Resultaten
Resultaten
Inzage in het patiëntendossier door de arts die het omstandig geneeskundig verslag opstelt in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de vraag onderzocht of de arts die belast is met het opstellen van een omstandig geneeskundig verslag in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening inzage mag nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon.
1/ Voorafgaand
De wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd recentelijk gewijzigd.[1]
De wijzigingen beogen verschillende doelstellingen: meer aandacht voor zorg, minder gebruik van dwang, respectvoller omgaan met de rechten van de patiënt, gebruik van kwaliteitsvolle medische verslagen, aandacht voor de omgeving van de patiënt, enz.[2]
Tot de belangrijkste wijzigingen behoren de invoering van een wettelijke definitie van ‘psychiatrische aandoening’, (in het kader van de spoedprocedure) de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen, en de invoering van een vrijwillige behandeling onder voorwaarden als nieuwe beschermingsmaatregel.
Zowel in de gewone procedure als in spoedeisende gevallen kan de rechter, in voorkomend geval de procureur des Konings, slechts een beschermingsmaatregel opleggen onder voorbehoud van de tussenkomst van een arts die de gezondheidstoestand van de betrokkene onderzoekt.
De arts beoordeelt vanuit medisch oogpunt of de te onderzoeken persoon een psychiatrische aandoening heeft overeenkomstig de wettelijke definitie. Onder ‘psychiatrische aandoening’ wordt verstaan een volgens de huidige stand van de wetenschap als zodanig omschreven aandoening die de realiteitsperceptie, het oordeelsvermogen, de denkprocessen, de stemming of de controle over diens daden ernstig kan verstoren.[3] Daarnaast beoordeelt de arts in hoeverre deze aandoening de gezondheid van de persoon ernstig in gevaar brengt of een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, en in welke mate deze gezondheidstoestand een beschermingsmaatregel vereist.
Bij Koninklijk Besluit van 12 december 2024 is een model van omstandig geneeskundig verslag vastgesteld: FAQ-4-4-Bijlage-III-Omstandig-geneeskundig-verslag.docx.
Het omstandig geneeskundig verslag mag niet worden opgesteld door de arts die om de maatregel verzoekt of door de arts die een bloed- of aanverwant tot de vierde graad van de verzoeker of van de persoon met een psychiatrische aandoening is.[4]
Het is niet verboden dat het verslag wordt opgesteld door de behandelend arts van de persoon met een psychiatrische aandoening.
Het zijn hoofdzakelijk urgentieartsen die moeilijkheden ondervinden bij het opstellen van dergelijk verslag voor patiënten waarvan zij de medische voorgeschiedenis niet kennen. Zij stellen de vraag of zij – al dan niet via de uitwisselingsnetwerken – inzage mogen nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon om het omstandig geneeskundig verslag zorgvuldig te kunnen invullen.
2/ Op wettelijk vlak
De arts heeft toegang tot gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars op voorwaarde dat de patiënt voorafgaand zijn geïnformeerde toestemming tot deze toegang gaf.[5]
De arts heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van een patiënt waarmee hij een therapeutische relatie heeft.[6]
De arts die een therapeutische relatie heeft met de patiënt, heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van de patiënt indien de finaliteit van de toegang bestaat uit het verstrekken van zorg, de toegang noodzakelijk is voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking, en de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn binnen dit kader.[7]
Bijgevolg, mag de arts die belast is met het opstellen van het omstandig geneeskundig verslag slechts inzage nemen in de relevante stukken van het patiëntendossier mits de voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de te onderzoeken persoon, of diens vertegenwoordiger.
Zonder specifiek wettelijk kader is het uitgesloten dat artsen die belast zijn met het onderzoek van de patiënt zonder het oogmerk om de gezondheid van de patiënt te behouden, herstellen of verbeteren, gebruik maken van de uitwisselingsnetwerken om inzage te nemen in de gezondheidsgegevens van de te onderzoeken persoon.[8]
3/ Op deontologisch vlak
Van de arts wordt verwacht dat hij vanuit medisch oogpunt vaststellingen verricht over de psychiatrische gezondheidstoestand van de patiënt en daartoe passende maatregelen of behandelalternatieven adviseert.
De arts beoordeelt de medische situatie op het ogenblik van het onderzoek, zonder dat hiervoor noodzakelijkerwijs kennis van de volledige medische voorgeschiedenis is vereist.
Er dient in gedachten te worden gehouden dat de wet niet primair gericht is op bestraffing, maar op bescherming en hulpverlening. Binnen dit kader voorziet de wet in alternatieven voor de beschermende observatiemaatregel (vroeger: gedwongen opname), zoals de vrijwillige behandeling onder voorwaarden.
Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen. Deze evaluatie laat toe om – in spoedeisende gevallen – de gezondheidstoestand grondiger te onderzoeken, zonder daarbij onmiddellijk over te gaan tot ingrijpende dwangmaatregelen.
Op deontologisch vlak heeft de arts de taak de patiënt gerust te stellen en te informeren over de mogelijke behandelingsalternatieven. Zowel de ratio van de wet als de principes van de medische deontologie zijn erop gericht dat het behandeltraject in maximale mate door de patiënt wordt gedragen.
De arts dient zijn beoordeling volledig onafhankelijk en zonder enige druk van justitiële diensten uit te voeren, met aandacht voor het belang van de patiënt en de maatschappij.
Tenslotte is een dialoog tussen de medische wereld en justitie noodzakelijk om een optimale toepassing van de wet te verzekeren en, waar aangewezen, te komen tot de uitwerking van praktisch toepasbare procedures.
[1] Wijziging bij wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
[2]Bescherming personen met geestesziekte wijzigt op 1 januari | Federale Overheidsdienst Justitie.
[3] Art. 1/1, lid 1, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[4] Art. 5, §2, lid 2, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[5] Art. 36, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[6] Art. 37, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[7] Art. 38, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[8] Art. 3, Koninklijk Besluit van 15 december 2024 over de toegang tot gezondheidsgegevens.
Voorlegging van een uittreksel uit het strafregister bij de aanwerving van een ziekenhuisarts
Een ziekenhuisinstelling stelde de vraag of zij het recht heeft een uittreksel uit het strafregister te vragen aan een arts als voorwaarde voor de aanwerving.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 15 oktober 2022 onderzocht of een arts de deontologische plicht heeft een uittreksel uit zijn strafregister voor te leggen op vraag van de medische directie van een ziekenhuisinstelling als voorwaarde voor de aanwerving.
- Inleiding – juridisch kader
1/ De wetgeving geeft geen sluitend antwoord op de vragen of een ziekenhuisinstelling bij de aanwervingsprocedure het recht heeft om het gerechtelijk verleden van de arts na te gaan, dan wel of de arts wettelijk verplicht is een uittreksel uit zijn strafregister over te maken.
Het algemeen principe bestaat erin dat het een werkgever is verboden om vragen te stellen over het gerechtelijk verleden van een sollicitant.
De Algemene Verordening Gegevensbescherming[1] bepaalt dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten (…) alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.
Waar de opvraging van een uittreksel uit het strafregister bij een aanwervingsprocedure in beginsel aldus verboden is, kan van dit principe worden afgeweken bij wet.
2/ Vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: Kwaliteitswet), was het de taak van de provinciale geneeskundige commissies om de belanghebbende personen in te lichten omtrent genomen beslissingen door de rechtbanken, inzake de uitoefening van de activiteit van de arts.[2] Zo werd onder meer de hoofdarts van de instelling waarin de betrokkene als arts-specialist werkzaam is in kennis gesteld van deze beslissingen.[3] In die zin bestond er een discrepantie tussen enerzijds een arts-specialist die nog niet was aangeworven in een ziekenhuisinstelling en anderzijds een arts-specialist die er reeds werkzaam was. Omdat hiervoor geen logische verklaring is, kan worden aangenomen dat de hoofdarts van de ziekenhuisinstelling ook gerechtigd was om het gerechtelijk verleden van de solliciterende arts-specialist na te gaan, minstens de provinciale geneeskundige commissies te ondervragen over de beslissingen door de rechtbanken waarvan zij kennis hadden.
Sinds de inwerkingtreding van de Kwaliteitswet, die de provinciale geneeskundige commissies heeft afgeschaft, wordt deze communicatie van beslissingen door rechtbanken niet meer gegarandeerd. De Kwaliteitswet voorziet slechts in een communicatie van de door de Toezichtcommissie genomen maatregelen aan het FAGG, het RIZIV, en desgevallend de patiënt, de gezondheidszorgbeoefenaar of de instantie die een klacht indiende en andere belanghebbende personen en instanties. De Koning kan nog andere instanties aanwijzen die op de hoogte moeten worden gebracht.[4] Volgens de nationale raad is het aangewezen dat ook de ziekenhuisinstellingen waar de arts werkzaam is op de hoogte worden gebracht van de genomen maatregelen.
3/ De omzendbrief nr. 08/2014 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep van 9 januari 2020 bepaalt de voorwaarden voor het openbaar ministerie om veroordelingen van o.m. aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, het bezit van kinderporno en mishandeling van een kwetsbare persoon, mede te delen aan de gezondheidszorginstelling waar de veroordeelde arts werkzaam is. Naar analogie, is de nationale raad van mening dat de ziekeninstelling eveneens van de genoemde veroordelingen op de hoogte moet worden gesteld tijdens de procedure van aanwerving.
4/ De wetgeving[5] in verband met de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, model art. 596.2 (minderjarigenmodel), te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, kan binnen de context van de ziekenhuisinstelling in die zin worden geïnterpreteerd dat bij de aanwerving van een nieuwe arts moet worden nagegaan of deze van onberispelijk gedrag is in de omgang met minderjarigen zoals blijkt uit het uittreksel uit het strafregister, model art. 596.2[6]. Elke ziekenhuisinstelling is onder meer verantwoordelijk voor de medische begeleiding van minderjarigen.
Wat betreft de opvraging van een uittreksel uit het strafregister, model art. 595[7] (algemeen model), bestaat er geen bijzondere wetgeving die een ziekenhuisinstelling toelaat de voorlegging van dit document op te eisen bij de aanwerving van een nieuwe arts.
5/ Bij de aanvraag tot inschrijving op de lijst van de Orde der artsen heeft de arts de verplichting een uittreksel uit het strafregister te voegen dat niet meer dan drie maanden terug gedagtekend is.[8] Deze bepaling strekt ertoe om als Orde te kunnen nagaan of de inschrijvende arts een strafrechtelijk verleden heeft dat niet strookt met de eer en de waardigheid van het artsenberoep. Er kan worden aangenomen dat ook een ziekenhuisinstelling de mogelijkheid heeft om bij de aanwerving het gedrag van een arts te controleren ter garantie van de kwaliteit en integriteit van de instelling.
- Deontologisch kader
Niettegenstaande de juridische betwistbaarheid betreffende het recht of de plicht van een ziekenhuisinstelling een uittreksel uit het strafregister op te vragen bij de aanwerving van een nieuwe arts, heeft elke arts de deontologische plicht een uittreksel uit het strafregister, model art. 595 en model art. 596.2, af te leveren op vraag van de medische directie van de ziekenhuisinstelling.
De Code van medische deontologie[9] bepaalt dat de arts de collega’s waarmee hij samenwerkt, alle disciplinaire, burgerrechtelijke, strafrechtelijke of administratieve beslissingen meedeelt die een weerslag kunnen hebben op hun professionele relatie. Dit principe is ook van toepassing op toekomstige professionele relaties.
Artsen hebben de deontologische plicht, omwille van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met de uitoefening van hun functie, van onberispelijk gedrag te zijn en dienen te beantwoorden aan de legitieme verwachtingen en het vertrouwen dat de patiënt in hem stelt of moet kunnen stellen.
De controle via een uittreksel uit het strafregister stelt de ziekenhuisinstelling in de mogelijkheid om de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de integriteit en de goede naam van de ziekenhuisinstelling, en de bescherming van derden te garanderen.
Solliciterende artsen hebben bovendien de deontologische plicht mee te werken aan het risico- en voorzichtigheidsprincipe dat de ziekenhuisinstelling in acht dient te nemen bij de selectieprocedure van het artsenkorps.
Er dient evenwel te worden opgemerkt dat de arts die in het verleden een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen, niet stelselmatig mag worden geweigerd. Geval per geval moet worden afgewogen of een weigering opportuun is, rekening houdend met de beginselen van medische deontologie.
Tenslotte, dient de ziekenhuisinstelling garant te staan voor de rechten inzake privacy van de solliciterende arts. In de algemene regeling van het ziekenhuis moeten minstens de voorwaarden van aanwerving worden opgenomen.[10] Zodoende moet op een duidelijke wijze worden bepaald:
- of een uittreksel uit het strafregister zal worden opgevraagd bij de aanwerving;
- wat de beweegredenen hiervoor zijn;
- welke veroordelingen de basis kunnen vormen van een weigering;
- hoe het beoordelingsproces verloopt, dat niet discriminerend mag zijn;
- wie inzage heeft tot deze persoonsgegevens;
- hoelang deze persoonsgegevens worden bewaard, hetgeen niet langer mag zijn dan de duur van de aanwervingsprocedure.
- Besluit
De solliciterende ziekenhuisarts heeft de deontologische plicht om tijdens de aanwervingsprocedure een uittreksel uit zijn strafregister, model art. 595 en model art. 596.2, af te leveren, indien dit door de medische directie van de ziekenhuisinstelling wordt opgevraagd, ter waarborg van de principes van medische deontologie. De ziekenhuisinstelling dient de persoonsgegevens van de betrokken arts te verwerken met respect voor de beginselen inzake privacy en non-discriminatie.
[1] Art. 10, Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG
[2] Art. 119, §1, 2°, c), 2., e), gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, opgeheven door art. 82, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg
[3] Art. 30bis, 6°, koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies
[4] Art. 61, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg
[5] Art. 596, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Decreet van de Vlaamse overheid 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers
[6]Uittreksel strafregister - Federale overheidsdienst justitie (belgium.be)
[8] art. 21, §1, lid 2, 3., koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren
[9] Art. 14, tweede lid, Code van medische deontologie
[10] Art. 144, §3, 1°, Gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen
Addicties - Overleg over de gezondheidstoestand van de patiënt tussen behandelende artsen
De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 15 oktober 2022 de vraag of een arts de ernstige verslavingsproblematiek van een patiënte mag melden aan een gynaecoloog in de context van de opstart van een fertiliteitsbehandeling.
Het staat wetenschappelijk vast dat het gebruik van alcohol en andere verslavende middelen vanaf de conceptie en gedurende de gehele zwangerschap een zeer nefaste invloed heeft op de ontwikkeling van de vrucht. Het foetaal alcoholsyndroom bij wijze van voorbeeld kenmerkt zich door zeer ernstige afwijkingen[1] waardoor de toekomstsmogelijkheden van het kind zwaar gehypothekeerd worden.
De nationale raad is van oordeel dat in ernstige en bewezen gevallen van ethylisme en/of het gebruik van andere verslavende middelen, nadat de moeder meermaals gewezen werd op de gevaren voor haarzelf en de toekomstige baby, het beroepsgeheim kan wijken om een hoger belang te dienen, namelijk het vrijwaren van de fysieke en psychische integriteit van het ongeboren kind.
[1] Kenmerken van het foetaal alcoholsyndroom
Bij de geboorte
Groeiachterstand
Afwijkende gelaatskenmerken
Neurologische afwijkingen
• slechte spiercoördinatie,
• slechte zuigreflex, kauwproblemen,
• overgevoeligheid voor geluid en/of fel licht,
• slaapproblemen,
• aandacht- en geheugenstoornissen,
• spraakstoornissen,
• aantasting van het gezichtsvermogen,
• leer- en gedragsproblemen, hyperactiviteit, autistisch gedrag,
• mentale achterstand (gemiddeld IQ van 60).
Andere mogelijke afwijkingen
• hartproblemen
• misvormingen aan skelet en interne organen (bv. nieren, lever, geslachtsorganen)
• gehoorproblemen
• misvormingen in heupgewricht
• scoliose
• te hoge of te lage spierspanning
• verstoorde motoriek (fijne bewegingen)
• verhoogde kans op oor- en longontsteking
• beven
• prikkelbaarheid
• impulsief gedrag
• epilepsie
• evenwichtsstoornissen.
Veel voorkomende problemen bij kinderen en volwassenen
• Psychische klachten, psychiatrische problemen (zoals depressie)
• Leerproblemen, slechte schoolprestaties, problemen op het werk
• Gedragsproblemen, crimineel gedrag
• Onaangepast seksueel gedrag
• Alcohol- en drugsproblemen
• Sociaal isolement
Slachtoffer van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.
Problematiek van onwettig politiegeweld : het handelen van de arts en de rol van het medisch attest inzake bewijsvoering
1. Inleiding
In een eerder advies van de nationale raad van de Orde der artsen, “Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[1], wordt uiteengezet hoe het artsenkorps en de politiediensten kunnen samenwerken met respect voor ieders finaliteit en bevoegdheden. In voornoemd advies wordt er verondersteld dat beide actoren hun bevoegdheden in eer en geweten uitoefenen en wordt er geen aandacht besteed aan eventuele misbruiken, bijvoorbeeld onwettig politiegeweld.
Naar aanleiding van een rapport[2] van Police Watch, het waarnemingscentrum voor politiegeweld van de Liga Voor Mensenrechten, heeft de nationale raad van de Orde der artsen in zijn vergadering van 20 november 2021 onderzocht hoe de arts moet handelen indien de patiënt aangeeft het slachtoffer te zijn van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.
2. Aangifte door het slachtoffer
Op 8 november 2021 heeft de Liga voor Mensenrechten in Nederlandstalig België een meldpunt voor slachtoffers en getuigen van politiegeweld gelanceerd, genaamd Police Watch, reeds bestaande in Franstalig België.[3] Het doel bestaat erin buitensporig politiegeweld in kaart te brengen en slachtoffers te adviseren inzake hun rechten en mogelijkheden voor klachtindiening.
Slachtoffers van onwettig politiegeweld kunnen een klacht indienen bij verschillende instanties, onder meer de Dienst Intern Toezicht, het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (comité P), de Algemene Inspectie, de lokale ombudsdienst, het Kinderrechtencommissariaat en het Interfederaal gelijkekansencentrum Unia.[4]
Tot slot is het mogelijk voor het slachtoffer om aangifte te doen bij het parket of een klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter.
Ter staving van de klacht, is er een belangrijke rol weggelegd voor het attest dat wordt opgesteld door een arts die de letsels vaststelt. Het is immers aan de patiënt om deel te nemen aan het bewijs van zijn beweringen, een reden waarom het medisch attest onmisbaar is. In deze context, dient de arts de patiënt een medisch attest te bezorgen dat voldoet aan de principes van medische deontologie, zoals beschreven in punt 3 van dit advies.
3. Rol van het medisch attest – deontologische beginselen
3.1. Principe: op vraag van de patiënt
De arts bezorgt de patiënt de medische documenten die hij nodig heeft.[5]
In de meeste gevallen zal de patiënt de arts zelf te kennen geven het slachtoffer te zijn geworden van onwettig politiegeweld en vragen zijn letsels te beschrijven met het oog op de bewijsvoering.
Het medisch attest zal dienen als bewijsmiddel voor zijn beweringen.
De arts is verplicht de patiënt het medisch attest te bezorgen dat hij nodig heeft. Elke arts wordt geacht bekwaam te zijn de externe letsels van een patiënt te beschrijven. Evenwel, indien hij zich niet bekwaam acht, heeft hij de verplichting de patiënt in te lichten en de patiënt door te verwijzen naar een andere gekwalificeerde arts.[6]
Het kan ook gebeuren dat de patiënt omwille van zijn verwondingen handelingsonbekwaam is geworden, bijvoorbeeld omdat hij zich bevindt in een toestand van coma, en het medisch attest wordt opgevraagd door de naasten van de patiënt met het oog op het indienen van een klacht. In dit geval zal de arts, in het belang van de patiënt, het medisch attest overhandigen aan diens wettelijke vertegenwoordiger.[7]
De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud ervan is en aan wie hij het attest heeft afgeleverd.
Tenslotte kan een medisch attest onder gesloten omslag worden afgeleverd aan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter volgens de gebruikelijke procedures, zoals beschreven in het advies van de nationale raad van de Orde der artsen, ““Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[8].
3.2. Inhoud van het medisch attest – letselattestering
De arts stelt de medische documenten waarheidsgetrouw, objectief, voorzichtig en discreet op, met aandacht voor het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt. Hij vermeldt daarbij geen gegevens over derden.[9]
Het medisch attest dat letsels attesteert dient duidelijk, nauwkeurig en volledig te zijn.
De letsels dienen gedetailleerd te worden beschreven: het type letsel (schaving of schaafletsel, kneuzing, hematoom of bloeduitstorting, scheurwonde of laceratie, steekwonde, snijwonde enz.), de afmetingen (de lengte, de breedte), de kleur, de vorm, de omvang, de precieze anatomische locatie en de diepte indien mogelijk. Het is aangewezen om foto’s (overzicht en detail met meetstaf) als bijlage toe te voegen aan het medisch attest of deze te bewaren in het patiëntendossier.
Het attest maakt een onderscheid tussen de objectieve vaststellingen door de arts en de subjectieve klachten van de patiënt. In geen geval bepaalt de arts welk mechanisme de letsels heeft veroorzaakt, evenmin wie de letsels heeft toegebracht. Hoogstens kan worden bepaald dat hetgeen de patiënt beschrijft compatibel is met de objectief vastgestelde letsels.
Het medisch attest vermeldt de dagen van arbeidsongeschiktheid.
De arts dateert het medisch attest op de dag van de redactie en voegt een kopie toe aan het patiëntendossier.
4. Rol van de arts – bijzondere situaties
4.1. Medisch attest in verband met geschiktheid tot verhoor of opsluiting
Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren tot verhoor of opsluiting. De behandelende arts is gerechtigd de vraag van de politiediensten om dergelijke attesten op te stellen, te weigeren.
Geschiktheidsattesten tot verhoor of opsluiting kunnen enkel worden afgeleverd door een arts-gerechtsdeskundige, die wordt aangesteld door een gerechtelijke overheid.
4.2. Aanwezigheid van politie tijdens de zorgverlening
De situatie kan zich voordoen dat een persoon onder politiebegeleiding naar het ziekenhuis wordt gebracht voor verzorging.
In een eerder advies van de nationale raad[10] werd gesteld dat de arts de aanwezigheid van de politie in de behandelruimte of in de onmiddellijke nabijheid moet toelaten, indien de politieambtenaar van oordeel is dat de patiënt een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van de arts of het ziekenhuispersoneel. Wanneer de patiënt het slachtoffer is geworden van onwettig politiegeweld, bevindt hij zich evenwel in een zeer kwetsbare positie. De patiënt zal zich niet durven uitdrukken, uit angst voor latere represailles.
De nationale raad onderkent de kwetsbare positie van het slachtoffer en hecht belang aan het recht op privacy en de intimiteit van de patiënt, maar behoudt evenwel haar eerder standpunt, te meer omdat het voor de arts zeer moeilijk is om in te schatten in hoeverre de patiënt een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van de arts en het ziekenhuispersoneel, waarvoor de arts mede verantwoordelijk is.
De arts kan bij een sterk vermoeden van onwettig politiegeweld vragen aan de politieambtenaar om zich te verwijderen uit de behandelruimte, al blijft deze laatste bevoegd om de situatie te beoordelen en al dan niet gevolg te geven aan de vraag van de arts. De arts noteert zijn vraag en de aanwezigheid van de politie in het patiëntendossier.
In deze context is het ook van belang dat de arts de letsels in het patiëntendossier noteert overeenkomstig de richtlijnen in punt 3.2 van dit advies.
4.3. Handboeien tijdens de zorgverlening
De politiediensten hebben de bevoegdheid de patiënt te boeien overeenkomstig de principes van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit.
De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken veilig en kwalitatief kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het strafwetboek.
4.4. Gerechtelijk-geneeskundig bezwaar – model III C
Indien de arts die het overlijden vaststelt, twijfelt over de oorzaak ervan (natuurlijk of gewelddadig), kruist hij op strook A van het formulier III C het vakje “ja” aan in de rubriek “gerechtelijk-geneeskundig bezwaar”. Daarnaast kruist hij op strook C van hetzelfde formulier onder punt 1 (aard van het overlijden) het vakje “kan niet bepaald worden” aan.
De arts die gevraagd wordt een overlijdensattest op te maken, vervult zijn opdracht op onafhankelijke en objectieve wijze en mag hierbij geen eventuele druk ondervinden door de politiediensten.[11]
[1] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039
[2] Police Watch, “Violences policières et la charge de la preuve: le rôle du certificat médical”, Analyse_LDH_Le-rôle-du-certificat-médical_version-longue_decembre-2020.pdf (liguedh.be)
[3]Police Watch - Accueil; Police Watch
[4]Liga voor Mensenrechten | Dossier politiegeweld in België
[5] Art. 26, lid 1, Code van medische deontologie
[6] Art. 6, Code van medische deontologie
[7] Overeenkomstig de cascade zoals bepaald door art. 14, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt
[8] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039
[9] Art. 26, Code van medische deontologie
[10] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039
[11] Zie ook advies nationale raad van de Orde der artsen van 15 februari 2020, “Druk die een arts kan ondervinden wanneer een overlijdensattest model III C/D dient te worden opgesteld”, a167003
Recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier om zich te verdedigen in rechte.
Dit advies betreft het recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier van de instelling waar hij werkt betreffende een patiënt met wie de ziekenhuisarts een therapeutische relatie had, om zich in rechte te verdedigen. Het breidt zich niet uit tot andere verwerkingen van deze gegevens door het ziekenhuis of de ziekenhuisarts.
1. De AVG[1] is van toepassing op de verwerking van de gegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier.
De verwerkingsverantwoordelijke van het ziekenhuisdossier ziet erop toe dat de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid die het bevat in overeenstemming is met alle eisen opgelegd door de AVG[2].
Het ziekenhuis stelt een reglement voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op die ter kennis gebracht wordt van de patiënten van het ziekenhuis[3], houdt een lijst bij van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens betreffende de gezondheid met een nauwkeurige beschrijving van hun functie ten opzichte van de verwerking van de gezondheidsgegevens[4], en een register van de verwerkingsactiviteiten[5].
Voordat hij de gegevens in het ziekenhuisdossier verwerkt met het oog op zijn verdediging in rechte, moet de ziekenhuisarts nagaan of hij dit doet zonder te handelen in strijd met zijn verplichtingen en met die van het ziekenhuis tegenover de patiënten inzake de verwerking van de patiëntengegevens, zoals deze ervan ingelicht werden[6].
Indien voornoemde documenten niet bepalen dat de ziekenhuisarts de gezondheidsgegevens in het ziekenhuisdossier mag verwerken om zich te verdedigen in rechte, moet deze overleg plegen met de functionaris voor gegevensbescherming van het ziekenhuis die hem zal helpen om zijn verplichtingen inzake de naleving van de regels betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer correct in te schatten.
De verwerking van persoonsgegevens om zich in rechte te verdedigen is een uitzondering op het verbod persoonsgegevens betreffende de gezondheid te verwerken[7]. Dergelijke verwerking dient te voldoen aan alle voorwaarden gesteld door de AVG, wat onder meer inhoudt dat de betrokken persoon ingelicht wordt over de verwerking van zijn gegevens voor de uitoefening van het recht op verdediging in rechte[8], dat de gebruikte persoonsgegevens betreffende de gezondheid afkomstig uit het ziekenhuisdossier toereikend en ter zake dienend zijn in deze context en dat er niet meer gegevens dan nodig verwerkt worden[9].
2. De regels inzake bescherming van de gegevens en van het medisch geheim[10] vullen elkaar aan. De ene doet geen afbreuk aan de andere.
De rechtspraak heeft aangenomen dat artikel 458 van het Strafwetboek geen absolute verplichting tot zwijgen inhoudt wanneer degene die tot het bewaren van een beroepsgeheim is gehouden, zich in rechte moet verdedigen.
Uit het advies van de nationale raad kan niet afgeleid worden dat de geheimplicht verdwijnt maar wel dat de arts goede redenen kan hebben om het geheim op te heffen binnen de perken nodig voor zijn verdediging, dit wil zeggen op evenredige en relevante wijze.
3. Het vertrouwen van de patiënt is fundamenteel voor de ontwikkeling van de technologische hulpmiddelen. Deze bieden, door de gegevensuitwisseling en -inzage die ze mogelijk maken, voordelen op het vlak van de kwaliteit en continuïteit van de zorg maar ook op het vlak van ondersteuning bij de uitoefening van het beroep.
Het is aan de artsen dit vertrouwen niet te ondermijnen, noch dat van de confraters die de gegevens die ze verzamelden delen, door rekening te houden met de principes betreffende het medisch geheim en de verwerking van persoonsgegevens.
Tot slot vestigt de nationale raad de aandacht van de artsen op de regels waaraan de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, die in werking treedt op 1 juli 2021, de toegang tot de gezondheidsgegevens onderwerpt[11].
[1] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
[2] Art. 4, 7), art. 5.2. en art. 24, AVG
[3] Bijlage N1, Bijlage A, III. Organisatorische normen, 9°quater, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd
[4] Art. 9, 1°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens en art. 32. 4 AVG
[5] Art. 30, AVG
[6] Art. 13, AVG
[7] Art. 9.2, f), AVG
[8] Art. 13, AVG
[9] Art. 5.1, a), b) en c), AVG
[10] Art. 458, Strafwetboek
[11] Art. 36 tot 40 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg