keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Beroepsgeheim27/10/2007 Documentcode: a119003
Registratie van de behandelingen met vervangingsmiddelen

De Nationale Raad wordt door de Provinciale Geneeskundige Commissies van West-Vlaanderen en van Oost-Vlaanderen om advies verzocht aangaande de procedure voor de registratie van de behandelingen met vervangingsmiddelen (artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 6 oktober 2006) en de “medische shopping” door patiënten die aldus hun toxicomanie onderhouden, meer bepaald inzake het respecteren van het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer bij de invoering van deze procedure.

Brief aan de heer D. Donfut, minister van Volksgezondheid :

De Nationale Raad stelt vast dat de registratie van de behandelingen met vervangingsmiddelen tot op heden in de praktijk nog niet georganiseerd is. In zijn halfjaarlijks verslag van juni 2007 onderstreept het IFEB, Instituut voor Farmaco-Epidemiologie van België, waarvan de bevoegdheden voor de registratie van de behandelingen met vervangingsmiddelen vastgelegd zijn in artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen, het volgende :

“Wat betreft de medische shopping of het misbruik van meerdere voorschriften door patiënten is onze controlemissie bij het IFEB jammer genoeg « virtueel » gebleven omdat de alarmmeldingen opgeschort werden in afwachting van de publicatie van een rondschrijven waarin de toepassing van het Koninklijk Besluit dat werd gewijzigd in oktober 2006 wordt uiteengezet.”

De invoering van een procedure voor de registratie van de behandelingen met vervangingsmiddelen die de persoonlijke levenssfeer en het beroepsgeheim eerbiedigt, is hoogst noodzakelijk voor de volksgezondheid aangezien ze tot doel heeft het “medisch nomadisme” van drugsverslaafde patiënten te bestrijden. De Nationale Raad zou graag vernemen welke maatregelen u van plan bent te nemen om de wijze waarop de behandelingen met vervangingsmiddelen dienen te worden geregistreerd te organiseren, in het bijzonder voor de niet-verzekerde personen, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit van 19 maart 2004.

Huisarts30/06/2007 Documentcode: a117011
Organisatie van de huisartsenwachtdienst - Bevoegdheden

Een provinciale raad stuurt de briefwisseling door van een huisartsenkring die verwikkeld is in een bevoegdheidsgeschil met de provinciale geneeskundige commissie betreffende zijn plan tot reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.
De provinciale geneeskundige commissie weigert dit plan goed te keuren en baseert zich hiervoor op de hem (volgens zijn interpretatie) door art. 9, §2, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen opgedragen taken : “De geneeskundige commissie bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten. Zij controleert de werking van deze wachtdiensten , met inbegrip van de bevoegdheid om de huishoudelijke reglementen bedoeld in §1 goed te keuren en geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.”.
De betrokken huisartsenkring meent nochtans dat zijn plan tot reorganisatie volledig strookt met het recente advies van Nationale Raad van 21 april 2007 betreffende de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116, juni 2007, p. 9) en met het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen en legde het plan ter goedkeuring voor aan zijn provinciale raad.
Daar er onduidelijkheid bestaat omtrent de exacte draagwijdte van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies in deze richtte de heer R. Demotte, minister van Volksgezondheid, op 20 april 2007 een omzendbrief aan de provinciale geneeskundige commissies omdat het hem nuttig leek “te verduidelijken hoe artikel 9 van het voormelde KB nr. 78 dient te worden geïnterpreteerd”.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 juni 2007 de problematiek van een bevoegdheidsconflict tussen de huisartsenkring FMGCB en de Provinciale Geneeskundige Commissie van Henegouwen, in het kader van de reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.

De huisartsenkringen hebben rechtspersoonlijkheid en duidelijke verantwoordelijkheden door het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. Ze zijn de wettelijke aanspreekpunten voor de lokale vertegenwoordiging van de huisartsen en ook voor de organisatie van de huisartsenwachtdienst, zoals bepaald in het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Dat betekent wettelijk dat de huisartsenkring bevoegd is voor de praktische organisatie van de huisartsenwachtdienst. De verantwoordelijkheid voor een eventuele opsplitsing daarvan in wachtdienstonderdelen behoort toe aan de organisator, die daarvoor alle betrokken huisartsen binnen zijn huisartsenzone vooraf zal raadplegen en de interne en collegiale besluitvorming zal respecteren. De werking van de huisartsenwachtdienst is immers gebaseerd op solidariteit en collegialiteit.

