverwant tot de vierde graad van de verzoeker of van de persoon met een psychiatrische aandoening is.[4]

Het is niet verboden dat het verslag wordt opgesteld door de behandelend arts van de persoon met een psychiatrische aandoening.

Het zijn hoofdzakelijk urgentieartsen die moeilijkheden ondervinden bij het opstellen van dergelijk verslag voor patiënten waarvan zij de medische voorgeschiedenis niet kennen. Zij stellen de vraag of zij – al dan niet via de uitwisselingsnetwerken – inzage mogen nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon om het omstandig geneeskundig verslag zorgvuldig te kunnen invullen.


2/ Op wettelijk vlak

De arts heeft toegang tot gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars op voorwaarde dat de patiënt voorafgaand zijn geïnformeerde toestemming tot deze toegang gaf.[5]

De arts heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van een patiënt waarmee hij een therapeutische relatie heeft.[6]

De arts die een therapeutische relatie heeft met de patiënt, heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van de patiënt indien de finaliteit van de toegang bestaat uit het verstrekken van zorg, de toegang noodzakelijk is voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking, en de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn binnen dit kader.[7]

Bijgevolg, mag de arts die belast is met het opstellen van het omstandig geneeskundig verslag slechts inzage nemen in de relevante stukken van het patiëntendossier mits de voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de te onderzoeken persoon, of diens vertegenwoordiger.

Zonder specifiek wettelijk kader is het uitgesloten dat artsen die belast zijn met het onderzoek van de patiënt zonder het oogmerk om de gezondheid van de patiënt te behouden, herstellen of verbeteren, gebruik maken van de uitwisselingsnetwerken om inzage te nemen in de gezondheidsgegevens van de te onderzoeken persoon.[8]


3/ Op deontologisch vlak

Van de arts wordt verwacht dat hij vanuit medisch oogpunt vaststellingen verricht over de psychiatrische gezondheidstoestand van de patiënt en daartoe passende maatregelen of behandelalternatieven adviseert.

De arts beoordeelt de medische situatie op het ogenblik van het onderzoek, zonder dat hiervoor noodzakelijkerwijs kennis van de volledige medische voorgeschiedenis is vereist.

Er dient in gedachten te worden gehouden dat de wet niet primair gericht is op bestraffing, maar op bescherming en hulpverlening. Binnen dit kader voorziet de wet in alternatieven voor de beschermende observatiemaatregel (vroeger: gedwongen opname), zoals de vrijwillige behandeling onder voorwaarden.

Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen. Deze evaluatie laat toe om – in spoedeisende gevallen – de gezondheidstoestand grondiger te onderzoeken, zonder daarbij onmiddellijk over te gaan tot ingrijpende dwangmaatregelen.

Op deontologisch vlak heeft de arts de taak de patiënt gerust te stellen en te informeren over de mogelijke behandelingsalternatieven. Zowel de ratio van de wet als de principes van de medische deontologie zijn erop gericht dat het behandeltraject in maximale mate door de patiënt wordt gedragen.

De arts dient zijn beoordeling volledig onafhankelijk en zonder enige druk van justitiële diensten uit te voeren, met aandacht voor het belang van de patiënt en de maatschappij.

Tenslotte is een dialoog tussen de medische wereld en justitie noodzakelijk om een optimale toepassing van de wet te verzekeren en, waar aangewezen, te komen tot de uitwerking van praktisch toepasbare procedures.


[1] Wijziging bij wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

[2]Bescherming personen met geestesziekte wijzigt op 1 januari | Federale Overheidsdienst Justitie.

[3] Art. 1/1, lid 1, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.

[4] Art. 5, §2, lid 2, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.

[5] Art. 36, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

[6] Art. 37, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

[7] Art. 38, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

[8] Art. 3, Koninklijk Besluit van 15 december 2024 over de toegang tot gezondheidsgegevens.

Gedetineerden12/09/2025 Documentcode: a172009
Deontologische aanbevelingen voor eerbiediging van menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de problematiek onderzocht van het gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.

Gedetineerden hebben het recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving.[1] Zij hebben, zonder enig onderscheid op welke grond ook, tegenover de arts recht op kwaliteitsvolle zorg die beantwoordt aan hun behoeften.[2]

Artsen zijn gehouden de menselijke waardigheid en het recht op zelfbeschikking van elke patiënt te eerbiedigen en te waarborgen.[3]

Gevangenisartsen trekken aan de alarmbel omdat deze fundamentele rechten, die eveneens de kern vormen van de medische deontologie, stelselmatig worden overtreden.

De nationale raad acht het ontoelaatbaar dit probleem te negeren en richt een oproep tot de bevoegde minister om hieraan de nodige prioriteit te geven, met bijzondere aandacht voor volgende aspecten:


1/ Respect voor de naleving van de rechten van de patiënt binnen de detentiecontext

De toegankelijkheid van de gezondheidszorg in de gevangenissen dient te worden versterkt. Het feit dat een gedetineerde vanwege een complexe gezondheidsproblematiek moet worden geëxtraheerd voor behandeling buiten de inrichting mag geen aanleiding zijn tot uitstel van noodzakelijke zorgverlening.

Er dient aandacht te zijn voor het recht op privacy en het recht op intimiteit. De aanwezigheid van andere gedetineerden tijdens de raadpleging is onaanvaardbaar. Uitzonderlijk kan toezicht aanwezig zijn tijdens de raadpleging om de veiligheid van de zorgverstrekker te waarborgen.

Het beroepsgeheim geldt onverkort ten aanzien van elke patiënt. Tenzij er een wettelijke uitzondering bestaat, kan de gezondheidsinformatie van de gedetineerde die is verzameld tijdens de behandelrelatie niet doorstromen naar personen die geen therapeutische relatie hebben met de gedetineerde.

De gedetineerde dient beter geïnformeerd te worden over zijn gezondheidstoestand. De taalbarrière mag een adequate informatieverstrekking niet verhinderen.

De gedetineerde heeft het recht om gezondheidsonderzoeken te weigeren. De uitoefening van het recht op weigering mag voor de gedetineerde geen negatieve gevolgen met zich meebrengen. Enkel wanneer er een aanzienlijk risico bestaat op schade aan de gezondheid van andere gedetineerden of de volksgezondheid, kunnen proportionele maatregelen worden getroffen om deze schade te voorkomen of te beperken.

Tenslotte, mag de overbevolking in de gevangenissen, de complexiteit van de gezondheidsproblematiek van de gedetineerden en het tekort aan middelen niet worden aangewend als rechtvaardigingsgrond voor de schending van fundamentele rechten, waaronder het recht op gezondheidszorg.


2/ Verbetering van werkomstandigheden en professionele ondersteuning van gevangenisartsen

Er dient aandacht te zijn voor de nodige omkadering die de arts toelaat om kwaliteitsvolle gezondheidszorg te verrichten.

De actuele arbeidsomstandigheden van gevangenisartsen maken het onmogelijk om gezondheidszorg te verlenen die in overeenstemming is met de huidige stand van de medische wetenschap.

Er dienen ruimten en middelen ter beschikking te worden gesteld om een anamnese en een fysiek onderzoek uit te voeren. Deze vereiste hangt nauw samen met de plicht tot respect voor het recht op privacy, de intimiteit en de menselijke waardigheid van de gedetineerde.

De gedetineerde heeft, net als elke patiënt, recht op een zorgvuldig bijgehouden patiëntendossier. De gevangenisarts is de huisarts van de gedetineerde en dient de mogelijkheid te hebben gebruik te maken van een eenvormig geaccrediteerd softwarepakket voor huisartsgeneeskunde, dat gekoppeld is aan de uitwisselingsnetwerken.


3/ Implementatie van richtlijnen van goede medische praktijkvoering die een kwaliteitsvolle gezondheidszorg in detentie garanderen, met aandacht voor de medische deontologie

Er dienen richtlijnen te worden opgesteld voor goede medische praktijkvoering binnen de gevangenissen, met bijzondere aandacht voor deontologische vraagstukken die typisch binnen de detentiecontext voorkomen.

Een illustratief voorbeeld betreft de rol van de gevangenisarts bij de beslissing en uitvoering van afzonderingsmaatregelen, waarbij de arts door zijn dubbele rol - als behandelend arts van de gedetineerde en als adviserend arts - niet volledig onafhankelijk kan opereren.

De nationale raad stelt zich bereid zijn expertise aan te bieden en actief mee te werken aan de ontwikkeling van deze richtlijnen, in de overtuiging dat deze zowel een praktische leidraad zullen bieden voor gevangenisartsen als het vertrouwen in de hiërarchische structuur zullen versterken.


4/ Overdracht naar de FOD Volksgezondheid

Ten slotte, is de nationale raad van mening dat de bevoegdheid voor gezondheidszorg in de gevangenissen dient overgeheveld te worden van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid, om zo de zorg te verbeteren en te uniformeren met de zorg buiten de gevangenismuren.


[1] Art. 88, Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

[2] Art. 5, lid 1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[3] Art. 5, lid 2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Minderjarigen12/09/2025 Documentcode: a172010
Advies van de nationale raad van de Orde der artsen betreffende de wijziging van het Strafwetboek om een meldingsplicht in te voeren voor bepaalde misdrijven gepleegd op minderjarigen of kwetsbare personen.

Tussenkomst van de heer Benoît Dejemeppe,
voorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen,
voor de commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 23 september 2025.


Geachte voorzitter,
Geachte volksvertegenwoordigers,

1. Als voorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen stel ik u graag in kennis van de beschouwingen van de Orde over het wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek voor wat betreft de aangifteplicht van bepaalde misdrijven gepleegd op minderjarigen of kwetsbare personen (DOC 56 0778/001).

2. De bescherming van minderjarigen en kwetsbare personen tegen bijzonder ernstige misdrijven is een dwingende verplichting die door de medische wereld wordt gedeeld en die is opgenomen in de Code van medische deontologie (artikel 29).

Hoewel de Orde het eens is met de intentie van het wetsvoorstel, plaatst zij vraagtekens bij de geschiktheid van de middelen die worden ingezet om het beoogde doel te bereiken.

De ervaring leert doorgaans dat justitie niet alles alleen kan oplossen. Het is ook een taak van de staat om iedereen ertoe aan te zetten zijn verantwoordelijkheid op te nemen en samen te werken met andere maatschappelijke actoren. Het verplicht inschakelen van justitie leidt niet altijd tot een bevredigende oplossing en kan het leed van de slachtoffers nog vergroten.

Het hiërarchische debat tussen hulpverlening en justitie moet plaats maken voor een andere hiërarchie: het slachtoffer moet op de eerste plaats komen en de structuren moeten zich aanpassen aan zijn behoeften. Justitie en hulpverleningsdiensten moeten bruggen bouwen om hun expertise in de opvang van slachtoffers wederzijds te versterken.

3. Na een daad van agressie is de zorg voor het slachtoffer even belangrijk als de vervolging van de dader en het voorkomen van nieuwe misdrijven.

De angst voor gerechtelijke vervolging op basis van een aangifte door de arts kan een belemmering vormen voor de toegang tot zorg. Veel kwetsbare personen zijn afhankelijk van derden om een arts te raadplegen of zijn zelf bang voor gerechtelijke vervolging.

Het risico dat het slachtoffer geen zorg krijgt, moet in aanmerking worden genomen bij de keuze van de middelen die worden ingezet om geweld tegen kwetsbare personen te bestrijden.

4. Vertrouwelijke informatie over ondergane of gepleegde agressie komt gemakkelijker naar buiten in een vertrouwelijke omgeving, gebaseerd op beroepsgeheim, waar men zich zonder schaamte of angst kan uiten en passende zorg kan krijgen.

Deze vertrouwelijke omgeving is vaak de eerste stap naar structurele hulp.

De verplichting om aangifte te doen bij de procureur des Konings kan een contraproductief effect hebben op deze eerste, voor het slachtoffer moeilijk te zetten stap, namelijk zich openstellen tegenover een derde over wat hij of zij meemaakt of heeft meegemaakt. Dit contraproductieve effect valt vooral te vrezen in situaties van huiselijk geweld.

5. Het wetsvoorstel is gericht op een repressieve aanpak.

Met name in geval van huiselijk geweld meent de Orde dat het inschakelen van of het melden bij een multidisciplinaire instantie voor slachtofferhulp en begeleiding van daders een geschikter kader biedt.

6. In de context van de zorg wordt de kwetsbare persoon altijd betrokken bij beslissingen die hem aangaan, rekening houdend met zijn vermogen om zijn belangen redelijkerwijze in te schatten en met zijn begripsvermogen.

Het wetsvoorstel laat geen ruimte voor de autonomie van kwetsbare personen, wat haaks staat op de ontwikkelingen op het gebied van het recht op zelfbeschikking. De bewaarder van het beroepsgeheim is verplicht de feiten te melden zonder rekening te houden met de mening van de betrokken persoon.

7. Aangezien artikel 458bis van het Strafwetboek gericht is op personen die kwetsbaar zijn vanwege hun leeftijd, ziekte, handicap, lichamelijke beperking enz., geeft het geen sluitende definitie van het begrip ‘kwetsbare persoon’.

Niet elke ziekte leidt tot een kwetsbare toestand en de gevolgen van ouderdom variëren van persoon tot persoon. Behalve bij minderjarigen hangt de beoordeling van de kwetsbaarheid dus af van degene die het geheim bewaart.

Voor de beoordeling van de kwetsbaarheid van een persoon is deskundigheid vereist. Het is verkeerd te denken dat dit voor iedereen een haalbare opgave is.

Het voorgestelde ontwerp heeft tot gevolg dat als de bewaarder van het geheim zich vergist, hij strafrechtelijk kan worden vervolgd, hetzij omdat hij de geheimhoudingsplicht heeft geschonden (artikel 458 van het Strafwetboek), hetzij omdat hij de meldingsplicht heeft geschonden (artikel 458bis van het Strafwetboek), overeenkomstig het gewijzigde voorstel).

Gezien de diversiteit en complexiteit van concrete situaties, legt dit een buitensporige last op zijn schouders.

8. Aangezien elke fout tot strafrechtelijke vervolging kan leiden, is de verplichting om op een passende wijze het risico van toekomstige inbreuk op de integriteit te beoordelen, evenals de ernst en de onmiddellijkheid ervan, het risico op recidive bij anderen en de vraag of dit een ernstig en reëel gevaar vormt, eveneens buitensporig. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de mogelijkheid om de integriteit van het (toekomstige) slachtoffer alleen of met hulp van derden te beschermen.

Uit de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat “beroepsgeheimhouders nochtans de inschatting dienen te kunnen maken in welke gevallen zij hun beroepsgeheim kunnen dan wel moeten doorbreken. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij voortdurend in onzekerheid moeten werken en vrezen voor eventuele strafvervolging.”

De voorgestelde wijziging van artikel 458bis van het Strafwetboek biedt geen zekerheid en verzwakt de positie van de beroepsbeoefenaars nog meer.

9. Het wetsvoorstel beoogt een betere toepassing van de regelgeving.

Vanuit haar ervaring meent de Orde der artsen dat een manier om dit doel te bereiken zou zijn om de actoren in het veld te begeleiden bij het uitoefenen van hun bevoegdheid om feiten te melden, zodat zij de situaties zo goed mogelijk kunnen inschatten, in het belang van het slachtoffer. Een beslissingsboom en gemakkelijk toegankelijke en responsieve hulpbronnen zouden hiertoe zeer nuttig zijn.

Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid12/09/2025 Documentcode: a172012
De handelwijze van bepaalde artsen die het aan de huisarts van een patiënt overlaten deze laatste een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid te bezorgen.

In zijn zitting van 12 september 2025 werd de nationale raad van de Orde der artsen om advies verzocht betreffende de handelwijze van bepaalde artsen die het aan de huisarts van een patiënt overlaten deze laatste een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid te bezorgen.

Elke arts moet de patiënt de medische documenten die hij nodig heeft, bezorgen (artikel 26 van de Code van medische deontologie).

Het is een deontologische plicht van de arts om binnen de grenzen van zijn bevoegdheden en op een objectieve wijze gevolg te geven aan legitieme verzoeken van de patiënt. De arts kan zich hieraan niet onttrekken zonder gegronde reden.

Indien de patiënt voor dit document doorverwezen wordt naar zijn huisarts, brengt dat een extra raadpleging met zich en dus kosten voor de patiënt en de gemeenschap.

Dit verstoort de organisatie van de huisarts, die de patiënt snel moet onderzoeken zodat deze het attest binnen de gestelde termijn aan zijn werkgever kan bezorgen.

Uiteindelijk moet de patiënt extra stappen ondernemen om zijn rechten te doen gelden.

De nationale raad wijst er dan ook op dat artikel 26 van de Code van medische deontologie geldt voor alle collega’s.

Behoudens geldige reden, moet de arts die een medische ingreep verricht die leidt tot ongeschiktheid of die bij een patiënt arbeidsongeschiktheid vaststelt, zijn verantwoordelijkheid volledig opnemen en hem een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid afgeven indien hij dit nodig heeft.

Hij kan zich niet ontdoen van de administratieve aspecten die inherent zijn aan zijn medische praktijk, ten koste van andere collega's en de patiënt.

Honoraria25/04/2025 Documentcode: a172006
Handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van de patiënt bij een ziekenhuisopname.

In zijn vergadering van 25 april 2025 bestudeerde de nationale raad van de Orde der artsen de handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van de patiënt in het kader van een ziekenhuisopname.

De raad heeft vernomen dat sommige ziekenhuisartsen patiënten financieel onder druk zetten om te kiezen voor een individuele kamer. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de aanrekening van extra ereloonsupplementen voor de postoperatieve raadpleging als drukmiddel wordt aangewend wanneer de patiënt opteert voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer. Indien daarentegen gekozen wordt voor een individuele kamer, zou voor de postoperatieve raadpleging het verbintenistarief worden toegepast.

Deze praktijk omzeilt de wettelijke beperking op de vrije bepaling van het honorarium wanneer de patiënt kiest voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer. De ereloonsupplementen die niet kunnen worden aangerekend omwille van deze kamerkeuze, worden achteraf aangerekend tijdens de ambulante nazorg.

Op wettelijk vlak geldt een verbod om ereloonsupplementen te vragen bij een opname in een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer.[1] De vrije bepaling van het honorarium van de arts geldt nog wel ten aanzien van patiënten die kiezen voor een individuele kamer, maar ook daar voorziet de wet in bepaalde uitzonderingen.[2]

Ongeacht de kamerkeuze heeft de patiënt steeds het recht op hetzelfde aanbod aan kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Dit aanbod betreft de verstrekkingen die in het ziekenhuis worden aangeboden, de termijn waarbinnen deze worden aangeboden en de artsen die in het ziekenhuis werkzaam zijn.[3] De ziekenhuiswet verbindt een strafsanctie aan hij die met overtreding van deze regel patiënten ongelijk behandelt.[4]

De regel dat het verbintenistarief moet worden toegepast in een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer en in sommige gevallen ook in een individuele kamer, is van openbare orde.[5]

De wetgever beoogde met deze regel de toegang van alle patiënten tot een kwaliteitsvolle zorgverstrekking in de ziekenhuizen te waarborgen. Het omzeilen van voornoemde regel door extra ereloonsupplementen aan te rekenen tijdens de ambulante nazorg indien de patiënt kiest voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer, strookt niet met de ratio van de wet.

Op deontologisch vlak heeft de nationale raad zich eerder uitgesproken over de handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van een patiënt.[6] De eerdere adviezen van de nationale raad leggen de nadruk op de vrije artsenkeuze, de deontologische plicht van de arts alle patiënten even gewetensvol te behandelen[7] en de ontoelaatbaarheid om zorg te weigeren enkel omdat de patiënt geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening.

De raad voegt hieraan toe dat het deontologisch ontoelaatbaar is de patiënt financieel onder druk te zetten om te kiezen voor een individuele kamer.

De kamerkeuze moet volledig vrij kunnen gebeuren.

Ten slotte, herhaalt de raad dat de arts zijn ereloon te goeder trouw moet bepalen, waarbij eerlijkheid en gematigdheid centraal staan.[8] De arts heeft de wettelijke en deontologische plicht de patiënt voorafgaand en duidelijk te informeren over de bepaling van zijn ereloon.[9]

De tuchtraden van de Orde der artsen hebben de bevoegdheid controle uit te oefenen en misbruiken op de vrije bepaling van het ereloon tuchtrechtelijk te sanctioneren.


[1] Art. 152, §2, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

[2] Art. 97; §2, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

[3] Art. 29/1, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

[4] Art. 128, 13°, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

[5] Cass. 4 mei 2020, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200504.2

[6] Cf. advies van de nationale raad van 24 februari 2018, “Weigeren van zorg voor een patiënt enkel omdat deze geen individuele kamer kiest”; advies van de nationale raad van 20 februari 2016, “Handelwijze van bepaalde artsen die aan een patiënt opdringen een eenpersoonskamer te kiezen als voorwaarde om door hen in behandeling genomen te worden tijdens een ziekenhuisopname”; advies van de nationale raad van 22 februari 2014, “Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer”.

[7] Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.

[8] Commentaar bij art. 33, Code van medische deontologie.

[9] Art. 8, §1 en §2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 33, lid 2, Code van medische deontologie.

Beroepsgeheim25/04/2025 Documentcode: a172008
De hervorming van het beroepsgeheim in het federaal regeerakkoord

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 25 april 2025 op verzoek van de “Fédération des équipes SOS Enfants” (Franstalige equivalent van de Vertrouwenscentra Kindermishandeling) de evenwichtsoefening tussen het beroepsgeheim en de meldingsplicht ingeval van kindermishandeling. Deze bespreking kadert in de voorziene aanpassingen van de wetgeving hieromtrent in het federaal regeerakkoord[1].

De Orde der artsen wordt regelmatig geraadpleegd door artsen en andere personen die een vertrouwensfunctie bekleden met de vraag hoe zij moeten omgaan met hun beroepsgeheim in het geval van vermoeden van kindermishandeling of mishandeling van kwetsbare personen. Uit deze contacten komen verschillende knelpunten aan het licht: het gebrek aan kennis van de materie zowel binnen het artsenkorps als binnen de algemene bevolking; het gebrek aan exact cijfermateriaal; de nood aan permanente beschikbaarheid van experten om het werkveld te ondersteunen in crisissituaties en de angst voor eventuele strafvervolging. Om hieraan tegemoet te komen heeft de Orde der artsen deontologische handvatten aangereikt in verschillende adviezen en ook de formulering van het artikel 458bis Sw. herwerkt naar een leesbare en bruikbare tekst (cf. artikel 29, Code van medische deontologie).

De omzetting van het huidige meldingsrecht aan de procureur des Koning naar een meldingsplicht zou een duidelijker kader moeten scheppen voor de geheimhouders. Evenwel afgaande op de praktijkervaring is deze omzetting enkel te verantwoorden in geval van extra-familiaal geweld. In geval van intra-familiaal geweld zou een meldingsplicht aan de procureur des Konings nadelige en zelfs averechtse gevolgen kunnen hebben:

  • de mishandelende ouders zouden hun kind niet meer laten verzorgen omdat ze geen garantie hebben op geheimhouding;
  • de mishandelde kinderen zouden zich niet tot de hulpverleners durven wenden uit vrees dat hun ouders vervolgd zouden worden.

Vele artsen, pediaters en kinderpsychiaters in het bijzonder hebben met succes geijverd om de problematiek van intra-familiaal geweld aan het gerecht te onttrekken en bijgevolg de drempel naar de hulpverlening te verlagen, voor zover de “daders” het opgelegde zorgtraject strikt naleven. Voor intra-familiaal geweld zou de invoering van een meldingsplicht aan een structuur equivalent aan de huidige Vertrouwenscentra Kindermishandeling een oplossing kunnen bieden mits de nodige aanpassingen:

  • permanente beschikbaarheid voor advies en opvang van de meldingen;
  • oprichting van een “kenniscentrum” voor opleiding;
  • permanente opvolging van gedane meldingen over het gehele grondgebied op een sterk beveiligd hiervoor opgericht platform waardoor een exacte inschatting van de problematiek en bijsturing mogelijk wordt.

De nationale raad is vragende partij om mee te werken om klaarheid te scheppen in de actuele onduidelijkheid over de verhouding tussen het beroepsgeheim en de meldingsplicht in geval van kindermishandeling. Het beroepsgeheim mag enerzijds geen obstakel vormen om schrijnende situaties te melden en anderzijds blijft het de hoeksteen van de vertrouwensband tussen de arts en de patiënt. De hoger voorgestelde aanzet tot oplossing voorziet in een meldingsplicht binnen de zorg voor intra-familiaal geweld en aan de procureur des Koning voor extra-familiaal geweld.


[1]Regeerakkoord-Bart_De_Wever_nl.pdf, p. 148

Gedetineerden21/02/2025 Documentcode: a172003
De aandacht voor zorg in de gevangenis – de behandeling van hepatitis C.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 21 februari 2025 de problematiek onderzocht met betrekking tot het gebrek aan behandeling van hepatitis C bij gedetineerden die voor een korte periode in de gevangenis verblijven.

Op heden wordt de behandeling van hepatitis C bij een gedetineerde slechts opgestart wanneer hij minimaal drie maanden in de gevangenis verblijft.

De keuze om uitsluitend gedetineerden te behandelen die gedurende het volledige behandeltraject in de gevangenis verblijven, is gebaseerd op een tekort aan middelen, de veronderstelling dat de behandeling na vrijlating niet wordt voortgezet en de niet-dringende aard van de pathologie.

Het onderscheid in behandeling naargelang de duur van de detentieperiode is vanuit deontologisch oogpunt onverdedigbaar. Overeenkomstig de Code van medische deontologie verzorgt de arts alle patiënten even gewetensvol en zonder discriminatie.[1]

Een verantwoord beheer van de middelen van de gemeenschap mag er niet toe leiden dat een bepaalde bevolkingsgroep geen toegang krijgt tot gezondheidszorg, te meer omdat de behandeling zeer toegankelijk is.

De behandeling van elke gedetineerde sluit bovendien aan bij de mondiale hepatitisstrategie van de Wereldgezondheidsorganisatie, die door België werd goedgekeurd en tot doel heeft het aantal nieuwe hepatitisinfecties tussen 2016 en 2030 met negentig procent te verminderen.[2]

Het behandelen van zoveel mogelijk gedetineerden is niet alleen van belang voor de gezondheid van de gedetineerde zelf, maar ook voor de samenleving. Een onbehandelde gedetineerde kan immers na vrijlating anderen besmetten buiten de gevangenismuren.

De gevangenisarts heeft de taak mee in te staan voor gezondheidspreventie, - bescherming en promotie.[3] Vroegtijdig testen en informeren over de besmettingsrisico’s maken deel uit van een zorgvuldig hepatitisbeleid.

Ten slotte is het ongerijmd om vooraf te veronderstellen dat de gedetineerde de behandeling na vrijlating niet zal voortzetten. De gevangenisarts speelt hierin een cruciale rol: hij moet de gedetineerde informeren over de risico's van de aandoening en, met het oog op de zorgcontinuïteit, de patiënt overtuigen de behandeling voort te zetten en hem of haar informeren over de centra die kunnen instaan voor de verdere zorg.


[1] Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.

[2]Elimination of hepatitis by 2030.

[3] Art. 5, Code van medische deontologie.

Beroepsgeheim21/02/2025 Documentcode: a172005
De publicatie door een arts van verhalen op basis van situaties die patiënten hebben meegemaakt, voor niet-wetenschappelijke doeleinden.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de verhalen van een arts over situaties die patiënten hebben meegemaakt, met een niet-wetenschappelijk doel.

Dit advies geldt ongeacht de vorm, de wijze van verspreiding en de drager (papier, video- of audio-opname) die hiervoor wordt gebruikt.

Een patiënt neemt zijn arts in vertrouwen omdat de kwaliteit van de zorg ervan afhangt en omdat hij kan rekenen op vertrouwelijkheid en respect.

Als een patiënt dan later in een verhaal wordt opgevoerd, in een context die volledig losstaat van de zorg, wordt hij eigenlijk gebruikt voor een doel waarmee hij niets te maken heeft.

Het delen van een ervaring uit de praktijk kan gunstig zijn vanuit collectief standpunt maar de wijze waarop de arts de feiten beschrijft, kan een impact hebben op de betrokken individuen en gevolgen hebben voor het vertrouwen van de bevolking in de artsen.

Een arts kan geen vrij gebruik maken van wat hij verneemt tijdens of bij gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep. Hij moet de afweging maken tussen zijn rechten, waaronder zijn vrijheid van meningsuiting, en zijn verplichtingen. Zijn status van noodzakelijke vertrouwenspersoon brengt mee dat hij wettelijk verplicht is het beroepsgeheim te bewaren, dat niet eindigt na het overlijden van de patiënt. Patiënten hebben recht op bescherming van hun privacy en persoonlijke gezondheidsgegevens buiten de zorgrelatie.

Respect voor de menselijke waardigheid van de patiënt is wettelijk vastgelegd (artikel 5, 2de lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt). Ook op deontologisch gebied is respect noodzakelijk, zelfs al kan de patiënt niet worden geïdentificeerd.

De eerste plicht van de arts is te handelen in het belang van de gezondheid van de patiënt. Hij mag de impact op het welzijn van de patiënt niet onderschatten wanneer deze zichzelf herkent en ontdekt hoe zijn medische situatie, die voor hem een bron van lijden en angst is, wordt beschreven door de arts in wie hij zijn vertrouwen heeft gesteld.

Respect voor de menselijke waardigheid en respect voor het medisch beroepsgeheim beschermen het individu, maar zijn ook essentieel op collectief niveau om de toegang tot de zorg te waarborgen. Angst voor indiscretie of kwetsende uitlatingen vormt een belemmering voor de zorg.

De arts laat zich leiden door de medische ethiek en de Code van medische deontologie en gaat voorzichtig en verstandig te werk om de eer of de waardigheid van het beroep niet te schaden door zijn publicaties.

Geneeskunde (Verzekerings-)21/02/2025 Documentcode: a172002
Onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid van een verzekerde – Rol van de arts gemandateerd door de verzekeringsonderneming

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de rol onderzocht van de controlearts die door een verzekeringsonderneming wordt aangesteld bij vermoeden dat de gezondheidstoestand beweerd door de verzekerde niet overeenstemt met de werkelijkheid.

1. De wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing verbiedt de onderzoeker gegevens over de gezondheid van de betrokkene in te winnen of aan de opdrachtgever bekend te maken (art. 57, wet private opsporing).

Ze voorziet echter in een uitzondering op dit verbod wanneer de opdrachtgever van de onderzoeker een verzekeringsonderneming is die vermoedt dat de door de betrokkene beweerde gezondheidstoestand niet overeenstemt met de realiteit. Deze uitzondering dient strikt geïnterpreteerd te worden en is onderworpen aan dwingende voorwaarden (art. 60, wet private opsporing).

Een van deze voorwaarden is de vereiste van een schriftelijke vraag van een door de opdrachtgever aangestelde controlearts die de betrokkene heeft onderzocht of die deze driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat de betrokkene hieraan gevolg heeft gegeven (art. 60, 3°, wet private opsporing).

2. De Code van medische deontologie stelt dat de arts met een deskundige, adviserende of controlerende opdracht deze uitvoert volgens de wettelijke regels, de deontologische principes, met respect voor de patiënt en met inachtneming van de beperkingen eigen aan zijn opdracht en functie (art. 43, Code van medische deontologie).

De rol van arts aangesteld door een verzekeringsonderneming is de fysieke geschiktheid van de verzekerde te onderzoeken en niet fraude te bestrijden.

Hij moet objectief en nauwkeurig te werk gaan en zich beperken tot de medische overwegingen.

Indien hij vermoedt dat de gezondheidstoestand beweerd door de betrokkene niet overeenstemt met de werkelijkheid, geeft hij zijn medische bevindingen objectief weer in zijn expertiseverslag dat voor alle partijen toegankelijk is en onderworpen aan tegenspraak.

De arts moet zich bewust zijn van de gevolgen van zijn verklaringen en dus voorzichtig en bedachtzaam handelen.

3. Het is aan de dossierbeheerder van de verzekeringsonderneming om, op basis van het verslag van de controlearts, te beslissen of het wenselijk is een privédetective in te schakelen.

Deze laatste kan enkel belast worden met het nagaan van de activiteiten en de gedragingen van de betrokkene die het vermoeden van simulatie kunnen staven. Het onderzoek mag geen directe (welke ziekte of welk letsel heeft betrokkene?) maar uitsluitend indirecte informatie (welke activiteiten verricht de betrokkene?) opleveren. (Parl. St. , Kamer, 55-3935/001, p. 49).

Opdat deze opdracht wettelijk zou zijn, moet de gezochte informatie noodzakelijk zijn hetzij voor het beheer van de rechtsgeschillen van de verzekeringsonderneming, hetzij om te voldoen aan een wettelijke verplichting.

4. De wet vereist bovendien dat de controlearts aangesteld door de verzekeringsonderneming, en die de betrokkene onderzocht heeft of hem driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat deze hieraan gevolg heeft gegeven, de opdracht steunt onder de vorm van een schriftelijke vraag.

De controlearts is verantwoordelijk voor zijn beslissing en neemt deze in volledige onafhankelijk. Hij is vrij te weigeren indien hij vaststelt dat de voorwaarden zoals bepaald in artikel 60 van de wet private opsporing niet zijn vervuld. Dit is in het bijzonder het geval wanneer hij meent dat de gezondheidstoestand van de betrokkene overeenstemt met de realiteit (en er dus geen vermoeden van simulatie is), wanneer het voorwerp van de opdracht de wet overschrijdt of wanneer het onderzoek geen nuttige elementen kan aanbrengen voor de uitoefening van zijn opdracht.

Het vermoeden van simulatie moet gestaafd worden door een reeks elementen zoals het gebrek aan objectivering van de klachten, de inconsequentheid van de symptomen, de tegenstrijdigheden, enz.

De arts mag geen enkele inlichting gedekt door het medisch geheim aan de detective geven.

De resultaten van het privéonderzoek worden door de verzekeringsonderneming enkel meegedeeld aan de controlearts.

Dit advies annuleert en vervangt het advies van 18 november 2017, Onderzoek te voeren i.v.m. de fysieke geschiktheid van een verzekerde in het kader van een medische expertise – Privédetective, a159006.

Telegeneeskunde21/02/2025 Documentcode: a172004
Medische controles via telegeneeskunde.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 21 februari 2025 onderzocht of het vanuit deontologisch oogpunt is toegelaten dat een medische controle gebeurt via telegeneeskunde.

Onderstaand advies betreft de medische controles op zowel de werknemers die zich tijdens hun ziekte bevinden in België als deze in het buitenland.

Sinds de gewijzigde wetgeving[1] betreffende het recht van de werknemer op het behoud van zijn vakantiedagen die samenvallen met ziekte, is er een stijging naar de vraag voor het verrichten van medische controles via telegeneeskunde, omdat de werknemer zich tijdens zijn jaarlijkse vakantie vaak bevindt in het buitenland.

Hoewel de werkgever zijn recht op controle behoudt[2], blijkt het in de praktijk moeilijk te zijn om deze controle in het buitenland te organiseren.

Het advies van de nationale raad aangaande de deontologische regels voor teleconsultatie[3] bepaalt onder meer dat de arts over voldoende relevante en betrouwbare gegevens van de patiënt moet beschikken om een medisch verantwoord advies te kunnen geven via telegeneeskunde. Deze vereiste kan niet worden ingevuld bij een controleopdracht omdat de controlearts geen inzage mag nemen in het patiëntendossier, omwille van het gebrek aan een therapeutische relatie met de patiënt[4].

Bijgevolg kan bezwaarlijk een kwaliteitsvolle telecontrole worden gerealiseerd en volgt uit de aard van de opdracht dat telegeneeskunde in de regel geen geschikte methode is voor het verrichten van medische controles.

Uitzonderlijk kan van deze regel worden afgeweken, met name:

  • Wanneer objectieve medische elementen de controle via telegeneeskunde mogelijk maken (te denken valt aan de interpretatie van een bloedonderzoek, een operatieverslag of medische beeldvorming);
  • Wanneer het mogelijk is contact op te nemen met de behandelend arts, mits toestemming van de patiënt, en deze de noodzakelijke toelichting kan verstrekken bij de arbeidsongeschiktheid.

Binnen het specialisme van de controlegeneeskunde is het aangewezen wetenschappelijke krijtlijnen vast te leggen in welke gevallen medische controles kwalitatief kunnen gebeuren via telegeneeskunde.


[1] Wet van 17 juli 2023 tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen met betrekking tot de samenloop van jaarlijkse vakantie en arbeidsongeschiktheid.

[2] Zie ook advies van de nationale raad van 10 juni 2023, “Deontologische regels bij het attesteren van een arbeidsongeschiktheid tijdens of na een vakantie in het buitenland”.

[3] Advies van de nationale raad van 18 juni 2022, “Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische regels”.

[4]therapeutische-relatie-en-zorgrelatie-nota.pdf.

Geneeskunde (Esthetische)24/01/2025 Documentcode: a172001
De attitude van plastische chirurgen bij de invulling van het wettelijk kader en de deontologische regels binnen hun praktijkvoering.

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 24 januari 2025 de attitude van plastische chirurgen bij de invulling van het wettelijk kader en de deontologische regels binnen hun praktijkvoering. De aanleiding is de recente undercoverreportage van Testaankoop[1] waarin meerdere inbreuken werden vastgesteld.

De vastgestelde inbreuken betreffen: het geven van te beperkte informatie, in het bijzonder bij de bespreking van de risico’s en de nevenwerkingen; het niet respecteren van de wettelijke wachttermijn tussen de raadpleging en de ingreep; het vragen van voorschotten en het opleggen van hoge annuleringskosten; het negeren van het verbod op het afleveren van getuigschriften voor verstrekte hulp binnen deze context; het voeren van ongeoorloofde reclame en het schenken van te weinig aandacht aan de psychologische context. Bovendien maakten enkele collega’s ongepaste opmerkingen.

Op wettelijk vlak

De wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen is duidelijk over de modaliteiten van de informatieverstrekking en de toestemming (art. 18), de wachtperiode (art. 20) en het voeren van reclame en informatie (art. 20/1).

De beginselen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt blijven als lex generalis onverminderd van toepassing tenzij deze lex specialis bepaalde thema’s anders bepaalt.

De nationale raad wijst de collega’s erop dat de wetgeving te allen tijde strikt moet worden gerespecteerd en herinnert hen aan de strafbepalingen die voorzien zijn in de wet.

Op deontologisch vlak

Op deontologisch vlak zijn enkele principes van primordiaal belang voor een goede vertrouwensband tussen de arts en de patiënt.

1. De geïnformeerde toestemming

De geïnformeerde toestemming is pas voldragen wanneer de patiënt uit de gegeven informatie een weloverwogen beslissing kan nemen. Informatiebrochures zijn sterk aanbevolen omdat ze de patiënt in staat stellen op een rustige wijze te reflecteren over hetgeen op de raadpleging besproken werd. Om impulsieve beslissingen het hoofd te bieden dient de arts de wettelijke wachtperiode van minstens vijftien dagen tussen het schriftelijk informatieverslag en de geplande ingreep te respecteren. Daarnaast dient de arts rekening te houden met de psychologische toestand van de patiënt.

2. Het financiële luik

Transparant informeren over de voorziene kostprijs en het hanteren van billijke tarieven versterken de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt en voorkomen latere geschillen.

In de wachtperiode mag de arts voor de esthetische ingreep geen enkele tegenprestatie of financieel engagement vragen of ontvangen, behalve de erelonen voor de raadplegingen die aan de ingreep voorafgaan.

Waar het vragen van voorschotten in principe wettelijk is verboden, is het op deontologisch vlak ontoelaatbaar. Het opleggen van disproportionele annuleringskosten beperkt de vrijheid van de patiënt om de ingreep af te wijzen en maakt misbruik van diens zwakke positie.

Het afleveren van getuigschriften van verstrekte hulp binnen deze context is frauduleus en komt neer op een oplichting van de maatschappij.

3. Het voeren van reclame en verschaffen van praktijkinformatie

De artsen dienen het artikel 37 van de Code van medische deontologie te respecteren. Dit artikel bepaalt dat de arts zijn medische activiteit mag kenbaar maken aan het publiek. De informatie, onder welke vorm ook, is waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk. Zij is niet misleidend en zet niet aan tot overbodige medische prestaties.

De arts verzet zich tegen publiciteit die derden over zijn medische ingrepen verstrekken en die de bepalingen van het vorige lid niet respecteert.

De commentaar bij de Code vermeldt bovendien welke vormen van informatieverschaffing niet zijn toegelaten:

  • - iedere vorm van misleidende publiciteit;
  • - vergelijkende honorariatarieven (het toetredingsstatuut tot de nationale overeenkomst is echter een verplichte informatie, krachtens artikel 73, §1, lid 3 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
  • - het aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen;
  • - publicaties, conferenties en andere mededelingen zonder wetenschappelijk nut of die een commercieel oogmerk hebben; publicatie van getuigenissen van patiënten; communicatie van gegevens gedekt door het medisch geheim;
  • - gebruik van een instrument om de bezoekers van een website buiten hun medeweten te identificeren of te profileren;
  • - commerciële promotie van geneesmiddelen of andere gezondheidszorgproducten.

Praktijkinformatie die tot doel heeft een gezondheidsbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk is toegelaten.

4. Empathie en respectvolle omgang met de patiënt

Artikel 16 van de Code van medische deontologie legt de arts de plicht op om in iedere situatie empathisch, attent en respectvol om te gaan met elke patiënt.

De nationale raad herinnert alle artsen eraan en in het bijzonder de plastische chirurgen de wettelijke en deontologische regelgeving strikt na te leven. Inbreuken hierop ondermijnen het vertrouwen in het artsenkorps, staan een goede arts-patiëntrelatie in de weg en kunnen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden.

Patiënten die menen dat de arts een deontologische inbreuk pleegt, kunnen dit melden bij de provinciale raad van inschrijving van de arts (Ordomedic | Contact).


[1]https://www.test-aankoop.be/gezond/gezondheidszorg/gezondheidsuitgaven-en-verzekeringen/nieuws/plastische-chirurgie

Getuigschrift15/11/2024 Documentcode: a171016
Inhoud medische attesten – Arbeidsgeschiktheid onder voorwaarden

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 15 november 2024 de vraag onderzocht of het opstellen van een getuigschrift van arbeidsgeschiktheid “onder voorwaarden” in overeenstemming is met de beginselen van medische deontologie betreffende het opstellen van medische documenten.

De nationale raad wordt ondervraagd door verschillende werkgevers die attesten ontvangen waarin de arts van de werknemer deze laatste arbeidsgeschikt verklaart mits een aanpassing van de werkomstandigheden plaatsvindt. Voorbeelden zijn de mogelijkheid tot telewerk, een aanpassing van de werkuren, het meer regelmatig kunnen opnemen van pauzes, het verrichten van fysiek lichtere taken, de aanpassing van het materieel, enz. De voorgestelde aanpassingen van de werkomstandigheden vinden plaats buiten het formeel re-integratietraject zoals bepaald in de Codex over het welzijn op het werk (art. I.4-72 e.v.).

Rekening houdend met de maatschappelijke en economische context, zoals de stijging van het aantal werknemers dat arbeidsongeschikt is, de nood aan flexibiliteit van de werkgever en de werknemer en de aandacht voor een betere balans tussen werk en privé, is de nationale raad van oordeel dat de dichotome benadering van arbeidsgeschikt of arbeidsongeschikt niet meer actueel is en het zowel voor de werkgever als voor de werknemer opportuun kan zijn dat de arts voorwaarden verbindt aan de arbeidsgeschiktheid, als alternatief voor de algehele arbeidsongeschiktheid.

Vanuit deontologisch perspectief dient de arts bij het opstellen van dergelijke getuigschriften een voorzichtige houding aan te nemen. De arts moet verantwoord attesteren, rekening houdend met het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt.

Concreet betekent dit dat hij:

  • in overleg met de patiënt, nagaat of de voorgestelde aanpassingen in de praktijk uitvoerbaar zijn;
  • de arbeidsarts-preventieadviseur betrekt in het proces, mits akkoord van de patiënt;
  • de voorgestelde aanpassingen beperkt in de tijd;
  • de gezondheidstoestand van de patiënt regelmatig her-evalueert.


Het staat de werkgever vrij om de voorgestelde aanpassingen van de werkomstandigheden al dan niet te aanvaarden.

Ten slotte moet de arts zich ervan vergewissen dat de patiënt zijn rechten en sociale voordelen behoudt indien de werkgever niet akkoord gaat met de voorwaarden tot aanpassing (bv. het behoud van zijn gewaarborgd inkomen). Om deze reden wordt aanbevolen een duidelijke formulering te hanteren.

Geneeskunde (Sport-)15/11/2024 Documentcode: a171015
Sponsoring van een sportteam door een arts.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de mogelijkheid voor een arts om een sportteam te sponsoren.

De reden voor dit advies is niet de financiële steun die de arts biedt, maar de tegenprestatie die eruit voortvloeit in zijn voordeel, in dit geval het promoten van zijn beroepsactiviteit.

Volgens de Kwaliteitswet is praktijkinformatie iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidszorgbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk.

Indien de financiële steun die de arts biedt, bijvoorbeeld aan een sportteam, gepaard gaat met een communicatie die als doel heeft zich kenbaar te maken of informatie te verstrekken over zijn praktijk, moet deze gebeuren in overeenstemming met de deontologische en wettelijke vereisten in verband met de praktijkinformatie (artikel 31, §1, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; artikel 37 van de Code van medische deontologie).

Het feit dat het promoten van zijn beroepsactiviteit niet de hoofdreden voor zijn financiële steun is, speelt geen rol in de toepassing van deze regels.

De praktijkinformatie moet, ongeacht de vorm ervan, waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk zijn en ze moet wetenschappelijk onderbouwd zijn.

De verstrekte informatie mag niet misleidend zijn noch aanzetten tot overbodige geneeskundige verstrekkingen.

De arts verzet zich tegen elke vorm van publiciteit over zijn medische activiteit door de gesponsorde persoon of groep die de voornoemde regels niet respecteert.

Niet alleen dient de wet[1] nageleefd te worden, ook de eer en de waardigheid van het beroep mogen niet in het gedrang komen.

De beoordeling of de praktijkinformatie in overeenstemming is met de regels van medische deontologie gebeurt geval per geval (artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen).

Bij moeilijkheden staat de Orde klaar voor haar leden om hun vragen te beantwoorden.


[1] De publiciteit wordt eveneens geregeld door het Wetboek van economisch recht (art. I.8., VI.94, VI. 95 en VI. 97 à VI. 100) ; de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (art. 31) ; de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen ( art. 2, 8°, en 20/1) ; de wet van 25 maart 1964 betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (art. 9, § 1) ; de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (art. 127, § 2).