keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

12

pagina

Beroepsgeheim01/01/1987 Documentcode: a035020
De openbare orde en het medisch geheim

Dr J. FARBER

VOLGENS onze westerse medische traditie gaat het medisch beroepsgeheim terug tot de Eed van Hippocrates. Bij het lezen van de oorspronkelijke tekst kan daar op zijn minst worden aan getwijfeld. De geneesheer zweert namelijk de geheimhouding van "dingen die niet mogen worden gezegd" en het esoterisch karakter van de hippocratische sekte indachtig, kan dit zowel gaan om geheimen van de Geneeskunst als om geheimen van patiënten. Doorheen de geschiedenis werd het naleven van de zwijgplicht door de geneesheren overigens veel meer ervaren als een vorm van gereserveerdheid en die tendens is ook tegenwoordig in een aantal omstandigheden voelbaar.

Toen het Lord Moran, Churchill's lijfarts, ten kwade werd geduid dat hij in zijn memoires gesproken had over de snelle fysieke en mentale verslechtering van zijn illustere patiënt, was het niet zozeer de schending van het medisch geheim maar zijn gebrek aan discretie die hem werden aangewreven. De publieke opinie staat duidelijk weigerachtig tegenover verregaande revelaties over de moeilijke en pijnlijke dood van de Groten van deze wereld. Het principe van het dwingend karakter van het medisch geheim is een veel moderner begrip, geïnspireerd enerzijds, door de eerbied voor het recht van de mens op privacy en op geheimhouding van feiten die hij niet wenst vrij te geven en anderzijds, en misschien wel vooral, door de vooruitgang van de geneeskunde die aan de basis ligt van een nieuw begrip dat onze aandacht verdient.

Traditiegetrouw wordt gezegd dat de patiënt zich zonder enig voorbehoud aan zijn arts moet kunnen toevertrouwen zonder hem ook maar het meest intieme aspect van zijn leven te verzwijgen. De arts wordt zodoende de gepriviligieerde vertrouweling van de patiënt en dat confidentieel karakter wordt terecht of ten onrechte, vergeleken met het biechtgeheim.

Het gebeurt ook wel dat artsen tijdens een onderzoek zaken ontdekken die zij, ook al weer terecht of ten onrechte, liever niet aan de patiënt mededelen. De patiënt kan hen bijgevolg niet van het geheim ontheffen aangezien het hem niet bekend is. Vandaar dat om verleidingen, ongebreidelde loslippigheid of revelaties van welke aard ook te vermijden, het medisch geheim voor wat in het bijzonder België betreft, sinds meer dan een eeuw, een dwingend karakter heeft en wordt beschouwd als zijnde van openbare orde.

Wel dient te worden onderstreept dat het begrip openbare orde door artsen en juristen verschillend wordt geïnterpreteerd. De zienswijze van de juristen wordt niet noodzakelijkerwijs door de artsen gedeeld. Wanneer wordt gezegd dat het medisch beroepsgeheim van openbare orde is betekent dat voor ons, medici, dat het niet werd ingesteld ten gunste van de arts of van de patiënt, maar omwille van het openbaar nut waar de hele bevolking baat bij heeft. Bijgevolg behoort het medisch geheim volgens de medici, noch de patiënt, noch de arts en heeft niemand de bevoegdheid de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan.

Deze definitie lijkt op het eerste gezicht weinig genuanceerd maar uit de dagelijkse praktijk blijkt dat dit de enige houding is die aan de noden beantwoordt.

De franse doctrine zegt dat het geheim in het belang van de patiënt wordt ingesteld maar legt zodoende aan de arts de verantwoordelijkheid op om over dat belang te oordelen. Volgens de skandinavische of germaanse doctrine behoort het medisch geheim de patiënt maar wordt aldus geen oplossing geboden voor de gevallen waarin de patiënt zelf - jammer genoeg - niet van zijn toestand op de hoogte is.

Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren dat het medisch corps door de huidige medicalisering van het leven in onze samenleving, met allerhande verantwoordelijkheden wordt opgezadeld die niets met de uitoefening van de Geneeskunst hebben uit te staan. In onze westerse samenleving wordt de arts elke dag opnieuw weer overstelpt met vragen naar medische getuigschriften met het oog op sociale voordelen, vrijstellingen of andere preferentiële rechten en behandelingen. Dat is een meer dan betreurenswaardige tendens, waardoor de artsen regelmatig voor onoplosbare dilemma's worden geplaatst. Hoe kan een arts bijvoorbeeld over de arbeidsongeschiktheid oordelen van een patiënt met niet nader te controleren subjectieve klachten en zonder de juiste aard van diens werk te kennen ? Hoe antwoorden op verzoeken om informatie omtrent de gezondheidstoestand van een patiënt zonder telkens een volledige check‑up uit te voeren met eventueel een observatieperiode in het ziekenhuis van verschillende dagen ?

Dergelijke situaties leiden onvermijdelijk tot belangenconflicten die erg schadelijk zijn voor een goede arts‑patiënt relatie. Want het kan niet dikwijls genoeg worden herhaald: de patiënt vraagt niet om een waarheidsgetrouw medisch attest, maar om een "goed" getuigschrift, m.a.w. een getuigschrift waardoor hij zonder moeilijkheden de gewenste voordelen kan verkrijgen.

Het is klaar dat in landen waar de patiënt de arts van zijn zwijgplicht kan ontslaan, de overgrote meerderheid van medische getuigschriften goedbetaalde welwillendheidsattesten zijn die niet stroken met de meest elementaire waarheid.

De moeilijkheden die sinds jaar en dag bestaan tussen de Orden en de verantwoordelijken van de verzekeringsmaatschappijen zijn er het duidelijkste bewijs van dat dit begrip moet worden gehandhaafd en het dwingend en absoluut karakter van het medisch beroepsgeheim in deze huidige tijd meer dan ooit belangrijk is.

De verzekeringsmaatschappij dekt risico's, m.a.w. evenementen waarvan de frekwentie kan worden geraamd maar waarvan de probabiliteit geval per geval natuurlijk erg zwak is. Als het risico wordt weggenomen, wordt de verzekering overbodig. Indien een toestel bestond waardoor met zekerheid het ogenblik van de dood kon worden voorspeld, zouden levensverzekeringen niet bestaan.

Door met of zonder de toestemming van de patiënt, gegevens vrij te geven, helpt de arts - die als derde partij nooit om zijn toestemming werd verzocht - alleen de winstmarge van verzekeringsmaatschappijen te vergroten, en dat is helemaal niet zijn taak. Indien de verzekeringsmaatschappij twijfels heeft, dan is het aan de maatschappij zelf om, op eigen kosten, de onjuistheid van de verklaringen van rechthebbenden aan te tonen en daartoe eventueel een beroep te doen op deskundigen en dat mogen in geen geval, de behandelende geneesheren zijn van de verzekerde.

Beroepsgeheim11/05/1985 Documentcode: a033034
Medische registratie - Nieuwe richtlijnen

Medische registratie

Ingevolge de herhaalde verzoeken om advies die de Nationale Raad van verschillende kanten ontving in verband met het vermelden van medische gegevens in dossiers die volgens de nieuwe richtlijnen bestemd zijn voor de medische registratie, heeft de Nationale Raad een commissie belast met het onderzoek van deze aangelegenheid.

Nadat in de vergadering van 11 mei 1985, het rapport van de commissie uitgebreid werd besproken, heeft de Nationale Raad onderstaand commentaar gericht aan Minister DEHAENE van Sociale Zaken.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren wordt vanuit verschillende hoeken van het land, bij herhaling om advies verzocht naar aanleiding van de problemen die de artsen ondervinden bij het vermelden van medische gegevens in dossiers bestemd voor een verdere rationalisatie en algemene organisatie van de zorgenverlening in ons land.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen die verband houden met de manier waarop medische informatie wordt samengebracht, blijkt dat een gevaarlijke vermenging dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Door een onvoldoende scheiding tussen beide, is het mogelijk via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Bij nadere lezing van onderstaande ontwerpen van koninklijke besluiten, lijkt nog meer reden tot ongerustheid te bestaan in verband met een aantal problemen van medisch beroepsgeheim.

1. Krachtens het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 5, lid 2, en van artikel 8, lid 1, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt o.m. aan vijf landsbonden toegang verleend tot de informatie van bedoeld Rijksregister.
Verder worden bij dit ontwerp tevens verschillende natuurlijke‑ en rechtspersonen (o.a. Iandsbonden, ziekenfondsen, verzorgingsinstellingen, tarificatiediensten) gemachtigd gebruik te maken van het identificatienummer van het Rijksregister onder welbepaalde voorwaarden en binnen bepaalde perken.

2. Het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikelen 6 en 7 van diezelfde wet van 8 augustus 1983 regelt o.a. de verplichting voor de gemeenten om (in sommige gevallen kosteloos) de door de openbare overheid en de organismen met toegang tot het Rijksregister gevraagde gegevens, te verstrekken.

Vanaf het ogenblik dat de vermelde instellingen het recht hebben het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken voor de administratieve gegevens van hun aangeslotenen, wordt de kans zeer groot dat zij dat nummer ook zullen gebruiken voor de registratie van de medische en sociale gegevens waarover zij beschikken.

Daarnaast meent de Nationale Raad te weten dat in verschillende ziekenhuizen het identificatienummer van het Rijksregister voor het opslaan van de medische gegevens van de patiënten reeds wordt gebruikt of zal worden gebruikt.

Onder artikel 7, derde lid, van het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 5, tweede lid en van artikel 8, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, staat verder:

"Zijn geen derden voor de toepassing van het tweede lid: 3° de personen aan dewelke de kennisgeving van die informatie is opgelegd of noodzakelijk gemaakt voor de uitvoering van de verplichtingen die hun zijn toegewezen door of krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling."

De Nationale Raad is ten zeerste verontrust over de voor de hand liggende koppeling van de administratieve en medische gegevens van de patiënt in databanken die, via het identificatienummer, zeer gemakkelijk en snel voor een uitgebreid aantal organismen toegankelijk kunnen zijn.

Het is zonder meer duidelijk dat deze handelwijze de bescherming van de privacy, een essentieel kenmerk van onze samenleving, in het gedrang brengt en dit des te meer daar de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nog steeds in voorbereiding is. Hogervermelde ontwerpen van koninklijke besluiten bieden onvoldoende waarborgen tegen misbruiken en eventuele "lekken" die uiteraard neerkomen op een schending van het medisch geheim.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen in verband met het opslaan van de medische informatie in de ziekenhuizen, blijkt dat een gevaarlijk amalgaam dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Indien geen duidelijkere scheiding komt tussen beide, zal het mogelijk zijn via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Het is bovendien niet ondenkbaar dat deze gegevens door bepaalde instellingen van openbaar nut tegen de wil in en buiten het weten om, ten nadele van de patiënt worden aangewend.

Zoals reeds opgemerkt in zijn brief van 20 juni 1984, is de Nationale Raad altijd voorstander geweest van een doorgedreven medisch‑wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken.

In dat schrijven wees de Nationale Raad er reeds op dat "zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, gegevens betreffende zieken slechts worden verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens".

De Nationale Raad wenst eens te meer Uw aandacht te vestigen op het feit dat, om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden moeten blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging.

De toegang tot en het gebruik van het nationaal identificatienummer door een uitgebreid aantal organismen vormen, in de huidige omstandigheden een reëel gevaar voor de schending van de privacy en het medisch geheim.

Deze opmerkingen lijken ons des te meer gegrond gelet op de talrijke voorbeelden van schending van het geheim in de diverse domeinen waar informatieverwerking systematisch wordt toegepast niettegenstaande de zogezegde degelijk ingebouwde beveiligingen.

Beroepsgeheim16/06/1984 Documentcode: a033005
Systeem voor inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten

Systeem voor inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten

-In zijn vergadering van 19 mei 1984 nam de Nationale Raad kennis van moeilijkheden die rijzen naar aanleiding van de "Onderrichtingen om te komen tot een systeem voor het inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten" zoals door de Minister van Sociale Zaken aan het Beheerscomité van het RIZIV voorgesteld.

-De Nationale Raad gaf onmiddellijk aan de Minister zijn ongerustheid te kennen in verband met de problemen die bij toepassing van bedoeld systeem zullen rijzen inzake de bescherming van het privé leven en de vrijwaring van het medisch beroepsgeheim (ctr. Officieel Tijdschrift nr 32 - p. 50).

-Een commissie werd belast met een nader onderzoek van bedoeld ontwerp.

In zijn vergadering van 16 juni 1984 onderzocht de Nationale Raad het rapport zoals voorgelegd door de commissie en verleende, na beraadslaging, volgend advies aan de heer DEHAENE, Minister van Sociale Zaken:

De Nationale Raad meent vier opmerkingen te moeten formuleren in verband met het project tot registratie van het profiel van de gehospitaliseerde patiënten in een centrale databank.

  1. Verstrekken van gegevens over de patiënten door een arts die gebonden is door het beroepsgeheim.

    Het project veronderstelt het verstrekken van gegevens door de ziekenhuisgeneesheren aangaande in het ziekenhuis opgenomen patiënten en dat in overtreding van de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
    Het beroepsgeheim van de arts is van openbare orde.

    Zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, worden gegevens betreffende zieken slechts verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch-sociaal consult.
    Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens.

    Het mededelen van het profiel van de patiënt zoals voorgesteld onder 1.4. van Uw brief, is in strijd met artikel 458 van het Strafwetboek.

  2. Opmaken van medische statistieken.

    De Nationale Raad die reeds herhaaldelijk door organismen werd geraadpleegd in verband met medische statistieken, heeft altijd gunstig gereageerd op het principe van een verder doorgedreven medisch-wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken. De Nationale Raad heeft evenwel steeds opnieuw geëist dat de gegevens worden verzameld zonder de anonimiteit van de patiënten in het gedrang te brengen.

    Het goede beheer van de ziekteverzekering kan zonder twijfel op uitstekende wijze worden georganiseerd met inachtneming van de anonimiteit van de verzamelde statistische gegevens.

    De Nationale Raad is uitermate verontrust over het voorstel vervat in punt 1.2. van Uw brief inzake de registratie van het profiel van de patiënt uitgaande van het nationaal identificatienummer van het Rijksregister.
    De anonimiteit van de medische gegevens kan in die omstandigheden niet worden gewaarborgd.

  3. Scheiding van de medische en de administratieve gegevens.

    Om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, is het volgens de Nationale Raad nodig dat de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan, zoals dat overigens nu reeds het geval is, zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

  4. Bescherming van de privacy.

    De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging.

    De koppeling van de persoonlijke gegevens van de patiënt die onder het medisch geheim vallen en de louter administratieve gegevens kan een gevaarlijke verwarring teweegbrengen die de bescherming van de privacy in het gedrang brengt.

    Wij zijn ervan overtuigd dat ongeacht alle denkbare garanties, onze medeburgers niet zullen aanvaarden dat de meest intieme gegevens over hun leven in een centraal gecomputeriseerd register worden opgeslagen.

De Nationale Raad is ervan overtuigd dat andere oplossingen kunnen worden gevonden die, naast een beter beheer van de ziekteverzekering, tevens de nodige garanties bieden voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, die zich aan zijn arts toevertrouwt.

Vorige pagina

12

pagina