keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

12

pagina

Persoonlijke levenssfeer16/03/1996 Documentcode: a072017
Opsporing van baarmoederhalskanker - Bescherming van de persoonlijke levenssfeer

1. Een provinciale raad verzoekt de Nationale Raad om advies aangaande een door een gemeente voorgenomen campagne voor de "vroegtijdige opsporing van baarmoederhalskanker".

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft het door U overgelegde dossier in verband met de door de gemeente X in het kader van haar gemeentelijke actie "X Preventief Gezond" georganiseerde campagne "Vroegtijdige Opsporing van Baarmoederhalskanker", meer bepaald het ontwerp van oproepingsbrief, onderzocht.

Vooreerst stelt de Nationale Raad vast dat het door U overgelegde ontwerp van oproepingsbrief niet aan een arts, maar aan de potentiële deelneemsters aan de campagne is gericht en dat de aan het secretariaat van "X Preventief Gezond" of aan de huisarts te bezorgen invulstrook niet door een arts, maar door de betrokkene zelf is in te vullen en terug te sturen.

Anderzijds heeft de invulstrook alleen een in de context van de campagne-administratie aanvaardbare bestuurlijke finaliteit en wordt in deze fase van de screening geen enkel resultaatsgegeven van het medisch onderzoek gevraagd.

De Nationale Raad is in de gegeven omstandigheden en gelet op de nagestreefde doelstellingen van oordeel dat de ten behoeve van de campagne voorgestelde ontwerpbrief kan aangenomen worden, op voorwaarde dat zou voorzien worden dat:

- aan de betrokken vrouw kennis gegeven wordt van het feit dat haar persoonsgegevens in een verwerking geregistreerd zullen worden (cf. art. 9 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens) en van de gegevens die haar krachtens art. 4 1, eerste alinea van voornoemde wet dienen medegedeeld te worden;

- de bijzondere schriftelijke toestemming van de betrokken vrouw gevraagd wordt om de medische persoonsgegevens die op haar betrekking hebben mede te delen aan een beoefenaar van de geneeskunst en aan diens medische ploeg (art. 7 wet 8 december 1992);

- hierbij aansluitend, de verwerking van medische gegevens steeds zal gebeuren onder de verantwoordelijkheid van artsen.

2. De Nationale Raad wordt om advies verzocht aangaande een proefproject inzake baarmoederhalskankerpreventie van de Vlaamse Gemeenschap.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak de adviesaanvraag van dr. X d.d. 23 november 1995 in verband met het pilootproject van de Vlaamse Gemeenschap inzake baarmoederhalskankerpreventie.

Wat het doorgeven van adressen betreft, is de Nationale Raad van oordeel dat geen persoonsgegevens mogen doorgegeven worden zonder de toestemming van de persoon waarop de gegevens betrekking hebben.

De modaliteiten voor het doorgeven van resultaatsgegevens in het kader van het pilootproject zijn momenteel nog ter studie bij de Nationale Raad.

Persoonlijke levenssfeer16/04/1994 Documentcode: a065003
Rijbewijs

De Minister van Verkeer en Infrastructuur bezorgt de Nationale Raad de studie die een binnen het Ministerie samengestelde werkgroep uitgevoerd heeft i.v.m. de aanpassing van de Belgische reglementering aan de EG-richtlijn betreffende het rijbewijs.
Hij verzoekt de Nationale Raad hem zijn standpunt mede te delen met betrekking tot de voorgestelde normen, en zeker met betrekking tot de normen inzake zijn bevoegdheid.

Advies van de Nationale Raad:

In aansluiting aan onze brief van 19 februari 1994 (ref.: 25339/RS/25057) heb ik de eer U mede te delen dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 16 april 1994 uw brief van 10 februari 1994 met bijlagen (Uw kenmerken: D2/1.4.2/EEG/115/MS) betreffende de aanpassing van de Belgische Reglementering aan bijlage 3 van de Richtlijn 91/439/EEG van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs verder heeft onderzocht.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren legt er de nadruk op dat in elke stap i.v.m. de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid, het medisch beroepsgeheim en de privésfeer van de kandidaat dienen geëerbiedigd te worden en dat bijgevolg alle briefwisseling zal dienen gericht aan, resp. dienen uit te gaan van, de arts van de Centraal Medische Dienst, die dan ook met naam aan de keurend arts moet worden bekend gemaakt.

De keurend arts kan niet de behandelend geneesheer (huisarts) van de aanvrager zijn, vermits het een expertise-onderzoek betreft.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren spreekt zich niet uit over de voorgestelde medische criteria zelf omdat zulks buiten zijn bevoegdheid valt.
De documenten waarop de keurend arts omnipracticus of specialist zijn vaststellingen dient neer te schrijven en waarnaar verwezen wordt in doc. 3 werden niet aan de Nationale Raad van de Orde der geneesheren voorgelegd zodat hij zich daarover niet kan uitspreken.

Aids16/10/1993 Documentcode: a063006
Aids

Rekening houdend met de evolutie van het Aids-probleem vraagt een provinciale raad aan de Nationale Raad of het niet wenselijk is een up to date advies te verstrekken.

Nog in verband met dit probleem wenst de Generale Staf van de Medische Dienst van de Krijgsmacht te vememen wat het standpunt is van de Nationale Raad aangaande de mededeling van de seropositiviteit aan de betrokkene.

Na kennis genomen te hebben van het rapport van de Commissie "Medische ethiek" brengt de Raad het volgende advies uit:

Zoals in 1987 heeft de Nationale Raad zich gebogen over de door de AIDS-ziekte opgeworpen problemen en hij staat erop enkele punten nader te preciseren.

De ethische principes van de geneeskunde, in het bijzonder in verband met deze infectieziekte, moeten in herinnering gebracht worden:

- wat de rechten op verzorging door een geneesheer betreft, zijn alle patiënten gelijk en elke vorm van discriminatie is verboden;

- elk individu heeft recht op eerbied voor zijn persoonlijke levenssfeer en een absoluut respect voor zijn vertrouwelijke mededelingen;

- in een maatschappij en a fortiori op het vlak van de gezondheid is een inmenging in de persoonlijke levenssfeer of een beperking van de individuele vrijheid slechts denkbaar met het oog op de bescherming van een of meerdere individuen tegen een reëel gevaar. Om die reden is de geneesheer eveneens verplicht ieder risico verbonden aan de uitoefening van zijn beroep zo veel mogelijk te beperken, zowel voor zichzelf als voor zijn medewerker;

- elke arts heeft een preventieve, informatieve en educatieve opdracht; de bevoorrechte arts-patiënt relatie is meer dan ooit van essentieel belang in deze.

Rekening houdende met de medische ethiek en de problemen van de samenleving worden volgende richtlijnen uitgevaardigd:

1. De arts heeft de plicht zich op de hoogte te houden van de vooruitgang van de wetenschappelijke kennis in verband met deze ziekte.

2. Artsen, verpleegkundigen en paramedici zijn beroepshalve blootgesteld aan accidentele besmetting via contact met bloedsecreties en excrementen van patiënten. Zij moeten bovendien vermijden via hun medische handelingen het virus van de ene op de andere persoon over te brengen. De artsen moeten zelf de vereiste hygiëne- en steriliteitsvoorschriften naleven en deze ook doen naleven door hun paramedische medewerkers en verpleegkundigen. Bedoelde voorschriften moeten steunen op de door de wetenschappelijke autoriteiten uitgevaardigde aanbevelingen.

3. Bij correcte naleving van de voorschriften inzake hygiëne zijn risico's op besmetting en overdracht gering. De arts mag om deze reden in geen enkel geval de nodige verzorging weigeren aan een HIV-seropositieve patiënt of een patiënt behorende tot een HIV-risicogroep. Onder de waarborg van het medisch beroepsgeheim moet de arts zijn patiënt ertoe aanzetten hem toe te vertrouwen of hij tot een risicogroep behoort of seropositief is.

4. In het ziekenhuismilieu moet de arts ervoor waken dat de HIV-seropositiviteit voor de patiënt geen discriminatie in verzorging of comfort meebrengt; bij iedereen dienen dezelfde hygiëneregels nageleefd te worden. De manier waarop informatie omtrent de HIV-seropositiviteit van een patiënt wordt doorgegeven, moet strikt confidentieel zijn met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.

5. Het is wenselijk dat bedoelde tests slechts gebeuren met de toestemming van de betrokken persoon zoals overigens gebruikelijk is voor tal van andere diagnostische onderzoekingen. De test zal niet gebeuren als de patiënt er zich expliciet tegen verzet: in zulk geval staat het de arts vrij - behoudens in dringende gevallen - om deze persoon als patiënt te weigeren.

Het resultaat van een positieve HIV-test zal uitsluitend aan de patiënt zelf worden medegedeeld en wel met de nodige omzichtigheid, uitleg en aanbevelingen.

6. Wanneer dringend een invasieve ingreep uitgevoerd moet worden, mag de HIV- seropositiviteit opgespoord worden ter bescherming van het medisch en verpleegkundig personeel.

7. Ter bescherming van de patiënt, vermijde elke arts en verplegende die HIV-seropositief is, invasieve ingrepen te verrichten of er aan deel te nemen.

8. Bij seropositieve personen moet er worden op aangedrongen dat zij hun mogelijke bronnen van infectie alsmede de door hen mogelijks besmette personen verwittigen. Zij moeten worden voorgelicht over de geëigende middelen om besmetting van andere personen te voorkomen.

9. Epidemiologisch onderzoek naar HIV-antilichamen mag slechts voor wetenschappelijke doeleinden gebeuren. Een dergelijke enquête is deontologisch maar aanvaardbaar indien de betrokkene daarmee vooraf heeft ingestemd.

10. Artsen werkzaam in laboratoria voor klinische biologie moeten ervoor waken dat de resultaten van serologische testen voor HIV slechts aan de geneesheer-aanvrager worden meegedeeld.

11. Artsen hebben de plicht hun patiënten die tot risicogroepen behoren ervan te overtuigen in geen geval bloed, sperma of organen af te staan.

12. De arts heeft de plicht het gebruik van steriel wegwerp-materiaal aan te bevelen voor injecties door zowel artsen, verpleegkundigen als anderen.

13. Het HIV-virus wordt meestal overgedragen via seksuele weg (hetero- of homoseksuele). Rekening houdend met de jongste wetenschappelijke bevindingen, en buiten zeldzame situaties waarin een evident risico op verwonding bestaat, houden de normale fysieke contacten die eigen zijn aan een gezins-, beroeps-, school- en sociaal leven geen risico in op besmetting. De HIV-seropositiviteit vormt derhalve geen rechtvaardiging voor discriminerende maatregelen op grond van medische argumenten.

14. Indien een verzekeringsmaatschappij met het oog op de afsluiting van een overeenkomst een HIV-test voorziet, kan de keurende arts die test slechts laten uitvoeren mits het informed consent van de betrokkene. De keurende arts zal de betrokkene ervan inlichten dat hij in functie van zijn opdracht zowel diens eventuele weigering van de test als de uitslag van de test dient te melden aan de adviserend arts van de verzekeringsmaatschappij .

Deze adviserend arts dient de resultaten van een keuringsonderzoek aan de betrokkene en/of aan de door deze laatste aangeduide behandelende arts te melden. De kandidaat- verzekerde moet immers de mogelijkheid hebben van zijn verzoek om een verzekeringsovereenkomst af te zien vooraleer enige medische inlichting door de adviserend arts aan de verzekeraar wordt overgemaakt.

15. Arbeidsgeneesheren mogen de werkgever nooit informeren over de medische redenen van hun advies over een werknemer, ook niet over de uitslag van een HIV-test met informed consent van de werknemer uitgevoerd noch over weigering van zulke test door de werknemer.

Hetzelfde geldt voor de geneesheer die door een werkgever gelast is hem een deskundig advies te verlenen over de geschiktheid van een kandidaat-werknemer.

Persoonlijke levenssfeer05/05/1990 Documentcode: a049002
report_problem Historische waarde.
Commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking

De Nationale Raad wordt dringend om advies verzocht vanwege de Parlementaire Commissie van de Volksgezondheid en het leefmilieu (Kamer van Volksvertegenwoordigers) over het wetsvoorstel houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek.

De leden van de Raad hebben aanzienlijk wat documentatie ontvangen alsook verschillende nota's van leden van de Raad die zich over het probleem gebogen hebben.

Aan de Orde worden twee vragen voorgelegd:
I‑ Wat denkt de Nationale Raad over de economie van dit voorstel ?

2‑ Indien dit voorstel goed is, hoe moet het dan uitgevoerd worden ?

Na een lange gedachtenwisseling stelt een redactieraad een antwoord op voor de Parlementaire Commissie. De Raad stemt in met deze tekst.

Advies van de Nationale Raad:

Wij betreuren dat wij niet geraadpleegd werden betreffende het ethisch en deontologisch aspect van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek, maar danken U ervoor dat U ons om advies vraagt over het voorstel houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de voormelde wet.

Wij betreuren eveneens de korte termijn die ons toegemeten werd, maar dank zij de medewerking van alle leden van de Nationale Raad, samengekomen in buitengewone vergadering, kan het advies tijdig uitgebracht worden.

Wij denken dat het noodzakelijk is de weerslag van de toepassing van de wet bij de bevolking te evalueren, maar vragen ons af of die opdracht wel moet volbracht worden door een te dien einde opgerichte nieuwe commissie.

Betreffende het voorstel, waarover U ons om advies vraagt, lijken de beschreven modaliteiten vatbaar voor kritiek.

Wij willen van meet af aan stellen dat wij ons volledig aansluiten bij de pertinente bemerkingen van de Raad van State in verband met de niet‑eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het beroepsgeheim.

Wij zijn er hoegenaamd niet van overtuigd dat de voorziene procedure de volstrekte anonimiteit waarborgt, zowel voor de geneesheer als voor de patiënte.

De Nationale Raad kan zijn goedkeuring niet hechten aan de evaluatiecommissie zoals ze thans voorgesteld wordt, vermits het fundamenteel recht van de patiënte op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsook de geheimhouding van wat ze aan haar geneesheer toevertrouwt niet sluitend gewaarborgd worden. Hier sluit de Nationale Raad zich eveneens aan bij het advies van de Raad van State.

Sommige inlichtingen die medegedeeld moeten worden door de geneesheer ‑ inlichtingen welke vooral betrekking hebben op de gezinstoestand van de vrouw, van de door haar gebruikte voorbehoedsmiddelen en de reden van het falen ‑, behoren tot de persoonlijke levenssfeer van de patiënte. Het mededelen van de informatie aan de evaluatiecommissie vormt een ernstige bedreiging voor de vertrouwensrelatie die bestaat tussen de geneesheer en zijn patiënte en kan een schending van het beroepsgeheim van de geneesheer betekenen, vermits de identificatie van de betrokkenen mogelijk zou zijn.

Al die maatregelen vormen een echte kontrole om statistische gegevens te bekomen.

Dat impliceert dat men uitsluitend de noodzakelijke informatie tracht te bekomen om de weerslag van de wet te evalueren, zonder het beroepsgeheim te schenden.

Men mag niet uit het oog verliezen dat artikel 2, punt c, tweede lid van de wet van 3 april 1990 stelt :"De appreciatie van de geneesheer over de vaste wil en de noodsituatie van de zwangere vrouw, op basis waarvan hij aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden".

Zoals de Raad van State menen wij dat de verspreiding van de resultaten van die enquêtes bij instanties, die niet duidelijk omschreven zijn, in talrijke gevallen het anonieme karakter van de informatie zou doorbreken.

Volgens de Nationale Raad is deze problematiek hoofdzakelijk van ethische en deontologische aard, en mag de rol van de ordinale instanties niet over het hoofd worden gezien.

Om de moeilijkheden te vermijden, waarop de Raad van State en wijzelf de aandacht gevestigd hebben, zou het aangewezen zijn dat een gemengde commissie Parlement ‑ Nationale Raad een geschikte procedure zou uitwerken om de informatie in te zamelen, o.m. wat betreft het opstellen van de formulieren en de publicatie van de resultaten.

Wij denken evenzeer dat het wenselijk is dat de resultaten, die aan de evaluatiecommissie medegedeeld worden, eerst aan de geneesheren van de Commissie voorgelegd worden.

Het lijkt ons ten slotte essentieel dat de Nationale Raad betrokken wordt bij het werk van de Commissie, daar hij borg staat voor de medische ethiek, door als leden‑geneesheren enkel diegenen aan te duiden die zouden voorgedragen worden door de Nationale Raad.

In elk geval zouden de gepubliceerde resultaten geen gewag mogen maken van casuïstiek.

Wij danken U voor de aandacht die U aan onze opmerkingen zult besteden.

Beroepsgeheim26/08/1989 Documentcode: a046006
Minimale Klinische Gegevens (M.K.G.)

Het ligt in de bedoeling van Minister Busquin de M.K.G.-registratie vanaf 1990 tot alle algemene ziekenhuizen uit te breiden. Gegeven de omstandigheid dat hieromtrent enkele deontologische bezwaren werden geformuleerd, acht hij het opportuun hieraan op concludente wijze tegemoet te komen en de problematiek ter zake op te lossen.

Te dien einde wordt de oprichting van een "veiligheidscommissie" op het niveau van het departement voorgesteld. Hierbij lijkt de medewerking van de Orde der geneesheren hem ten zeerste gewenst.

In bovengenoemde commissie zullen immers alle problemen rond de bescherming van de privacy op nationaal vlak voorafgaandelijk kunnen worden besproken en zullen aldus alle gepaste maatregelen kunnen worden genomen om de M.K.G.-registratie optimaal te laten verlopen.

Na een uitgebreide gedachtenwisseling, beslist de Nationale Raad Minister Busquin te wijzen op de brief van 22 februari 1989 (Tijdschrift nr 44, p.16).

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 26 augustus 1989 kennis genomen van uw brief van 20 juni 1989 m.b.t. de M.K.G.-registratie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Raad is zo vrij U dienaangaande te wijzen op zijn brief van 22 februari 1989 en bijlagen, waarvan ingesloten een kopie gaat.

Uitsluitend op voorwaarde dat bedoelde principes worden nageleefd, kunnen de afgevaardigden van de Orde aan de werkzaamheden van de beoogde veiligheidscommissie deelnemen.

Beroepsgeheim01/01/1987 Documentcode: a035020
De openbare orde en het medisch geheim

Dr J. FARBER

VOLGENS onze westerse medische traditie gaat het medisch beroepsgeheim terug tot de Eed van Hippocrates. Bij het lezen van de oorspronkelijke tekst kan daar op zijn minst worden aan getwijfeld. De geneesheer zweert namelijk de geheimhouding van "dingen die niet mogen worden gezegd" en het esoterisch karakter van de hippocratische sekte indachtig, kan dit zowel gaan om geheimen van de Geneeskunst als om geheimen van patiënten. Doorheen de geschiedenis werd het naleven van de zwijgplicht door de geneesheren overigens veel meer ervaren als een vorm van gereserveerdheid en die tendens is ook tegenwoordig in een aantal omstandigheden voelbaar.

Toen het Lord Moran, Churchill's lijfarts, ten kwade werd geduid dat hij in zijn memoires gesproken had over de snelle fysieke en mentale verslechtering van zijn illustere patiënt, was het niet zozeer de schending van het medisch geheim maar zijn gebrek aan discretie die hem werden aangewreven. De publieke opinie staat duidelijk weigerachtig tegenover verregaande revelaties over de moeilijke en pijnlijke dood van de Groten van deze wereld. Het principe van het dwingend karakter van het medisch geheim is een veel moderner begrip, geïnspireerd enerzijds, door de eerbied voor het recht van de mens op privacy en op geheimhouding van feiten die hij niet wenst vrij te geven en anderzijds, en misschien wel vooral, door de vooruitgang van de geneeskunde die aan de basis ligt van een nieuw begrip dat onze aandacht verdient.

Traditiegetrouw wordt gezegd dat de patiënt zich zonder enig voorbehoud aan zijn arts moet kunnen toevertrouwen zonder hem ook maar het meest intieme aspect van zijn leven te verzwijgen. De arts wordt zodoende de gepriviligieerde vertrouweling van de patiënt en dat confidentieel karakter wordt terecht of ten onrechte, vergeleken met het biechtgeheim.

Het gebeurt ook wel dat artsen tijdens een onderzoek zaken ontdekken die zij, ook al weer terecht of ten onrechte, liever niet aan de patiënt mededelen. De patiënt kan hen bijgevolg niet van het geheim ontheffen aangezien het hem niet bekend is. Vandaar dat om verleidingen, ongebreidelde loslippigheid of revelaties van welke aard ook te vermijden, het medisch geheim voor wat in het bijzonder België betreft, sinds meer dan een eeuw, een dwingend karakter heeft en wordt beschouwd als zijnde van openbare orde.

Wel dient te worden onderstreept dat het begrip openbare orde door artsen en juristen verschillend wordt geïnterpreteerd. De zienswijze van de juristen wordt niet noodzakelijkerwijs door de artsen gedeeld. Wanneer wordt gezegd dat het medisch beroepsgeheim van openbare orde is betekent dat voor ons, medici, dat het niet werd ingesteld ten gunste van de arts of van de patiënt, maar omwille van het openbaar nut waar de hele bevolking baat bij heeft. Bijgevolg behoort het medisch geheim volgens de medici, noch de patiënt, noch de arts en heeft niemand de bevoegdheid de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan.

Deze definitie lijkt op het eerste gezicht weinig genuanceerd maar uit de dagelijkse praktijk blijkt dat dit de enige houding is die aan de noden beantwoordt.

De franse doctrine zegt dat het geheim in het belang van de patiënt wordt ingesteld maar legt zodoende aan de arts de verantwoordelijkheid op om over dat belang te oordelen. Volgens de skandinavische of germaanse doctrine behoort het medisch geheim de patiënt maar wordt aldus geen oplossing geboden voor de gevallen waarin de patiënt zelf - jammer genoeg - niet van zijn toestand op de hoogte is.

Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren dat het medisch corps door de huidige medicalisering van het leven in onze samenleving, met allerhande verantwoordelijkheden wordt opgezadeld die niets met de uitoefening van de Geneeskunst hebben uit te staan. In onze westerse samenleving wordt de arts elke dag opnieuw weer overstelpt met vragen naar medische getuigschriften met het oog op sociale voordelen, vrijstellingen of andere preferentiële rechten en behandelingen. Dat is een meer dan betreurenswaardige tendens, waardoor de artsen regelmatig voor onoplosbare dilemma's worden geplaatst. Hoe kan een arts bijvoorbeeld over de arbeidsongeschiktheid oordelen van een patiënt met niet nader te controleren subjectieve klachten en zonder de juiste aard van diens werk te kennen ? Hoe antwoorden op verzoeken om informatie omtrent de gezondheidstoestand van een patiënt zonder telkens een volledige check‑up uit te voeren met eventueel een observatieperiode in het ziekenhuis van verschillende dagen ?

Dergelijke situaties leiden onvermijdelijk tot belangenconflicten die erg schadelijk zijn voor een goede arts‑patiënt relatie. Want het kan niet dikwijls genoeg worden herhaald: de patiënt vraagt niet om een waarheidsgetrouw medisch attest, maar om een "goed" getuigschrift, m.a.w. een getuigschrift waardoor hij zonder moeilijkheden de gewenste voordelen kan verkrijgen.

Het is klaar dat in landen waar de patiënt de arts van zijn zwijgplicht kan ontslaan, de overgrote meerderheid van medische getuigschriften goedbetaalde welwillendheidsattesten zijn die niet stroken met de meest elementaire waarheid.

De moeilijkheden die sinds jaar en dag bestaan tussen de Orden en de verantwoordelijken van de verzekeringsmaatschappijen zijn er het duidelijkste bewijs van dat dit begrip moet worden gehandhaafd en het dwingend en absoluut karakter van het medisch beroepsgeheim in deze huidige tijd meer dan ooit belangrijk is.

De verzekeringsmaatschappij dekt risico's, m.a.w. evenementen waarvan de frekwentie kan worden geraamd maar waarvan de probabiliteit geval per geval natuurlijk erg zwak is. Als het risico wordt weggenomen, wordt de verzekering overbodig. Indien een toestel bestond waardoor met zekerheid het ogenblik van de dood kon worden voorspeld, zouden levensverzekeringen niet bestaan.

Door met of zonder de toestemming van de patiënt, gegevens vrij te geven, helpt de arts - die als derde partij nooit om zijn toestemming werd verzocht - alleen de winstmarge van verzekeringsmaatschappijen te vergroten, en dat is helemaal niet zijn taak. Indien de verzekeringsmaatschappij twijfels heeft, dan is het aan de maatschappij zelf om, op eigen kosten, de onjuistheid van de verklaringen van rechthebbenden aan te tonen en daartoe eventueel een beroep te doen op deskundigen en dat mogen in geen geval, de behandelende geneesheren zijn van de verzekerde.

Beroepsgeheim11/05/1985 Documentcode: a033034
Medische registratie - Nieuwe richtlijnen

Medische registratie

Ingevolge de herhaalde verzoeken om advies die de Nationale Raad van verschillende kanten ontving in verband met het vermelden van medische gegevens in dossiers die volgens de nieuwe richtlijnen bestemd zijn voor de medische registratie, heeft de Nationale Raad een commissie belast met het onderzoek van deze aangelegenheid.

Nadat in de vergadering van 11 mei 1985, het rapport van de commissie uitgebreid werd besproken, heeft de Nationale Raad onderstaand commentaar gericht aan Minister DEHAENE van Sociale Zaken.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren wordt vanuit verschillende hoeken van het land, bij herhaling om advies verzocht naar aanleiding van de problemen die de artsen ondervinden bij het vermelden van medische gegevens in dossiers bestemd voor een verdere rationalisatie en algemene organisatie van de zorgenverlening in ons land.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen die verband houden met de manier waarop medische informatie wordt samengebracht, blijkt dat een gevaarlijke vermenging dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Door een onvoldoende scheiding tussen beide, is het mogelijk via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Bij nadere lezing van onderstaande ontwerpen van koninklijke besluiten, lijkt nog meer reden tot ongerustheid te bestaan in verband met een aantal problemen van medisch beroepsgeheim.

1. Krachtens het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 5, lid 2, en van artikel 8, lid 1, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt o.m. aan vijf landsbonden toegang verleend tot de informatie van bedoeld Rijksregister.
Verder worden bij dit ontwerp tevens verschillende natuurlijke‑ en rechtspersonen (o.a. Iandsbonden, ziekenfondsen, verzorgingsinstellingen, tarificatiediensten) gemachtigd gebruik te maken van het identificatienummer van het Rijksregister onder welbepaalde voorwaarden en binnen bepaalde perken.

2. Het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikelen 6 en 7 van diezelfde wet van 8 augustus 1983 regelt o.a. de verplichting voor de gemeenten om (in sommige gevallen kosteloos) de door de openbare overheid en de organismen met toegang tot het Rijksregister gevraagde gegevens, te verstrekken.

Vanaf het ogenblik dat de vermelde instellingen het recht hebben het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken voor de administratieve gegevens van hun aangeslotenen, wordt de kans zeer groot dat zij dat nummer ook zullen gebruiken voor de registratie van de medische en sociale gegevens waarover zij beschikken.

Daarnaast meent de Nationale Raad te weten dat in verschillende ziekenhuizen het identificatienummer van het Rijksregister voor het opslaan van de medische gegevens van de patiënten reeds wordt gebruikt of zal worden gebruikt.

Onder artikel 7, derde lid, van het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 5, tweede lid en van artikel 8, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, staat verder:

"Zijn geen derden voor de toepassing van het tweede lid: 3° de personen aan dewelke de kennisgeving van die informatie is opgelegd of noodzakelijk gemaakt voor de uitvoering van de verplichtingen die hun zijn toegewezen door of krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling."

De Nationale Raad is ten zeerste verontrust over de voor de hand liggende koppeling van de administratieve en medische gegevens van de patiënt in databanken die, via het identificatienummer, zeer gemakkelijk en snel voor een uitgebreid aantal organismen toegankelijk kunnen zijn.

Het is zonder meer duidelijk dat deze handelwijze de bescherming van de privacy, een essentieel kenmerk van onze samenleving, in het gedrang brengt en dit des te meer daar de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nog steeds in voorbereiding is. Hogervermelde ontwerpen van koninklijke besluiten bieden onvoldoende waarborgen tegen misbruiken en eventuele "lekken" die uiteraard neerkomen op een schending van het medisch geheim.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen in verband met het opslaan van de medische informatie in de ziekenhuizen, blijkt dat een gevaarlijk amalgaam dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Indien geen duidelijkere scheiding komt tussen beide, zal het mogelijk zijn via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Het is bovendien niet ondenkbaar dat deze gegevens door bepaalde instellingen van openbaar nut tegen de wil in en buiten het weten om, ten nadele van de patiënt worden aangewend.

Zoals reeds opgemerkt in zijn brief van 20 juni 1984, is de Nationale Raad altijd voorstander geweest van een doorgedreven medisch‑wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken.

In dat schrijven wees de Nationale Raad er reeds op dat "zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, gegevens betreffende zieken slechts worden verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens".

De Nationale Raad wenst eens te meer Uw aandacht te vestigen op het feit dat, om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden moeten blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging.

De toegang tot en het gebruik van het nationaal identificatienummer door een uitgebreid aantal organismen vormen, in de huidige omstandigheden een reëel gevaar voor de schending van de privacy en het medisch geheim.

Deze opmerkingen lijken ons des te meer gegrond gelet op de talrijke voorbeelden van schending van het geheim in de diverse domeinen waar informatieverwerking systematisch wordt toegepast niettegenstaande de zogezegde degelijk ingebouwde beveiligingen.

Beroepsgeheim16/06/1984 Documentcode: a033005
Systeem voor inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten

Systeem voor inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten

-In zijn vergadering van 19 mei 1984 nam de Nationale Raad kennis van moeilijkheden die rijzen naar aanleiding van de "Onderrichtingen om te komen tot een systeem voor het inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten" zoals door de Minister van Sociale Zaken aan het Beheerscomité van het RIZIV voorgesteld.

-De Nationale Raad gaf onmiddellijk aan de Minister zijn ongerustheid te kennen in verband met de problemen die bij toepassing van bedoeld systeem zullen rijzen inzake de bescherming van het privé leven en de vrijwaring van het medisch beroepsgeheim (ctr. Officieel Tijdschrift nr 32 - p. 50).

-Een commissie werd belast met een nader onderzoek van bedoeld ontwerp.

In zijn vergadering van 16 juni 1984 onderzocht de Nationale Raad het rapport zoals voorgelegd door de commissie en verleende, na beraadslaging, volgend advies aan de heer DEHAENE, Minister van Sociale Zaken:

De Nationale Raad meent vier opmerkingen te moeten formuleren in verband met het project tot registratie van het profiel van de gehospitaliseerde patiënten in een centrale databank.

  1. Verstrekken van gegevens over de patiënten door een arts die gebonden is door het beroepsgeheim.

    Het project veronderstelt het verstrekken van gegevens door de ziekenhuisgeneesheren aangaande in het ziekenhuis opgenomen patiënten en dat in overtreding van de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
    Het beroepsgeheim van de arts is van openbare orde.

    Zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, worden gegevens betreffende zieken slechts verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch-sociaal consult.
    Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens.

    Het mededelen van het profiel van de patiënt zoals voorgesteld onder 1.4. van Uw brief, is in strijd met artikel 458 van het Strafwetboek.

  2. Opmaken van medische statistieken.

    De Nationale Raad die reeds herhaaldelijk door organismen werd geraadpleegd in verband met medische statistieken, heeft altijd gunstig gereageerd op het principe van een verder doorgedreven medisch-wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken. De Nationale Raad heeft evenwel steeds opnieuw geëist dat de gegevens worden verzameld zonder de anonimiteit van de patiënten in het gedrang te brengen.

    Het goede beheer van de ziekteverzekering kan zonder twijfel op uitstekende wijze worden georganiseerd met inachtneming van de anonimiteit van de verzamelde statistische gegevens.

    De Nationale Raad is uitermate verontrust over het voorstel vervat in punt 1.2. van Uw brief inzake de registratie van het profiel van de patiënt uitgaande van het nationaal identificatienummer van het Rijksregister.
    De anonimiteit van de medische gegevens kan in die omstandigheden niet worden gewaarborgd.

  3. Scheiding van de medische en de administratieve gegevens.

    Om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, is het volgens de Nationale Raad nodig dat de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan, zoals dat overigens nu reeds het geval is, zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

  4. Bescherming van de privacy.

    De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging.

    De koppeling van de persoonlijke gegevens van de patiënt die onder het medisch geheim vallen en de louter administratieve gegevens kan een gevaarlijke verwarring teweegbrengen die de bescherming van de privacy in het gedrang brengt.

    Wij zijn ervan overtuigd dat ongeacht alle denkbare garanties, onze medeburgers niet zullen aanvaarden dat de meest intieme gegevens over hun leven in een centraal gecomputeriseerd register worden opgeslagen.

De Nationale Raad is ervan overtuigd dat andere oplossingen kunnen worden gevonden die, naast een beter beheer van de ziekteverzekering, tevens de nodige garanties bieden voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, die zich aan zijn arts toevertrouwt.

Vorige pagina

12

pagina