De modaliteiten worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (HRW), en dit wordt vooraf nagezien en goedgekeurd op deontologisch vlak door de Provinciale Raad, op het werkingsvlak door de Provinciale Geneeskundige Commissie.

De Nationale Raad wenst het gentlemen’s agreement (cf. de adviezen van de Nationale Raad van 19.06.1999 en 01.02.2003) verder te respecteren, met bijzondere aandacht voor de voorgestelde procedure van goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de wachtdienst door beide instanties.

De Nationale Raad is van oordeel dat – in het belang van het goed functioneren van de wachtdiensten – de onderscheiden bevoegdheden van en tussen alle betrokken partijen op een logische, complementaire en coherente wijze dienen te worden toegepast.

Indien zou blijken dat er onduidelijkheden zijn omtrent onderlinge bevoegdheden, dan is collegiaal overleg en dialoog de aangepaste weg om die problemen op te lossen. Aanvullend wetgevend werk is noodzakelijk om aan de bestaande onduidelijkheden, in het bijzonder in het art. 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, te verhelpen.

Huisarts21/04/2007 Documentcode: a116006
Wachtdienst voor huisartsgeneeskunde

Op 11 september 2006 nodigt de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de Nationale Raad uit voor een ontmoeting betreffende de problemen inzake de wachtdiensten huisartsgeneeskunde.

Op de agenda stonden volgende punten :
“Eerstelijnsgeneeskunde. Hoe de toekomst te verzekeren ?

  1. Stand van zaken en problemen in het veld.

    1. Tekort aan zorgverstrekkers
      • Welke rechtsmiddelen kunnen ingezet worden tegen een arts die geen prestaties verricht ?
      • Ongeschiktheidsattest
      • Tekort aan actieve artsen
    2. De medico-legale problemen
      • Verplichting zich te verplaatsen
      • Doorverwijzing naar MUG, zonder consult
      • Gelijktijdige oproepen
    3. Veiligheid
  2. Welke toekomst

    1. Andere organisatie van de wachtdienst/Wachtdienstplan per Kring/Verantwoordelijkheid van de Kringen
    2. Toepassing van de nieuwe erkenning
    3. Coördinatie tussen de provinciale geneeskundige commissies, de Ordes van geneesheren, de Federale Raad voor de Huisartsenkringen.”

    Op 18 januari 2007 heeft een onderhoud plaats van een delegatie van de Nationale Raad met de adviseur huisartsgeneeskunde van de Strategische Cel van R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Op basis van het verslag van deze vergadering bepaalt de Nationale Raad zijn standpunt inzake de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde.

Advies van de Nationale Raad :

1. Noodzaak van een huishoudelijk reglement dat onder meer de wijze vastlegt waarop een huisarts uitgesloten kan worden alsook de maatregelen die genomen kunnen worden ten overstaan van een arts die weigert deel te nemen aan de wachtdienst. Het huishoudelijk reglement van de wachtdienst geldend voor de ganse huisartsenzone van de huisartsenkring wordt ter goedkeuring overgemaakt aan de provinciale raad van de Orde van geneesheren en ter kennisgeving aan de Provinciale Geneeskundige Commissie (en aan de FOD Volksgezondheid in het geval van erkende huisartskringen).

2. In alle regio’s met huisartsenkringen zijn deze verantwoordelijk voor de organisatie van de wachtdienst. Tevens zijn zij de enige gesprekspartners hieromtrent, zowel ten aanzien van de Orde der geneesheren als van de Provinciale Geneeskundige Commissie. De huisartsenkring kan deze verantwoordelijkheid delegeren aan één van zijn leden, die verantwoordelijk is voor een wachtdienstonderdeel of voor de gehele huisartsenkring.

3. De Provinciale Geneeskundige Commissies dienen erop toe te zien dat aan de behoefte van de wachtdienst voldaan is. De werkingwijze en de interne organisatie van deze wachtdienst vallen (volgens het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen) onder de uitsluitende bevoegdheid van de huisartsenkringen.

4.Zorgverstrekking.
De wachtdienst voor huisartsgeneeskunde is er om de gezondheidszorg van de huisartsgeneeskunde te waarborgen. De verplichting om deel te nemen aan de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde slaat op ALLE huisartsen.

5.Uitsluiting op initiatief van de huisartsenkring of vrijstelling van een huisarts van de wachtdienst :

  1. De uitsluiting of vrijstelling kan gebeuren op grond van onder meer gezondheidsproblemen, leeftijd, familiale of sociale problemen, of geschiktheid. De huisartsenkring die verantwoordelijk is voor de goede organisatie van de wachtdienst dient toe te zien op de kwaliteit van de zorgverstrekking (zie advies van de Nationale Raad van 15 juli 2006 omtrent de vrijstelling die bepaald moet worden door de algemene vergadering).
  2. Procedure :
    1. Indien een huisarts om vrijstelling vraagt dient hij zijn gemotiveerde aanvraag in bij de huisartsenkring. Indien de huisartsenkring uitsluiting overweegt dienen de motieven hiervoor aan de huisarts medegedeeld te worden.
    2. De betrokken huisarts wordt gehoord. De gemotiveerde beslissing van de huisartsenkring wordt genomen op de in het huishoudelijk reglement vastgelegde wijze.
    3. De beslissing van de huisartsenkring wordt medegedeeld aan de betrokken huisarts, de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren en de Provinciale Geneeskundige Commissie.

6.Weigering om deel te nemen aan de wacht.
In geval van weigering deel te nemen aan de voor iedere huisarts verplichte wachtdienst brengt de huisartsenkring de Provinciale Raad van de Orde van geneesheren op de hoogte, die de zaak deontologisch zal beoordelen en ook de Provinciale Geneeskundige Commissie die het geschil zal beslechten.

7.Hoe omgaan met een oproep tijdens de wachtdienst ?

  1. Wat de kwaliteit van zorgverstrekking betreft verdient het aanbeveling dat de patiënt die zich kan verplaatsen zich aanmeldt in het kabinet van de huisarts met wachtdienst.
  2. Indien de patiënt zich niet kan verplaatsen en mits dezes uitdrukkelijke vraag dient de huisarts zich ter plaatse te begeven.

8.Organisatie van de wachtdienst.
Moeilijkheden in verband met de organisatie van de wachtdiensten waaronder regio’s met een tekort aan huisartsen, dienen voor beslechting overgelegd te worden aan de Provinciale Geneeskundige Commissie.

Methadone16/07/2005 Documentcode: a110003
Koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen

Brief aan de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

In zijn vergadering van 16 juli 2005 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren het koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen. Bij deze bespreking baseerde de Nationale Raad zich vooral op de verslagen van de vergaderingen van een door de Nationale Raad samengestelde commissie waarbij een beroep werd gedaan op externe deskundigen (1).

Voortgaande op deze verslagen meent de Nationale Raad dat het koninklijk besluit in deze moeilijke materie een belangrijke stap in de goede richting zet die rekening houdt met de verschillende in België bestaande wijzen van hulpverlening aan heroïnegebruikers die met vervangingsmiddelen behandeld worden. Dit neemt niet weg dat omtrent de toepassingsmodaliteiten van het besluit bepaalde vragen blijven bestaan.

Het is duidelijk dat alle artsen die patiënten met vervangingsmiddelen behandelen moeten geregistreerd zijn bij een centrum of een netwerk voor opvang van drugsgebruikers of bij een gespecialiseerd centrum (artikel 2, §2, eerste lid). Deze centra dienen aan de bevoegde Provinciale Geneeskundige Commissie en aan het Instituut voor Farmaco-epidemiologie van België de lijst over te maken van de artsen die bij hen geregistreerd zijn en die beantwoorden aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2. De commissie en met haar de Nationale Raad zijn van mening dat het niet volstaat aan de verplichtingen van artikel 2 te beantwoorden op het ogenblik van registratie maar dat het noodzakelijk is aan de verplichtingen die uit artikel 2 voortvloeien te blijven voldoen (continue opleiding, deelname aan specifieke activiteiten, behandelen conform de geldende wetenschappelijke aanbevelingen, medisch dossier conform bepalingen bijhouden enz).

Naar verluidt zouden sommige artsen echter slechts één enkele patiënt met methadone behandelen. De Nationale Raad kan aanvaarden dat die artsen niet aan alle voorwaarden van artikel 2 dienen te voldoen, maar vindt het wel fundamenteel dat zij op regelmatige tijdstippen omtrent de behandeling dienen te overleggen met een arts die wel geregistreerd is en aan de voorwaarden als bepaald in artikel 2 voldoet.

De wijze waarop de verdere naleving van de verplichtingen van artikel 2 dient nagegaan te worden is niet duidelijk. Sommigen menen dat de centra die een arts registreren ook dienen na te gaan of hij de verplichtingen waartoe hij zich verbond blijft naleven en desgevallend zijn registratie horen in te trekken, terwijl anderen denken dat de centra geen toezichtopdracht hebben en zeker niet aansprakelijk kunnen gesteld worden als één van de bij hen geregistreerde artsen in de fout gaat. De Nationale Raad meent dat er duidelijkheid rond de aansprakelijkheid nodig is zodat elkeen die direct of indirect betrokken is bij de behandeling met vervangingsmiddelen zijn plichten en de daaruit voortvloeiende rechten en consequenties kent. De Nationale Raad vraagt zich trouwens af of de Provinciale Geneeskundige Commissies niet kunnen belast worden met het toezicht en eventuele sancties en de centra enkel een meldingsplicht hebben aan de Provinciale Geneeskundige Commissies indien zij vaststellen dat de voorwaarden van artikel 2 door een bij hen geregistreerd arts niet nageleefd worden.

De Nationale Raad meent dat de commissie terecht de aandacht vestigt op artikel 7 waarin bepaald wordt dat de voorschrijvende arts van de essentiële bepalingen van artikel 6 kan afwijken indien de medische of psycho-sociale toestand van de patiënt dit rechtvaardigen. Deze bepaling ontkracht grotendeels de inhoud van artikel 6. Zowel de commissie als de Nationale Raad is van mening dat het noodzakelijk is minstens als bijkomende voorwaarde te stellen dat de behandelende arts verplicht is in het medisch dossier van de drugsverslaafde de motivering voor een afwijkende wijze van aflevering en bediening te vermelden. De Nationale Raad zal deze regel in ieder geval opnemen in de Code van geneeskundige plichtenleer maar meent dat het belangrijk is dat het koninklijk besluit in die zin zou worden aangevuld.

Tenslotte is de Nationale Raad zo vrij u als bijlage een aantal onnauwkeurigheden in de tekst en enkele opvallende verschillen tussen de Franstalige en Nederlandstalige tekst over te maken.

(1) Samenstelling commissie: prof. drs. Ansoms, Ansseau, Casselman, Legein, Pelc, Van Bouchaute en Robinet als deskundigen en dokters Uyttendaele, Joset, Kesteloot en Coenen namens de Nationale Raad.
Geneeskunde (Arbeids-)15/02/2003 Documentcode: a100005
Arts besmet met hepatitis C - Advies van de Nationale Raad van 21 september 2002

Arts besmet met hepatitis C – Advies van de Nationale Raad van 21 september 2002

Een advocaat, die wordt geraadpleegd door een met hepatitis C besmette arts in een geschil met de directie van het ziekenhuis waarin deze arts werkzaam is, stelt vier bijkomende vragen bij het advies dat de Nationale Raad op 21 september 2003 over deze materie uitbracht (Tijdschrift Nationale Raad nr. 98, december 2002, p. 7) :

  1. Beslist een arts besmet met hepatitis C niet vrij of hij aan de arbeidsgeneesheer dan wel aan de hoofdgeneesheer zijn verklaring zal afleggen ?
  2. De bescherming van de medische gegevens van de betrokken arts is krachtens artikel 59, §2, van de Code van geneeskundige plichtenleer gewaarborgd wanneer deze zich richt tot de arbeidsgeneesheer, maar is deze niet totaal onbestaande wanneer hij de verklaring aflegt aan de hoofdgeneesheer ?
  3. Mag de over de besmetting ingelichte hoofdgeneesheer van de betrokken arts eisen dat deze zijn volledig medisch dossier voorlegt ?
  4. Behoort het, in geval van betwisting, niet tot de provinciale geneeskundige commissie uitspraak te doen over de geschiktheid van een beoefenaar van de geneeskunde ?

Advies van de Nationale Raad :

  1. De beoefenaar die besmet is met het hepatitis C-virus dient zijn spontane verklaring af te leggen aan de arbeidsgeneesheer. Gesteld dat de arts die lijdt aan een besmettelijke aandoening, door zijn statuut, niet onderworpen is aan de controle van een arbeidsgeneesheer, dan moet hij de verklaring afleggen aan de hoofdgeneesheer die belast is met de bevordering van de ziekenhuishygiëne.
  2. In dat laatste geval is het niet exact te stellen dat de bescherming van de besmette geneesheer helemaal onbestaande is. De hoofdgeneesheer blijft onderworpen aan de regels betreffende het beroepsgeheim van de arts.
  3. De hoofdgeneesheer is niet de arts die de patiënt behandelt en is bijgevolg niet gerechtigd te eisen dat deze laatste zijn medisch dossier voorlegt.
  4. In voorkomend geval (zie artikel 11 van het koninklijk besluit van 17 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werking van de geneeskundige commissies) behoort het tot de bevoegdheid van de provinciale geneeskundige commissies zich uit te spreken over de fysieke of psychische geschiktheid van een beoefenaar. Hiertoe vraagt de provinciale geneeskundige commissie aan de Nationale Raad van de Orde van geneesheren een college van deskundigen aan te stellen om de arts te onderzoeken en verslag uit te brengen aan de commissie.
Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)01/02/2003 Documentcode: a100002
Wachtdienst - Wederzijdse taken van de provinciale geneeskundige commissies en van de provinciale raden

Wachtdienst – Wederzijdse taken van de provinciale geneeskundige commissies en van de provinciale raden

Naar aanleiding van stakingen van wachtdiensten in de huisartsgeneeskunde vraagt de voorzitter van een provinciale geneeskundige commissie verduidelijking bij de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen (B.S. 6 februari 1999) meer bepaald wat de nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake de wachtdiensten betreft (artikel 189 van de Sociale Programmawet tot wijziging van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967). In zijn aanbeveling aan de provinciale raden van 19 juni 1999 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 86, december 1999, p. 13) pleit de Nationale Raad voor een "trapsgewijze aanpak" waarbij de provinciale raad, conform artikel 117 van de Code van geneeskundige plichtenleer, "in eerste instantie de inzake wachtdiensten ontstane geschillen zou trachten op te lossen en dat slechts in geval van onmogelijkheid hiertoe de provinciale geneeskundige commissie zou worden ingeschakeld".
De betrokken provinciale geneeskundige commissie vraagt of deze aanbeveling geldt voor alle geschillen van enig belang inzake wachtdiensten en in het bijzonder bij een officiële aankondiging van een totale staking.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 1 februari 2003 uw vragen betreffende de interpretatie die dient te worden gegeven aan de zin “geschillen inzake wachtdiensten” in zijn advies van 24 maart 1999. Dit advies was een gevolg van de wetswijziging van 25 januari 1999 - bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 februari daaropvolgend - betreffende de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies, in het bijzonder inzake wachtdiensten voor de bevolking (artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967).

Deze vraag kadert in een stakingsactie van de weekendwachtdiensten die ontketend werd door representatieve beroepsverenigingen van de beoefenaars – in de zin van het voornoemde besluit – of groeperingen die opgericht zijn met het doel een regelmatige en normale toediening van de gezondheidszorg te waarborgen.

Het is zinvol eraan te herinneren dat in lid 1 van § 2 van dit artikel 9 bepaald wordt dat wanneer deze groeperingen gebruik maken van de vrijheid die hun toegekend wordt om een wachtrol op te stellen binnen hun werkingsgebied, ze deze rol moeten meedelen aan de geneeskundige commissie van hun ambtsgebied. Deze laatste bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten, controleert de werking ervan, is bevoegd om de huishoudelijke reglementen ervan goed te keuren en om eventuele geschillen die ermee verband houden te beslechten.
In de tweede paragraaf van ditzelfde artikel wordt bepaald dat wanneer met betrekking tot de wachtdiensten regelen zijn vastgesteld in de Code van plichtenleer die door de Nationale Raad van de Orde is uitgewerkt en waaraan de Koning bindende kracht heeft verleend, de commissie daarnaar verwijst bij de uitvoering van de voornoemde opdrachten.

Naar aanleiding van de door de wetgever in januari 1999 aangenomen wetswijzigingen die hierboven beschreven werden en die de provinciale geneeskundige commissies machtigen om de huishoudelijke reglementen goed te keuren en de geschillen inzake wachtdiensten te beslechten en daar tot op heden geen bindende kracht bij wet werd verleend aan de Code van plichtenleer, heeft de Nationale Raad een “gentlemen's agreement” voorgesteld met het oog op een vlotte samenwerking met de provinciale geneeskundige commissies.
In verband met het huishoudelijk reglement stelt hij voor dat de provinciale raden in de eerste plaats nagaan of het in overeenstemming is met de deontologische regels en de nodige aanpassingen suggereren. Vervolgens vraagt hij dat de verantwoordelijke(n) van deze diensten dit reglement ter goedkeuring voorleg(t)gen aan de bevoegde provinciale geneeskundige commissie en er het advies van de provinciale raad bijvoegt(en).

Wat de geschillen inzake wachtdiensten betreft, vond de Nationale Raad het aangewezen dat de provinciale raad in eerste instantie probeert deze geschillen op te lossen alvorens de provinciale geneeskundige commissie tussenbeide komt.
Deze modus vivendi, zonder wettelijk bindende kracht, werd blijkbaar gunstig onthaald door de meeste partijen.

Wel wou de Nationale Raad niet afwijken van de bepalingen van hoofdstuk III van zijn Code. Tot staving hiervan volstaat het te verwijzen naar de talrijke geschillen, betwistingen en klachten die iedere provinciale raad heeft moeten behandelen, bijleggen, oplossen of sanctioneren met heel veel moeite maar meestal met succes. Voor de leden van de raden die hun best gedaan hebben om oplossingen aan te dragen, kan het dan ook zeer demotiverend overkomen te zien dat hun werk dat ze met veel inspanningen en zelfs met verbetenheid verricht hebben, wordt afgedaan als “minder belangrijk en alledaags”.

Wat uw concrete vraag betreft, is het duidelijk dat er geenszins sprake is van het beslechten van een, zelfs zeer belangrijk, geschil binnen de organisatie van een wachtdienst. Wel moet men zich zorgen maken over de gevolgen van een onvoorwaardelijk in de steek laten van de dienst, van een radicale weigering om mee te werken aan een door de wet opgelegde maatschappelijke opdracht. Wij worden hier geconfronteerd met een geval van tekortkoming zoals gepreciseerd in lid 3 van § 2 van het bovenvermelde artikel 9.

Ten aanzien van de huidige situatie en zonder uitsluiting van overleg tussen iedere provinciale raad en de geneeskundige commissie van zijn ambtsgebied om naar de meest constructieve manier van samenwerking te zoeken, kunnen wij alleen maar vaststellen dat een dergelijke denkbeeldige situatie dus volledig buiten het voormelde gentlemen's agreement valt.

Deze bewering betekent helemaal niet dat de Orde houdingen die een gevaar kunnen inhouden voor de patiënten probeert te ontlopen, integendeel !
Zij maakt van uw vraag gebruik om eraan te herinneren en te beklemtonen dat iedere arts deontologisch verplicht is de nodige maatregelen te nemen om de continuïteit van de zorg te verzekeren en mogelijk te maken dat dringende oproepen worden beantwoord.

Wij hopen hiermee het gestelde probleem duidelijk opnieuw afgelijnd te hebben.

Arts (Buitenlandse-) (EU en andere)16/12/2000 Documentcode: a091011
Inschrijving op de Lijst van een arts, niet-Europees onderdaan, met een Europees diploma

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren stelt vast dat het soms misloopt met de toekenning van het recht de geneeskunde in België uit te oefenen aan buitenlandse artsen, andere dan Europese onderdanen.

Artikel 49bis van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies handelt over deze artsen en stelt onder meer dat zij in België "hun beroep pas kunnen uitoefenen nadat zij hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in dit besluit, vervuld hebben".

Om misverstanden te voorkomen zou het goed zijn dat de Provinciale Geneeskundige Commissies aan deze artsen slechts een visum zouden verstrekken nadat ook de toelating van de Koning werd voorgelegd. Het gebeurt immers dat deze artsen zich met een visum van de Provinciale Geneeskundige Commissie voor inschrijving bij een provinciale raad aanmelden zonder dat zij de hogervermelde toelating hebben.

Kopie van deze brief wordt overgemaakt aan de provinciale raad die de vraag aan de Nationale Raad voorlegde.

(1) KB van 6 februari 1970, BS van 14 februari 1970.
Art. 21, § 1 :De aanvraag tot inschrijving op de Lijst van de Orde wordt gericht aan de voorzitter van de provinciale raad van de woonplaats van de aanvrager.
Volgende stukken worden bij deze aanvraag gevoegd :
1. Het wettelijk of ermede gelijkgesteld diploma van doctor in de genees-, heel en verloskunde of het bewijs van vrijstelling, door de bevoegde geneeskundige commissie geviseerd.
2. Een verklaring van de aanvrager waarin hij de plaats aanduidt waar hij zijn voornaamste bedrijvigheid uitoefent of zal uitoefenen.
3. Een getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat van niet meer dan drie maanden terug gedagtekend is.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)19/06/1999 Documentcode: a086004
Wachtdiensten - Nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies Mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv

Wachtdiensten - Nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies
Mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv

Op 24 maart 1999 vestigde de Nationale Raad de aandacht van de provinciale raden op de in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 1999 bekendgemaakte wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, waarin een aantal artikels voorkomen die de artsen en de Orde der geneesheren aanbelangen.
De provinciale raden werden uitgenodigd de vragen die zich in verband met deze wet stelden voor te leggen aan de Nationale Raad.
De desomtrent door de provinciale raden gestelde vragen hadden betrekking op twee onderwerpen:

  1. De nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake de wachtdiensten (artikel 189 van de sociale programmawet tot wijziging van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967);
  2. de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv (artikel 144 van de sociale programmawet tot wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).

Over dit laatste onderwerp ontving de Nationale Raad op 14 april 1999 een schrijven van de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv, met het verzoek de provinciale raden van de Orde der geneesheren op de hoogte te brengen van de nieuwe wettelijke bepalingen "met het oog op een verdere goede samenwerking en teneinde nodeloze vragen of briefwisseling te voorkomen".

Aanbeveling van de Nationale Raad aan de provinciale raden:

I. Wat de wachtdiensten betreft (artikel 189 sociale programmawet).

Krachtens de nieuwe wettelijke bepalingen moeten de representatieve beroepsverenigingen van artsen, tandheelkundigen, apothekers en kinesitherapeuten, of de te dien einde opgerichte groeperingen, aan de bevoegde geneeskundige commissie het huishoudelijk reglement van de wachtdienst ter goedkeuring voorleggen.

Artikel 116, tweede lid, van de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt dat de werkingsmodaliteiten van de wachtdiensten aan de provinciale raad dienen te worden medegedeeld.

In dit verband is te verwijzen naar de adviezen van de Nationale Raad van 16 februari 1980 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 28, p. 48), 17 juni 1995 (Tijdschrift , nr. 69, p. 28), 12 december 1998 (wordt gepubliceerd in het Tijdschrift nr. 84, juni 1999).

Het vermelde advies van 1980 bepaalt dat "elk huishoudelijk reglement van de wachtdienst vooraf aan de provinciale raad (moet) worden voorgelegd", in het advies van 1998 achtte de Nationale Raad het "noodzakelijk dat elke groep aan zijn provinciale raad zijn werkings- of deelnameregels of -reglementen voorlegt aangezien de raden van de Orde de organisatie van de wachtdiensten dienen na te gaan op deontologisch vlak, losstaand van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake behoeftebepaling en de werking van de wachtdiensten".

Rekening houdend met de vermelde wettelijke en ordinale voorschriften en door de Nationale Raad uitgebrachte adviezen, is de Nationale Raad van mening dat met het oog op eenvormigheid de volgende werkwijze aan te bevelen is :

  • eerste fase : het huishoudelijk reglement van de wachtdienst wordt overgemaakt aan de bevoegde provinciale raad die de betrokken geneesheren adviseert en zo nodig de gewenste aanpassingen nastreeft;
  • tweede fase : de betrokken wachtdienst maakt het huishoudelijk reglement ter goedkeuring over aan de bevoegde provinciale geneeskundige commissie met toevoeging van het advies van de provinciale raad.

Een zelfde trapsgewijze aanpak is verkieslijk wat geschillen inzake wachtdiensten betreft.
Waar artikel 117 van de Code van geneeskundige Plichtenleer de provinciale raad aanwijst als regelaar van geschillen inzake wachtdiensten, krijgt de geneeskundige commissie als nieuwe bevoegdheid geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.

Deze twee bepalingen staan mekaar niet in de weg : het is aangewezen dat de provinciale raad, die wat de deontologie betreft de aangewezen beoordelaar is, in eerste instantie de inzake wachtdiensten ontstane geschillen zou trachten op te lossen en dat slechts in geval van onmogelijkheid hiertoe de provinciale geneeskundige commissie zou worden ingeschakeld.

Deze beide - huishoudelijk reglement en geschillen - voorgestelde regelingen zullen de vlotte werking van de wachtdiensten en de verhouding ervan met de provinciale raden zeker ten gunste komen, terwijl zij geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies.

De Nationale Raad is van mening dat het aangewezen is dat desomtrent door elke provinciale raad met de geneeskundige commissie van zijn provincie overleg wordt gepleegd om tot de meest constructieve samenwerkingsregeling te komen. De Nationale Raad verzoekt U hem omtrent zich daarbij stellende problemen te willen inlichten teneinde hem toe te laten in voorkomend geval helpend tussen te komen.

II. Wat het overmaken van disciplinaire beslissingen aan het Riziv betreft (artikel 144 sociale programmawet).

Sinds de inwerkingtreding van het artikel 144 van de sociale programmawet, houdende wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan de Dienst voor geneeskundige controle, indien hij tijdens zijn onderzoeken bepaalde feiten op het spoor komt die de tuchtrechtelijke instanties kunnen aanbelangen bij het toezicht waarmede zij belast zijn, deze feiten bij die tuchtrechtelijke instanties aanklagen.

Anderzijds zijn de tuchtrechtelijke instanties verplicht de Dienst voor geneeskundige controle op de hoogte te brengen van de definitieve beslissingen (disciplinaire beslissingen van de provinciale raden die niet meer vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep en beslissingen van de raden van beroep die niet meer vatbaar zijn voor verzet of voorziening in cassatie) die zij hebben uitgesproken met betrekking tot feiten die de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen schade hebben toegebracht : "de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde der geneesheren delen in het bijzonder aan de voormelde dienst de straffen mee die werden uitgesproken wegens misbruiken van de diagnostische en therapeutische vrijheid".

De nieuwe wettelijke regeling vereist herziening van de adviezen van de Nationale Raad van 22 maart 1997 (Tijdschrift nr. 78, p. 16) en van 21 maart 1998 (Tijdschrift nr. 80, p. 30) inzake het niet-mededelen van disciplinaire beslissingen aan het Riziv.

De Nationale Raad is van mening dat het aangewezen is aan de Dienst voor geneeskundige controle mededeling te doen van alle disciplinaire beslissingen die voor het Riziv enig belang kunnen vertonen, met uitzondering van zaken aangebracht door het Riziv waarbij deze duidelijk te kennen geeft geen belangstelling te hebben voor het verder aan de zaak gegeven gevolg. Mededelingen omtrent zaken die niet door het Riziv werden aangebracht dienen anoniem te gebeuren.

Hierbij is op te merken dat de nieuwe bepalingen slechts gelden voor de vanaf de inwerkingtreding van de sociale programmawet definitief genomen disciplinaire beslissingen, dit is vanaf 16 februari 1999 (tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad).

Een kopie van de aanbeveling van de Nationale Raad in verband met de mededeling van disciplinaire beslissingen aan het Riziv (punt ll) wordt overgemaakt aan de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv.