keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Informatica15/02/1997 Documentcode: a076016
Medische telematica

Het "Centre de Recherches Informatique et Droit des Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix" legt aan de Nationale Raad vragen voor gesteld door de invoering van de telematica in het domein van de gezondheid en vraagt hen hierover een vragenlijst te beantwoorden.

Antwoord van de Nationale Raad:

Naar aanleiding van uw brief van 31 juli 1996, sturen wij u hierbij ingesloten de antwoorden op uw vragenlijst die de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren gaf tijdens zijn zitting van 15 februari 1997.

VRAGENLIJST - WETTELIJKE ASPECTEN VAN DE MEDISCHE TELEMATICA.

1. Reglementeringen

Nu men evolueert naar de elektronische transmissie van medische gegevens, dient een gedetailleerde analyse gemaakt te worden van de wettelijke aspecten en van de beveiligingsproblemen inzake medische telematica.

1.1. Beschikt uw land over een wetgeving tot reglementering van de elektronische transmissie van medische gegevens via een netwerk ?

NEEN

1.2. Indien een orgaan bestaat dat belast werd met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, heeft dit een standpunt ingenomen met betrekking tot de automatisering van medische gegevens en de circulatie ervan via een netwerk ?

NEEN

1.3. Heeft/hebben de Orde der geneesheren en/of beroepsorganisaties reglementeringen of aanbevelingen aangenomen met betrekking tot de beveiligingsproblemen die verband houden met de elektronische communicatie van medische gegevens ?

JA

1.4. Indien het antwoord op bovenstaande vragen ja is, wat zijn de belangrijkste punten van deze reglementeringen ? Kunt u ons de teksten bezorgen waarover u terzake beschikt ?

De nationale Raad heeft zich sinds vele jaren bezig gehouden met het respect van de vertrouwelijkheid van de medische gegevens doorgegeven via elektronische weg. Hij gaf verschillende raadgevingen waarvan u de teksten vindt als bijlage :

Advies van de nationale Raad
van 16 oktober 1993 - Tijdschrift nr 63, maart 1994, bladzijde 20.
van 16 april 1994 - Tijdschrift nr 65, september 1994, bladzijde 22.
van 22 april 1995 - Tijdschrift nr 69, september 1995, bladzijde 13.

2. Controlemaatregelen; bevoegde autoriteiten

De betrouwbaarheid van de telematicasystemen inzake geneeskunde hangt enerzijds af van het toegepaste systeem voor de controle op de toegang en anderzijds van het beheer van de cryptografische sleutels, alsook van de certificatieprocedure.

2.1. Hoe is de controle (techniek, beheer) op de toegang tot de geautomatiseerde medische gegevens georganiseerd ?

De artsen die wensen deel te nemen aan een systeem van elektronische post en die wensen medische gegevens uit te wisselen moeten geregistreerd worden bij hun Provinciale Raad van de Orde. De rol van de raad bestaat erin de identiteit van de deelnemers te bevestigen evenals de echtheid van de publieke sleutels die hen werden toegewezen. De toegang tot de geautomatiseerde medische gegevens wordt gecontroleerd door een toegangscode eigen aan elke arts. Het systeem moet zo georganiseerd worden dat alleen de arts belast met een patiënt toegang kan hebben tot de gegevens van deze laatste.

2.1.1. Beschikt u over een systeem van een professionele gezondheidskaart die de toegang tot het netwerk mogelijk maakt ?

NEEN

Indien ja, hoe wordt dit systeem toegepast ?

2.1.2 Beschikt u over een onafhankelijk orgaan (een "Trusted Third Party") dat belast is met het toezicht op het goede verloop van de transmissie van elektronische gegevens op het gebied van de gezondheidszorg ?

JA

Indien ja,

  • hoe staat de Raad van de Orde tegenover dit orgaan ? De nationale Raad overweegt zelf de taak van vertrouwensmandataris op te nemen in naam van de tien provinciale raden.
  • wie zijn de leden van dit orgaan ? De Raad van de Orde is een organisme van publiek recht gecreëerd door het Koninklijk Besluit nr 79 van 10 november 1967. Hij is samengesteld uit tien leden geneesheren verkozen door de tien provinciale raden, uit zes leden geneesheren benoemd door de Koning op voorstel van de Universiteiten en wordt voorgezeten door een magistraat van het Hof van Cassatie.
  • welke bevoegdheden heeft dit orgaan ? Zijn bevoegdheden zijn vastgelegd door de wet (K.B. nr 79 van 10 november 1967), ze omvatten ondermeer het opmaken van een Code van geneeskundige plichtenleer.

2.3 Beschikt u over een orgaan dat de volgende bevoegdheden uitoefent :

  1. het bevoegd verklaren, volgens de beroepscategorie, van de beroepsbeoefenaars die toegang hebben tot de geautomatiseerde medische gegevens ;

    NEEN
    Volgens onze ethische opvatting stelt elke geneesheer alleen een medisch dossier op voor iedere patiënt. Hij is verantwoordelijk voor het bewaren ervan.
    Alleen de artsen die de patiënt moeten verzorgen kunnen er toegang tot hebben. Dit geldt eveneens voor de geautomatiseerde medische gegevens. Recente ontwerpen voor een globaal medisch dossier voorzien ook de centralisatie van de gegevens bij één enkele arts. De toegang tot deze gegevens kan slechts gebeuren overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen
    .

  2. het bezorgen van de cryptografische sleutels (d.w.z. de "publieke" sleutel bestemd voor de decodering van de gecodeerde boodschappen met behulp van de "privé"-sleutel van de afzender") aan de gezondheidswerkers;

    NEEN
    Tot op heden bestaat er geen organisme voor de distributie. De nationale Raad stelt voor de functie van certificatie van de sleutels op zich te nemen.

  3. het uitreiken en het personaliseren van de professionele gezondheidskaarten;

    NEEN
    Het uitreiken van professionele kaarten die een toegangscode kunnen bevatten voor de geautomatiseerde gegevens bestaat in België nog niet. De provinciale raden zijn belast met het opstellen van een Lijst van de ingeschreven geneesheren, na ondermeer hun beroepstitel geverifieerd te hebben. Het uitreiken van de medische professionele kaarten valt dus onder hun bevoegdheid.

  4. het certificeren van de band tussen een "publieke" sleutel en een bepaald individu;

    NEEN, het certificeren kan gebeuren binnen de Raad van de Orde.

2.4. Kunt u ons documenten bezorgen met betrekking tot de bovenbedoelde autoriteiten en/of de in uw land toegepaste controlemaatregelen ?

Statuten en de Koninklijke Besluiten betreffende de Orde van Geneesheren.

2.5. Beschikt u over bepaalde elementen die het u mogelijk maken vast te stellen wie verantwoordelijk wordt geacht in de volgende gevallen :

2.5.1. toegang tot het net zonder voorafgaande machtiging;

De persoon die niet de nodige voorzorgen heeft genomen om de gegevens en hun toegang te beschermen is verantwoordelijk, in onderhavig geval de artsen verantwoordelijk voor de toepassing van de veiligheidsmaatregelen.

2.5.2. afgifte van een vals certificaat.

De auteur van een vals certificaat.

2.5.3. indien het antwoord op voorgaande vragen positief is, kunt u dit dan nader bepalen ?

Zie commentaar nrs 2.5.1. en 2.5.2.

3. Bewijskrachtige waarde van elektronische documenten

Ofschoon momenteel slechts een minderheid van personen de aanwending van de nieuwe technologieën beheerst, beweren sommige deskundigen dat elektronische documenten en digitale handtekeningen minstens even betrouwbaar zijn als geschreven documenten en manuele handtekeningen. Daarom kunnen digitale technieken in overweging genomen worden zowel om de validiteit van de geautomatiseerde medische gegevens te verhogen als voor de archivering van deze gegevens.

3.1. Wordt in uw land een bepaalde bewijskrachtige waarde toegekend aan elektronische documenten ?

NEEN
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen :

  • het medisch voorschrift, d.w.z. het geneesmiddelenvoorschrift : de geneesheer moet eigenhandig het voorschrift ondertekenen volgens de wet op de medische voorschriften (artikel 15 van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1885 dat de nieuwe richtlijnen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten goedkeurde). Tot op heden wordt een niet ondertekend elektronisch voorschrift niet aanvaard.
  • de andere soorten medische documenten :
    de elektronische documenten kunnen beschouwd worden als een begin van bewijs.

3.2. Wordt aan de elektronische handtekening een bewijskrachtige waarde toegekend ?

NEEN

3.2.1. Indien ja, wat zijn de minimumvereisten inzake elektronische handtekeningen ?

3.2.2. Indien neen, wat zouden de minimumverereisten zijn inzake elektronische handtekeningen ?

Om de mogelijke functies van de elektronische handtekening te waarborgen in een open systeem waarin het bericht een lange weg volgt langs verschillende diensten en verscheidene netten doorloopt, moet aan de volgende vereisten voldaan worden :

  • Het gebruik van een dubbel encoderingsysteem gebaseerd op een vertrouwbaar algoritme.
  • De toepassing van systemen ter bescherming van de geheime sleutels.
  • In het geval van medische documenten moet er een systeem gerealiseerd worden met een betrouwbare bewaarder van de geheime sleutels (key escrow).
  • Gezien het grensoverschrijdend karakter van de elektronische stromen, dringt zich een uniforme reglementering voor de aanmaak en het gebruik van elektronische handtekeningen op.

3.3. Is op nationaal niveau een systeem voor de archivering van de gegevens georganiseerd ?

NEEN

Indien ja, door wie wordt het beheerd ?

4. Internet

4.1. Zal het netwerk toegankelijk worden gemaakt via Internet ?

JA - Gezien het openbaar karakter van het netwerk moeten er bijzondere voorzorgen genomen worden.

4.2. Wat is het standpunt van de Orde der geneesheren ten opzichte van :

4.2.1. de circulatie van medische onderzoeken en resultaten op Internet;

4.2.2. de circulatie van medische dossiers op Internet ?

Dezelfde regels zijn van toepassing op punten 4.2.1 en 4.2.2, met name:

  • de regels van de geneeskundige plichtenleer zijn van toepassing : wat de vertrouwelijkheid betreft, afzender en bestemmeling moeten geneesheren zijn ;

  • de arts sluit een overeenkomst af met een firma voor elekronische postdistributie die voldoende onafhan-kelijk is om ieder monopolie of klantenbinding te vermijden ; deze overeenkomst moet goedgekeurd worden door de provinciale raad ;

  • de arts gebruikt het systeem met dubbele sleutel, de sleutels worden gegenereerd door de arts op een PC niet verbonden met een netwerk ;

  • de arts moet zo vlug mogelijk ieder bericht uitwissen uit de server ;

  • elk postbericht niet opgenomen uit de server moet na een maand uitgewist worden

4.3. Hoe is de Orde der geneesheren van plan de toegang te beveiligen in deze gevallen ?

De nationale Raad van de Orde van geneesheren stelt zich voor als "Trusted Third Party" ; in die hoedanigheid neemt hij de publieke en privésleutels van de geneesheren gebruikers in ontvangst en bewaart ze op een voldoende veilige manier : de Raad stelt de sleutels ter beschikking in geval van wettelijke beschikkingen of indien nodig bij overlijden van een geneesheer gebruiker.

Informatica18/01/1997 Documentcode: a075015
Geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens - Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer - Aangifte van het bestand

Geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens - Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer - Aangifte van het bestand.

De Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt de voorwaarden waaraan deze verwerkingen moeten voldoen.

Alle artsen die medische dossiers bijhouden vallen onder het toepassingsgebied van deze wet, ongeacht of zij werken met manuele bestanden dan wel met geautomatiseerde.

De wet bepaalt eveneens dat elke houder van het bestand verplicht is aangifte te doen van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens waarvoor hij verantwoordelijk is.

Elke arts dient bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aangifte te doen van de reeds aan de gang zijnde geautomatiseerde verwerkingen en voortaan ook vooraleer met een geautomatiseerde verwerking te beginnen.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft een formulier uitgewerkt voor de aangifte van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens. Dit formulier is beschikbaar als papierdocument en in elektronische vorm en bestaat uit twee delen :

- deel I betreft de identificatie van de houder van het bestand die de aangifte doet;

- deel II heeft betrekking op de beschrijving van de aan te geven geautomatiseerde verwerking.

De Commissie heeft echter de mogelijkheid voorzien "standaardaangiften" op te stellen. Dit zijn aangiften waarvan deel II vooringevuld is en die bedoeld zijn voor vaak voorkomende standaardverwerkingen waarmee een groot aantal houders van bestanden worden geconfronteerd.

Om de aangifte te vergemakkelijken voor een gedeelte van het artsenkorps dat aan deze verplichting onderworpen is, heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren vier "standaardaangiften" uitgewerkt die kunnen beantwoorden aan de doeleinden van de verwerkingen en aan de categorieën van verwerkte gegevens. Deze "standaardaangiften" zijn bedoeld voor :

  • artsen die zelfstandig werken in hun medisch kabinet;
  • eenpersoons-professionele artsenvennootschappen;
  • professionele vennootschappen van meerdere artsen.
  • artsen werkzaam in een artsenassociatie zonder rechtspersoonlijkheid;

Artsen van wie de situatie beantwoordt aan een of meerdere van de hierna beschreven doeleinden van de "standaardaangiften" kunnen ernaar verwijzen wanneer zij hun "standaardaangifte" indienen bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij voorkeur via een door deze laatste bezorgde diskette, die ingevuld moet worden op het niveau van deel I : de houder van het bestand, met verwijzing naar het door de Commissie toegekende identificatienummer van de houder van het bestand, en op het niveau van deel S, met vermelding van het referentienummer van de standaardaangifte.

Het spreekt vanzelf dat voor geautomatiseerde bestanden die op andere wijzen en/of voor andere doeleinden bijgehouden worden, een individuele aangifte verplicht blijft !
Bovendien hebben deze "standaardaangiften" alleen betrekking op artsen die persoonsgegevens verwerken te persoonlijken titel, in tegenstelling tot diegenen die, bijvoorbeeld, binnen een verzorgingsinstelling meewerken aan het opstellen van een dossier waarvan de instelling "houder van het bestand" is.

De arts die de aangifte doet, blijft altijd verantwoordelijk voor de juistheid van zijn aangifte, ook al verwijst hij naar een of meerdere "standaardaangiften".

De aangifte van de geautomatiseerde medische bestanden moet gebeuren vóór het einde van de maand mei 1997.

De Nationale Raad heeft eveneens een tekst opgesteld voor het bericht dat uitgehangen dient te worden in de praktijk of in de wachtkamer. Deze tekst beoogt de personen van wie persoonsgegevens verwerkt worden te informeren over hun rechten.

Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - belangrijkste verplichtingen van artsen-houders van bestanden van medische persoonsgegevens (1).

I. Verplichtingen voor houders van manuele bestanden en voor houders van geautomatiseerde bestanden.

1. Kennisgevingsplicht van de registratie

Zowel voor geautomatiseerde als voor manuele bestanden heeft de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (verder te noemen Wet Verwerking Persoonsgegevens - WVP) een kennisgevingsplicht ingesteld (artikelen 4 en 9).

Verschillende situaties kunnen zich voordoen:

a. bij een persoon worden - rechtstreeks - persoonsgegevens ingezameld die op hem betrekking hebben met het oog op de verwerking ervan (art. 4 WVP).
In dit geval moet de betrokkene in kennis worden gesteld van:
- de identiteit en het adres van de houder van het bestand, van zijn eventuele vertegenwoordiger in België en in voorkomend geval van de bewerker;
- in voorkomend geval, van de wettelijke of reglementaire basis van de verzameling van gegevens;
- het doeleinde waarvoor de verzamelde gegevens zullen worden gebruikt;

- de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen te bekomen bij het openbaar register van geautomatiseerde verwerkingen dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (CBPL) dient op te richten (indien het gaat om een geautomatiseerde verwerking);
- zijn recht van toegang tot die gegevens, alsmede zijn recht om verbetering ervan te vragen.
Deze informatie dient verstrekt te worden bij elke inzameling van persoonsgegevens bij de betrokkene zelf.
De wet bepaalt niet:
- wanneer de betrokkene op de hoogte moet worden gebracht. Aangezien art. 4 de betrokkene de mogelijkheid wil bieden met kennis van zaken te oordelen of hij alle gevraagde gegevens dan wel een deel ervan of helemaal geen gegevens moet of wil meedelen, wordt aangenomen dat de betrokkene moet worden ingelicht vooraleer de gegevens daadwerkelijk worden gevraagd;
-op welke wijze de kennisgeving dient te gebeuren. De informatie kan schriftelijk of mondeling meegedeeld worden. Om bewijsproblemen te voorkomen lijkt een schriftelijke informatieverstrekking aan te raden. Hieronder kan ook verstaan worden het uithangen van een bericht in de praktijk of in de wachtkamer, het overhandigen van een brochure, ... .
Voorbeeld van een bericht dat zou kunnen uitgehangen worden:
"DE WET VAN 8 DECEMBER 1992 MET BETREKKING TOT DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER IS TOEPASSELIJK OP DE VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS DIE UW ARTS VAN U BEKOMEN HEEFT MET HET OOG OP ... (doel van de verwerking invullen).
Deze gegevens worden bewaard en verwerkt onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van uw arts.
Zij kunnen u medegedeeld worden door toedoen van een door u gekozen arts en desgevallend verbeterd worden.
(alleen voor geautomatiseerde verwerkingen:
HET BESTAAN VAN DIT BESTAND IS VERMELD IN HET OPENBAAR REGISTER VAN GEAUTOMATISEERDE VERWERKINGEN VAN PERSOONSGEGEVENS DAT DOOR DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER WORDT GEHOUDEN.)"

b. de gegevens worden ingezameld bij een andere persoon dan degene waarop ze betrekking hebben (art. 9 WVP).
In dit geval moet de betrokkene niet worden ingelicht bij de gegevensinzameling maar onverwijld, op het moment van de eerste registratie van de gegevens.
De te verstrekken informatie is dezelfde als deze die moet medegedeeld worden bij de rechtstreekse inzameling van persoonsgegevens bij de betrokkene zelf (zie hierboven).

De kennisgevingsplicht bij de eerste registratie geldt niet wanneer de betrokkene reeds op de hoogte werd gesteld bij de inzameling van de gegevens (zie hierboven - art. 4 WVP) of wanneer de verwerking kadert in een contractuele of wettelijk geregelde relatie tussen de betrokkene en de houder van het bestand. In deze gevallen wordt de betrokkene geacht op de hoogte te zijn van de verwerking.

2. Eerbiediging van het recht op kennisname van de gegevens en van het recht op verbetering, verwijdering en gebruiksverbod van gegevens.

(artikelen 10, 12 en 16, §10, 3°, WVP)

a. Medische persoonsgegevens dienen aan de betrokkene medegedeeld te worden indien hij daar om verzoekt. Deze mededeling gebeurt niet rechtstreeks doch door tussenkomst van een door de betrokkene gekozen arts. Deze 'gekozen arts' kan zijn: de houder van het bestand, de arts onder wiens toezicht en verantwoordelijkheid de gegevens verwerkt worden of een andere arts die de betrokkene hiertoe heeft aangewezen.

De taak van de gekozen arts bestaat erin de informatie om te zetten in een voor de betrokkene begrijpelijke taal.

Volgens de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moeten aan de door de betrokkene gekozen arts alle medische gegevens over de betrokkene medegedeeld worden. Als algemene regel dient de gekozen arts alle informatie ook door te geven aan de betrokkene.

In uitzonderingsgevallen heeft die arts wel het recht een selectie tussen de gegevens uit te voeren indien een dergelijke maatregel strikt noodzakelijk blijkt voor de bescherming van de betrokkene zelf of van de rechten en vrijheden van anderen.

Ten slotte wijst de CBPL er op dat, indien de betrokkene er uitdrukkelijk om vraagt, de arts niet kan weigeren de gevraagde gegevens schriftelijk mede te delen.

b. Overeenkomstig art. 12 WVP heeft de betrokkene het recht alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren.

Bovendien is hij er toe gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die, gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard.

De arts dient er dan ook nauwlettend over te waken dat de gegevens worden bijgewerkt, dat onjuiste, onvolledige en niet ter zake dienende gegevens en gegevens die verkregen of verwerkt zijn in strijd met de WVP, verbeterd of verwijderd worden (art. 16, §1, 3°, WVP).

3. De arts die de verantwoordelijkheid(2) heeft voor de verwerking van medische persoonsgegevens dient bij naam de personen aan te wijzen die betrokken(3) zijn bij de verwerking van die gegevens of die er toegang toe hebben. Voor iedere gemachtigde persoon moet in een regelmatig bijgehouden register de inhoud en de reikwijdte van de toegangsmachtiging vastgesteld worden (art. 7 WVP).

II. Bijkomende verplichtingen voor houders van geautomatiseerde bestanden.

1. Aangifte van de geautomatiseerde verwerking aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

a. Artikel 17 WVP verplicht elke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een bestand alvorens van start te gaan met een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens daarvan aangifte te doen bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Voor diegenen die reeds vóór 1 maart 1995 (datum van inwerkingtreding van art. 17 WVP) persoonsgegevens op geautomatiseerde wijze verwerkten, was oorspronkelijk voorzien dat de aangifte diende te gebeuren tegen uiterlijk 30 november 1995. Deze aangiftetermijn werd nadien verlengd. Wat de artsen betreft, heeft de Nationale Raad aan de Commissie medegedeeld dat dezen tegen uiterlijk eind mei 1997 de nodige aangiften van geautomatiseerde verwerkingen moeten kunnen doen.
De CBPL werkte voor de aangifte van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens een aangifteformulier uit. Dit formulier is beschikbaar als papier-document en onder elektronische vorm (diskette, magneetband).
Ieder aangifteformulier bestaat uit twee delen: deel I betreft de identificatie van de houder van het bestand die de aangifte doet en deel II heeft betrekking op de beschrijving van de aan te geven geautomatiseerde verwerking.
Om verscheidene redenen achtte de Commissie het aangewezen ook een systeem van 'standaardaangiften' te voorzien. Hieronder verstaat de CBPL een volledige, maar reeds gedeeltelijk vooringevulde (nl. deel II) aangifte die bedoeld is voor vaak voorkomende typeverwerkingen waarmee een groot aantal houders van bestanden worden geconfronteerd.

b. Er is een aparte aangifte vereist per doeleinde waarvoor de geautomatiseerde verwerking gebruikt wordt.
De CBPL stelde een lexicon van doelen van de verwerkingen op. Dit lexicon is bedoeld als een richtsnoer. Als in het lexicon geen passsende omschrijving te vinden is voor het doel van een bepaalde verwerking, kan de houder van het bestand zelf nog een ander doel omschrijven.
Het lexicon van doelen wordt door de Commissie toegestuurd samen met het aangifteformulier.

c. Voor 4 soorten doelen heeft de Nationale Raad standaardaangiften uitgewerkt. Deze doelen zijn:

  • "patiëntenzorg", d.w.z. de diagnose en de paramedische behandeling van patiënten;
  • "patiëntenadministratie", d.w.z. het opvolgen van verblijf en behandeling van patiënten met het oog op facturatie;
  • "registratie van risicogroepen", d.w.z. het identificeren en opvolgen van personen die een medisch risico dragen;
  • "ander doel: samenstellen van een patiëntenbestand op basis van diagnoses".

Bij deze standaardaangiften zijn de gegevens met betrekking tot de beschrijving van de aan te geven verwerking (deel ll van de aangifte) reeds ingevuld en dient de arts die er gebruik wil van maken alleen nog het eerste deel van de aangifte (identificatiegegevens betreffende de houder van het bestand) in te vullen.

Opmerkingen:

- de standaardaangiften uitgewerkt door de Nationale Raad zijn slechts bedoeld voor de volgende 4 categorieën van artsen:

  1. artsen die zelfstandig werken in hun medisch kabinet;
  2. eenpersoons-professionele artsenvennootschappen;
  3. artsen werkzaam in een artsenassociatie zonder rechtspersoonlijkheid;
  4. professionele vennootschappen van meerdere artsen;

- de verwijzing naar een standaardaangifte ontslaat de houder van het bestand geenszins van zijn verantwoordelijkheid voor wat de juistheid en volledigheid van zijn aangifte betreft. De houder van een bestand die gebruik maakt van een standaardaangifte dient daarom uitdrukkelijk te bevestigen dat de beschrijving van de standaardaan-gifte waarnaar hij verwijst overeenstemt met de kenmerken van de verwerking waarvan hij aangifte doet;

- wanneer een bepaalde verwerking een geheel of gedeeltelijk ander doel heeft dan het doel dat in een standaardaangifte wordt vermeld, dient een andere, eventueel bijkomende aangifte gedaan te worden.

d. Alle wijzigingen die aan een geautomatiseerde verwerking worden aan-gebracht en die een aanpassing vergen van de inlichtingen die door een aangifte aan de CBPL werden medegedeeld, moeten eveneens voorafgaandelijk aangegeven worden aan de Commissie.
Als aan een geautomatiseerde verwerking een einde wordt gemaakt, moet de CBPL hiervan voorafgaandelijk in kennis gesteld worden (art. 17, §7, WVP).

e. Om een papier-document of diskette voor de aangifte (zowel individuele als standaardaangifte) van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens te bekomen, kan gebruik gemaakt worden van het hierna afgedrukte aanvraagformulier. Dit formulier moet overgemaakt worden aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (adres: zie onderaan op het aanvraagformulier).
De CBPL bezorgt de arts dan de gevraagde diskettes of papier-documenten, samen met de nodige toelichtingen en instructies voor het invullen van de aangifte(n).

f. Op het ogenblik van de aangifte dient de houder van het bestand een bijdrage te storten aan de rekenplichtige van de CBPL (art. 17, §9, WVP). Dit dient te gebeuren aan de hand van het overschrijvingsformulier dat de Commissie aan de houder van het bestand doet geworden samen met het aangiftedocument of de aangiftediskette. Het betalingsbewijs moet steeds bij de aangifte gevoegd worden.
De bijdrage is als volgt vastgelegd:

  • 10.000 frank per verwerking voor de aangifte van een verwerking in vrije vorm, d.w.z. wanneer geen gebruik gemaakt wordt van het document of van de magnetische drager die ter beschikking worden gesteld door de CBPL;
  • 5.000 frank per verwerking indien gebruik gemaakt wordt van een papieren aangiftedocument van de CBPL;
  • 2.500 frank per verwerking indien de verwerking op de datum van de aangifte betrekking heeft op ten hoogste 100 personen;
  • 1.000 frank per verwerking indien gebruik gemaakt wordt van de magnetische informatiedrager die de CBPL ter beschikking stelt;
  • 500 frank per verwerking indien de verwerking op de datum van de aangifte betrekking heeft op maximum 100 personen;
  • 800 frank voor de aangifte door dezelfde houder op hetzelfde tijdstip van één of meer wijzigingen in de vermeldingen van de oorspronkelijke aangifte;
  • de kennisgeving aan de CBPL van de opheffing van een geautomatiseerde verwerking geschiedt kosteloos.

2. Binnen de drie werkdagen na ontvangst van een aangifte van een geautomatiseerde verwerking dient de CBPL een ontvangstbewijs op te sturen naar de houder van het bestand.

Op dat ontvangstbewijs staat het identificatienummer van de aangegeven verwerking vermeld. Onder dat nummer kan de verwerking teruggevonden worden in het openbaar register van geautomatiseerde verwerkingen dat door de CBPL moet worden gehouden.
Het identificatienummer van de verwerking moet vermeld staan op ieder stuk waarvoor de verwerking gebruikt is (art. 18 WVP).

3. Voor elke geautomatiseerde verwerking dient een staat opgemaakt te worden waarin worden vermeld:

  • de aard van de verwerkte gegevens;
  • het doel van de verwerking;
  • de onderlinge verbanden en raadplegingen;
  • de personen of categorieën van personen aan wie de persoonsgegevens worden doorgegeven (art. 16, §1, 1°, WVP).

De wet bepaalt niet op welke wijze die staat moet worden opgemaakt, noch wat er verder dient mee te gebeuren. Het is een zuiver intern document dat door de houder van het bestand niet moet worden medegedeeld. Toch moet het document zeker worden opgesteld want niet-naleving van deze verplichting kan leiden tot een geldboete.

4. Er dient nagegaan te worden of de programma's voor de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming zijn met de vermeldin-gen in de aangifte van de verwerking aan de CBPL en dat er geen werderrechtelijk gebruik wordt van gemaakt (art. 16, §1,2°, WVP).

HIER FORMULIER FAC SIMILE INLASSEN (Zie diskette X press 3.30)

(1) Onder "verwerking" wordt verstaan : de geautomatiseerde verwerking of het houden van een manueel bestand.
Onder "bestand" wordt een geheel van persoonsgegevens verstaan, samengesteld en bewaard op een logisch gestructureerde wijze met het oog op een systematische raadpleging ervan.
Onder "geautomatiseerde verwerking" wordt verstaan : elk geheel van bewerkingen die geheel of gedeeltelijk langs geautomatiseerde weg zijn uitgevoerd en betrekking hebben op de registratie en de bewaring van persoonsgegevens, alsook op de wijziging, de uitwissing, de raadpleging of de verspreiding van persoonsgegevens in de vorm van een bestand op een niet-geautomatiseerde drager.
Onder "houder van het bestand" wordt de natuurlijke persoon of de rechtspersoon of de feitelijke vereniging verstaan die bevoegd is om te beslissen over het doel van de verwerking of over de soorten gegevens die erin moeten voorkomen.
"Persoonsgegevens" zijn gegevens die betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd.
"Medische persoonsgegevens" zijn alle persoonsgegevens waaruit informatie kan worden afgeleid omtrent de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand, met uitzondering van de louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de geneeskundige behandeling of verzorging.
(2) De arts die verantwoordelijk is voor een bepaalde verwerking is niet noodzakelijk de houder van het bestand.
(3) Met "betrokken zijn" wordt bedoeld de personen die actief in de verwerking tussenkomen.

Beroepsgeheim19/10/1996 Documentcode: a075011
report_problem Dit advies werd gewijzigd door het advies 'Vaderschapstests' d.d. 05.11.2011 (a133013).
Genetica - onderzoek naar het vaderschap - mededeling van resultaten van klinische onderzoeken aan derden

Genetica - Onderzoek naar het vaderschap - Mededeling van resultaten van genetische onderzoeken aan derden

Een provinciale raad geeft aan de Nationale Raad de adviesaanvraag door van een dienst voor genetica betreffende de mededeling van resultaten van genetische onderzoeken.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 19 oktober 1996 de door dr. X overgelegde vragen om advies onderzocht.

Wat de uitvoering van genetische analyses met het oog op het vaststellen of het uitsluiten van het vaderschap betreft, werd een studie gedaan rond de juridische aspecten van het probleem. U vindt als bijlage de conclusies van mevrouw Nathalie Hustin-Denies, assistente aan de rechtsfaculteit van de UCL. De Nationale Raad sluit zich aan bij de besluiten van mevrouw Hustin-Denies.

Wat de mededeling aan derden van het resultaat van een genetisch onderzoek betreft kan welkdanige mededeling slechts gebeuren met het akkoord van de onderzochte persoon. Elke andere mededeling zou - zoals dr. X zelf indirect in zijn schrijven van 12 februari 1995 (p. 1, in fine) vaststelt - een schending van het beroepsgeheim betekenen.

Nota van mevrouw Hustin-Denies, assistente aan de rechtsfaculteit van de UCL :

(officieuze vertaling)

Nota met betrekking tot het onderzoek naar het biologisch vaderschap van een minderjarige door vergelijking van genetische vingerafdrukken buiten het kader van een gerechtelijke procedure

Bij gebrek aan een nationale en deontologische reglementering aangaande de aanwending van genetische vingerafdrukken met bewijskrachtige doeleinden inzake afstamming is de aanwending ervan met privé-doeleinden, buiten elke gerechtelijke procedure, de laatste jaren flink toegenomen. Zowel in Frankrijk als in België bieden talrijke privé-laboratoria of universitaire ziekenhuizen hun diensten aan privé-personen, advocaten of artsen aan om dubieus vaderschap te bevestigen of te ontkrachten.

Bewust van de afdwalingen die schade kunnen berokkenen aan de vrede in het gezin (door het in twijfel trekken van een afstamming buiten procedures en vaak buiten de bij wet bepaalde termijn) en aan het maatschappelijk belang (aantasting van het gezag van de burgerlijke staat, van de fysieke integriteit en van de intieme persoonlijke levenssfeer van het individu) en die voortvloeien uit de aanwending van deze methode buiten elke procedurele waarborg, heeft de Franse wetgever de aanwending van genetische vingerafdrukken geregeld in de recente wet van 29 juli 1994 betreffende het burgerlijk statuut van het menselijk lichaam. Deze wet beperkt de mogelijkheid om een persoon in burgerlijke zaken te identificeren via genetische vingerafdrukken tot de gevallen waarin deze methode toegepast wordt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkenen en ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel die bevolen werd door de rechter bij wie een vordering aanhangig werd gemaakt tot vaststelling of betwisting van een afstammingsband.

In België daarentegen worden de gevolgen van de aanwending van genetische vingerafdrukken buiten elke gerechtelijke context volkomen genegeerd door de wetgever en de huidige wetgevende leemte terzake werkt de aantasting van de rechten en vrijheden van het individu in de hand.

Het uitblijven van een wetgevende tekst mag echter niet misleidend zijn. De aanwending van genetische vingerafdrukken buiten elke procedurele context situeert zich volgens ons op het vlak van het onwettige. Wij herinneren in dit opzicht aan het adagium volgens hetwelk "alles wat niet verboden is daarom nog niet toegelaten is". De aanwending van genetische vingerafdrukken buiten elke procedurele context doet immers problemen rijzen op meerdere niveaus.

I. In de eerste plaats dienen enkele opmerkingen geformuleerd te worden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de arts die de testen uitvoert of zelfs die zijn patiënt aanraadt er gebruik van te maken.

Ofschoon de afname die nodig is voor de verwezenlijking van een genetische vingerafdruk of de expertise-procedure zelf de tussenkomst van een arts, nu eens practicus, dan weer geneticus, noodzakelijk kunnen maken, lijkt deze ingreep moeilijk ondergebracht te kunnen worden in de categorie van de bij wet gelegaliseerde medische handelingen.

In dit verband brengen wij kort in herinnering binnen welke grenzen de verwezenlijking van een invasieve medische activiteit toegelaten is door de wet en in het bijzonder door artikel 11 van het KB nr. 78 betreffende de geneeskunst.

Deze grenzen dienen enerzijds begrepen te worden als de door de wet of door de jurisprudentie bepaalde cumulatieve voorwaarden voor de formele wettigheid en anderzijds als de zogenaamde voorwaarden voor de elementaire wettigheid van elke handeling.

De voorwaarden voor de formele wettigheid van de medische activiteit eisen dat de handelingen verricht worden door een bevoegd persoon met het therapeutische doel te waken over de gezondheid van de patiënt door hem de beste zorg te verstrekken, na zijn vrijwillige en voorgelichte toestemming verkregen te hebben.

De algemene voorwaarden voor de elementaire wettigheid van elke handeling sluiten aan bij het perspectief van een geneeskunde die eerbied heeft voor de menselijke persoon. Zij impliceren dat de practicus geen maatregel mag nemen die niet nuttig is of niet absoluut noodzakelijk is voor de gezondheid van zijn patiënt of, meer uitzonderlijk, gericht is op de verwezenlijking van een niet-therapeutisch doeleinde. Bovendien mag hij geen enkele maatregel nemen die, ofschoon hij tegemoet komt aan de doelstelling "zo weinig mogelijk kosten", een ander belang, of zelfs een andere waarde, op een buitenmaatse, onevenredige wijze schaadt.

In de veronderstelling dat de afname die bij de ouders en bij het minderjarige kind verricht wordt voor de verwezenlijking van een genetische vingerafdruk niet tot doel heeft te waken over de gezondheid en de veiligheid van de patiënten door hen de beste zorg te verstrekken door het uitvoeren van diagnostische, therapeutische of preventieve handelingen, moeten wij vaststellen dat deze afname niet binnen het klassieke wettige kader van elke medische activiteit valt. Overeenkomstig het algemene beginsel van artikel 70 van het strafwetboek is het evenwel zo dat bepaalde bijzondere wetten medische ingrepen buiten elke therapeutische context rechtvaardigen, onder meer met betrekking tot de orgaantransplantatie of de vrijwillige zwangerschapsafbreking. In de lijn hiervan ligt ongetwijfeld de tekst van artikel 331octies van het burgerlijk wetboek, die door de magistraat de bevoegdheid toe te kennen gelijk welke beproefde wetenschappelijke methode te gelasten in het kader van een vordering betreffende de afstamming, de niet-therapeutische activiteit van de arts onrechtstreeks rechtvaardigt. Van een dergelijke rechtvaardiging is in het onderhavige geval echter geen sprake aangezien de afname gebeurt buiten elke gerechtelijke context en bijgevolg los van het bevel van een magistraat.

Daarnaast blijkt ook de vereiste van de instemming van de patiënt met de medische ingreep geschonden te worden, althans gedeeltelijk. De ouders die, louter ter informatie, een vaderschap waaraan zij twijfelen wensen te bevestigen of te ontkrachten, beschikken natuurlijk vrij over hun eigen lichaam. Zij beschikken echter niet vrij over het lichaam van hun kind. Wel zijn de ouders bevoegd om hun kind te vertegenwoordigen in alle handelingen die hun kind betreffen en in het bijzonder om rechtens dit kind in te stemmen met de medische handelingen. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid vloeit rechtstreeks voort uit de regels van het ouderlijk gezag, dat door de ouders uitgeoefend wordt op grond van de afstammingsband en uitsluitend met eerbiediging van het primordiale belang van het kind. Eens te meer moeten wij vaststellen dat de ouders, ofschoon zij hun kind kunnen vertegenwoordigen in het kader van de medische handelingen, niet geldig in zijn naam kunnen instemmen met een handeling die, door de regels van de formele wettigheid te schenden, niet langer een medische handeling is maar een ongerechtvaardigde schending van de fysieke integriteit van het kind. Deze in naam van het kind gegeven toestemming vormt volgens ons misbruik van het ouderlijk gezag daar zij gegeven wordt ten koste van het belang en de fundamentele rechten van het kind en uitsluitend in het voordeel van de ouders. Verder in de tekst komen wij hierop uitvoeriger terug.

Deze twee opmerkingen leiden noodzakelijk tot de volgende vaststelling : de officieuze opsporing van de bewijzen van de afstamming van een minderjarig kind door middel van genetische vingerafdrukken schendt de voorwaarden voor de formele wettigheid van elke medische handeling omdat zij een aantasting van de fysieke integriteit van het kind met een niet-therapeutisch doeleinde en zonder geldige toestemming van de betrokkene impliceert. Zij brengt dus de aansprakelijkheid van de arts met zich, die op strafrechtelijk vlak vervolgd kan worden voor slagen en verwondingen, daar het goedaardige karakter van deze aantasting niet in aanmerking kan worden genomen bij de aansprakelijkheidstoewijzing.

Bovendien lijkt het ons onmogelijk aan deze aantasting een, al zij het onrechtstreeks, therapeutisch karakter toe te kennen, dat bijvoorbeeld zou bestaan in de psychologische noodzaak voor een koppel de mogelijkheid te krijgen om de waarheid betreffende de afstamming van hun kind te kennen. Het aanwenden van de persoon van het kind en het op de helling zetten van zijn fundamenteel recht op een gewoon gezinsleven (waarop wij later terugkomen) zijn volgens ons buitenmaatse aantastingen in vergelijking met de doelstelling waartoe deze methode zou strekken. Het criterium van de psychologische noodzaak blijkt bovendien niet verdedigbaar wanneer men bedenkt dat het bedreigde koppel de mogelijkheid heeft een beroep te doen op gezinstherapieën of psychologische hulpverlening waarin geen enkele tussenkomst van de persoon van het kind vereist is. De niet-verdedigbaarheid van de criteria van noodzaak en evenredigheid belet dit soort ingreep bijgevolg te voldoen aan de voorwaarden voor de elementaire wettigheid van elke handeling.

II. In de tweede plaats dienen enkele opmerkingen geformuleerd te worden met betrekking tot de fundamentele rechten van het kind die op de helling komen te staan door de aanwending van deze methode.

Voorafgaandelijk zij opgemerkt dat de wetgever voorziet in een bijzondere bescherming van de afstamming van een kind wanneer zij wettelijk bewezen is. Zonder in juridisch-technische details te treden gaan wij dieper in op de bescherming van de afstamming van een kind dat geboren is binnen het huwelijk en op die van een kind geboren buiten het huwelijk.

Zowel voor een kind geboren buiten het huwelijk als voor een kind geboren binnen het huwelijk komt het moederschap in de meeste gevallen vast te staan door de akte van geboorte. Dit vloeit voort uit de bepaling van artikel 312 van het burgerlijk wetboek.

Met betrekking tot het vaderschap daarentegen maakt de wetgever een onderscheid naar gelang het kind geboren is binnen of buiten het huwelijk.

Voor een kind geboren binnen het huwelijk bepaalt artikel 315 van het burgerlijk wetboek dat de afstamming van vaderszijde vastgesteld wordt via een vermoeden van vaderschap. Het belang van dit vermoeden van vaderschap mag niet worden onderschat daar het slechts door een paar betrokkenen kan worden betwist, met name : de echtgenoot van de moeder, de moeder zelf en alleen voor haarzelf en ten slotte het kind wanneer het de leeftijd van meerderjarigheid heeft bereikt. Hierbij zij opgemerkt dat de biologische vader niet de mogelijkheid heeft het vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten.

Bovendien zijn de termijnen voor de betwisting van dit vermoeden en bijgevolg voor de mogelijkheid voor het kind om de vermoedelijke afstamming op een wettige wijze te zien vervangen door een andere afstamming, namelijk een biologische, zeer kort. De moeder beschikt over een termijn van één jaar te rekenen vanaf de geboorte, de echtgenoot over een termijn van één jaar te rekenen vanaf de geboorte of de ontdekking van de geboorte en het kind over een termijn van vier jaar te rekenen vanaf zijn meerderjarigheid, om het vermoeden te betwisten.

