keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Arts-Assistent30/10/1999 Documentcode: a087013
Erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten

Een provinciale raad doet de Nationale Raad kopie geworden van een brief die hij ontving van twee op zijn Lijst ingeschreven artsen in verband met moeilijkheden die zij ondervinden bij de toepassing van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten.
De betrokken artsen stellen zich volgende vragen :

  1. moet men, als kandidaat-specialist, de instructies van de stagemeesters en van de ziekenhuisautoriteiten in verband met de wachtdiensten strikt naleven, ook al zijn ze in strijd met de wet;
  2. wat zijn de gerechtelijk-geneeskundige gevolgen bij niet-eerbiediging van de wet, bijvoorbeeld in verband met de medische fout die door een kandidaat-specialist begaan wordt in de uren volgend op een wachtbeurt? Willen de verzekeringen dit soort risico's dekken;
  3. zou de Orde, gelet op de terughoudendheid van sommige autoriteiten en de chantage die uitgeoefend wordt op de kandidaten die in de ziekenhuizen verblijven, een advies kunnen uitbrengen dat zich expliciet uitspreekt in het voordeel van een volledige toepassing te goeder trouw van dit ministerieel besluit, dat uitgewerkt werd met de bedoeling de kwaliteit van de verzorging en de kwaliteit van het leven van de kandidaat-specialisten te verbeteren?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 oktober 1999 uw adviesaanvraag van 6 september 1999 betreffende de moeilijkheden die kandidaat-specialisten ondervinden bij de toepassing van het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten.

De wetsbepalingen ter zake dienen geëerbiedigd te worden. De Nationale Raad herinnert tevens aan zijn deontologische richtlijnen in verband met de medisch-klinische opleiding (zie Tijdschrift Nationale Raad, nr. 82, december 1998, blz. 19).

Beroepsgeheim30/10/1999 Documentcode: a087008
Ministerie van Justitie - Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt (1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2) . Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen (3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt (4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen (5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Tenslotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6) . De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen (7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen (8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen (9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen (10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft (11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt (12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

(1) p. 45 Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij.
(2) p. 49 en p. 50 Eindverslag.
(3) eveneens p. 49 Eindverslag.
(4) p. 48 en ook p. 49 Eindverslag.
(5) p. 46 en p. 47 Eindverslag.
(6) p. 45 Eindverslag.
(7) p. 74 Eindverslag.
(8) p. 74 Eindverslag.
(9) p. 92, p. 93, p. 94 Eindverslag.
(10) p. 94 en p. 95 Eindverslag.
(11) p. 96 Eindverslag.
(12) p. 97 en p. 98 Eindverslag.

Informatica25/09/1999 Documentcode: a087005
Telegeneeskunde

Een firma vraagt de Nationale Raad of telegeneeskunde zou kunnen toegepast worden in België, welke de bestaansvoorwaarden ervan zouden zijn of, in tegendeel, welke elementen haar onmogelijk zouden maken, zowel vanuit het standpunt van het beroepsgeheim als vanuit dat van de toegang tot het beroep, van de plichtenleer enz. ?

Onder "telegeneeskunde" verstaat deze firma volgende operatie: een arts geeft, via modem of internet, medische gegevens over een patiënt door aan een informaticacentrum dat deze gegevens behandelt om ze voor te leggen aan een andere arts die een diagnose stelt. Het centrum treedt dus op als tussenpersoon tussen de twee artsen. Het klasseert ook de gegevens doorgegeven door de eerste arts. In een verder stadium zou de arts die de diagnose stelt vervangen worden, vanuit de overweging dat het volstaat bepaalde signalen te interpreteren.

Advies van de Nationale Raad :

In antwoord op uw aanvraag die wij op 05.07.1999 per fax ontvingen en die betrekking heeft op de telegeneeskunde, deelt de Nationale Raad u het volgende mee :

De overdracht van persoonlijke gegevens die onder het medisch geheim vallen, maakte het voorwerp uit van verschillende aanbevelingen vanwege de Nationale Raad. Deze aanbevelingen strekken ertoe de vertrouwelijkheid van de gegevens te waarborgen en zijn van toepassing op de overdracht via modem en via internet. De overdracht van gegevens mag slechts gebeuren tussen artsen bij wijze van dienstverlening en de overgedragen gegevens moeten gecodeerd zijn.

Een medische diagnose vereist altijd een ondervraging en een klinisch onderzoek door een arts, die hiervoor aansprakelijk gesteld kan worden. Zoals u gepast aanhaalt, bepaalt de wet dat de uitoefening van de geneeskunde voorbehouden is aan de artsen. Bovendien is het belangrijk te herinneren dat de interpretatie op afstand van dynamische beelden, nodig bij gevorderde medische technieken, nog zeer grote technische problemen doet rijzen die onder meer verband houden met het uitzonderlijk groot aantal signalen dat per tijdseenheid doorgegeven moet worden.

Merken we nog op dat elke overeenkomst tussen artsen en tussen artsen en niet-artsen vastgelegd moet worden in een schriftelijk contract dat op voorhand ter goedkeuring voorgelegd werd aan de provinciale raad van de Orde waarbij de arts ingeschreven is.

In tegenstelling met wat vooropgesteld werd door uw klant, is het nog niet mogelijk door het klasseren van de doorgezonden gegevens een automatische analyse uit te voeren om een juiste diagnose te stellen langs geautomatiseerde weg. Dit is ook waar voor zo "eenvoudige" domeinen als de interpretatie van elektrocardiogrammen.

Niettegenstaande deze bedenkingen blijft het opstellen van databanken met de resultaten van geneeskundige waarnemingen zeer belangrijk.

Arts (Adviserend-)19/06/1999 Documentcode: a086003
Adviserend geneesheer van een ziekenfonds - Inlichtingen te verstrekken door de behandelende geneesheer

Aan de Nationale Raad wordt de vraag gesteld welke medische inlichtingen door de behandelende arts aan de adviserend geneesheer van het ziekenfonds mogen worden overgemaakt.

Antwoord van de Nationale Raad:

Op het vlak van de inlichtingen die aan de adviserend geneesheer van een ziekenfonds dienen verstrekt te worden, moet een onderscheid gemaakt worden naargelang van de opdracht van de adviserend geneesheer :

1. controlerende opdracht: deze opdracht houdt in dat de adviserend geneesheer controle uitoefent op de primaire arbeidsongeschiktheid en nagaat of, uit medisch oogpunt, de prestaties inzake geneeskundige verzorging verleend worden overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.
In uitvoering van deze opdracht heeft de adviserend geneesheer het recht aan de behandelende geneesheer de nodige medische informatie te vragen om zijn beslissing mogelijk te maken. Overeenkomstig artikel 58 b) van de Code van Plichtenleer mag de behandelende geneesheer de nodige inlichtingen en medische gegevens over de verzekerde aan de adviserend geneesheer meedelen, tenzij hij in geweten oordeelt dat het beroepsgeheim hem ertoe verplicht bepaalde gegevens toch niet over te maken;

2. adviserende opdracht : (art. 136, §2, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen): deze opdracht heeft betrekking op de situatie waarin een rechthebbende op tegemoetkomingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering aanspraak maakt op Z.I.V.-prestaties voor een schade - voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden - waarvoor hij krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht schadeloosstelling heeft bekomen of kan bekomen (1). In dit geval zal de verzekeringsinstelling provisioneel de prestaties verlenen, in afwachting van een regeling tussen de verzekerde en een, op basis van andere bijzondere wetgeving of van gemeen recht, voor de totstandkoming van de schade verantwoordelijke en voor vergoeding ervan aansprakelijke derde.

De verzekeringsinstelling wordt voor het bedrag van de uitgekeerde vergoedingen van rechtswege gesubrogeerd in de rechten die de verzekerde tegen de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar kan doen gelden.
De beoordeling van de derde-aansprakelijkheid zal voor de verzekeringsinstelling slechts mogelijk zijn op basis van de feitelijke gegevens van de zaak, die, ingeval van artsenaansprakelijkheid, noodzakelijkerwijze minstens ten dele van medische aard zullen zijn. Nu deze medische gegevens doorgaans in het bezit zullen zijn van de behandelende geneesheer zullen zij aan deze worden gevraagd.
Vraagt de adviserend geneesheer inlichtingen in het kader van zijn adviserende opdracht, dan mag de behandelende arts slechts antwoorden op vragen die betrekking hebben op zijn eigen medisch handelen en niet op vragen over medische acten uitgevoerd door een andere geneesheer.
De adviserend geneesheer dient in zijn vraag om inlichtingen uitdrukkelijk te vermelden dat de verstrekte medische gegevens de eigen aansprakelijkheid van de behandelende geneesheer in het gedrang kunnen brengen aangezien de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de behandelende geneesheer gelijkgesteld wordt met "degene die schadeloosstelling verschuldigd is". Ingelicht zijnde over die mogelijkheid, is de behandelende geneesheer niet verplicht in te gaan op het verzoek van de adviserend geneesheer.
Wel is elke geneesheer, wanneer hij vaststelt dat zijn patiënt schade heeft opgelopen die verband zou kunnen houden met een door hem uitgevoerde diagnostische of therapeutische act, verplicht zowel zijn verzekeringsmaatschappij als de betrokken patiënt hiervan tijdig en op passende wijze in te lichten.

Bij de uitvoering van zijn controlerende én zijn adviserende opdracht is de adviserend geneesheer het eindpunt van de medische informatiestroom. Dit betekent dat hij geen enkel medisch gegeven, met welke bedoeling ook, mag overmaken aan de administratieve, juridische of enige andere dienst van de verzekeringsinstelling.

De Nationale Raad heeft bovenstaand standpunt reeds herhaaldelijk verdedigd.
Recent werd het bijgetreden door mevrouw M. DE GALAN, minister van Sociale Zaken, in antwoord op een mondelinge parlementaire vraag, gesteld in de Commissie Sociale Zaken van 28 april 1999.

(1) Het betreft hier voornamelijk uitkeringen op basis van de wetgeving op de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, uitkeringen voor ongevallen van gemeen recht, vergoedingen toegekend op grond van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een arts, enz.

Beroepsgeheim24/04/1999 Documentcode: a085007
Klinische studies - Objectieve aansprakelijkheidsverzekering - Inzage in medische dossiers door medewerkers niet-geneesheren

De voorzitter van een commissie voor medische ethiek legt de Nationale Raad twee problemen voor waarmee de commissie geconfronteerd wordt:

  1. de commissie voor medische ethiek eist dat bij klinische studies een objectieve aansprakelijkheidsverzekering zou afgesloten zijn in de zin dat de patiënt voldoende verzekerd moet zijn voor mogelijke schade ten gevolge van de inname van de proefmedicatie.
    Farmaceutische firma's willen dit niet garanderen.
    Het Belgische recht voorziet bovendien geen objectieve aansprakelijkheid;

  2. er worden steeds dwingender eisen gesteld aan de inzage in het medisch dossier.
    In dit verband wordt de vraag gesteld of een ondertekende verklaring door een geneesheer verbonden aan de farmaceutische firma dat deze medewerker(s) onder zijn verantwoordelijkheid werken, volstaat op het gebied van bescherming van het beroepsgeheim aangaande de medische gegevens van de proefpersonen?

Antwoord van de Nationale Raad:

Wat betreft uw vraag omtrent de objectieve productaansprakelijkheid is de Nationale Raad van oordeel, dit in aanvulling op zijn vorige adviezen hieromtrent van 16 oktober 1993 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 63 p. 29), 29 januari 1994 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 64 p. 24) en 20 augustus 1994 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 66 p. 17), dat ieder onderzoeksprotocol van klinische trials wel degelijk moet voorzien in een objectieve productaansprakelijkheidsverzekering teneinde alle onderzoekspersonen in voldoende mate te vergoeden voor enige schade voortspruitend uit het toegepaste pharmacon.

Wat uw vraag betreft omtrent de vrijwaring van het vertrouwelijkheidsbeginsel binnen klinische trials verwijst de Nationale Raad u naar zijn advies hieromtrent van 16 april 1994 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 65 p. 17). Hierin worden de vijf deontologische voorwaarden geëxpliciteerd die volgens artikel 44 van de Code van medische Plichtenleer dienen te worden vervuld.

Code van Plichtenleer Artikel 44

De Nationale Raad heeft de voorzitters van de provinciale raden en van de raden van beroep een interpretatieve toelichting bij artikel 44 van de Code bezorgd:

Ook ter gelegenheid van medisch wetenschappelijke activiteit is de geneesheer verplicht het medisch beroepsgeheim te eerbiedigen; hij dient er dus voor in te staan dat personen die het voorwerp uitmaken van dit onderzoek niet geïdentificieerd kunnen worden door derden, overeenkomstig de in de artikels 43 en 44 van de Code van geneeskundige Plichtenleer geformuleerde beginselen.

Elke wetenschappelijke studie met betrekking tot mensen moet een gunstig advies bekomen hebben van een door de Nationale Raad erkende commissie voor medische ethiek. Deze personen of hun wettelijke vertegenwoordiger moeten voorgelicht zijn en toegestemd hebben met de mededeling van de hen betreffende medische gegevens, behalve wanneer dit onmogelijk is, hetgeen moet beoordeeld worden door de commissie voor medische ethiek.

Soms voorziet een onderzoeksprotocol dat gegevens uit medische dossiers aan de navorser moeten medegedeeld worden; de relevantie van een onderzoek kan in sommige gevallen vereisen dat de navorser beschikt over gegevens die niet anoniem zijn.

De Nationale Raad is van oordeel dat in dergelijke gevallen artikel 44 van de Code van geneeskundige Plichtenleer als volgt moet geïnterpreteerd worden.

In het kader van wetenschappelijk onderzoek is de mededeling van gegevens uit medische dossiers, die een risico op identificatie van personen inhouden, slechts toegelaten wanneer:

  1. de anonimiteit de relevantie van de resultaten van de studie in het gedrang brengt;

  2. de degelijk vooringelichte persoon hiervoor zijn toestemming heeft gegeven, behalve wanneer dit onmogelijk is, hetgeen moet beoordeeld worden door de commissie voor medische ethiek;

  3. de gegevens enkel worden overgemaakt aan een geneesheer die verantwoordelijk is voor het wetenschappelijk onderzoek of aan een derde die onder het gezag staat van deze geneesheer. Deze geneesheer moet bij naam gekend zijn en ingeschreven zijn op de Lijst van een provinciale raad van de Orde;

  4. de geneesheer die verantwoordelijk is voor de geheimhouding er zich toe verbindt uit die gegevens alle elementen te vernietigen die een identificatie van personen mogelijk maken, zodra deze niet meer onmisbaar zijn voor de relevantie van het onderzoek;

  5. in elke vorm van wetenschappelijke mededeling of publikatie de gegevens nooit enige aanduiding van de identiteit van personen zullen bevatten, en dit volgens de vereisten van de eerbiediging van de menselijke persoon en van het medisch beroepsgeheim.

Deze vijf voorwaarden dienen alle vervuld te zijn.

De organen van de Orde der geneesheren hebben de bevoegdheid om de handelwijze van geneesheren in deze materie op deontologisch vlak te beoordelen en om er eventueel een disciplinair gevolg aan te geven.

Consent (Fully Informed-)24/04/1999 Documentcode: a085006
Formulier inzake vooringelichte toestemming

Formulier inzake voorgelichte toestemming

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad over een formulier waarmee een patiënt zijn voorgelichte toestemming zou dienen te geven.

Advies van de Nationale Raad:

Op dit ogenblik legt geen enkele wettekst de arts de algemene verplichting op de patiënt voor te lichten, behalve in specifieke en concrete situaties (zwangerschapsafbreking, klinische proeven met geneesmiddelen, wegneming van organen bij een levende donor, ...).

De rechtbanken baseren zich zonodig op een overvloedige en gedetailleerde rechtsleer en rechtspraak. Zowel de rechtsleer als de rechtspraak nemen op dit gebied de eerbied voor de persoon en het recht op zijn fysieke integriteit als basis.

De voorlichting van de patiënt en de eruit voortvloeiende voorgelichte toestemming zijn hoofdzakelijk deontologische verplichtingen, die opgenomen zijn in de Code van geneeskundige Plichtenleer (art. 29), de Europese Handleiding voor medische ethiek, het Europees Charter van de ziekenhuispatiënt, de Verklaring van Amsterdam betreffende de rechten van de patiënt en de Verkla¬ring van Helsinki in verband met de experimenten.

Het document betreffende de "voorgelichte toestemming" dat voorgelegd werd door de Raad handelt niet over de deontologische zienswijze, maar heeft duidelijk het dekken van de juridische aansprakelijkheid van de arts bij een eventueel geschil tot doel.

De Nationale Raad spreekt zich niet uit over de juridische waarde van zo'n document, maar hij is geen voorstander van de systematische aanwending van een dergelijk formulier, dat voorbehouden moet blijven voor uitzonderlijke situaties, voor gevallen waarin werkelijk een geschil te vrezen valt ... Het formulier dreigt namelijk een juridictioneel element in te voeren en bijgevolg een zeker wantrouwen in de arts-patiëntrelatie. Binnen de arts-patiëntrelatie is een klimaat van wederzijds vertrouwen noodzakelijk opdat de informatie echt efficiënt en aangepast zou zijn aan de psychologie van de patiënt en zou openstaan voor al zijn vragen.

Beroepsgeheim23/01/1999 Documentcode: a083013
Voorontwerp van wet betreffende de rechten van de patiënt

De Nationale Raad is in buitengewone vergadering bijeen teneinde een advies uit te brengen over :

  1. drie voorontwerpen van wet betreffende de hervorming van de Orde der geneesheren, te weten :

    • "voorontwerp van wet tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de orde der apothekers en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies" ;
    • "voorontwerp van wet betreffende de administratieve tuchtrechtscolleges en administratieve tuchtrechtscolleges van beroep van de gezondheidsberoepen" ;
    • "voorontwerp van wet tot oprichting van een Federale Raad voor de Plichtenleer van de Gezondheidsberoepen";

    -zie advies : TNR 83 p. 17 (a083012n) -

  2. het "voorontwerp van wet tot wijziging van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987 en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies" (genoemd : voorontwerp van wet betreffende de rechten van de patiënt).

ADVIES VAN DE NATIONALE RAAD AANGAANDE HET VOORONTWERP VAN WET BETREFFENDE DE RECHTEN VAN DE PATIËNT

Nu het voorontwerp van wet betreffende de Rechten van de Patiënt eerstdaags in de Commissie voor de Volksgezondheid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers besproken wordt, acht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren het aangewezen op eigen initiatief een advies over dit voorontwerp van wet uit te brengen en dit over te maken aan de bevoegde minister, de voorzitters en fractievoorzitters van de politieke partijen en de voorzitter en de leden van de Commissie voor de Volksgezondheid. De Nationale Raad heeft immers een jarenlange ervaring met het geven van informatie aan en over de patiënt, het informed consent en de in volle evolutie zijnde wijze waarop medische persoonsgegevens kunnen worden overgemaakt en het medisch dossier kan ingekeken worden. Betreffende al deze materies werden in de loop der jaren aan de artsen richtlijnen en adviezen verstrekt.

De Nationale Raad is van oordeel dat het niet alleen voor de patiënt en zijn naaste verwanten aangewezen is betreffende deze onderwerpen tot wetgevend werk over te gaan maar dat dit eveneens voor de deontologische uitoefening van de geneeskunde bevorderlijk kan zijn. Het staat immers vast dat de naleving van de medische deontologie, die verplicht is snel in te spelen op de maatschappelijke, technische en medische evolutie binnen de samenleving, na verloop van tijd, gebaat is met een bekrachtiging door de wetgevende macht. Ter illustratie verwijst de Nationale Raad naar de deontologische leidraden betreffende het naderende levenseinde, de begeleiding van toxicomanen, de problematiek omtrent de voortplanting, de sterilisatie van mentaal gehandicapten en het verstrekken van medische persoonsgegevens aan en over de patiënten.

***

In het voorliggend voorontwerp van wet wordt de patiënt gezien als een alleenstaand, van zijn omgeving geïsoleerd wezen, waarvoor anderen slechts opkomen wanneer hij zelf niet in staat is de nodige informatie te assimileren noch een beslissing te nemen. Er wordt in het voorontwerp abstractie gemaakt van de verbondenheid van de patiënt met voor hem belangrijke personen en steunfiguren uit zijn omgeving. Een intersubjectieve benadering zou nochtans nauwer aansluiten bij de realiteit, die leert dat van bij het begin van een ziekteproces een interactie ontstaat tussen de patiënt en zijn omgeving, die meestal onmiddellijk betrokken wordt bij de informatie over de aandoening en een belangrijke rol speelt in de te maken keuzes en het geven van de toestemming. In dit verband kan de rol van de huisarts niet genoeg worden onderstreept. Het voorontwerp rukt de patiënt los uit deze omgeving en vertrekt dan ook van een fictieve realiteit.

Inhoudelijk is het voorontwerp van wet evenzeer gekenmerkt door eenzelfde reductionistische kunstmatigheid. De horizontale vertrouwensrelatie tussen patiënt en arts wordt herleid tot een numerieke opsomming van te verstrekken mededelingen. Hierbij valt op dat het voorontwerp van wet stilzwijgend totaal voorbijgaat aan de vrije keuze van arts door de patiënt, nochtans een fundamenteel gegeven in elke vertrouwensrelatie. Er is geen spoor van de noodzakelijke dialoog tussen arts en patiënt, die samen dienen uit te zoeken wat de beste oplossing is voor het gestelde probleem. In deze dialoog krijgt de patiënt de gelegenheid zijn vragen, angsten en verwachtingen te verwoorden terwijl de arts mogelijke oplossingen aanreikt vanuit zijn kennis van de mens en de geneeskunde. Deze basisattitude ontbreekt in het voorontwerp dat omzeggens uitsluitend uit verplichtingen voor de artsen en de andere beoefenaars bestaat. Het is dan ook duidelijk, dat het concept waarvan het voorontwerp van wet uitgaat de dialoog tussen arts en patiënt en de vertrouwensrelatie tussen hen niet zal bevorderen.

***

Onverminderd de twee bovenvermelde fundamentele bezwaren, kwam de Nationale Raad, na een analyse van de artikelen van het voorontwerp van wet tot de volgende vaststellingen :

  • Het voorontwerp van wet benadrukt niet dat de arts in de regel slechts een middelenverbintenis heeft waarvan het resultaat zelden voorafgaandelijk en met zekerheid te bepalen is. Volgens de rechtsleer en rechtspraak kan slechts in uitzonderlijke gevallen van een resultaatsverbintenis gesproken worden. Het ware wijs dit gegeven in het voorontwerp op te nemen om schijnzekerheden te voorkomen.

  • Het schriftelijk verstrekken van informatie (artikel 7 bis, §1, laatste alinea) en het schriftelijk vastleggen van de toestemming (artikel 7 ter,§1, tweede alinea) worden in het ontwerp gebracht als bijkomende garanties voor arts en patiënt. Het zou kunnen dat deze vereisten de noodzakelijke dialoog herleiden tot het gebruik van standaardformulieren of tot het uitreiken van folders.

  • Een vertrouwenspersoon kan zeker in bepaalde gevallen nuttig zijn (artikel 7 bis, §2 en §5, artikel 7 ter, §4, artikel 17 novies, §3) maar het is de vraag of diens aanwijzing bij een bijzonder schriftelijk mandaat dient te gebeuren waarin wordt bepaald welke gegevens aan welke derden mogen worden meegedeeld. Dit lijkt in te druisen tegen het vertrouwen in de persoon zelf.

  • Opvallend is dat een beroep gedaan wordt op artikel 458 van het Strafwetboek om zowel de vertrouwenspersoon als de naaste verwanten (artikel 7bis, §5, laatste alinea) geheimhouding op te leggen. De Nationale Raad meent wel dat deze personen discreet dienen om te gaan met de verstrekte informatie maar is anderzijds van mening dat strafrechtelijk vervolgen niet kan wanneer zij hun hart luchten of om raad vragen aan bevoegden. Opmerkelijk is dat de ouders van de minderjarige niet dezelfde zwijgplicht opgelegd wordt.

  • De beperkingen die opgelegd worden aan de rechten van de minderjarigen zijn storend en in strijd met het door België geratificeerde Verdrag inzake de Rechten van het Kind. In dit verdrag worden in tegenstelling tot het voorontwerp van wet geen rechten afhankelijk gemaakt van de leeftijd van het kind. Het bepalend criterium is in het Verdrag de "verenigbaarheid met de zich ontwikkelende vermogens van het kind". In zijn adviezen betreffende de behandeling van minderjarigen hanteert de Nationale Raad de begrippen "tot de jaren van verstand gekomen zijn" en "het onderscheidingsvermogen" van het kind. Zo is het totaal voorbijgestreefd ongenuanceerd als principe te stellen dat minderjarigen geen toestemming kunnen geven en dat voor minderjarigen onder de 14 jaar bijvoorbeeld het voorschrijven van een ovulatieremmer onmogelijk is zonder de toestemming van de ouders.

  • Het voorontwerp voorziet dat meerderjarigen, die niet in staat worden geacht tot een redelijke waardering van hun belangen, over een vertrouwenspersoon kunnen beschikken (artikel 7 bis, §5) zodat de vraag rijst op welk ogenblik deze meerderjarigen hun vertrouwenspersoon dienen aan te wijzen en hoe bij een belangenconflict de belangen van deze meerderjarigen beschermd worden.

  • Het voorontwerp voorziet in artikel 7 bis, §7, dat de patiënt er kan voor opteren niet of slechts ten dele in kennis gesteld te worden van zijn medische persoonsgegevens. Opvallend is dat bij een dergelijke keuze de beoefenaar zonder toelating van de patiënt wel gegevens kan overmaken aan derden wanneer hij zulks voor de gezondheid van de patiënt noodzakelijk acht (§8 van hetzelfde artikel) en dat §9 van dit artikel voorziet dat de patiënt tegen zijn wil toch de informatie krijgt wanneer dit zijn gezondheid door gebrek aan informatie zou schaden. Sterker nog is dat de weigering of intrekking van toestemming door de patiënt schriftelijk dient te gebeuren en dat niettegenstaande deze weigering of intrekking van toestemming onderzoeken en behandelingen verder kunnen gebeuren teneinde een ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen (artikel 7 ter, §6).

  • Het ontworpen artikel 17 decies, §1 van de Wet op de ziekenhuizen voorziet dat de hoofdgeneesheer onverminderd artikel 7 quater van het Koninklijk Besluit nr. 78 aan de patiënt het recht verstrekt het medisch dossier dat over hem werd samengesteld te consulteren en er een kopie van te verkrijgen. Hierbij wordt vergeten dat de hoofdgeneesheer slechts de bewaarder is van de medische dossiers die de ziekenhuisgeneesheren hem toevertrouwen. De hoofdgeneesheer heeft zelf geen kennis van de inhoud van deze dossiers die hij enkel ter beschikking houdt van de ziekenhuisgeneesheren. Het kan niet tot zijn taak behoren patiënten inzagerecht te geven in dossiers die hij niet heeft samengesteld. Hij kan niet oordelen over een "kennelijk ernstig nadeel" voor de patiënt (§2, eerste alinea) en kan evenmin oordelen over de bekwaamheid van de patiënt (§2, tweede alinea) zodat het wijzer lijkt het verlenen van het inzagerecht van de medische dossiers enkel toe te vertrouwen aan de samenstellers ervan zoals artikel 7 quater van het Koninklijk Besluit nr. 78 voorziet.

  • Wat de in artikel 17 undecies, §1, omschreven functie van ombudsman betreft, acht de Nationale Raad het nodig erop te wijzen dat de arts bij het streven naar een minnelijke regeling gehandicapt is door zijn verzekeringscontract burgerlijke aansprakelijkheid. Daardoor is hij verplicht zich tot de mededeling van de feiten te beperken en mag hij bijvoorbeeld niet toegeven een fout te hebben gemaakt. Deze handicap is des te groter wanneer de ombudsman de patiënt bij gebrek aan een minnelijke schikking dient in te lichten nopens andere verhaalmogelijkheden (artikel 17 undecies §2, 2°).

Op grond van deze niet-limitatieve reeks opmerkingen is de Nationale Raad van oordeel dat het huidig voorontwerp van wet, zelfs vanuit het eng concept waarvoor gekozen werd, op essentiële punten dient gewijzigd te worden.

De Nationale Raad meent dat bij het ontwerpen van een wet betreffende materies die sinds jaren het voorwerp zijn van deontologische reflecties, rechtsleer en rechtspraak, het wenselijk zou zijn uit te gaan van een inventaris van wat bestaat. Dit zou de wetgever toelaten te behouden wat zijn nut bewezen heeft, bij te sturen en te verfijnen wat voor verbetering en verduidelijking vatbaar is en aan te vullen met wat ontbreekt.

Consent (Fully Informed-)22/08/1998 Documentcode: a082010
Mogelijk gevaarlijk product - Verwittiging van de personen die het product kregen toegediend

Een commissie voor medische ethiek stelt de Nationale Raad volgende vraag: "Een farmaceutische firma brengt een arts op de hoogte van de potentiële aanwezigheid in een door deze firma verspreid en door de arts toegediend product van een deeltje dat mogelijk gevaarlijk is en waarvoor momenteel geen enkel opsporings- noch vernietigingsmiddel bestaat. Is de arts moreel verplicht de personen die het product kregen te verwittigen?"

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak in zijn vergadering van 22 augustus 1998 uw brieven van 8 mei en 18 juni 1998.

De Belgische wetgeving (1) legt op een zeer nauwkeurige en gedetailleerde wijze de regels vast betreffende de fabricage, registratie en distributie van geneesmiddelen. De wetenschappelijke bijsluiter en de bijsluiter in de verpakking van het geneesmiddel moeten al de nevenwerkingen vermelden, ook de minder belangrijke. Doorgaans verwijst de bijsluiter voor elk eventueel probleem naar de behandelende arts.

Daarnaast voorzag de wet in een systeem voor geneesmiddelenbewaking, dat ertoe strekt elke nevenwerking die optreedt nadat het geneesmiddel in de handel werd gebracht, te registreren. Dit systeem houdt de verplichting in de minister van Volksgezondheid, alsook de farmaceutische inspectie te waarschuwen. Deze instanties kunnen het product uit de handel nemen indien zij dit nodig achten.

In het voorliggende geval nam de firma op eigen initiatief de gelaakte eenheden immunoglobuline uit de handel, ofschoon dit volgens haar geen vereiste is volgens de Belgische en Europese ministeriële instanties.

Het CPMP (Committee for Proprietary Medicinal Products - European Agency) maakt een onderscheid tussen het Creutzfeldt-Jakob-syndroom van het oude sporadische type en de nieuwe variëteit, waarvan de verwekker identiek is aan die van spongiforme encefalopathie bij runderen.
Voor deze nieuwe variëteit beveelt zij voorzichtigheidshalve de terugtrekking van de producten aan.

De Amerikaanse FDA (Food and Drugs Administration) maakt dit onderscheid niet en beveelt de vernietiging aan van de producten die besmet werden door een donor die aan de ziekte van Creutzfeldt-Jakob lijdt.

Tot op heden werd op wereldvlak geen enkele overdracht via het bloed van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob gemeld, ongeacht de variëteit. Het risico wordt beschouwd als louter potentieel en situeert zich op het theoretische vlak.

Op deontologisch vlak moet de arts zijn patiënt inlichten over elk schadelijk voorval, als gevolg van een ongeval of als onverwacht gevolg van een medische verrichting of behandeling, ongeacht of er al dan niet sprake is van een medische fout. Zoniet kan hij het onontbeerlijke en noodzakelijke vertrouwen schaden dat aan de basis ligt van de arts-patiëntverhouding. Bovendien ontneemt hij door zijn stilzwijgen de patiënt elke eerlijke vergoeding van de geleden schade en maakt hij elke herstellende ingreep onmogelijk. Deze laatste is niet noodzakelijk onmogelijk en kan gezocht worden door breedschalige raadpleging, zelfs op internationaal vlak. Voorts moet de arts zijn verzekeraar inzake beroepsaansprakelijkheid inlichten en ervoor zorgen dat zijn patiënt raad krijgt met betrekking tot een eventuele vordering tot schadeloosstelling.

Dit heeft geen betrekking op de gekende en voorspelbare risico's, zelfs zeer ernstige, van de behandelingen en ingrepen waarmee de, voorafgaandelijk goed voorgelichte en gewaarschuwde patiënt, instemde.

Wanneer het risico potentieel is, op theoretisch vlak, zoals in het voorliggende geval, dient de arts die de patiënt verzorgt te beoordelen of het opportuun is zijn patiënt in te lichten, daarbij al de omstandigheden in aanmerking nemend.

De Nationale Raad sluit zich in het algemeen aan bij het advies nr. 55 van het Franse Raadgevend Comité voor Ethiek "over de voorlichting van de patiënten over het risico op overdracht van de drager van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob via bloedbestanddelen", waarvan wij de conclusies met betrekking tot de patiënt hieronder publiceren.

"Rekening houdend met de jongste wetenschappelijke bevindingen bestaat het risico op overdracht van niet-conventionele bestanddelen via het bloed slechts in de theorie. In de menselijke klinische praktijk is geen enkel geval bekend.

Toch is het ongeoorloofd voorbij te gaan aan de eventuele overdracht van een niet-conventioneel bestanddeel via onstabiele bloedderivaten of bloedproducten van menselijke oorsprong.
De huidige bepalingen moeten dus nu reeds aangevuld worden met toekomstgerichte maatregelen die, mocht het zover komen, de opsporing, meer zelfs, de behandeling van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob mogelijk moeten maken.
Dit veronderstelt dat de artsen en de patiënten voorgelicht worden :

(...)

De voorlichting van de patiënten over de behandelingen die zij krijgen, is een deontologische en ethische verplichting. Het zou ongeoorloofd zijn hun de informatie te weigeren waarop zij recht hebben aangezien het over hun eigen gezondheid gaat. De beslissing om informatie te verstrekken over de aard van de behandelingen moet systematisch zijn en mag niet overgelaten worden aan de beoordeling van de artsen. De toediening van bloedproducten aan een patiënt betekent dat zijn toestand ernstig is of was. De mededeling van zijn medisch dossier is des te noodzakelijker naarmate er een potentieel risico bestaat op latere behandelingen die onverenigbaar kunnen zijn met eerder toegediende bloedproducten of geneesmiddelen. Dit geldt niet alleen voor bloedderivaten, maar ook voor bepaalde antibiotica of narcotica die een risico op immunisatie of nevenwerkingen inhouden.

De voorlichting over het potentiële risico dat bepaalde therapeutica inhouden is van een andere aard dan de voorlichting over de behandeling zelf, indien zij niet gebaseerd is op wetenschappelijk bewezen feiten. Zodra een risico gekend en wetenschappelijk aangetoond is, moet de patiënt voorgelicht worden. Indien het risico virtueel, theoretisch is, bestaat er geen ethische rechtvaardigingsgrond voor deze voorlichting, daar zij aangevoeld kan worden als een onbekende, duistere bedreiging die de patiënt kan aanzetten tot irrationele gedragingen die gevaarlijk zijn voor hemzelf en voor de maatschappij. Dit is momenteel het geval voor de overdraagbare subacute spongiforme encefalopathieën.

Het Nationaal Raadgevend Comité voor Ethiek acht het noodzakelijk, in het concrete geval van het risico op besmetting via het bloed door niet-conventionele bestanddelen, een wetenschappelijke en ethische bewakingsstructuur te organiseren die geregeld de balans opmaakt van de wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp. Zodra aan de hand van wetenschappelijk bewezen feiten bevestigd kan worden dat dit risico werkelijk bestaat, zou de exploitatie van de medische dossiers die aangelegd werden met het oog op de toekomst het mogelijk maken de bijeengebrachte informatie te verwerken en de mogelijk besmette patiënten terug te vinden. Deze zouden dan systematisch ingelicht worden volgens vastgelegde regels."

De betrouwbare en duurzame registratie van de patiënten die bloedproducten ontvingen, blijkt noodzakelijk. Deze registratie moet hun latere opsporing en opvolging mogelijk maken en moet georganiseerd worden op nationaal niveau.

(1)- Uittreksel uit het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricage, de [...] distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen.
- Uittreksel uit het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen.

Kind en Gezin (N.W.K.)05/07/1997 Documentcode: a079004
Kwaliteit van de verzorging - Aansprakelijkheid

Een kind onderging een polysomnografie en het protocol van de onderzoeker kwam tot het besluit dat een monitoring noodzakelijk was gedurende de slaap.
Op het ogenblik dat de ouders het kind aanmelden voor opvang in een kinderdagverblijf, uiten zij hun vaste voornemen het kind nooit aan de monitor te plaatsen in het kinderdagverblijf, net zomin als thuis.
Een adviseur-kinderarts van Kind en Gezin en de kinderarts van het kinderdagverblijf leggen drie vragen voor aan de Nationale Raad :

  1. Mag men, aangezien het onmogelijk is een kind een ononderbroken toezicht van het personeel te verzekeren tijdens zijn slaap, aanvaarden dat een kind dat beschouwd wordt als "risicogeval " opgenomen wordt in de instelling zonder toezicht door de moderne technieken ?
  2. Heeft men het recht het kind het toezicht te geven dat geweigerd wordt door de ouders ?
  3. Heeft de door de ouders ondertekende aansprakelijkheidsdecharge voor de arts van de instelling voldoende juridische beschermingswaarde indien zich een dodelijk ongeval voordoet tijdens het verblijf in de kinderopvang bij afwezigheid van een toezichtmonitor ?

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 5 juli 1997 uw brief van 9 april 1997 besproken.

De Raden van de Orde zijn alleen bevoegd voor de deontologische aspecten van de inhoud van uw brief.

De Nationale Raad herinnert eraan dat de arts, zowel bij de uitoefening van de preventieve als de curatieve geneeskunde, ervoor moet waken zijn patiënten op elk ogenblik met de beste zorg te omringen.

De Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt in artikel 35 dat de geneesheer, behalve in geval van overmacht, zijn beroep enkel mag uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorg en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen. Ook de artikelen 28 en 29 van deze zelfde Code kunnen van toepassing zijn op het soort problemen dat u naar voren brengt.

Het precieze antwoord op uw eerste twee vragen is bijgevolg negatief. In verband met uw derde vraag betreffende de ondertekening van een aansprakelijkheidsdecharge, geldt dat de juridische beschermingswaarde ervan zeer bedenkelijk is.

Vaccinatie22/03/1997 Documentcode: a078003
Toediening van vaccins

Toediening van vaccins*

Een provinciale raad verzoekt de Nationale Raad om toelichting van zijn advies van 20 januari 1996 betreffende de toediening van vaccins door een verpleegkundige.

Antwoord van de Nationale Raad :

In antwoord op uw brief van 26 augustus 1996, ref. : JF/BP/96/936, betreffende het advies van de Nationale Raad inzake de toediening van vaccins door een verpleegkundige, bevestigt de Nationale Raad zijn advies van 20 januari 1996, verschenen in het Tijdschrift nr. 72 van de maand juni 1996.

Meer bepaald wat betreft de aanwezigheid of de nabijheid van een geneesheer bij het toedienen van een vaccin door een verpleegkundige, herinnert de Nationale Raad eraan dat het eenvoudige feit een behandelend geneesheer te kunnen contacteren in geval van ongeluk, niet kan geassimileerd worden met de notie van nabijheid zoals beschreven in het advies.

Advies van de Nationale Raad van 20 januari 1996 :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 januari 1996 kennis genomen van uw brief van 12 oktober 1995 betreffende de toediening van vaccins.

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 januari 1996 kennis genomen van uw brief van 12 oktober 1995 betreffende de toediening van vaccins.

De toediening van een vaccin door een verpleegkundige is evenwel mogelijk op grond van het koninklijk besluit houdende vaststelling van de toevertrouwde handelingen en op voorwaarde dat:

  • het vaccin voorgeschreven is door een arts
  • het vaccin toegediend wordt volgens een nauwkeurig beschreven procedure
  • het vaccin toegediend wordt in aanwezigheid of in de nabijheid van een arts*.

* Sedertdien stelde het koninklijk besluit van 6 juni 1997 de aanwezigheid van een arts bij de toediening van een vaccin verplicht.