keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim10/10/1987 Documentcode: a039002
Minimale verpleegkundige gegevens

De Nationale Raad wordt om advies verzocht m.b.t. het deontologisch aspect van bepaalde statistische gegevens die door de verpleegkundigen aan de Minister van Volksgezondheid moeten worden medegedeeld. In artikel 2 van het koninklijk besluit houdende bepaling van de regels volgens dewelke bepaalde statistische gegevens moeten worden medegedeeld aan de Minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid en waarin sub 3, de aan de verpleegkundige gevraagde patiëntengegevens worden opgesomd, staat met name vermeld: "de hoofddiagnose (ICD‑9‑CM op 3 cijfers) en de complicaties (nevendiagnoses, geen nevendiagnoses, onbekend)".

De Nationale Raad heeft reeds eerder geantwoord dat zijn op 16 mei 1987 uitgebracht advies m.b.t. de "minimale klinische gegevens" (cfr Tijdschrift nr 37‑sept. 1987) eveneens van toepassing is op de "minimale verpleegkundige gegevens". Er werd echter geen afdoende antwoord gegeven op de vraag of de diagnose door de verpleegkundige kan worden medegedeeld.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat het niet aan de verpleegkundige toekomt om een diagnose te stellen of een diagnose mede te delen.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat zijn op 16 mei 1987 uitgebracht advies m.b.t. de minimale klinische gegevens tevens van toepassing is op de minimale verpleegkundige gegevens.

Op de vraag of verpleegkundigen de hoofddiagnostiek (ICD‑9‑CM op 3 cijfers) mogen stellen, antwoordt de Nationale Raad ontkennend.
Krachtens de wet (cfr artikel 2 van het KB nr 78 van 10 november 1967) zijn namelijk alleen geneesheren bevoegd een diagnose te stellen. Bijgevolg mogen de sub punt 3 gevraagde patiëntengegevens, meer bepaald: "hoofddiagnose (ICD‑9‑CM op 3 cijfers) en complicaties (nevendiagnoses, geen nevendiagnoses, onbekend)" slechts door een arts worden medegedeeld

Beroepsgeheim16/05/1987 Documentcode: a037018
Minimale klinische gegevens

Onderstaand document is een nota opgesteld door de Provinciale raad van Brabant met het Frans als voertaal, die op 16 mei 1987 door de Nationale Raad werd goedgekeurd.

Doel van een minimaal klinisch verslag

Het doel lijkt erin te bestaan de activiteiten van het ziekenhuis en de daaruit voortvloeiende uitgaven te onderzoeken rekening houdend met de aldaar behandelde ziekten en de categorieën van patiënten.
Het minimaal klinisch verslag wordt op basis van een nominatief dossier samengesteld en bevat derhalve administratieve informatie die gewoonlijk door de administratieve dienst van de verzorgingsinstelling wordt ingewonnen en medische informatie die onder medische verantwoordelijkheid wordt verzameld en slechts voor medici toegankelijk is.

Categorieën van opgeslagen informatie

  1. Informatie betreffende de identiteit van de patiënten:
    naam, voornaam, geboortedatum, geboorteplaats, adres, ziekenhuisverplegingsnummer...
  2. Andere informatie:
    geslacht, duur van de ziekenhuisverpleging, diagnose, toegepaste technieken, behandeling...

Beide informatiebestanden die meestal onder medische verantwoordelijkheid worden samengesteld en slechts voor medici toegankelijk zijn, moeten gescheiden blijven. De minimale klinische gegevens bestemd voor de beleidsinstanties van volksgezondheid mogen geenszins informatie bevatten betreffende de identiteit van de patiënt.

De volledige informatie mag, zoals voor het medisch dossier geldt, uitsluitend worden overgemaakt aan de geneesheren die aan de patiënten medische zorgen verlenen.

Aan elk minimaal klinisch verslag wordt een volgnummer of een lukraak nummer (aleatoire tabel) toegekend. In geen geval mag melding worden gemaakt van het administratief nummer, het opnamenummer of enig ander register.

Samengevat mogen in het minimaal klinisch verslag worden vermeld:

  • het ziekenhuis‑ en ziekenhuisdienstnummer
  • het geslacht van de patiënt
  • het geboortejaar
  • de duur van het verblijf
  • de wijze van opname of ontslag
  • de diagnoses
  • de speciale en technische behandelingen

Mogen in het minimaal klinisch verslag niet worden vermeld:

  • het administratief nummer
  • het ziekenhuisverplegingsnummer
  • het nummer van het nationaal register, enz.
  • de naam
  • de voornaam
  • de geboortedatum
  • de geboorteplaats
  • de woonplaats
  • de datum van opname in en ontslag uit het ziekenhuis
  • de data van de ingrepen, behandelingen, technische handelingen.

Gegevensopslagsysteem

Ook al bevat het minimaal klinisch verslag anonieme informatie, toch is het gegevensopslagsysteem niet anoniem. Het moet een systeem zijn dat de medische zwijgplicht waarborgt.

De arts verantwoordelijk voor de medische databank moet het vertrouwen genieten van de medische raad en zijn naam moet aan de Provinciale raad van de Orde der geneesheren worden medegedeeld. Bedoelde arts stelt zich garant voor het vertrouwelijk karakter van de gegevens.

In de verzorgingsinstellingen worden medische gegevens en meer bepaald diagnostische gegevens verzameld onder de verantwoordelijkheid van de behandelende geneesheer van de patiënt. Laatstgenoemde maakt enkel anonieme stukken aan de administratie over. Om organisatorische redenen mag hij de stukken aan de geneesheer verantwoordelijk voor de minimale klinische gegevens overmaken welke naderhand door hemzelf aan de administratieve ziekenhuisdienst worden bezorgd. De geneesheer‑verantwoordelijke voor de medische databank moet zorgen voor de identificatie van de anonieme minimale klinische verslagen via bijvoorbeeld, een volgnummer en een lukraak nummer. De geneesheer verantwoordelijk voor de medische databank zal de gedetailleerde beschrijving van het gegevensopslagsysteem bijwerken en de uitwisseling van die informatie in zijn verzorgingsinstelling bijhouden.

De toegang tot de medische dossiers geschiedt eveneens onder toezicht van de geneesheer‑verantwoordelijk voor de medische databank. Elke gebruiker moet worden geïdentificeerd en gecontroleerd. De lijst van de personen (geneesheren) met toegang tot de bestanden, moet worden opgemaakt en bijgewerkt.

Het personeel van de dienst informatica (codering, enz...) is rechtstreeks ondergeschikt aan de geneesheer‑verantwoordelijke voor de medische databank en bij arbeidscontract aan artikel 458 van het Strafwetboek onderworpen.

De behandelende geneesheer blijft in alle omstandigheden verantwoordelijk voor de dossiers.

Beroepsgeheim10/08/1985 Documentcode: a034007
Registratie medische gegevens

Een provinciale raad vraagt of de geneesheren van een ziekenhuis mogen participeren aan het experiment van de registratie der minimale klinische gegevens in de algemene ziekenhuizen en geprogrammeerd door de studiedienst van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
Onder de minimale klinische gegevens vallen naam, voornamen en adres van de patiënt, diagnose bij de opname en diagnose blj het verlaten van de instelling.

Na een uitgebreide beraadslaging op zijn vergadering van 10 augustus 1985, beslist de Nationale Raad die op 30 april 1985 al op een analoge vraag had geantwoord in verband met universitaire ziekenhuizen, aan alle medische raden van de ziekenhuisinstellingen volgende circulaire te richten:

De Nationale Raad werd om advies verzocht in verband met de vraag of de geneesheren van een ziekenhuis mogen participeren aan het experiment van de registratie der minimale klinische gegevens in de algemene ziekenhuizen zoals geprogrammeerd door de studiedienst van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.

De Nationale Raad is van oordeel dat zowel voor de universitaire ziekenhuizen als de algemene niet‑universitaire ziekenhuizen geldt, dat het verstrekken van minimale en identificeerbare klinische gegevens in het belang van de patiënt, slechts mag gebeuren om diagnostische of therapeutische redenen.

De koppeling van de persoonlijke gegevens van de patiënt en de louter administratieve gegevens, die een gevaarlijke verwarring kan scheppen, is door de Nationale Raad eveneens formeel verboden.

Beroepsgeheim11/05/1985 Documentcode: a033034
Medische registratie - Nieuwe richtlijnen

Medische registratie

Ingevolge de herhaalde verzoeken om advies die de Nationale Raad van verschillende kanten ontving in verband met het vermelden van medische gegevens in dossiers die volgens de nieuwe richtlijnen bestemd zijn voor de medische registratie, heeft de Nationale Raad een commissie belast met het onderzoek van deze aangelegenheid.

Nadat in de vergadering van 11 mei 1985, het rapport van de commissie uitgebreid werd besproken, heeft de Nationale Raad onderstaand commentaar gericht aan Minister DEHAENE van Sociale Zaken.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren wordt vanuit verschillende hoeken van het land, bij herhaling om advies verzocht naar aanleiding van de problemen die de artsen ondervinden bij het vermelden van medische gegevens in dossiers bestemd voor een verdere rationalisatie en algemene organisatie van de zorgenverlening in ons land.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen die verband houden met de manier waarop medische informatie wordt samengebracht, blijkt dat een gevaarlijke vermenging dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Door een onvoldoende scheiding tussen beide, is het mogelijk via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Bij nadere lezing van onderstaande ontwerpen van koninklijke besluiten, lijkt nog meer reden tot ongerustheid te bestaan in verband met een aantal problemen van medisch beroepsgeheim.

1. Krachtens het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 5, lid 2, en van artikel 8, lid 1, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt o.m. aan vijf landsbonden toegang verleend tot de informatie van bedoeld Rijksregister.
Verder worden bij dit ontwerp tevens verschillende natuurlijke‑ en rechtspersonen (o.a. Iandsbonden, ziekenfondsen, verzorgingsinstellingen, tarificatiediensten) gemachtigd gebruik te maken van het identificatienummer van het Rijksregister onder welbepaalde voorwaarden en binnen bepaalde perken.

2. Het ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van artikelen 6 en 7 van diezelfde wet van 8 augustus 1983 regelt o.a. de verplichting voor de gemeenten om (in sommige gevallen kosteloos) de door de openbare overheid en de organismen met toegang tot het Rijksregister gevraagde gegevens, te verstrekken.

Vanaf het ogenblik dat de vermelde instellingen het recht hebben het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken voor de administratieve gegevens van hun aangeslotenen, wordt de kans zeer groot dat zij dat nummer ook zullen gebruiken voor de registratie van de medische en sociale gegevens waarover zij beschikken.

Daarnaast meent de Nationale Raad te weten dat in verschillende ziekenhuizen het identificatienummer van het Rijksregister voor het opslaan van de medische gegevens van de patiënten reeds wordt gebruikt of zal worden gebruikt.

Onder artikel 7, derde lid, van het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 5, tweede lid en van artikel 8, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, staat verder:

"Zijn geen derden voor de toepassing van het tweede lid: 3° de personen aan dewelke de kennisgeving van die informatie is opgelegd of noodzakelijk gemaakt voor de uitvoering van de verplichtingen die hun zijn toegewezen door of krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling."

De Nationale Raad is ten zeerste verontrust over de voor de hand liggende koppeling van de administratieve en medische gegevens van de patiënt in databanken die, via het identificatienummer, zeer gemakkelijk en snel voor een uitgebreid aantal organismen toegankelijk kunnen zijn.

Het is zonder meer duidelijk dat deze handelwijze de bescherming van de privacy, een essentieel kenmerk van onze samenleving, in het gedrang brengt en dit des te meer daar de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nog steeds in voorbereiding is. Hogervermelde ontwerpen van koninklijke besluiten bieden onvoldoende waarborgen tegen misbruiken en eventuele "lekken" die uiteraard neerkomen op een schending van het medisch geheim.

Uit de aan de Nationale Raad voorgelegde vragen in verband met het opslaan van de medische informatie in de ziekenhuizen, blijkt dat een gevaarlijk amalgaam dreigt te ontstaan tussen de "medische" en de "administratieve" gegevens. Indien geen duidelijkere scheiding komt tussen beide, zal het mogelijk zijn via administratieve gegevens toegang te krijgen tot medische informatie die onder het beroepsgeheim valt.

Het is bovendien niet ondenkbaar dat deze gegevens door bepaalde instellingen van openbaar nut tegen de wil in en buiten het weten om, ten nadele van de patiënt worden aangewend.

Zoals reeds opgemerkt in zijn brief van 20 juni 1984, is de Nationale Raad altijd voorstander geweest van een doorgedreven medisch‑wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken.

In dat schrijven wees de Nationale Raad er reeds op dat "zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, gegevens betreffende zieken slechts worden verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens".

De Nationale Raad wenst eens te meer Uw aandacht te vestigen op het feit dat, om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden moeten blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging.

De toegang tot en het gebruik van het nationaal identificatienummer door een uitgebreid aantal organismen vormen, in de huidige omstandigheden een reëel gevaar voor de schending van de privacy en het medisch geheim.

Deze opmerkingen lijken ons des te meer gegrond gelet op de talrijke voorbeelden van schending van het geheim in de diverse domeinen waar informatieverwerking systematisch wordt toegepast niettegenstaande de zogezegde degelijk ingebouwde beveiligingen.

Beroepsgeheim20/04/1985 Documentcode: a033031
Beroepsgeheim en medische registratie

Een provinciale raad van de Orde der geneesheren verzoekt de Nationale Raad om advies in verband met het medisch beroepsgeheim en de medische registratie.

In zijn vergadering van 20 april 1985 heeft de Nationale Raad als volgt geantwoord:

De Nationale Raad heeft Uw schrijven van 18 januari 1985 in goede orde ontvangen. Na beraadslaging op zijn vergadering van 20 april II., heeft de Raad gemeend als volgt op de door U gestelde vragen te kunnen antwoorden:

Vraag A: Welke gegevens mogen in de medische registratie in ziekenhuizen worden vermeld ?

Alle gegevens vermeld in de medische registratie zijn elementen vereist voor de medische verzorging van de patiënt. Bedoelde gegevens mogen worden medegedeeld voor zover gewaarborgd wordt dat zij binnen het ziekenhuis blijven.

Vraag B: Onder wiens verantwoordelijkheid dient die registratie te staan ?

Verantwoordelijkheid voor de registratie betekent o.i. de verantwoordelijkheid enerzijds, voor de aard van de opgeslagen gegevens en, anderzijds, voor de mededeling ervan. De hoofdgeneesheer van het ziekenhuis is verantwoordelijk voor de registratie.

Vraag C: Welke bijzondere voorzorgen dienen te worden genomen ter vrijwaring van het beroepsgeheim ?

Vooreerst dient er te worden aan herinnerd dat het medisch geheim van openbare orde is. Zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken, als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, mogen gegevens aangaande patiënten slechts worden medegedeeld met hun instemming en voor zover zij bestemd zijn voor een andere arts belast met de "vervollediging van de diagnose of de voortzetting van de behandeling" of nog, in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in bovenvermelde omstandigheden moet de mededeling tot de onmisbare gegevens beperkt blijven.

In antwoord op Uw vraag kan bijgevolg worden gesteld dat ter vrijwaring van het medisch beroepsgeheim, de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen tot bescherming van de medische gegevens, ten zeerste zijn aangewezen.

Beroepsgeheim20/04/1985 Documentcode: a033033
Medische registratie en universitaire ziekenhuizen

Een geneesheer werkzaam in een universitair ziekenhuis legt aan zijn provinciale raad een formulier voor dat per ingang van 1 januari 1985 in het kader van de medische registratie verplicht moet worden ingevuld voor elke patiënt die in een universitair ziekenhuis verbleef.

Aangezien in het voorgelegde formulier medische en administratieve gegevens worden dooreengemengd, rijzen vragen in verband met het medisch beroepsgeheim.

In zijn vergadering van 20 april 1985, formuleert de Nationale Raad onderstaand advies:

De Nationale Raad heeft op zijn vergadering van 20 april II., kennis genomen van Uw brief van 31 december 1984 met bijgaande formulieren.

Uit bedoelde documenten blijkt dat het hier eerder om een piloot‑studie zou gaan in het kader van een ziekenhuis.

In het voorgelegde formulier worden medische en administratieve gegevens dooreengemengd.

Documenten houdende medische gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim en mogen slechts worden medegedeeld met de instemming van de patiënt en voor zover zij bestemd zijn voor een andere arts belast met de "vervollediging van de diagnose of de voortzetting van de behandeling" of nog, in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in bovenvermelde omstandigheden moet de mededeling tot de onmisbare gegevens beperkt blijven.

Ingeval documenten met medische gegevens om andere dan de hierboven vermelde redenen worden medegedeeld, dient dit op volstrekt anonieme wijze te gebeuren.

Het voorgelegde ontwerp‑formulier waarborgt deze anonimiteit op generlei manier.

In verband met bedoeld ontwerp‑formulier dient nog te worden opgemerkt dat onder B. Onder verantwoordelijkheid van de hoofdverplefe)g(st)er en meer bepaald onder vraag 21: "lndien patiënt tijdens verblijf op de afdeling tekens van infectie vertoonde: wond - sepsis - urinair - pulmonair - ander; indien "ander" welke: ...", naar hoofdzakelijk medische gegevens wordt gevraagd die slechts kunnen worden ingevuld door een arts en niet onder de verantwoordelijkheid van verplegend‑ of paramedisch personeel.

Volgens de huidige stand van zaken, kan het voorgestelde formulier niet worden aanvaard, vooral wanneer het zou kunnen worden medegedeeld om andere dan zuiver diagnostische of therapeutische redenen in het belang van de zieke: de anonimiteit is niet gewaarborgd, de administratieve en medische gegevens zijn in eenzelfde document vervat, en bepaalde gegevens kunnen, gelet op het medisch karakter, slechts worden ingevuld door een arts en niet door verplegend‑ of paramedisch personeel.

Beroepsgeheim20/04/1985 Documentcode: a033032
Minimale klinische verslagen - Beroepsgeheim

Een ziekenhuisgeneesheer verzoekt zijn provinciale raad om uitleg in verband met het overmaken van minimale klinische verslagen.

Op 20 april 1985 verleende de Nationale Raad volgend advies ter zake:

De Nationale Raad is van oordeel dat de minimale klinische verslagen in werkelijkheid neerkomen op een medische registratie van medische gegevens. Bedoelde gegevens kunnen vanzelfsprekend in een dossier worden opgeslagen voor zover dat dossier binnen het ziekenhuis bewaard blijft.

Zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze hoven en rechtbanken, als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, mogen gegevens aangaande patiënten slechts worden medegedeeld met hun instemming en voor zover zij bestemd zijn voor een andere arts belast met de "vervollediging van de diagnose of de voortzetting van de behandeling", of nog, in het kader van een medisch‑sociaal consult. Zelfs in bovenvermelde omstandigheden moet de mededeling tot de onmisbare gegevens beperkt blijven.

Ingeval deze gegevens om andere redenen worden medegedeeld, moet dit op volkomen anonieme wijze gebeuren. De identiteit van de betrokken patiënt mag onder geen beding uit deze gegevens kunnen worden afgeleid. Het is eveneens verplicht de administratieve en medische gegevens volledig gescheiden te houden. De medische gegevens worden nooit medegedeeld tenzij om louter medische redenen in het belang van de patiënt.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)16/03/1985 Documentcode: a033030
Medisch kadaster

Een wetsontwerp tot wijziging en aanvulling van de beschikkingen van artikel 37 van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de Geneeskunst heeft tot doel alle in ons land praktizerende geneesheren te verplichten aan de provinciale geneeskundige commissies een reeks bij koninklijk besluit vastgelegde gegevens te verstrekken.

Wettelijk zou worden bepaald dat ingeval de betrokken beoefenaars de gevraagde gegevens op een onjuiste of onvolledige manier ter registratie zouden mededelen, het visum door de bevoegde provinciale geneeskundige commissie kan worden ingetrokken.

In zijn vergadering van 16 maart 1985 heeft de Nationale Raad dat wetsontwerp grondig onderzocht en volgend schrijven gericht aan de Voorzitter van de Hoge Raad van Geneesheren specialisten en huisartsen :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 16 maart 1985, kennis genomen van een schrijven vanwege Minister DEHAENE van 4 februari 1985 aangaande de tekst van een wetsontwerp tot wijziging en aanvulling van de beschikkingen van artikel 37 van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de Geneeskunst.

Het is de bedoeling op die manier de in ons land praktizerende artsen te verplichten aan de provinciale geneeskundige commissies gegevens te verstrekken met het oog op een kadaster van de geneeskundige praktijk in België.

Wettelijk zou worden bepaald dat ingeval de betrokken beoefenaars de gevraagde gegevens op een onjuiste of onvolledige wijze ter registratie zouden mededelen, het visum door de bevoegde provinciale geneeskundige commissie kan worden ingetrokken.

Volgens de Raad is dit laatste een vexatoire maatregel en een buitengewoon ernstige sanctie aangezien dit neerkomt op een verbod tot verdere uitoefening van het medisch beroep.

De Nationale Raad is van mening dat het door Minister DEHAENE nagestreefde doel eveneens buiten de parlementaire weg kan worden bereikt door gebruik te maken van de beschikkingen van artikel 6.1 van het KB nr 79 en artikel 20 van het KB van 6 februari 1970.
In bedoelde artikelen wordt bepaald dat de provinciale raden van de Orde de lijst opmaken van de artsen die gemachtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen, deze lijst bijhouden en de bevoegde overheden waaronder de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort en de provinciale geneeskundige commissies, regelmatig daarvan in kennis stellen.

Sinds verscheidene jaren worden door een aantal provinciale raden aan de op hun lijst ingeschreven artsen regelmatig en bij herhaling vragenlijsten gestuurd in de lijn van de bij het ministerieel schrijven gevoegde type‑vragenlijst.

Het zou de Minister bijgevolg volstaan deze opdracht formeel aan de Raden van de Orde toe te vertrouwen. Desnoods zou artikel 20 van het KB van 6 februari 1970 door een nieuw koninklijk besluit kunnen worden aangevuld waarin wordt gepreciseerd dat, naast de lijst van de Orde, de provinciale raden tegelijk een kadaster over de beroepsuitoefening moeten bijhouden met nadere omschrijving van de gegevens.

Naast het voordeel dat aldus een parlementaire tussenkomst overbodig is, biedt ons voorstel de mogelijkheid om de eventuele sancties aan te passen, om het beroepsgeheim waarvan sprake op pagina 2 van het ministerieel schrijven van 4 februari 1985 te waarborgen en om aan geneesheren die erom vragen, op een soepele manier informatie te verstrekken over de vestigingsmogelijkheden.

De bevoegdheid van de provinciale raden inzake overdreven spreiding van medische activiteiten over verschillende kabinetten, werd bij arrest van het Hof van cassatie erkend.

De Raden van de Orde leggen derhalve aan de geneesheren verplichtingen op i.v.m. de continuïteit van de verzorging en de concentratie van hun activiteiten.

Een kadaster over de medische beroepsuitoefening zou de provinciale raden daarbij van groot nut zijn.