keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Rijbewijs14/12/2013 Documentcode: a144004
Rijgeschiktheid – Aansprakelijkheid van een arts

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld inzake de problematiek rond de wettelijke taken van een arts betreffende de rijgeschiktheid van een patiënt.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 14 december 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 14 november 2013 inzake de problematiek rond de wettelijke taken van een arts betreffende de rijgeschiktheid van een patiënt, besproken.

Voor het behalen van een rijbewijs type B of het aanvragen van een voorlopig rijbewijs dient een persoon overeenkomstig artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs een verklaring te ondertekenen waarin hij op zijn woord van eer bevestigt bij zijn weten niet te lijden aan een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte betreffende het gezichtsvermogen.

Paragraaf 2 van hetzelfde artikel stelt dat de kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan ondertekenen, een onderzoek ondergaat bij een vrij gekozen arts.

Betreffende het meedelen aan de betrokkene van de plicht tot het inleveren of het laten aanpassen van zijn rijbewijs bij de bevoegde administratieve instanties stelt het artikel 46, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998: "Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2, 44, §§ 1 en 4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7."

Een letterlijke interpretatie van deze bepaling leidt tot de conclusie dat een arts slechts wettelijk verplicht is de patiënt van deze verplichting op de hoogte te brengen indien de patiënt bij het bekomen van een (voorlopig) rijbewijs toepassing heeft gemaakt van artikel 41, § 2, d.i. een onderzoek heeft laten uitvoeren door een vrij gekozen arts.

Ingeval de persoon een verklaring heeft ondertekend overeenkomstig § 1, is er van de tussenkomst van een vrij gekozen arts geen sprake en heeft de arts, wanneer hij vaststelt dat de patiënt niet (meer) aan de wettelijk omschreven voorwaarden inzake de medische rijgeschiktheid voldoet, niet de wettelijke verplichting de patiënt hierover in te lichten.

Dezelfde redenering kan gevolgd worden betreffende de opstelling van het model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1. Artikel 41, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 maakt slechts melding van de invulling van dit document door de arts - of overeenkomstig artikel 45 door het CARA (Centrum voor Rijgeschiktheid en voertuigAanpassing) - ingeval een persoon die een (voorlopig) rijbewijs wil bekomen, van mening is geen verklaring overeenkomstig artikel 41, § 1, te kunnen afleggen.

Door het uitblijven van rechtspraak hieromtrent, blijft de vraag hoe deze bepalingen precies dienen te worden geïnterpreteerd, onbeantwoord.

In antwoord op uw vragen en verder bouwend op het advies van de Nationale Raad van 13 juli 2013 "Rijgeschiktheid - Meldingsplicht en medeverantwoordelijkheid van de arts" (TNR nr. 142) stelt de Nationale Raad u daarom het volgende.

Een arts heeft vooreerst op grond van artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt de verplichting de patiënt in te lichten over de gezondheidstoestand, alsook de vermoedelijke evolutie hiervan. Een arts die zijn patiënt niet inlicht over de medische rijgeschiktheid, doet afbreuk aan dit patiëntenrecht. Indien de arts bovendien geen melding maakt van deze informatie in het patiëntendossier, doet de arts afbreuk aan het recht van de patiënt op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier, zoals gewaarborgd door artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002.

De arts is bovendien deontologisch verplicht de patiënt in te lichten betreffende het voorbehoud over de medische rijgeschiktheid van de patiënt, desgevallend het formulier "model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1" in te vullen en hem erop attent te maken dat hij zijn rijbewijs dient in te leveren, dan wel te laten aanpassen.

Een dergelijke verplichting volgt ook uit de algemene zorgvuldigheidplicht die een arts steeds aan de dag dient te leggen bij de uitoefening van zijn beroep.
Of een arts die deze informatie niet verstrekt, het formulier niet invult, noch in zijn patiëntendossier daarvan melding maakt, verantwoordelijk kan gesteld worden indien de patiënt een ongeval veroorzaakt die zijn oorsprong vindt in zijn medische toestand, is niet in abstracto te stellen.

Het komt toe aan de bevoegdheid van de rechter om deze afweging van geval tot geval te maken. De rechter zal daartoe in eerste orde oordelen of de arts een fout heeft begaan. De (mede)-aansprakelijkheid van de arts is niet bijgevolg uitgesloten.
In tweede orde zal de rechter nagaan of er een causaliteit te vinden is tussen de schade ten gevolge van het ongeval van de patiënt en de fout van de arts.

Voor de arts die in toepassing van artikel 41, § 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 de patiënt reeds heeft onderzocht, geldt sowieso de wettelijke verplichting de patiënt in te lichten betreffende het voorbehoud over de medische rijgeschiktheid van de patiënt, desgevallend het formulier "model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1" in te vullen en hem erop attent te maken dat hij zijn rijbewijs dient in te leveren, dan wel te laten aanpassen. In de regel impliceert het niet naleven van een wettelijk verplichting een fout.

Beroepsgeheim13/07/2013 Documentcode: a142005
Rijgeschiktheid – Meldingsplicht en medeverantwoordelijkheid van de arts

Aan de Nationale Raad wordt gevraagd in hoeverre een arts die vaststelt dat een patiënt niet meer of niet meer volledig rijgeschikt is, de verplichting heeft dit te melden en aan wie. Bijkomend wordt de vraag gesteld in hoeverre een arts medeverantwoordelijk kan gesteld worden indien een rijongeschikte patiënt een ongeval veroorzaakt.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 13 juli 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 14 december 2012 besproken betreffende de meldingsplicht, inzake rijgeschiktheid, omtrent hun ziekte voor patiënten, zoals bijvoorbeeld diabetici, aan zowel de gemeente als hun verzekeringsinstelling. U vraagt daarbij in het bijzonder tot hoever de verantwoordelijkheid van de arts gaat en hoe dit kan bewezen worden.

1/ Meldingsplicht

Bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs omschrijft de minimumnormen inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig.

Opdat een persoon een rijbewijs kan bekomen, dient hij een verklaring te ondertekenen waarin hij stelt aan deze minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid te voldoen.

Indien u vaststelt dat een patiënt bv. omwille van de diagnose van diabetes niet meer voldoet aan deze minimumnormen, kunt u als arts twee wegen uit.

A.
U vult zelf het model VII Rijgeschiktheid voor de kandida(a)t(en) voor het rijbewijs groep 1 (zie bijlage) in. In dit document vermeldt u dat op basis van uw bevindingen of de bevindingen van een specialist naar wie u de patiënt heeft doorverwezen, uw patiënt of helemaal niet meer rijgeschikt is of onder voorwaarden nog als rijgeschikt kan worden beschouwd. Het ingevulde document bezorgt u aan de patiënt die vervolgens zelf het initiatief dient te nemen om aan de in het rijgeschiktheidsattest vermelde graad van rijgeschiktheid de nodige gevolgen te geven. Dit zal er minstens in bestaan naar de bevoegde gemeente te stappen om het rijbewijs te laten aanpassen en de verzekeringsmaatschappij van de beperkingen van de rijgeschiktheid of de rijongeschiktheid op de hoogte te brengen. Als arts heeft u door het invullen van het model VII en het overhandigen aan de patiënt uw taak volbracht. Het is nergens bepaald dat u enige controle dient uit te oefenen of de patiënt wel degelijk gevolgen heeft gekoppeld aan het door u opgestelde attest. U mag zelf het document niet bezorgen aan de gemeente. Dit laatste zou een schending inhouden van het medisch beroepsgeheim.

B.
U bent van oordeel dat u de beslissing over de rijgeschiktheid niet zelf kunt nemen en u verwijst de patiënt door naar het Centrum voor Rijgeschiktheid en voertuigAanpassing (CARA), waar een arts op basis van het dossier en verdere onderzoeken, desgevallend na doorverwijzing voor verdere onderzoeken naar een specialist, een beslissing zal nemen over de rijgeschiktheid. In dat geval zal het CARA uw patiënt verzoeken een medische vragenlijst in te vullen. Deze medische vragenlijst is deels ook aan u gericht. U wordt gevraagd uw advies te geven over de rijgeschiktheid. Ondanks het feit dat dit formulier het momenteel zo vermeldt, is er voor u geen wettelijke verplichting om een advies over de rijgeschiktheid te geven. U bent vrij daarop in te gaan.

Het komt dan aan de arts van het CARA toe het model VII in te vullen en aan de patiënt te overhandigen die wederom zelf het initiatief dient te nemen om hieraan het gepaste gevolg te verbinden. Ook het CARA heeft niet de bevoegdheid deze attesten rechtstreeks aan de bevoegde instanties te overhandigen of te controleren of de patiënt degelijk de nodige initiatieven heeft genomen.

Hoewel de documenten van het CARA het aldus vermelden, heeft u als doorverwijzend arts in principe niet de bevoegdheid informatie te krijgen over de beslissing over de rijgeschiktheid van uw patiënt door de arts van het CARA. Enkel indien de patiënt hierin expliciet toestemt (hetgeen actueel niet voorzien is in de documenten van het CARA), is het toegelaten aan de arts van het CARA u hiervan op de hoogte te brengen. Een onderzoek naar de rijgeschiktheid kan immers niet beschouwd worden als noodzakelijke informatie voor de medische behandeling van de patiënt.


2/ Medeverantwoordelijkheid

Aangezien de taak van de behandelende arts wettelijk gezien beperkt is tot het opstellen van het model VII of het doorverwijzen van de patiënt naar het CARA, kunt u niet verantwoordelijk worden gesteld indien u de patiënt op zijn wettelijke verplichtingen ter zake hebt gewezen, indien de patiënt het attest voor ontvangst heeft getekend en u dit aldus in het patiëntendossier heeft geacteerd.

Indien u gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor zichzelf of voor derden, kan deze "noodtoestand" niettemin rechtvaardigen dat u de procureur des Konings op de hoogte brengt van uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon.

Bijlage : Model VII uit bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Rijbewijs14/07/2012 Documentcode: a138020
Mogelijkheid voor een arts om een evaluatieprocedure betreffende rijgeschiktheid die begonnen werd door een andere arts verder te zetten en een beslissing te nemen
Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld in het kader van de rijgeschiktheidsevaluatie na een vervallenverklaring van het recht tot sturen, over de mogelijkheid voor een arts om een evaluatieprocedure die begonnen werd door een andere arts verder te zetten en een beslissing te nemen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft uw e-mail van 3 juli 2012 waarin u hem, in het kader van de rijgeschiktheidsevaluatie, vraagt of een arts een (on)geschiktheidsattest mag ondertekenen gedurende de afwezigheid van de arts die belast is met het dossier, goed ontvangen.

U gaat ervan uit dat de arts die belast is met het dossier zijn beslissing doet afhangen van de resultaten van een biologisch onderzoek. Deze laatste worden afgeleverd terwijl de arts die ze aanvroeg voor verschillende weken met verlof is. Deze afwezigheid vertraagt het nemen van de beslissing ten nadele van de betrokken persoon.

Deze hypothese veronderstelt dat de betrokken arts niet kan worden bereikt om zelf te beslissen en te ondertekenen.

De Nationale Raad formuleert de volgende opmerkingen.

1° Het ondertekenen van een beslissing van (on)geschiktheid voor het besturen van een voertuig stelt de auteur ervan verantwoordelijk.

Deze beslissing is het gevolg van medische conclusies van de arts, genomen volgens zijn geweten en tijdens het onafhankelijk uitoefenen van zijn opdracht (artikels 119 tot 122 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

De wetgeving bepaalt de inhoud en de methode van het medisch onderzoek (punt B. van bijlage 14 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs) dat aan de arts deskundige moet toelaten te besluiten tot de (on)geschiktheid. Dit onderzoek bevat onder meer een grondig medisch onderzoek.

Het is dan ook in strijd met de geneeskundige plichtenleer en met de wetgeving dat een arts een beslissing van (on)geschiktheid neemt zonder de volledige opdracht vervuld te hebben die aan deze beslissing moet voorafgaan.

2° U vraagt aan de Nationale Raad of een arts de beslissing mag ondertekenen in naam van de arts die belast is met het dossier, op basis van een volmacht die deze laatste hem zou gegeven hebben.

Op het moment dat de arts belast met het dossier de volmacht geeft, heeft hij nog geen beslissing genomen over de (on)geschiktheid aangezien hij nog niet beschikt over de resultaten van het biologische onderzoek.

Dergelijke volmacht heeft dus niet tot doel de arts ermee te belasten een beslissing te ondertekenen; hij beoogt de arts op te dragen een beslissing te nemen bepaald door de arts titularis van het dossier in functie van de resultaten van het biologische onderzoek.

De volmacht om besluiten te formuleren op basis van bijkomende onderzoeken is niet in overeenstemming met artikel 124 van de Code van geneeskundige plichtenleer dat bepaalt :

Wanneer deze geneesheren (meer bepaald zij die belast zijn met het onderzoek naar de fysieke of mentale (on)geschiktheid van een persoon) menen een diagnose te moeten stellen of een prognose te moeten maken, mogen zij slechts besluiten formuleren nadat zij de patiënt hebben gezien en persoonlijk hebben ondervraagd, zelfs indien zij gespecialiseerde onderzoekingen hebben laten uitvoeren of over elementen beschikken die hen door andere geneesheren werden medegedeeld.

Indien de evaluatie van de (on)geschiktheid tijdens een beletselsperiode van de met het dossier belaste arts , mag de gehele evaluatieprocedure aan een andere arts toegewezen worden in de omstandigheden bepaald door het voornoemde koninklijk besluit van 23 maart 1998.

3° U vraagt eveneens aan de Nationale Raad of een arts een attest van (on)geschiktheid mag ondertekenen in afwezigheid van de psycholoog, wanneer de onderzochte persoon een psychologisch en een medisch onderzoek ondergaan heeft.

Punt C van bijlage 14 van het voornoemde koninklijk besluit van 23 maart 1998 stelt de hypothese waarbij de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan. Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat in dat geval de arts de eindbeslissing neemt op basis van zowel zijn beslissing als die van de psycholoog.

Tijdens de afwezigheid van de psycholoog kan de arts dus de beslissing ondertekenen voor zover hij vooraf kennis heeft genomen van de beslissing van deze laatste.

Expertise30/05/2009 Documentcode: a126016
Betrokkenheid van de huisarts in de procedure voor herstel in het recht tot sturen

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 30 mei 2009 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de problematiek van de betrokkenheid van de huisarts in de procedure voor herstel in het recht tot sturen.

Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs stelt in artikel 73 dat de geneeskundige en psychologische onderzoeken waarvan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk kan worden gemaakt, dienen te worden uitgevoerd door een instelling erkend door de FOD Mobiliteit en Vervoer. De inhoud en de methode van deze onderzoeken worden gedefinieerd in bijlage 14 van dit koninklijk besluit. Het multidisciplinair team van deze instelling, waarvan een arts deel moet uitmaken, voert deze onderzoeken uit in zijn vestigingen.

Voorafgaand aan deze onderzoeksprocedure en aan elk contact met de arts-deskundige zenden de instellingen erkend voor het uitvoeren van de geneeskundige en psychologische expertise opgelegd aan de bestuurders die ontzet zijn uit het recht te sturen, aan deze laatste een lijvige, stereotype, medische vragenlijst. Er valt te betwijfelen of sommige van deze vragen met de doelstelling ervan stroken.

Het is een gangbaar gebruik geworden dat bepaalde instellingen de kandidaat opleggen deze vragenlijst rechtstreeks te laten invullen door zijn behandelende arts. Hierover wordt het advies van de Nationale Raad gevraagd.

De Nationale Raad stelt vast dat het geneeskundig en psychologisch onderzoek voor herstel in het recht tot sturen een deskundigenonderzoek is waarvan het resultaat wordt medegedeeld aan de betrokkene, aan de griffie van de rechtbank en aan het openbaar ministerie. De bepalingen van hoofdstuk IV van titel III van de Code van geneeskundige plichtenleer betreffende de arts-deskundige zijn van toepassing. Ze stellen dat de functies van deskundige onverenigbaar zijn met die van behandelende arts van eenzelfde persoon.

Ze eisen eveneens dat de arts die geregeld de functie van deskundige uitoefent deze medische activiteit vastlegt in een contract dat voorafgaandelijk dient te worden voorgelegd aan de provinciale raad waar hij is ingeschreven.

Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs schrijft voor dat de rijgeschiktheid wordt bepaald door de arts van de erkende instelling na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, kunnen worden aangewend. Dit medisch onderzoek bestaat uit een grondige medische anamnese, de kennisname van relevante medische informatie van de kandidaat, het uitvoeren van een grondig geneeskundig onderzoek en de verwijzing naar gespecialiseerde artsen of medische diensten.

Naast het feit dat de anamnese noodzakelijk deel uitmaakt van de expertiseopdracht en niet door de behandelende huisarts kan worden uitgevoerd, bepaalt artikel 129 van de Code van geneeskundige plichtenleer dat de arts belast met een deskundigenopdracht, moet vermijden de behandelende arts ertoe te brengen het beroepsgeheim te schenden, dat deze laatste zelfs tegenover hem moet bewaren. Het is de kandidaat zelf die de vragenlijst moet beantwoorden en hij kan daarvoor de hulp vragen van zijn huisarts. De behandelende arts ertoe verplichten een dergelijke vragenlijst in te vullen is strijdig met de regels betreffende het beroepsgeheim en met de deontologische onverenigbaarheid tussen de functie van deskundige en de opdracht van behandelende arts.

De deontologische richtlijnen nopens het beroepsgeheim leggen op dat het mededelen van medische inlichtingen door de behandelende huisarts strikt is beperkt tot de objectieve medische gegevens die rechtstreeks verband houden met het doel van het onderzoek.

Deze gegevens mogen nooit aan de arts-deskundige worden meegedeeld zonder de instemming van de patiënt, dit niet alleen krachtens artikel 458 van het Strafwetboek maar ook krachtens artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat verbiedt medische persoonsgegevens mede te delen zonder de schriftelijke en voorafgaande instemming van de betrokkene.

De beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van medische oorzaken voor rijongeschiktheid maakt uitdrukkelijk deel uit van de deskundigenopdracht en moet het resultaat zijn van een persoonlijk onderzoek van de kandidaat door de arts belast met de expertise, zoals bepaald door de wettekst en door de Code van geneeskundige plichtenleer in artikel 124.

Op basis van het onderzoek dient de arts in staat te zijn te oordelen of de kandidaat voldoet aan de wettelijke criteria voor rijgeschiktheid. De wettekst bepaalt uitdrukkelijk dat de arts een beroepservaring dient te hebben, die hem moet toelaten de medische en mentale criteria te kennen op basis waarvan men kan oordelen of een persoon al dan niet rijgeschikt is. De argumentatie volgens welke de arts-deskundige de informatie van de behandelende huisarts nodig heeft om zijn opdracht uit te voeren is niet relevant. De arts-deskundige mag geen beroep doen op de behandelende huisarts om een advies te geven over de rijgeschiktheid van de kandidaat/patiënt.

De Nationale Raad dringt erop aan dat de vragen in verband met de gezondheidstoestand van de kandidaat in verhouding staan tot en relevant zijn voor het doel van het deskundigenonderzoek en dat ze opgesteld zijn in een begrijpbare taal voor de kandidaat, overeenkomstig de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. De huidige praktijk waarbij vóór elk onderhoud met of onderzoek door de arts-deskundige een stereotype vragenlijst aan de kandidaat wordt gestuurd, voldoet niet aan deze vereisten.

Tot slot herinnert de Nationale Raad eraan dat artikel 46 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt dat, indien de arts vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de vastgestelde geneeskundige normen, hij de belanghebbende op de hoogte moet stellen van de verplichting om zijn rijbewijs in te leveren bij de overheid. Hij verwijst in dit verband naar zijn advies van 29 mei 1999.

Expertise20/11/1999 Documentcode: a087021
Rijgeschiktheid van psychiatrische patiënten

Een LOK-groep doet de Nationale Raad een kopie geworden van de brief die hij richtte tot de minister van Volksgezondheid in verband met de problematiek van de rijgeschiktheid van psychiatrische patiënten, in het licht van het K.B. van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. Uit dit schrijven blijkt dat de LOK-groep vreest dat de psychiatrische praktijkvoering door de vermelde wetgeving ten zeerste bemoeilijkt zal worden.

Advies van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 20 november 1999 zette de Nationale Raad de bespreking voort van uw schrijven van 9 september 1999 betreffende het psychisch ziek zijn en rijbekwaamheid in het licht van het K.B. van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Vooreerst wenst de Nationale Raad er de aandacht op te vestigen dat in het K.B. enkel sprake is van een door de kandidaat vrij gekozen geneesheer (artikel 41, §2) waarop de kandidaat een beroep hoort te doen wanneer hij meent geen verklaring op zijn woord van eer te kunnen ondertekenen waarbij hij bevestigt bij zijn weten niet te lijden aan één van de lichaamsgebreken of -aandoeningen genoemd in bijlage 6, voorgeschreven voor groep 1. In artikel 46, §1, wordt gezegd dat deze geneesheer, wanneer hij vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, de belanghebbende op de hoogte moet stellen van de verplichting om zijn rijbewijs in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7. Te noteren valt dat deze bepalingen enkel gelden voor rijbewijzen van de categorieën A3, A, B of B + E. Voor alle andere categorieën van rijbewijs dienen de kandidaten onderzocht te worden door een geneesheer van een medisch centrum van de Sociaal Medische Rijksdienst of door een geneesheer die in zijn plaats kan optreden.

In zijn advies van 16 april 1994 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 65, september 1994, p. 18) stelde de Nationale Raad dat de vrij gekozen geneesheer niet de behandelende geneesheer (huisarts) van de aanvrager van het rijbewijs kan zijn vermits het gevraagde onderzoek gelijk staat met een expertise-onderzoek. Het is evident dat dezelfde deontologische regel geldt voor een geneesheer-specialist die de behandelende geneesheer van de aanvrager van een rijbewijs is.

Uit wat voorafgaat kan echter niet worden besloten dat de behandelende geneesheren geen enkele informatieplicht hebben ten aanzien van hun patiënten die een rijbewijs wensen of over een rijbewijs beschikken. Een behandelende geneesheer is niet enkel verplicht zijn patiënt te informeren over de aard van de vastgestelde aandoening maar eveneens over de consequenties daarvan voor bepaalde gedragingen. Zo zal de arts er bijvoorbeeld zijn patiënt op wijzen dat de aandoening waaraan hij lijdt desgevallend niet compatibel is met de professionele arbeid die hij verricht of met het besturen van een wagen. Hij zal hem wijzen op de eventuele ernstige consequenties bij het verwaarlozen van deze informatie als bijvoorbeeld het veroorzaken van ongevallen , de weigering van de verzekeraar van de wagen tot tussenkomst, het intrekken van het rijbewijs enz. Wanneer de behandelende geneesheer vaststelt dat zijn patiënt, niettegenstaande alle waarschuwingen, een wagen blijft besturen en hij in geweten oordeelt dat deze persoon ongevallen kan veroorzaken met alle ernstige gevolgen vandien voor hemzelf en voor derden, kan deze "noodtoestand" verrechtvaardigen dat hij de procureur des Konings zijn twijfels meedeelt inzake de rijbekwaamheid van deze persoon (advies van de Nationale Raad van 15 december 1990 en 21 maart 1992, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 56, juni 1992, p. 41).

Op de in uw schrijven aangehaalde redenen waardoor "deze wet een kwalitatief hoogstaande psychiatrische behandeling onmogelijk maakt", meent de Nationale Raad de volgende bemerkingen te moeten maken :

1. In zijn advies van 16 april 1994 stelde de Nationale Raad onder meer dat het buiten zijn bevoegdheid valt zich uit te spreken over de medische criteria betreffende het rijbewijs. De wetenschappelijke verenigingen van artsen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde zouden in dit verband kunnen tussenkomen. Nochtans meent de Nationale Raad dat zelfs "bij een strikte toepassing van de wet" het weinig waarschijnlijk is dat "bijna alle psychiatrische patiënten als rijonbekwaam moeten worden beoordeeld".

2. Nergens staat geschreven dat het tot de exclusieve verantwoordelijkheid van de psychiater behoort de patiënt grondig te informeren over zijn rijgeschiktheid waarmee dit sterk interfereert met de bespreking van andere themata die op therapeutisch vlak een veel grotere betekenis hebben. De behandelende psychiater kan steeds overleggen met de mede¬behandelaars op welke wijze en door wie de patiënt zal geïnformeerd worden aangaande zijn rijongeschiktheid.

3. Uit de tot op heden gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de informatie¬plicht ook slaat op de risico's verbonden aan een bepaald gedrag bij een bepaalde aandoening maar dat dit niet betekent dat de patiënt en zijn omgeving hun eigen aansprakelijkheid kunnen afwentelen op de behandelende geneesheer.

4. De vertrouwensrelatie arts-patiënt is essentieel in elke behandeling maar deze vertrouwensrelatie kan ook ondermijnd worden door het niet verstrekken van de nodige informatie betreffende de risico's verbonden aan het besturen van een wagen wanneer men zijn patiënt daartoe niet in staat acht.

De Nationale Raad is van oordeel dat het tot de deontologische plicht van elke arts behoort de patiënt te informeren over de repercussie van een vastgestelde aandoening op zijn mogelijkheden tot het besturen van een voertuig. Afhankelijk van de risicograad, het verwachte effect van de informatie op het gedrag van de patiënt en de vertrouwensrelatie zal de behandelende psychiater een keuze dienen te maken uit de hoger geschetste mogelijkheden tot informatie van zijn patiënt.

Een kopie van dit advies wordt overgemaakt aan:
- mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
- de heer C. DECOSTER, directeur-generaal Bestuur van de gezondheidszorgen - ministerie van Sociale zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
- dokter M. MOENS, Belgische Vereniging van Artsensyndicaten;
- professor dokter CREVITS, Vlaamse Zenuwartsen;
- dokter P. LIEVENS, Belgische Professionele Vereniging van neurologen en psychiaters.

Advies van de Nationale Raad van 16 april 1994 :

In aansluiting aan onze brief van 19 februari 1994 (ref.: 25339/RS/25057) heb ik de eer U mede te delen dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 16 april 1994 uw brief van 10 februari 1994 met bijlagen (Uw kenmerken: D2/1.4.2/EEG/115/MS) betreffende de aanpassing van de Belgische Reglementering aan bijlage 3 van de Richtlijn 91/439/EEG van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs verder heeft onderzocht.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren legt er de nadruk op dat in elke stap i.v.m. de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid, het medisch beroepsgeheim en de privésfeer van de kandidaat dienen geëerbiedigd te worden en dat bijgevolg alle briefwisseling zal dienen gericht aan, resp. dienen uit te gaan van, de arts van de Centraal Medische Dienst, die dan ook met naam aan de keurend arts moet worden bekend gemaakt.

De keurend arts kan niet de behandelend geneesheer (huisarts) van de aanvrager zijn, vermits het een expertise onderzoek betreft.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren spreekt zich niet uit over de voorgestelde medische criteria zelf omdat zulks buiten zijn bevoegdheid valt.

De documenten waarop de keurend arts omnipracticus of specialist zijn vaststellingen dient neer te schrijven en waarnaar verwezen wordt in doc. 3 werden niet aan de Nationale Raad van de Orde der geneesheren voorgelegd zodat hij zich daarover niet kan uitspreken.

Advies van de Nationale Raad van 21 maart 1992

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 maart 1992 kennis genomen van uw brief van 4 februari 1992 met betrekking tot de "toestemming om het beroepsgeheim te schenden ten aanzien van de procureur des Konings wanneer een patiënt aan een aandoening lijdt die hem ongeschikt maakt om een voertuig te besturen".

Hij verwijst naar zijn advies van 15 december 1990, dat gepubliceerd werd in het Officieel Tijdschrift nr. 51 van maart 1991.

Ter herinnering: Advies van 15 december 1990:

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan Uw ontwerpantwoord mits de op een na laatste alinea als volgt gewijzigd wordt:

"Indien U dus gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor haarzelf of voor derden, kan deze "noodsituatie" rechtvaardigen dat U de Procureur des Konings op de hoogte brengt van Uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon".

Beroepsgeheim29/05/1999 Documentcode: a085020
Medische criteria voor rijgeschiktheid

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad de vragen over van twee artsen aangaande de medische criteria voor rijgeschiktheid :

  1. welke houding dient de arts aan te nemen ten opzichte van patiënten die niet voldoen aan de medische criteria voor rijgeschiktheid en die een voertuig blijven besturen;
  2. wanneer een patiënt achter het stuur gevaarlijk blijkt omwille van zijn medische toestand, wanneer hij weigert het papier te ondertekenen waarop staat dat hij hierover geïnformeerd werd en weigert zijn rijbewijs af te leveren aan de bevoegde overheid, wat kan de arts dan doen?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 29 mei 1999 de vragen in uw brief van 30 maart over de toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
In verband met de eerbiediging van het beroepsgeheim van de arts die meent dat zijn patiënt medisch ongeschikt is om een voertuig te besturen, dient herinnerd te worden aan artikel 46, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit. Dit artikel bepaalt dat, indien de arts vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de vastgelegde geneeskundige normen, hij de belanghebbende op de hoogte moet brengen van de verplichting om zijn rijbewijs in te leveren bij de overheid.

Indien de betrokken patiënt weigert een decharge te ondertekenen waarin hij erkent ingelicht te zijn over zijn ongeschiktheid om een voertuig te besturen, mag de arts slechts melding maken van de verstrekte informatie en van de weigering van de patiënt in het dossier van deze laatste.

Wat anderzijds het belang van de gemeenschap betreft indien een patiënt een ernstig gevaar voor derden vormt bij het besturen van een voertuig, herinnert de Nationale Raad aan zijn vorige adviezen en in het bijzonder aan zijn advies van 15 december 1990. Dit advies stelt onder meer dat "indien u dus gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor haarzelf of voor derden, kan deze "noodsituatie" rechtvaardigen dat U de Procureur des Konings op de hoogte brengt van Uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon".

Het advies van 24.05.1997 aan de minister van Volksgezondheid en Leefmilieu besluit evenwel : "De Nationale Raad is van mening dat bij gebrek aan een precieze wetgeving terzake, er geen uitzondering moet gemaakt worden op de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek over het medisch geheim en dat in deze materie het respect van het medisch geheim van toepassing blijft.

Het advies van de Nationale Raad van 21 maart 1992 [dat het advies van 15 december 1990 bevestigt] behandelde een specifieke en concrete situatie. Men kan een noodtoestand van overmacht waarvan de toepassing afhangt van bijzondere feiten en per geval moet beschouwd worden niet verheffen tot regel."

Deze verschillende adviezen bevatten de richtlijnen die de artsen terzake dienen na te leven :

  • de eerbiediging van het beroepsgeheim waartoe iedere arts in elke omstandigheid gehouden is;
  • de bescherming van de gemeenschap, die in bepaalde omstandigheden een "noodsituatie" kan scheppen die per concreet geval beoordeeld moet worden.
Beroepsgeheim24/05/1997 Documentcode: a078010
Rijbewijs - Medische criteria

Rijbewijs- Medische criteria

De Nationale Raad heeft kennis genomen van het "Ontwerp van medische criteria in functie van de Richtlijn 91/439/EEG" aangaande het rijbewijs. Hij zond aan de minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, de heer Colla, het volgende advies :

Advies van de Nationale Raad :

Zoals aangekondigd in zijn brief van 23 april 1997, heeft de Nationale Raad in zijn zitting van 24 mei 1997, de analyse van en de discussie over een nieuwe tekst "Ontwerp van medische criteria in functie van de Richtlijn 91/439/EEG" verdergezet.
De tekst van 29 januari 1996 werd gewijzigd met name in de artikels 6 en 7.

De aandachtige studie van de voornoemde Richtlijn levert geen enkel directe reden om de onderzoekende arts ertoe te verplichten de arts van de Medische Dienst in te lichten over de fysieke of psychische toestand van de houder van een rijbewijs.

De Nationale Raad bevestigt dus de inhoud van zijn brief van 26 maart 1997 waarin hij schreef niet akkoord te kunnen gaan met de wijzigingen die werden aangebracht aan de tekst van 29 januari 1996 en die het gevolg waren van een consensus (zie de brief van 21 februari 1997) met name de artikels 6 en 7, meer bepaald wat betreft de verplichting tot verwittiging in artikel 6.

De Nationale Raad is van mening dat bij gebrek aan een precieze wetgeving ter zake, er geen uitzondering moet gemaakt worden op de bepalingen van art. 458 van het Strafwetboek over het medisch geheim en dat in deze materie het respect van het medisch geheim van toepassing blijft.

Het advies van de Nationale Raad van 21 april 1992 behandelde een specifieke en concrete situatie.

Men kan een noodtoestand van overmacht waarvan de toepassing afhangt van bijzondere feiten en per geval moet beschouwd worden niet verheffen tot regel.

Persoonlijke levenssfeer16/04/1994 Documentcode: a065003
Rijbewijs

De Minister van Verkeer en Infrastructuur bezorgt de Nationale Raad de studie die een binnen het Ministerie samengestelde werkgroep uitgevoerd heeft i.v.m. de aanpassing van de Belgische reglementering aan de EG-richtlijn betreffende het rijbewijs.
Hij verzoekt de Nationale Raad hem zijn standpunt mede te delen met betrekking tot de voorgestelde normen, en zeker met betrekking tot de normen inzake zijn bevoegdheid.

Advies van de Nationale Raad:

In aansluiting aan onze brief van 19 februari 1994 (ref.: 25339/RS/25057) heb ik de eer U mede te delen dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 16 april 1994 uw brief van 10 februari 1994 met bijlagen (Uw kenmerken: D2/1.4.2/EEG/115/MS) betreffende de aanpassing van de Belgische Reglementering aan bijlage 3 van de Richtlijn 91/439/EEG van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs verder heeft onderzocht.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren legt er de nadruk op dat in elke stap i.v.m. de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid, het medisch beroepsgeheim en de privésfeer van de kandidaat dienen geëerbiedigd te worden en dat bijgevolg alle briefwisseling zal dienen gericht aan, resp. dienen uit te gaan van, de arts van de Centraal Medische Dienst, die dan ook met naam aan de keurend arts moet worden bekend gemaakt.

De keurend arts kan niet de behandelend geneesheer (huisarts) van de aanvrager zijn, vermits het een expertise-onderzoek betreft.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren spreekt zich niet uit over de voorgestelde medische criteria zelf omdat zulks buiten zijn bevoegdheid valt.
De documenten waarop de keurend arts omnipracticus of specialist zijn vaststellingen dient neer te schrijven en waarnaar verwezen wordt in doc. 3 werden niet aan de Nationale Raad van de Orde der geneesheren voorgelegd zodat hij zich daarover niet kan uitspreken.