Voor een kind geboren buiten het huwelijk bepaalt artikel 319 van het burgerlijk wetboek dat de afstamming van vaderszijde vastgesteld kan worden door erkenning. Deze erkenning kan door elke betrokkene betwist worden gedurende een termijn van dertig jaar. De op deze manier vastgestelde afstamming wordt door de wetgever echter beschermd op twee manieren. Ten eerste hebben diegene die het kind erkend heeft of diegene die erin toegestemd heeft (met name de moeder) slechts het recht om deze afstamming te betwisten voor zover zij aantonen dat hun toestemming in de erkenning op een nietige wijze verkregen werd (bijvoorbeeld bij vergissing, door bedrog of geweld). Ten tweede is iedere betwisting onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft (hieronder dient een hele reeks van vermoedens verstaan te worden die in hun geheel of afzonderlijk gezien het bestaan van de afstammingsband aantonen, onder meer : het feit dat het kind altijd de naam heeft gedragen van zijn vader, het feit dat de vader het kind altijd heeft beschouwd als het zijne en het feit dat de omgeving het kind en zijn vader altijd als dusdanig heeft beschouwd).

Dit korte overzicht van de wettelijke regels betreffende de afstamming van vaderszijde laat ons toe vast te stellen dat de wetgever in heel wat gevallen de bewezen afstamming definitief heeft willen beschermen.

Het clandestien onderzoek naar het vaderschap in gevallen waarin geen enkele wettelijke betwisting van de afstamming mogelijk is, lijkt ons uiterst gevaarlijk. In werkelijkheid wordt immers aan het kind of aan zijn wettige ouders een biologische waarheid onthuld die in heel wat gevallen het serene gezinsleven waarop het kind nu aanspraak kan maken, zou kunnen verstoren. Artikel 8 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, dat door het Belgische Hof van Cassatie recentelijk rechtstreeks toepasbaar werd verklaard*, bepaalt immers dat het kind het recht heeft om zijn familiebetrekkingen te behouden zoals zij erkend zijn door de nationale wetgeving van het land waarvan het onderdaan is.

De onthulling van deze waarheid, in tegenspraak met een onbetwistbare en definitieve wettelijke afstamming, lijkt ons niet alleen strijdig met het belang van het kind maar in sommige gevallen ook gevaarlijk voor het kind. Het kind zou immers het slachtoffer kunnen worden van psychisch of fysiek geweld vanwege een bedrogen wettige vader. Hierbij zij opgemerkt dat in deze veronderstelling de arts of de instelling die de test uitgevoerd heeft burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld zou kunnen worden.

Wanneer het recht van het kind op eerbiediging van zijn persoonlijke en familiale levenssfeer, bekrachtigd door de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, begrepen dient te worden als zijn recht op geheimhouding van zijn afstamming, moeten wij tot slot vaststellen dat dit recht ten stelligste wordt geschonden door de onthulling van een biologische waarheid die in tegenspraak is met de wettelijke werkelijkheid en waarin het kind niet heeft toegestemd, die volkomen nutteloos is en in strijd is met zijn belang. Om al deze redenen moet zij volgens ons afgekeurd worden.

III. In verband met het recht om het kind te vertegenwoordigen, wijzen wij erop dat de ouders aan wie het ouderlijk gezag over de persoon en de goederen van het kind werd toegekend op grond hiervan het recht hebben het te vertegenwoordigen in alle handelingen van het dagelijkse leven. Zij zijn evenwel verplicht dit ouderlijk gezag uit te oefenen in het belang van het kind.

Volgens ons kan de door de ouders gegeven instemming met een handeling die de fysieke integriteit van het kind op een ongerechtvaardigde wijze aantast (zoals wij hierboven gepreciseerd hebben) dan ook niet beschouwd worden als een vertegenwoordiging.

Bovendien kan de instemming van de ouders, in naam van het kind, met de onthulling van een waarheid die duidelijk in strijd is met zijn belang (schending van zijn recht op een vredig gezinsleven, op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer) geen deel uitmaken van de bevoegdheden van het ouderlijk gezag dat, het zij nogmaals gezegd, uitsluitend uitgeoefend wordt met eerbiediging van dit belang. De in naam van het kind gegeven instemming met dergelijke handelingen is dan ingegeven door de nieuwsgierigheid van de ouders en maakt volgens ons misbruik uit van het ouderlijk gezag, waardoor ook de ouders burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld zouden kunnen worden. Een dergelijke toestemming kan volgens ons niet beschouwd worden als een geldige vertegenwoordiging van het kind.

Wij beperken ons ertoe hieraan toe te voegen dat artikel 7 van het Internationaal Verdrag van de rechten van het kind bepaalt dat het kind, voor zover mogelijk, het recht heeft zijn ouders te kennen en door hen te worden opgevoed.

Bij deze tekst kunnen de volgende opmerkingen geformuleerd worden.

Enerzijds kan dit recht om zijn ouders te kennen volgens ons niet losgemaakt worden van het recht om zijn afstamming ten aanzien van hen te doen vaststellen, iets wat onmogelijk is in vele gevallen van clandestien onderzoek naar de afstamming.

Daarnaast kunnen de termen "voor zover mogelijk" begrepen worden in de zin van: "wanneer de wet het niet verhindert." Deze wettelijke hindernissen kunnen ons inziens reeds vastgestelde en onmogelijk te betwisten afstammingen zijn.

Ten slotte kan dit recht van het kind om zijn oorsprong te kennen (net als zijn recht om het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder te betwisten binnen vier jaar na zijn meerderjarigheid) alleen aangezien worden als een zuiver persoonlijk recht, dat niet vatbaar is voor vertegenwoordiging. In deze omstandigheden is een in naam van het kind door zijn ouders aangevraagd clandestien onderzoek naar zijn oorsprong, ondenkbaar.

*"Zie Cass., 1e Kamer, 11.03.94, Pas. 1994, I, 247."

Arts (Adviserend-)07/09/1996 Documentcode: a075007
Rusthuizen - Forfaits inzake de verpleegkundige verzorging in rusthuizen

De Federatie van Onafhankelijke Seniorenzorg legt aan een provinciale raad de volgende vraag voor :
"is het stellen van een diagnose van zorgbehoevendheid een medische handeling en kan deze toevertrouwd worden aan een verpleegkundige, meer bepaald een sociaal verpleegkundige?"
Vele rusthuisdirecties stellen zich ook vragen bij de diagnosestelling zelf (bijvoorbeeld diagnose verwardheid in tijd en ruimte). De Federatie vraagt een duidelijk standpunt in verband met de plaats en het tijdstip van de diagnose. Kan een medische diagnose gesteld worden in het bijzijn van andere bewoners ?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn zitting van 7 september 1996 kennis genomen van uw vraag om advies d.d. 17 juli 1996 en verstrekt u daaromtrent volgende antwoorden:

1. In het kader van het toezicht op de forfaits inzake de verpleegkundige verzorging is het de taak van de adviserend geneesheer de toestand van zorgbehoevendheid van de patiënten te beoordelen aan de hand van de hem daartoe overhandigde evaluatieschaal.
Volgens art. 153 sedecies van het koninklijk besluit van 4 november 1963 staat het hem vrij om de rechthebbende een lichamelijk onderzoek te laten ondergaan of tot een bijkomend onderzoek over te gaan dat hij kan laten verrichten door het paramedisch personeel dat door het ziekenfonds te zijner beschikking is gesteld.

2. De diagnose van verwardheid in tijd en ruimte kan volgens wetenschappelijk aanvaarde criteria worden gesteld aan de hand van daartoe specifiek opgestelde evaluatieschalen die ter beschikking staan van de geneesheren.

3. Het stellen van een medische diagnose door de geneesheer kan geschieden zowel bij middel van een lichamelijk onderzoek, een bevraging als een observatie. In iedere omstandigheid dient uiteraard de privacy van de patiënt daarbij te worden geëerbiedigd.

Beroepsgeheim07/09/1996 Documentcode: a075003
Hospitalisatie - Beroepsgeheim

Mogen gegevens over hospitalisatie, datum van opname en ontslag, beschouwd worden als louter administratieve en boekhoudkundige gegevens, en dus meegedeeld worden aan een verzekeringsmaatschappij, of moeten ze beschouwd worden als medische gegevens die gedekt zijn door het beroepsgeheim?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 7 september 1996 kennis genomen van uw adviesaanvraag van 9 juli 1996 aangaande het meedelen van gegevens over hospitalisatie door een verzekeringsinstelling aan een verzekeringsmaatschappij.

De Nationale Raad houdt eraan te onderstrepen dat de data van hospitalisatie van een patiënt gegevens zijn die gedekt zijn door het beroepsgeheim.

Wat nu meer in het bijzonder uw vraag betreft, namelijk of hospitalisatiedata van een bij een Kas ingeschreven (en inmiddels overleden) verzekerde te beschouwen zijn als "louter administratieve en boekhoudkundige gegevens" en dus inzake het overmaken van deze gegevens aan derden, i.c. aan een verzekeringsmaatschappij, niet dezelfde bescherming genieten als "medische persoonsgegevens" (cf. art. 7 wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - WVP.), heeft de Nationale Raad het volgende advies uitgebracht:

De definitie die in art. 7 WVP van "medische persoonsgegevens" wordt gegeven luidt als volgt: "Alle persoonsgegevens waaruit informatie kan worden afgeleid omtrent de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand, met uitzondering van de louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de geneeskundige behandeling of verzorging, worden als medische persoonsgegevens beschouwd."

Louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de genees-kundige behandeling of verzorging worden dus uitgezonderd uit de groep van medische persoonsgegevens.

Vraag is dan wanneer persoonsgegevens 'louter administratief of boekhoud-kundig' dan wel 'medisch' zijn.

In de eerste plaats dient hierbij gekeken te worden naar de aard van de persoonsgegevens: indien deze betrekking hebben op iemands gezondheidstoestand of - bij een ruime interpretatie van art. 7 WVP - daarmee in verband kunnen worden gebracht, gaat het om medische persoonsgegevens. (CALLENS, S., Goed geregeld? Het gebruik van medische gegevens voor onderzoek, Antwerpen/Apeldoorn, MAKLU, 1995, p. 31 nr. 12, p. 71 nr. 82.) Verschaffen bepaalde gegevens slechts administratieve of boekhoudkundige informatie over de geneeskundige behandeling of verzorging, dan zijn dat geen gegevens over iemands gezondheidstoestand en dus geen medische gegevens.

In de tweede plaats speelt ook de context een rol bij het bepalen of gegevens al dan niet medische persoonsgegevens zijn. Zo kan het voorkomen dat gegevens die op het eerste gezicht niets vertellen over iemands gezondheidstoestand en dus geen medische gegevens schijnen te zijn, toch als dusdanig dienen beschouwd te worden wegens het gebruik dat van de gegevens gemaakt wordt. Gegevens over geslacht, ras, adres, beroep, familiesituatie enzovoort, die ogenschijnlijk niets zeggen over iemands gezondheidstoestand, kunnen in bepaalde gevallen toch medische persoonsgegevens zijn omdat ze door opname in het bestand van een arts en door bijkomende omstandigheden informatie geven over iemands gezondheidstoestand. (CALLENS, S., op. cit., p. 89 nr. 104.)

Omgekeerd is het niet zo dat gegevens die uit hun aard medische persoons-gegevens zijn maar voor administratieve of boekhoudkundige doeleinden worden gebruikt, onttrokken kunnen worden aan de omschrijving van 'medische persoonsgegevens' en louter administratieve/boekhoudkundige gegevens zouden worden.

Belangrijk is in sommige gevallen ook de tussenkomst van de arts, die zal vereist zijn om te oordelen of een bepaald gegeven mogelijks verband houdt met iemands gezondheidstoestand of niet (bijvoorbeeld om het verband te leggen tussen iemands etniciteit en psychologische problemen of bepaalde aandoeningen). Volgens het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - doch deze mening wordt niet door iedereen gedeeld - is het feit dat de kennis, het bewaren en het mededelen van gegevens noodzakelijkerwijs met de tussenkomst van een arts moet gepaard gaan zelfs het bepalend criterium van het onderscheid tussen een medisch en een administratief gegeven. (Activiteitenverslag 1992, p. 35.)

Tot besluit kan gesteld worden dat de vraag of bepaalde persoonsgegevens medische persoonsgegevens dan wel louter administratieve of boekhoudkundige gegevens zijn in elk concreet geval opnieuw zal moeten onderzocht worden.

In het door u voorgelegde geval lijkt het dat hospitalisatiedata voor de verzekeringsinstelling in het kader van haar facturerings- en terugbetalingsactiviteiten louter administratieve en boekhoudkundige gegevens kunnen zijn maar dat, eens deze gegevens terechtkomen in een verzekeringsdossier met betrekking tot een schadegeval waarin sprake is van het overlijden van een bij de verzekeringsinstelling ingeschreven persoon en daar gecombineerd (kunnen) worden met andere (medische) persoonsgegevens, informatie kan verkregen worden over de vroegere gezondheidstoestand van de verzekerde zodat de hospitalisatiedata hierdoor medische persoonsgegevens worden, die slechts kunnen overgemaakt worden onder de ter zake geldende voorwaarden bepaald bij art. 7 WVP.

Beroepsgeheim11/05/1996 Documentcode: a073005
Minimale Psychiatrische Gegevens (MPG's)

De beheerders van de ziekenhuisinstellingen worden verzocht vanaf 1 april 1996 Minimale Psychiatrische Gegevens te registreren.
De Nationale Raad wordt om advies verzocht aangaande het deontologische aspect van dit probleem.
Na het rapport gehoord te hebben van de Commissie die met dit doel door de Nationale Raad gecreëerd was en belast was met het onderzoek van de deontologische aspecten van de handleiding voor de registratie van MPG's van het ministerie van Volksgezondheid, deelt de Nationale Raad zijn opmerkingen mede aan minister Colla.

Brief aan de minister van Volksgezondheid:

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren nam kennis van uw omzendbrief d.d. 25 maart 1996 gericht aan de beheerders van psychiatrische ziekenhuizen en van de algemene ziekenhuizen met psychiatrische afdelingen evenals van de handleiding voor de registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens waarnaar u in de omzendbrief verwijst.

Na een grondig onderzoek van de bewuste handleiding is de Nationale Raad van oordeel dat de voorgestelde registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens de vertrouwensrelatie tussen psychiater en patiënt ernstig schaadt. Zowel de deontologische als de wettelijke waarborgen betreffende beroepsgeheim en privacy worden de patiënt gedeeltelijk ontnomen en de vertrouwenspositie van de psychiater in onze samenleving wordt geschaad.

***

Het is merkwaardig hoe bij de ontwikkeling van een MPG-registratie-instrument geen aandacht geschonken werd aan de specifieke kenmerken van het psychisch ziek zijn en de kwetsbare vertrouwensrelatie van de psychiater met een gehospitaliseerde patiënt.

De repercussie van een opname in een psychiatrische dienst op de loopbaan van de patiënt, op zijn materiële, sociale en privé-situatie hebben velen reeds tot hun schade ondervonden.

Het is dan ook spijtig vast te stellen dat een psychiatrische opname beschouwd wordt als een opname in een andere dienst van een algemeen ziekenhuis. Gezien de soms pijnlijke gevolgen ware het beter geweest bijkomende garanties op geheimhouding te voorzien. Even opvallend is hoe gegevens opgevraagd worden over de meest intieme belevingen (relationele problematiek, sexuele stoornissen) van een patiënt zonder rekening te houden met de consequenties van het overmaken van deze informatie aan derden op de arts-patiëntrelatie. Het is in het belang van de volksgezondheid dat allen die in het kader van hun psychiatrische behandeling dienen gehospitaliseerd te worden de meest strikte waarborgen geboden worden op het vlak van de geheimhouding van confidentiële gegevens.

***

De medische deontologie heeft steeds voorgestaan dat gegevens uit de medische dossiers enkel voor onderzoeksdoeleinden aan derden kunnen overgemaakt worden mits de naleving van onder meer de volgende regels:

  • volstrekte anonimiteit is het principe;
  • wanneer identificatie mogelijk is, kunnen de gegevens enkel doorgegeven worden na voorafgaandelijke toestemming van de degelijk voorgelichte betrokkenen;
  • medische persoonsgegevens mogen niet worden vermengd met administratieve of sociodemografische gegevens;
  • identificeerbare medische persoonsgegevens kunnen in het kader van wetenschappelijk onderzoek enkel overgemaakt worden aan een op de Lijst van de Orde ingeschreven geneesheer.

Uit een analyse van Hoofdstuk VI betreffende de export naar het ministerie van Volksgezondheid blijkt:

  • dat slechts een partiële anonimiteit bekomen wordt;
  • dat de identificatie van de overgemaakte gegevens niet de uitzondering maar de regel is;
  • dat de toelating van de patiënt niet gevraagd wordt;
  • dat medische, gerechtelijke, sociodemografische en administratieve gegevens worden vermengd;
  • dat de handleiding niet vermeldt dat de medische persoonsgegevens bij een op de Lijst van de Orde ingeschreven geneesheer terecht komen;
  • dat niet gesteld wordt dat de MPG-verantwoordelijke onder de ver-antwoordelijkheid van een geneesheer dient te werken;
  • dat uit de handleiding evenmin blijkt welke geneesheer verantwoordelijk is voor de medische persoonsgegevens die de coördinatoren, niet-geneesheren, ter inzage krijgen.

Het moge dan ook duidelijk zijn dat de waarborgen die tot op heden aan de patiënten door hun behandelende artsen gegeven werden afgezwakt worden door de toepassing van Minimale Psychiatrische Gegevens. De deontologische garanties die steeds geboden werden gelden schijnbaar niet langer.

***

In de handleiding wordt evenmin rekening gehouden met de voor de patiënt bestaande wettelijke waarborgen.
In de omzendbrief uitgaande van het Bestuur van de Gezondheidszorg aan de beheersorganen van de psychiatrische ziekenhuizen en de psychiatrische afdelingen in de algemene ziekenhuizen betreffende de registratie Minimale Psychiatrische Gegevens wordt uitgegaan van artikel 86 van de Wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987. Daarin is sprake van "de statistische gegevens die ... met de medische activiteiten verband houden". Uit de handleiding blijkt dat de gevraagde inlichtingen vooral persoonsgegevens zijn en nauwelijks medisch-statistische gegevens. Daarnaast betreft de meerderheid van de gevraagde gegevens niet de medische activiteiten maar wel de patiënten.

Vanuit juridisch oogpunt dient te worden opgemerkt dat er geen wettelijke basis voorhanden is om de artsen te verplichten de in de handleiding vermelde gegevens over te maken. Integendeel zelfs, artikel 458 van het Strafwetboek verbiedt artsen vertrouwelijke gegevens die zij in hoofde van hun beroep ontvangen aan derden mee te delen tenzij een wet hen daartoe verplicht.

Opvallend is hoe weinig aandacht in de handleiding geschonken wordt aan de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Artikel 7 van die Wet voorziet inderdaad expliciet dat medische persoonsgegevens uitsluitend onder het toezicht van een beoefenaar van de geneeskunst mogen worden verwerkt. Bij de uitvoering van de voor de MPG-verantwoordelijken en -coördinatoren voorziene taak zal met deze bepaling rekening moeten gehouden worden.

Hetzelfde artikel 7 voorziet dat het verboden is medische persoonsgegevens aan derden mee te delen behoudens afwijking door of krachtens de wet.

Volgens artikel 1 § 5 van de Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn persoonsgegevens de gegevens die betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd. Artikel 2.a) van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 definieert persoonsgegevens als "iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon [...] die direct of indirect kan worden geïdentificeerd met name aan de hand van een identificatienummer of één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit".

Alle persoonsgegevens blijven steeds identificeerbaar bij de verstrekker die zelf het identificatienummer overmaakt aan de ontvanger.

De voor de MPG-registratie opgevraagde gegevens zijn persoonsgegevens in de zin van de Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer zodat deze wetgeving van toepassing is en, bij afwezigheid van daartoe strekkende wettelijke bepalingen, het overmaken van de gevraagde gegevens verboden is.

***

Besluit:

1. De Nationale Raad van de Orde der geneesheren meent voldoende te hebben aangetoond dat de voorziene registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens belangrijke risico's inhoudt voor de kwetsbare vertrouwensrelatie tussen psychiater en patiënt.

2. Zowel deontologische als wettelijke waarborgen betreffende beroepsgeheim en privacy worden de patiënt ontnomen.

3. De Nationale Raad is van oordeel dat het opvragen van een grote hoeveelheid vertrouwelijke gegevens over individuele psychiatrische patiënten die identificeerbaar zijn, het algemeen vertrouwen van de patiënt in de artsen hypothekeert en dan ook schadelijk is voor de gezondheidszorg. Daarnaast zijn de risico's door het opslaan van al deze gegevens in één databank zeer groot.

4. De Nationale Raad van de Orde der geneesheren kan een registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens onderschrijven, voor zover de privacy van de patiënt hierdoor niet wordt geschaad.

De Nationale Raad is graag bereid u de inhoud van dit schrijven nader toe te lichten.

Beroepsgeheim20/04/1996 Documentcode: a073003
Evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen

De Nationale Raad wordt door een provinciale raad om advies verzocht aangaande de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het beroepsgeheim bij de evaluatie inzake geneesmiddelen.
Tussen de verzekeringsinstellingen, de representatieve beroepsorganisaties van de apothekers en de minister van Sociale Zaken werd een akkoord gesloten betreffende de anonimisering van de patiëntengegevens die verzameld worden via de voorschriften met streepjescode.
Na de documentatie betreffende dit probleem ontvangen te hebben van mevrouw De Galan, minister van Sociale Zaken, brengt de Nationale Raad mevrouw De Galan op de hoogte van zijn opmerkingen.

Brief van de Nationale Raad aan minister De Galan:

Betreft : Verzameling van gegevens betreffende de terugbetaalbare farmaceutische specialiteiten

Wij danken u voor uw brief en zijn bijlagen van 19 maart 1996 in antwoord op onze brief van 21 februari 1996.

De tariferingsdiensten zijn verplicht het Riziv, via de verzekeringsinstellingen die ze, wat de identiteit van de rechthebbende betreft, anoniem moeten maken, alle gegevens te verstrekken betreffende de leveringen waarvoor ze de tariferingsverrichtingen uitvoeren. Deze gegevens worden aan de verzekeringsinstellingen bezorgd via een magneetband met twee sporen. Deze wijze van overdracht heeft tot doel de anonimiteit van de rechthebbende (de patiënt) te beschermen en te vermijden dat de verzekeringsinstellingen het geneesmiddelenverbruik van de rechthebbende sommeren.
Bij uw brief voegde u een "akkoord-document" waarvan alleen de data ongeldig zijn.

In dit document, Informatieverstrekking inzake terugbetaalbare geneesmiddelen genoemd, wordt in punt twee de inhoud bepaald van de twee sporen van de magneetband.
In punt vier wordt het Comité voor de evaluatie van het voorschrijfgedrag inzake geneesmiddelen gelast een advies te geven over de modaliteiten, de procedure en de voorwaarden voor het gebruik van de gegevens in geval beide pistes van de magneetband worden samengevoegd. Meer bepaald zal dit advies betrekking hebben op volgende elementen:

  • onder welke voorwaarden kunnen beide sporen in stereo worden gelezen zonder afbreuk te doen aan de wettelijke controleopdrachten van de ziekenfondsen;
  • garanties voor het anoniem maken van de persoonsgebonden gegevens door de verzekeringsinstellingen;
  • garanties dat de verzekeringsinstellingen geen gegevensbank met patiëntengegevens aangaande het geneesmiddelenverbruik aanleggen.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren maakt zich ernstig zorgen over deze problemen die de persoonlijke levenssfeer van de patiënten en hun medisch geheim aangaan, alsook de eerbiediging van het beroepsgeheim van de artsen.

Wanneer het mogelijk wordt gemaakt beide sporen in stereo te lezen kan dit immers slechts één gevolg hebben: het kennen van het geneesmiddelenverbruik van iedere patiënt en het aanleggen van een gegevensbank van de verbruikers.
Dit lijkt ons onduldbaar, zowel op het niveau van het Riziv als op dat van de verzekeringsinstellingen.

Dit probleem kan volgens ons als volgt worden opgelost:

a. de tariferingsdiensten bezorgen alleen het spoor statistiek, dat betrekking heeft op de identiteit van de voorschrijver en van het voorgeschreven geneesmiddel en het gefactureerde bedrag;

b. indien het spoor factuur, dat de identiteit van de patiënt en van de apotheker en het gefactureerd bedrag bevat, bezorgd moet worden en in stereo gelezen moet kunnen worden, vereist de bescherming van de rechthebbende dat de identiteit van de rechthebbende vervangen wordt door een willekeurig cijfer, dat gekozen wordt door een gesloten programma en geen enkel verband houdt met de geboortedatum, de woonplaats of een andere uit de identiteit van de rechthebbende voortvloeiende parameter.

Het programma voor de concordantie tussen de naam en de kenmerken van de rechthebbenden, enerzijds, en het willekeurige nummer of de willekeurige code, anderzijds, dient onder de verantwoordelijkheid te vallen van een arts. Het Riziv en de verzekeringsinstellingen mogen er in geen enkel geval toegang toe hebben.
Deze voorwaarde vormt geen belemmering voor de controleopdrachten van de ziekenfondsen en maakt een verfijning van de verbruiks- en voorschrijfprofielen mogelijk zonder afbreuk te doen aan de rechten van de patiënten. Zij vermijdt bovendien dat door de verzekeringsinstellingen gegevensbanken aangelegd worden met betrekking tot de individuele patiënten.

Wij hopen dat wij hierin gevolgd zullen worden door u en door het Comité voor de evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen.