keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Geneeskunde (Gerechtelijke-)24/03/2012 Documentcode: a137026
Inzage in het medisch dossier door wetsdokter
Een provinciale raad vraagt bijkomende uitleg betreffende het advies van de Nationale Raad van 28 mei 2011 met de titel ‘Inzage in het medisch dossier door wetsdokter'.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 24 maart 2012 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 19 oktober 2011 bestudeerd waarin u bijkomende uitleg vraagt aangaande het advies van de Nationale Raad van 28 mei 2011 met als titel "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter" TNR nr. 134.

Meer in het bijzonder ondervraagt u hem over de eventuele wijziging van artikel 62b van de Code van geneeskundige plichtenleer in die zin dat dit de toestemming van de patiënt vereist terwijl dit niet altijd het geval is in strafzaken.

1. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek kunnen het parket of de onderzoeksrechter, volgens de uitvoeringsbepalingen gedefinieerd door de wet, gebruik maken van het dwangbevel om beslag te leggen op een medisch dossier. In dat geval is de toestemming van de patiënt niet nodig.

De onderzoeksrechter heeft de macht beslag te laten leggen op een medisch dossier of een arts-deskundige op te vorderen om het te raadplegen, zonder het akkoord van de patiënt.

De procureur des Konings beschikt slechts over deze macht in geval van heterdaad. Buiten dit geval kan hij geen arts-deskundige opvorderen om een medisch dossier te raadplegen zonder vooraf de toestemming van de betrokken patiënt, van zijn vertegenwoordiger of van zijn mandataris verkregen te hebben.

Hieruit volgt dat het de gerechtelijke overheid is die beslist beslag te leggen of de medische gegevens te raadplegen, en niet de aangewezen deskundige.

2. In het kader van een burgerlijke procedure kan de feitenrechter beslissen dat een arts-deskundige kennis neemt van het medisch dossier van de patiënt.

Er kunnen zich verschillende situaties voordoen :
○ de patiënt heeft een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt om schadevergoeding te verkrijgen. De wet verplicht hem het bewijs van de fout, van de schade en van het oorzakelijk verband tussen de twee te leveren. Indien hij aan de wetsdokter de toegang tot zijn medisch dossier weigert, zou hem kunnen verweten worden dit bewijs niet aan te brengen en zou zijn vraag tot schadevergoeding verworpen kunnen worden.
○ de patiënt heeft een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt om vergoeding te verkrijgen voor schade die hij toeschrijft aan een fout van zijn arts, wiens aansprakelijkheid hij in het geding brengt. In dat geval kan de feitenrechter de overlegging van het dossier of de raadpleging ervan door de arts-deskundige bevelen (art. 877 van het Gerechtelijk wetboek).

Er zijn twee situaties denkbaar :
▪ indien de patiënt, eisende partij, zich ertegen verzet zal de rechtbank vaststellen dat de expertise niet kan plaatshebben, wat gevolgen zal hebben voor het bewijs van de fout ;

▪ indien de patiënt, verwerende partij, zich ertegen verzet is het de taak van de rechtbank na te gaan of redenen voor het verzet al dan niet geldig zijn, of de arts nu het medisch geheim of om het even welke ander reden inroept.

3. In zijn huidige vorm bedoelt artikel 62b niet de mededeling van medische gegevens onder de vorm van een gerechtelijke dwang.

Deze bepaling zou trouwens in elk geval de toepassing van de wettelijke regels van openbare orde (Wetboek van strafvordering) niet kunnen tegenhouden.

Met deze verduidelijking is de Nationale Raad de mening toegedaan dat een wijziging van artikel 62b van de Code van geneeskundige plichtenleer niet noodzakelijk is.

Beroepsgeheim19/06/2004 Documentcode: a105001
Het beroepsgeheim na (het) overlijden (van de patiënt)

De inzage van het medisch dossier na overlijden van de patiënt zoals bepaald in artikel 9, §4, van de wet betreffende de rechten van de patiënt van 22 augustus 2002 leidt tot heel wat vragen bij artsen. In zijn vergadering van 19 juni 2004 besliste de Nationale Raad het in zijn adviezen van 16 februari 2002 en 26 juli 2003 ingenomen standpunt omtrent die problematiek te nuanceren en te vervolledigen.

Zoals gezegd in zijn advies van 16 februari 2002 blijft de Nationale Raad van mening dat de behandelende arts, zoals het sinds jaren gebruikelijk is, aan de echtgenoot, de echtgenote, de partner en de naaste verwanten de nodige uitleg kan geven over de doodsoorzaak en de omstandigheden van het overlijden. Hierbij dient hij wel rekening te houden met een eventueel geuit verzet van de overledene en dient hij ervoor te zorgen de nagedachtenis van de overledene niet te schaden en geen gegevens mee te delen die betrekking hebben op derden.

Op verzoek van de naaste bloedverwanten kan de behandelende arts van de overledene aan hun huisarts of behandelende arts de gegevens overmaken die belangrijk kunnen zijn voor hun gezondheidstoestand en intenties omtrent voortplanting. In dit verband wordt onder meer gedacht aan vragen omtrent genetische gegevens die meer en meer en soms jaren na het overlijden worden gesteld.

Het kan dat de naaste verwanten afzien van een dergelijk gesprek of dat dit gesprek geen bevredigend antwoord geeft op hun vragen. In elk geval kunnen zij gebruik maken van het in artikel 9, §4, van de Patiëntenrechtenwet voorziene indirect inzagerecht dat via een door hen aangewezen beroepsbeoefenaar dient uitgeoefend te worden. Er mag worden verwacht dat de naaste verwanten een beroep zullen doen op een arts om het medisch dossier van de overledene in te zien.

In de bovenvermelde adviezen sprak de Nationale Raad zich niet uit over de wettelijke en deontologische verplichtingen van de arts die voor inzage door de naaste verwanten werd aangezocht.
Artikel 9, §4, van de wet bepaalt dat de vraag tot inzage enkel kan uitgaan van "de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiënt". Het is uitgesloten dat anderen, zoals een advocaat, namens een van de in artikel 9, §4, vermelde personen optreden.

De Nationale Raad is van oordeel dat de aangezochte arts ervan moet overtuigd zijn dat een verzoek tot indirecte inzage van het medisch dossier de meest aangewezen weg is voor de naaste verwanten om de verlangde informatie te bekomen. Hij dient er rekening mee te houden en er de verzoeker op attent te maken dat de behandelende arts van de overledene, zoals bepaald in artikel 9, §2, van de wet, tot 15 dagen na ontvangst van het verzoek tot inzage tijd heeft om er gevolg aan te geven en dat de wet niet voorziet in een recht op afschrift van het dossier van de overledene. Het is evident dat de aangezochte arts over de nodige competentie dient te beschikken om na inzage van het dossier van de overledene de verzoeker correct en volledig te kunnen informeren. Niet alleen de dossierhoudende artsen maar ook de voor indirecte inzage aangezochte arts moeten van oordeel zijn dat het verzoek tot inzage "voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is".

Van de aangewezen arts mag worden verwacht dat hij met kennis van zaken de verzoeker adviseert om tot een vlotte en snelle afwikkeling van de inzage van het dossier te komen. Zo dient hij erop toe te zien dat de verzoeker de beroepsbeoefenaars aanschrijft die verantwoordelijk waren voor het zorgvuldig bijhouden en veilig bewaren van die onderdelen van het patiëntendossier waarvan indirecte inzage nuttig kan zijn. Het medisch dossier is slechts een onderdeel van het patiëntendossier zodat een verzoekschrift voor inzage gericht aan de arts die instond voor de behandeling van de overledene geen indirect recht op inzage geeft van bijv. het verpleegkundig dossier. Te vermelden is dat de hoofdarts van een ziekenhuis niet bevoegd is om inzage te geven van een medisch dossier.

De Nationale Raad is van mening dat de aanwijzing van één enkele beroepsbeoefenaar volstaat om indirecte inzage te bekomen van de nuttige onderdelen van het patiëntendossier maar alle verzoeken moeten voldoende gemotiveerd en gespecificeerd zijn. In zijn gemotiveerd advies van 26 juli 2003 stelt de Nationale Raad dat enkel artsen kunnen aangewezen worden om het medisch dossier van een overledene in te zien en de Nationale Raad handhaaft dit standpunt.

In zijn advies van 16 februari 2002 vroeg de Nationale Raad dat in de wet zou opgenomen worden dat de inzage van het patiëntendossier na overlijden niet mogelijk zou zijn als de overledene zich daar impliciet had tegen verzet maar de wetgever hield het bij "uitdrukkelijk verzet". De Nationale Raad blijft echter van mening dat het begrip "uitdrukkelijk" ruim dient geïnterpreteerd te worden. Wanneer een overledene bij leven zijn naaste verwanten niet informeerde over de aard van zijn aandoening en niet wenste dat zij daarover geïnformeerd werden door de behandelaar, dient dit als een uitdrukkelijk verzet tegen inzage beschouwd te worden. Zo is het uitgesloten dat de naasten pas door indirecte inzage van het medisch dossier zouden vernemen dat bijvoorbeeld euthanasie toegepast werd. Te vermelden is dat het uitdrukkelijk verzet tegen inzage van bepaalde gegevens van het dossier door de overledene niet alleen schriftelijk maar ook mondeling kan, al doet de arts er goed aan dit gedateerd in het medisch dossier te noteren. Zoals gezegd in zijn advies van 26 juli 2003 kan een patiënt zich enkel verzetten tegen de inzage post mortem indien hij op dat ogenblik nog bekwaam was zijn patiëntenrechten uit te oefenen.

Het knelpunt bij indirecte inzage van het patiëntendossier na overlijden door de naaste verwanten is de in artikel 9, §4, voorziene voorwaarde "voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is". Los van een eventuele discussie over een voldoende motivering dient te worden gezegd dat enkel indirecte inzage mogelijk is van de stukken die relevant zijn voor de gegeven motivering. Volgens de wet kunnen ook de persoonlijke notities van de beroepsbeoefenaar daarvoor in aanmerking komen. Uitgesloten van elke inzage zijn alle gegevens die betrekking hebben op derden.

In zijn advies van 16 februari 2002 was de Nationale Raad van oordeel dat aan de aangewezen arts op zijn verzoek fotokopieën konden overhandigd worden van alle terzake dienende stukken van het medisch dossier. De tekst van artikel 9, §4, verwijst echter enkel naar §2 en niet naar §3 van hetzelfde artikel, die over het recht op afschrift handelt. Hieruit volgt dat het recht op afschrift van bepaalde stukken of van het gehele patiëntendossier een recht is van de patiënt dat alleen bij leven geldt.

De praktijk tot vandaag wijst uit dat de twee frequentste motiveringen voor verzoeken tot inzage van het dossier van een overledene het vermoeden van een beroepsfout vanwege een beroepsbeoefenaar en de betwisting van het testament van de overledene zijn.

In zijn advies van 16 februari 2002 stelde de Nationale Raad dat een beroepsbeoefenaar het beroepsgeheim niet kan inroepen om een eventuele beroepsfout te verdonkeremanen. De Nationale Raad blijft bij het standpunt dat de behandelende arts bij het vermoeden van een medische fout aan de daartoe door de naaste verwanten aangewezen arts alle stukken van het medisch dossier die enig licht op de zaak kunnen werpen ter inzage dient voor te leggen. Wanneer omtrent het voorleggen van bepaalde stukken betwisting mocht ontstaan kan in gezamenlijk overleg een beroep worden gedaan op een door de provinciale raad van de Orde in zijn midden of erbuiten voorgestelde arts om te bemiddelen. Dit is te verkiezen boven een beroep op de rechtbank daar dit tot een lange procedure kan leiden.

In zijn adviezen van 16 februari 2002 en 26 juli 2003 is het standpunt van de Nationale Raad dat de betwisting van een testament niet aanvaard kan worden als een voldoende motivering van een verzoek door de naaste verwanten tot indirecte inzage van het medisch dossier van de overledene. Dit standpunt wordt niet algemeen aanvaard zodat de Nationale Raad zich verplicht voelt het nader te motiveren.

Voorstanders van inzage bij de betwisting van een testament stellen dat het belang van de naaste verwanten opweegt tegen het recht op privacy van de overledene. De motivering van de Nationale Raad berust niet op een afweging van individuele belangen maar op het algemeen belang dat de grondslag is van het door de strafwet gewaarborgde beroepsgeheim. In zijn advies van 16 februari 2002 zegt de Nationale Raad : "Daarnaast zal het vertrouwen van bejaarden in de geneeskunde sterk worden geschaad wanneer zij mochten vernemen dat hun medische dossiers na hun overlijden worden gebruikt om hun laatste wilsbeschikking te beoordelen. Deze problematiek dient te worden beslecht zonder de vertrouwelijkheid van medische gegevens te doorbreken". Dit standpunt wordt in het advies van 26 juli 2003 bevestigd.

De Nationale Raad blijft van mening dat, zonder het absoluut karakter van het beroepsgeheim voor te staan, het in het belang van de gemeenschap is en in het bijzonder van de bejaarden dat inzage van het medisch dossier na overlijden voor een betwisting van de geldigheid van een testament niet aanvaardbaar is. De Nationale Raad betwist niet dat personen gezond van geest moeten zijn om een testament te maken maar meent wel dat andere bewijsgronden moeten aangehaald worden om het testament in twijfel te trekken. In die zin, het Hof van Cassatie aanvaardde dat medische attesten regelmatig afgeleverd bij leven van de erflater met het oog op diens onbekwaamverklaring of plaatsing in een rust-en verzorgingstehuis, kunnen worden gebruikt in een latere procedure strekkende tot nietigverklaring van diens testament.
Overigens kunnen de behandelende artsen heel wat discussies over de geldigheid van een testament voorkomen door de bejaarde patiënt die nog gezond van geest is aan te raden een beroep te doen op een notaris voor het maken van zijn testament. Het is aangewezen dat het testament voor notaris opgesteld wordt in aanwezigheid van een deskundige die bevoegd is te verklaren dat de erflater op dat ogenblik gezond van geest is. Het valt te ontraden als behandelende arts op te treden als deskundige voor zijn eigen patiënten.

De Nationale Raad is van mening dat elke arts alvorens inzage van het medisch dossier van een overledene toe te staan op grond van een betwisting van het testament van de overledene, best voorafgaandelijk met het bureau van zijn provinciale raad overlegt.

De inzage van het medisch dossier na overlijden zoals bepaald in artikel 9, §4, van de wet patiëntenrechten is voor alle artsen en de Nationale Raad een nieuwe materie. De beoordeling van een "voldoende gemotiveerd en gespecifieerd" verzoek zal het knelpunt zijn : de aangewezen arts zal opkomen voor de belangen van de verzoeker terwijl de samensteller van het medisch dossier zal kiezen voor de bescherming van de privacy van de overledene en de naleving van het beroepsgeheim t.a.v. de patiëntengemeenschap. Door dit advies hoopt de Nationale Raad de verschillende uitgangspunten dichter bij elkaar te brengen.

Dit advies vervangt de in de adviezen van 16 februari 2002 en 26 juli 2003 betreffende deze problematiek uiteengezette standpunten.

Arts-Assistent30/10/1999 Documentcode: a087013
Erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten

Een provinciale raad doet de Nationale Raad kopie geworden van een brief die hij ontving van twee op zijn Lijst ingeschreven artsen in verband met moeilijkheden die zij ondervinden bij de toepassing van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten.
De betrokken artsen stellen zich volgende vragen :

  1. moet men, als kandidaat-specialist, de instructies van de stagemeesters en van de ziekenhuisautoriteiten in verband met de wachtdiensten strikt naleven, ook al zijn ze in strijd met de wet;
  2. wat zijn de gerechtelijk-geneeskundige gevolgen bij niet-eerbiediging van de wet, bijvoorbeeld in verband met de medische fout die door een kandidaat-specialist begaan wordt in de uren volgend op een wachtbeurt? Willen de verzekeringen dit soort risico's dekken;
  3. zou de Orde, gelet op de terughoudendheid van sommige autoriteiten en de chantage die uitgeoefend wordt op de kandidaten die in de ziekenhuizen verblijven, een advies kunnen uitbrengen dat zich expliciet uitspreekt in het voordeel van een volledige toepassing te goeder trouw van dit ministerieel besluit, dat uitgewerkt werd met de bedoeling de kwaliteit van de verzorging en de kwaliteit van het leven van de kandidaat-specialisten te verbeteren?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 oktober 1999 uw adviesaanvraag van 6 september 1999 betreffende de moeilijkheden die kandidaat-specialisten ondervinden bij de toepassing van het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten.

De wetsbepalingen ter zake dienen geëerbiedigd te worden. De Nationale Raad herinnert tevens aan zijn deontologische richtlijnen in verband met de medisch-klinische opleiding (zie Tijdschrift Nationale Raad, nr. 82, december 1998, blz. 19).