keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Toxicomanie27/04/2019 Documentcode: a165006
Toxicomanie - Deontologische plicht arts sociaal inspecteur DGEC - RIZIV

Mag een arts-inspecteur van de dienst geneeskundige evaluatie en controle een voorschrijvende arts meedelen dat ook andere artsen zijn patiënt verdovende middelen voorschrijven, in de hypothese dat de patiënt heeft ingetekend in een ontwenningstraject?

1. De wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen laat niet toe dat de arts-inspecteur voorschrijvende artsen op de hoogte brengt over medische shopping door een patiënt. De arts-inspecteur heeft niet de wettelijke bevoegdheid om te communiceren over persoonsgegevens van patiënten.(1)

De jurisprudentie laat evenwel toe dat deontologische gedragsregels worden toegevoegd aan de wetgeving als leidraad voor de artsen bij de uitoefening van hun beroep.

Dit advies beantwoordt de vraag enkel op basis van de principes van de medische deontologie en het medisch beroepsgeheim.

2. De arts-inspecteur is onderworpen aan het medisch beroepsgeheim. Alle medische gegevens waarvan hij kennisneemt in de uitvoering van zijn opdracht, moet hij geheimhouden.

De arts-inspecteur is zich ook bewust van zijn verantwoordelijkheid wanneer hij kennis heeft van misbruik bij het voorschrijven van geneesmiddelen die tot afhankelijkheid kunnen leiden.(2)

De arts-inspecteur heeft de deontologische plicht een patiënt te helpen in zijn ontwenningstraject en in te grijpen wanneer het gevaar bestaat dat de gezondheid van de patiënt of derden ernstige schade kan lijden.

De arts-inspecteur moet deze belangen tegenover elkaar afwegen en geval per geval beoordelen welk belang doorweegt.

3. De arts-inspecteur die van oordeel is dat een communicatie met de voorschrijvende arts absoluut noodzakelijk is voor het afwenden van een onmiddellijk dreigend gevaar voor de integriteit van de patiënt of een derde, kan de voorschrijvende arts op de hoogte brengen en de persoonsgegevens van de patiënt meedelen.



(1) De opdrachten van de artsen-inspecteurs worden omschreven in de artikelen 37quater, 64, 141, 146, 146bis, 147, 148, 149, 150, 151, 152, 153 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

(2) Dit kan afgeleid worden uit artikel 21 van de Code voor Medische Deontologie.

Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid20/09/2014 Documentcode: a147002
Geneeskundige verstrekking van een arts voor zichzelf

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld aangaande het probleem van de terugbetaling door een verzekeringsinstelling aan een aangeslotene van een geneeskundige verstrekking die deze laatste bij zichzelf heeft uitgevoerd als arts.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 september 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het probleem besproken betreffende de terugbetaling door een verzekeringsinstelling aan een aangeslotene van een geneeskundig(e) advies of raadpleging die deze laatste bij zichzelf heeft uitgevoerd als arts.

1° De nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen somt de verstrekkingen op die de artsen mogen attesteren en die door de verzekering voor geneeskundige verzorging worden terugbetaald onder de door haar vastgestelde voorwaarden.

Onder "advies" wordt verstaan "het opmaken en ondertekenen, buiten welk onderzoek van de zieke ook, van getuigschriften, farmaceutische voorschriftbriefjes en allerlei bescheiden" (artikel 2, A, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen).

Onder "raadpleging" wordt verstaan "het onderzoeken van de patiënt in de spreekkamer van de arts met het oog op een diagnose of behandeling van een aandoening" (artikel 2, B, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen).

2° De Nationale Raad heeft meermaals positief geantwoord op de vraag of een arts voorschriften voor zichzelf mag opstellen. Wat het arbeidsongeschiktheidsattest betreft, was het antwoord meer genuanceerd 1 .

De Nationale Raad meent dat een arts op basis van zijn medische kennis in bepaalde omstandigheden objectief gezien in staat is om deze verstrekkingen bij zichzelf uit te voeren.

De arts handelt hierbij niet in strijd met de geneeskundige plichtenleer indien hij zijn bekwaamheid niet te buiten gaat, geen enkele wetsbepaling overtreedt, geen misbruik maakt en geen valsheid pleegt.

3° Het feit dat een arts voor een advies aan zichzelf of een raadpleging een vergoeding krijgt is onaanvaardbaar.

De Nationale Raad meent dan ook dat het in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bij het attesteren of voorschrijven voor zichzelf niet gerechtvaardigd is dat een attest voor advies of raadpleging wordt aangerekend aan de verzekering voor geneeskundige verzorging, ook al is het niet uitgesloten bij wet.

4° Met betrekking tot de vraag of het opportuun is of een arts zichzelf behandelt, wijst de Nationale Raad erop dat de fysieke en psychische gezondheid van de zorgverstrekkers belangrijk is, niet alleen voor de arts zelf maar ook voor zijn patiënten. In geval van een ernstig gezondheidsprobleem dient steeds de voorkeur te worden gegeven aan een objectieve behandeling door een derde arts. Het voor zichzelf voorschrijven van geneesmiddelen die tot verslaving kunnen leiden, dient ten stelligste te worden vermeden.

cc. dr. D. VAN DAMME, geneesheer-inspecteur, Riziv

1. Advies van de Nationale Raad van 22 maart 2014, "Afleveren van een ziekteattest door een arts voor zichzelf", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 145.

Beroepsgeheim07/06/2008 Documentcode: a121004
Rol en taken van de coördinerend geneesheer in de rust- en verzorgingstehuizen

De Nationale Raad nam deel aan een overlegvergadering en bestudeerde de voorstellen die door de werkgroep coördinerend geneesheer van de Overeenkomstencommissie Rustoorden - Verzekeringsinstellingen werden gedaan in zijn activiteitenverslag 2006-2007.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak op zijn zitting van 7 juni 2008 het activiteitenverslag 2006-2007 van de werkgroep coördinerend geneesheer van de Overeenkomstencommissie Rustoorden – Verzekeringsinstellingen.

De Nationale Raad wenst enkele opmerkingen te maken omtrent een aantal punten van dit verslag.

1. Continuïteit van de zorg

Punt 2.: “De werkgroep stelt vast dat het gaat om een middelenverbintenis en niet om een resultaatsverbintenis. De coördinerend geneesheer is niet verantwoordelijk indien de behandelend geneesheer zijn opdracht binnen het rusthuis niet naar behoren uitvoert. Voorts beschikt de coördinerend geneesheer slechts over zijn morele autoriteit om de continuïteit van de zorgen te coördineren en te organiseren.

Opmerkingen:

Het verzekeren van de continuïteit van de zorg is een individuele wettelijke(1) en deontologische plicht van elke arts. Elke huisarts dient zich dus – bij afwezigheid of onbereikbaarheid – te laten vervangen door een andere huisarts, gezien de verplichte kwalificatie in deze noodzakelijk is.

Daarenboven organiseren de huisartsenkringen(2) de wachtdiensten voor de bevolking; huisartsen doen dan ook systematisch beroep op hun eigen huisartsenkring om – tijdens de weekends en feestdagen, recentelijk ook voor de weekpermanentie – die continuïteit te helpen verzorgen.

De coördinerend geneesheer heeft derhalve geen enkele andere wettelijke noch deontologische bevoegdheid dan die beide opties te respecteren: de continuïteit in een rusthuis wordt verzorgd, ofwel door een individuele huisarts gekozen door de behandelende huisarts, ofwel door de huisartsenkring.

Bovendien dient de coördinerend geneesheer zich zeer terughoudend(3) op te stellen om zelf, op vraag van het rusthuis, tussen te komen als behandelend geneesheer,.

2. Verband “medisch dossier” en “liaisondossier”.

Punt 3.: “Om misverstanden te vermijden, moet men de uitdrukking medisch dossier vervangen door de uitdrukking ‘liasonfiche die deel uitmaakt van het zorgdossier’. Die fiches zouden moeten gestandaardiseerd worden en, idealiter, geïnformatiseerd. …

Het zou wenselijk zijn om zoniet de inhoud, dan wel de precieze bedoeling van die fiches te definiëren (een duidelijke communicatie garanderen tussen de behandelend geneesheer en het verzorgend team, en tussen de behandelend geneesheer en zijn plaatsvervanger die in noodgevallen kan worden opgeroepen).

Opmerkingen:

De Nationale Raad is van oordeel dat de term “liaisondossier” en “liaisonfiche” best vervangen wordt door “communicatiefiche”, teneinde verwarring te voorkomen met begrippen rond dossiers.

Medische zorg wordt in het RVT – als een thuisvervangend milieu – in een multidisciplinaire context verstrekt : “dat geldt bij de opname, waarbij een multidisciplinaire diagnostische en medisch-sociale evaluatie moet gebeuren; maar uiteraard ook bij de zorgen die dagelijks verstrekt worden, zowel medische, verpleegkundige zorg, paramedische en/of kinesitherapeutische zorg.

In de thuisverzorging bestaan nu reeds “communicatieschriften”, waarin alle betrokken verstrekkers hun opmerkingen kunnen noteren, binnen de context van die multidisciplinaire zorgverlening rond de gemeenschappelijke patiënt.

De uiteindelijke bedoeling van een “communicatiefiche” binnen het RVT is analoog: de onderlinge communicatie te verzekeren bij de multidisciplinaire zorg rond de RVT-bewoner als patiënt.

Het KB van 21 september 2004(4) bepaalt het “individueel verzorgingsdossier”“dit bevat de sociale, medische, paramedische en verpleegkundige gegevens. Dit dossier, dat uit verschillende onderdelen kan bestaan, moet constant in de instelling aanwezig zijn. Het moet steeds toegankelijk zijn voor de daartoe bevoegde personen”.

Het “verzorgingsdossier” bevat de facto alle “medische gegevens” die normaliter ook in een – naar deontologische norm – afzonderlijk “medisch dossier” thuishoren : “de anamnese, klinisch onderzoek bij opname, de diagnose, de behandeling, de klinische en diagnostische evolutie, de voorgeschreven geneesmiddelen en de toediening ervan”.

Hoewel er blijkbaar nog geen officiële definitie wordt gegeven aan “de liaisonfiche”, blijkt de intentie dat dit structureel een volwaardig onderdeel vormt van het “zorgdossier” (zoals bepaald in het KB 21 september 2004), dus als een nieuw en afzonderlijk document, naast het “medisch dossier”. De Nationale Raad is van oordeel dat het verzorgingsdossier bestaat uit afzonderlijke onderdelen : het medisch dossier, het verpleegkundig dossier en de communicatiefiche.

De toegang tot dergelijke communicatiefiche moet beperkt blijven tot de “bevoegde personen”: dat zijn stricto sensu de zorgverleners die werken rond de individuele bewoner. In principe heeft de coördinerend geneesheer geen toegang tot de communicatiefiche, evenmin als tot het feitelijke medische dossier; behalve uitzonderlijk onder de geschetste deontologische voorwaarden(5) van vraag aan en toestemming van de behandelende huisarts.

De communicatiefiche is echter van ondergeschikt belang voor de medische continuïteit van de zorg : zowel de plaatsvervangende huisarts als de huisarts met wacht doen best beroep op het medisch dossier, waar zij vanwege hun kwalificatie en opdracht uiteraard volwaardig inzage en volledig toegang toe hebben.

De inhoud van de communicatiefiche – in het bijzonder de medische informatie – wordt strikt beperkt tot de voor de zorgverlening nuttige en/of noodzakelijke informatie.

De problematiek – qua beroepsgeheim – blijft het multidisciplinaire karakter van een dergelijke communicatiefiche, met een mix van informatie aangebracht volgens de diverse betrokken disciplines.
Men moet aannemen dat alle zorgverleners hier gebonden zijn door een ‘gedeeld’ beroepsgeheim.

Bovendien moet de huisarts multidisciplinair overleg(6) plegen, in het belang van de patiënt.

3. Contact van de behandelend geneesheren met de instelling.

Punt. 9. : “De coördinerend geneesheren menen dat men de wijze moet herzien waarop een coördinerend geneesheer door de beheerder moet worden aangesteld. Ze wensen dat er een discussie zou plaatsvinden tussen de beheerders en de lokale huisartsenkringen, zodat de coördinerend geneesheren worden aangesteld die het vertrouwen genieten van hun collega’s en de beheerder.

Opmerkingen:

De stelling dat de huisartsenkring (en/of de huisartsen behorend tot de wachtdienst) inspraak moet hebben bij de aanstelling van de coördinerend geneesheer, is reeds eerder door de Nationale Raad(7) geclaimd: de NR stelde in zijn advies dat deze aanwijzing er zou komen op grond van een consensus tussen de huisartsen die prestaties verrichten in het tehuis en de beheerder ervan.

De taken van de coördinerend geneesheer – in het bijzonder de relatie met de geneesheren, de continuïteit van de zorg, de coördinatie van het zorgbeleid en de bijscholing – kunnen zonder de actieve inbreng en medewerking van de lokale huisartsenkring moeilijk of zelfs niet gerealiseerd worden.

De Nationale Raad vraagt bijzondere aandacht voor de aanstellingsprocedure van de coördinerend geneesheer, rekening houdend met het wettelijk kader en de onderscheiden verantwoordelijkheden van de huisartsenkring en de beheerder.

De instellingen hebben het benoemingsrecht, maar de huisartsenkringen dienen – in de geschetste context van wettelijke vertegenwoordiger van de lokale huisartsen en integratie van de taken van de coördinator – een voordrachtrecht van (de) kandidaat-coördinatoren te verkrijgen en/of te behouden.

Het is noodzakelijk dat – in consensus tussen vertegenwoordigers van de huisartsenkringen en de beheerders van rusthuizen – een sluitende aanstellingsprocedure wordt uitgewerkt.

De Nationale Raad wenst op de hoogte te blijven van het gevolg dat aan deze opmerkingen zal worden gegeven.


1. 10 november 1967 – Koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, art. 8,.§1.
2. 8 juli 2002. – Koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen
3.Advies Nationale Raad – 20.11.1999
4. 21 september 2004 – Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging. Bijlage 1 RVT punt 3.b.-c.-d.
5. Adviezen Nationale Raad – 16.09.2000 / 19.01.2002 / 19.10.2002
6. 22 augustus 2002. - Wet betreffende de rechten van de patiënt. Art. 4.
7. Adviezen Nationale Raad – 16.09.2000 / 26.06.2004

Informatica07/06/2008 Documentcode: a121003
Oprichting en organisatie van het e-Health-platform

De Nationale Raad toont ten overstaan van de verantwoordelijke politici zijn bezorgdheid betreffende het op 29 mei 2008 ingediende ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform.

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft kennis genomen van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) ingediend op 29 mei 2008 en van de reacties in de pers met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform. Het ontwerp zou nu in deze maand door de Kamer worden besproken.

De Nationale Raad beklemtoont eens te meer dat het beroepsgeheim van de arts een basisprincipe is van de gezondheidszorg. Het verbaast hem dat een wetsontwerp dat belangrijke gevolgen voor dit aspect kan hebben, met spoed wordt behandeld zonder overleg met de belanghebbenden en is ingebed in het kader van een wet houdende diverse bepalingen alsof het zou gaan over een minieme wijziging van een wet goedgekeurd na een grondig debat door de Kamer en de Senaat.

De Nationale Raad betreurt niet ingelicht te zijn geweest over de stand van zaken van het dossier, ondanks herhaalde verzoeken.

Hij herinnert u aan de aanbevelingen van de volgende instanties omtrent de informatisatie en de elektronische overdracht van gezondheidsgegevens (kopie als bijlage) :

  • de Nationale Raad van de Orde van geneesheren;
  • de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België;
  • de Académie royale de Médecine de Belgique;
  • het Standing Committee of European Doctors;
  • de World Medical Association.

De Nationale Raad stelt vast dat het e-Health-platform zich niet beperkt tot een systeem voor de overdracht van persoonsgegevens betreffende patiënten. Het registreert tevens persoonlijke medische gegevens die niet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn vastgelegd. Dit heeft ongetwijfeld gevolgen voor de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het beroepsgeheim. Zo merkt de Nationale Raad bijvoorbeeld op dat het verwijzingsrepertorium vermeldt bij welke actoren in de gezondheidszorg de patiënten al dan niet wensen dat hun gegevens worden bewaard en wat de toegangsmodaliteiten zijn. Enkel de vermelding dat de patiënt deze of gene arts raadpleegt, kan op zich een medische diagnose onthullen en houdt een stigmatisatiegevaar in. Zo is gewoon al de vermelding van het feit dat een patiënt een psychiater of een expert op het gebied van aids raadpleegt op zich een medisch gegeven dat onder het beroepsgeheim valt.

Bovendien weigert de Nationale Raad en verzet hij zich met klem tegen de centralisatie bij één enkele instantie van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het beheer van de transacties, van de labeling van de software en van de gegevensoverdracht. Meer bepaald mag het e-Health-platform niet de rol vervullen van intermediaire organisatie en hierdoor de coderingssleutels beheren waarmee de gecodeerde gegevens aan de patiënten kunnen worden gekoppeld.

De Nationale Raad legt de nadruk op het belang van dit ontwerp voor de werking van de gezondheidszorg. Hij dringt erop aan dat dit het voorwerp zou uitmaken van een apart wetsontwerp, met dien verstande dat het wordt geschrapt uit het actueel voorliggende wetsontwerp. Hij wenst dat er een openbaar debat over zou worden gevoerd waaraan de verschillende belanghebbenden deelnemen. De Nationale Raad houdt zich te uwer beschikking om hieraan deel te nemen.

Zie ook :

  • advies « BeHealth » van de Nationale Raad van 26 november 2005 – Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 111 p. 5;
  • advies van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België , “Advies nopens het wetsvoorstel rond “Be-Health” of het “Wetsontwerp betreffende de verwerking en de informatisering van de gezondheidsgegevens alsook de toepassingen voor telegeneeskunde” goedgekeurd op de vergadering van de KAGB op 17 januari 2007 (Tijdschrift voor Geneeskunde, 63, nr. 7, 2007);
  • advies over het wetsontwerp « BeHealth » van de Académie royale de Médecine de Belgique goedgekeurd in plenaire zitting op 25/11/2006 en 13/01/2007 (Bulletin et Mémoires de l’Académie royale de Médecine de Belgique – Volume 161/Année 2006 N° 10-11-12, p.524 à 526) ;
  • advies van het Standing Committee of European Doctors - Recommendations about “E-health – CPME policy statement on electronic health records” (CPME 2006/132 FINAL EN) adopted at the CPME Board meeting, Brussels, 19 October 2007;
  • advies van de World Medical Association – “The WMA Declaration on ethical considerations regarding Health Databases” adopted by the WMA General Assembly, Washington 2002.

Cc : de ministers van de federale regering, de ministers van de Vlaamse regering, de voorzitters van de politieke partijen, de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Informatica30/09/2006 Documentcode: a114004
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid

Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid werd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aangenomen op 13 juli 2006 (DOC 51 2594/009) en voor eventueel onderzoek en amendering overgezonden aan de Senaat (artikel 78 van de Grondwet) (1). De wet snijdt een reeks aspecten aan van de zorgpraktijk die deontologische vragen doen rijzen zoals bijvoorbeeld : de uitbreiding van de bevoegdheden van de vroedvrouwen, de bescherming van de persoonsgegevens, de controlegeneeskunde, de erkenning van de commissies voor medische ethiek.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren stelt de senatoren in kennis van enkele bezwaren betreffende de voorgelegde tekst.

Advies van de Nationale Raad :

1/ Hoofdstuk I : Vroedvrouwen

De artikelen 2 tot 29 van het wetsontwerp zijn verontrustend om meer dan een reden.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren beschouwt de multidisciplinaire samenwerking als een hoofdbeginsel van de geneeskundige plichtenleer. Deze samenwerking is des te noodzakelijker daar elk gezondheidsberoep zijn eigen bijzonderheden heeft. Artikel 177 van de Code van geneeskundige plichtenleer leidt de arts bij zijn verhouding met de andere medische beroepen. De Nationale Raad meent dat het ontwerp een nieuwe benadering vergt van de samenwerking tussen artsen en vroedvrouwen. Doordat elk gezondheidsberoep zijn bijzonderheden heeft, dient ieder van de actoren zijn eigen verantwoordelijkheid te dragen : dit is een voorwaarde voor samenwerking tussen beroepsbeoefenaars. Zodra een zwangerschap als “normaal” wordt beschouwd, dient het onderscheid inzake verantwoordelijkheid tussen artsen en vroedvrouwen bepaald te worden, waarbij ieder zijn verantwoordelijkheid dient op te nemen voor de handelingen die hij verricht. Verschillende problemen inzake verantwoordelijkheid dreigen zich te stellen, meer bepaald met betrekking tot de vaststelling of een zwangerschap “normaal” dan wel “risicovol” is of met betrekking tot het vastleggen van de handelingen die, in het kader van een “normale” zwangerschap, uitsluitend onder de bevoegdheid van artsen vallen en die welke uitgevoerd mogen worden door vroedvrouwen. Hierbij moet ook benadrukt worden dat zwangerschap en bevalling zich kenmerken door soms onverwachte evoluties waardoor wat normaal is snel kan omslaan naar “abnormaal” en “risicovol” en zelfs “levensbedreigend”. Er dienen dwingende afspraken te worden gemaakt voor het doorverwijzen van patiënten en het opvangen van verwikkelingen. Een duidelijke definitie van de bevoegdheden van ieder is onontbeerlijk om te vermijden dat de gehele aansprakelijkheid op de artsen valt. De vroedvrouwen dienen zich dan ook adequaat te verzekeren.

Wat de risicopreventie betreft, betreurt de Nationale Raad dat de tekst aan de Koning de plicht oplegt, na enkel het advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen te hebben ingewonnen, de handelingen te bepalen die verricht mogen worden door de vroedvrouwen. Hoewel de Federale Raad voor de Vroedvrouwen nog opgericht dient te worden (artikel 21, nieuw noviesdecies, § 4), mogen wij ervan uitgaan dat deze raad terecht hoofdzakelijk uit vroedvrouwen zal bestaan. Bij de vaststelling van de handelingen die verricht mogen worden door vroedvrouwen dient echter rekening gehouden te worden met het advies van artsen. Het vastleggen van de potentiële risico’s van een bepaalde handeling en van de vereiste bevoegdheid om ze te verrichten, mag niet alleen de taak zijn van de vroedvrouwen. De Nationale Raad meent dat de Koning niet alleen het advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen dient in te winnen, maar ook dat van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde en van de andere betrokken wetenschappelijke verenigingen.

Het wetsontwerp bepaalt dat de vroedvrouwen geneesmiddelen zullen mogen voorschrijven, onder meer in het kader van de opvolging van normale zwangerschappen en bevallingen, en bij de zorg aan gezonde pasgeborenen, dit zowel binnen als buiten het ziekenhuis. De aanvaardbaarheid van een dergelijk voorstel hangt af van de vereiste kennis van de pathologie en de farmacologie. Een grondige evaluatie van de opleidingsonderdelen die leiden tot het diploma van vroedvrouw is dan ook onontbeerlijk.

Het wetsontwerp laat ook de houders van de beroepstitel van vroedvrouw toe om functionele echografieën uit te voeren. Het is onontbeerlijk dat de vroedvrouwen beschikken over de erkende wetenschappelijke bekwaamheid om dit soort echografie uit te voeren en dat de echografieën voor het opvolgen van de zwangerschap waarvoor medische bekwaamheid vereist is, uitgevoerd worden onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een gespecialiseerd arts.

2/ Hoofdstuk III : Wijzigingen van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong

Artikel 21 van de wet van 5 juli 1994 bepaalt dat de door de Koning aangewezen geneesheren-ambtenaren belast zijn met de controle op de toepassing van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.

De Nationale Raad hecht er bijzonder veel belang aan dat de taken waarvoor een medische bekwaamheid vereist is, uitgevoerd worden door artsen en dat de persoonlijke gezondheidsgegevens, waarvan de traceerbaarheid wettelijk bepaald is, uitsluitend verwerkt worden door beoefenaren van de gezondheidszorgberoepen die gebonden zijn door het beroepsgeheim.

3/ Hoofdstuk V : Wijzigingen van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen

De Nationale Raad stelt zich vragen bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de patiënten in het door het wetsontwerp voorgestelde systeem, meer bepaald met betrekking tot de overdracht van de nog niet anoniem gemaakte gegevens aan de technische cel, bedoeld bij de artikelen 155 en 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen.

Wij kunnen alleen maar vaststellen dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zich reeds herhaaldelijk uitgesproken heeft met betrekking tot de toepassing van artikel 156. De Nationale Raad acht het onontbeerlijk deze commissie te betrekken bij een project van dergelijke omvang.

De Nationale Raad betreurt bovendien dat de wetgever bepaalt dat in het kader van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, geen enkele machtiging vereist is voor de terbeschikkingstelling en het gebruik van de gegevens bedoeld bij het tweede en derde lid van de derde paragraaf van artikel 156, terwijl de toepassingsmodaliteiten voor ditzelfde tweede en derde lid terzelfder tijd toevertrouwd worden aan de Koning. De Koning verkrijgt aldus een ruime volmacht en de controlemogelijkheden op zijn daden worden beperkt.

4/ Hoofdstuk VI : Kankerregister

De Nationale Raad maakt ernstig bezwaar met betrekking tot de eerbiediging van het beroepsgeheim en van de persoonlijke levenssfeer van de patiënten in het kader van artikel 45 quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, zoals het voorgesteld is in artikel 39 van het wetsontwerp.

Vooreerst meent de Raad dat het ongeoorloofd is het identificatienummer van de sociale zekerheid van de patiënt (INSZ) te verzamelen ten voordele van de Stichting ‘Kankerregistratie”. Hij meent dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vereist dat de waterdichtheid van de informatiecircuits gewaarborgd wordt tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de sociale zekerheidsgegevens, evenals tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de rijksregistergegevens (zie advies van de Nationale Raad van 26 november 2005 betreffende het BeHealthproject, Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 111, maart 2006, p. 5 zie ook de daarin vermelde adviezen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer).

Bovendien kan de Nationale Raad niet aanvaarden dat de in de Stichting tewerkgestelde personen onbeperkte toegang zouden hebben tot de persoonsgegevens. Reeds vanaf het verzamelen van de gegevens bij de ziekenfondsen zijn strikte coderingsmaatregelen noodzakelijk.

5/ Hoofdstuk VII : Sectoraal Comité voor de Gezondheidsgegevens

In verband met dit onderwerp verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 26 november 2005 betreffende het BeHealthproject, punt 4/ (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 111, maart 2006, p. 5).

6/ Hoofdstuk VIII : Ziekenhuizen; Afdeling 2 : rechten van de patiënt

De Nationale Raad meent dat de voorgestelde bepalingen in artikel 48 van het ontwerp de transparantie naar de patiënt toe ten goede komen.

7/ Hoofdstuk X : patiëntenrechten

De Nationale Raad stelt tot zijn genoegen vast dat de wetgever door het voorgestelde artikel 61 duidelijkheid schept met betrekking tot het toepassingsgebied van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

In verband met artikel 62 vindt de Raad het jammer dat het voorstel geen rekening houdt met het volgende standpunt dat reeds geformuleerd werd in zijn advies van 16 februari 2002 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 95, maart 2002, p. 3).

“Evenmin kan de Nationale Raad nalaten erop te wijzen dat de voorliggende tekst nauwelijks enige kwalificatie voorziet voor de door de patiënt aangewezen vertrouwenspersoon. Belangrijk in dit vlak is dat er niet alleen een vertrouwensrelatie moet zijn tussen de patiënt en de aangewezen persoon maar dat er eveneens een vertrouwensrelatie moet kunnen ontstaan tussen deze persoon en de beroepsbeoefenaar. Men kan zich toch moeilijk voorstellen dat een behandelaar die goede redenen heeft om een vertrouwenspersoon niet te vertrouwen hem confidentiële informatie gaat verstrekken over zijn patiënt.”

Tot slot maakt de Nationale Raad enig voorbehoud met betrekking tot het voorgestelde artikel 64.

Ten eerste op taalkundig gebied : de formulering van het artikel, in het bijzonder de woorden “in afwijking van §§ 1 en 2”, schept verwarring. Wat vervolgens het inhoudelijke aspect betreft, heeft de Nationale Raad er in principe geen bezwaar tegen dat de door de patiënt aangewezen vertegenwoordiger, de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of feitelijk samenwonende partner een klacht kunnen indienen. De tekst zou echter wel duidelijker moeten zijn met betrekking tot het feit dat deze mogelijkheid enkel bestaat indien de meerderjarige patiënt niet meer in staat is zijn rechten zelf uit te oefenen en niet valt onder een van de bij artikel 13 van de wet van 22 augustus 2002 bedoelde statuten.

Voorts is het essentieel dat het recht een klacht in te dienen in die gevallen niet systematisch recht zou mogen geven om kennis te nemen van de gehele zaak. In heel wat gevallen zou de mededeling van bepaalde gegevens waarover de ombudsdienst beschikt aan de vertegenwoordiger of aan de echtgenoot de belangen van de patiënt ernstig kunnen schaden, bijvoorbeeld wanneer de patiënt geweigerd heeft persoonlijke gegevens die hem betreffen mede te delen.

8/ Hoofdstuk XIII : Responsabilisering van de zorgverstrekkers

Wat het voorstel van wijziging van artikel 140 van de wet van 14 juli 1994 (art. 96 van het ontwerp) betreft, stelt de Nationale Raad zich vragen nopens de zin van de vermindering van zijn vertegenwoordiging binnen het Comité voor de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. Bovendien is hij van oordeel dat het belangrijk is dat zijn vertegenwoordigers over een beslissende stem beschikken. De ordinale vertegenwoordiging dient het algemeen belang.

Wat artikel 108 van het ontwerp betreft heeft de Nationale Raad vragen over de draagwijdte van de aansprakelijkheid van de stagemeester zoals bedoeld in artikel 157, § 2, van de wet van 14 juli 1994.

9/ Hoofdstuk XVIII : Wijzigingen van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon

De Nationale Raad stelt vast dat rekening gehouden werd met zijn advies ter zake van 13 december 2003 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 103, maart 2004, p. 10) in die zin dat het aantal geanalyseerde protocollen dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van de ministeriële machtiging van de ethische commissie verminderd wordt.

(1) Op 26 oktober 2006 werd het wetsontwerp nagenoeg ongewijzigd aangenomen in de Senaat.
Riziv04/02/2006 Documentcode: a112003
Advies van 19 juni 1999 betreffende de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de dienst voor geneeskundige controle van het Riziv - Wijziging d.d. 4 februari 2006

Aangezien de huidige tekst van het advies het nut van de mededelingen aan het Riziv tenietdoet, beslist de Nationale Raad in het tweede deel van het advies van 19 juni 1999 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 86, december 1999, p. 13) volgende zin te schrappen :

Wachtdiensten - Nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies - Mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv

Op 24 maart 1999 vestigde de Nationale Raad de aandacht van de provinciale raden op de in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 1999 bekendgemaakte wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, waarin een aantal artikels voorkomen die de artsen en de Orde der geneesheren aanbelangen.
De provinciale raden werden uitgenodigd de vragen die zich in verband met deze wet stelden voor te leggen aan de Nationale Raad.
De desomtrent door de provinciale raden gestelde vragen hadden betrekking op twee onderwerpen:

1. […];
2. de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv (artikel 144 van de sociale programmawet tot wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).

Over dit laatste onderwerp ontving de Nationale Raad op 14 april 1999 een schrijven van de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv, met het verzoek de provinciale raden van de Orde der geneesheren op de hoogte te brengen van de nieuwe wettelijke bepalingen "met het oog op een verdere goede samenwerking en teneinde nodeloze vragen of briefwisseling te voorkomen".

Aanbeveling van de Nationale Raad aan de provinciale raden:

I. […]
II. Wat het overmaken van disciplinaire beslissingen aan het Riziv betreft (artikel 144 sociale programmawet).

Sinds de inwerkingtreding van het artikel 144 van de sociale programmawet, houdende wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan de Dienst voor geneeskundige controle, indien hij tijdens zijn onderzoeken bepaalde feiten op het spoor komt die de tuchtrechtelijke instanties kunnen aanbelangen bij het toezicht waarmede zij belast zijn, deze feiten bij die tuchtrechtelijke instanties aanklagen.

Anderzijds zijn de tuchtrechtelijke instanties verplicht de Dienst voor geneeskundige controle op de hoogte te brengen van de definitieve beslissingen (disciplinaire beslissingen van de provinciale raden die niet meer vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep en beslissingen van de raden van beroep die niet meer vatbaar zijn voor verzet of voorziening in cassatie) die zij hebben uitgesproken met betrekking tot feiten die de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen schade hebben toegebracht : "de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde der geneesheren delen in het bijzonder aan de voormelde dienst de straffen mee die werden uitgesproken wegens misbruiken van de diagnostische en therapeutische vrijheid".

De nieuwe wettelijke regeling vereist herziening van de adviezen van de Nationale Raad van 22 maart 1997 (Tijdschrift nr. 78, p. 16) en van 21 maart 1998 (Tijdschrift nr. 80, p. 30) inzake het niet-mededelen van disciplinaire beslissingen aan het Riziv.

De Nationale Raad is van mening dat het aangewezen is aan de Dienst voor geneeskundige controle mededeling te doen van alle disciplinaire beslissingen die voor het Riziv enig belang kunnen vertonen, met uitzondering van zaken aangebracht door het Riziv waarbij deze duidelijk te kennen geeft geen belangstelling te hebben voor het verder aan de zaak gegeven gevolg. Mededelingen omtrent zaken die niet door het RIZIV werden aangebracht dienen anoniem te gebeuren.

Hierbij is op te merken dat de nieuwe bepalingen slechts gelden voor de vanaf de inwerkingtreding van de sociale programmawet definitief genomen disciplinaire beslissingen, dit is vanaf 16 februari 1999 (tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad).

Een kopie van de aanbeveling van de Nationale Raad in verband met de mededeling van disciplinaire beslissingen aan het Riziv (punt ll) wordt overgemaakt aan de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv.

Informatica26/11/2005 Documentcode: a111003
BeHealthproject

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 26 november 2005 nogmaals het Be-Healthproject.
Hij stelt vast dat dit project momenteel in uitvoering is en vernam in dit verband via de parlementaire handelingen dat “de strategie voor de ontwikkeling van de e-gezondheidszorg steunt op drie afzonderlijke en aanvullende pijlers” en dat voor elk van die drie pijlers specifieke regelgevende initiatieven nodig zijn.

De Nationale Raad deelt u zijn bezwaren mede betreffende het voorontwerp van wet dat u op 10 oktober 2005 werd bezorgd. Zo kunt u rekening houden met zijn opmerkingen in het kader van de drie “pijlers” die de invoering van het Be-Healthproject beogen.

Deze opmerkingen luiden als volgt :

1/ de gezondheidsgegevens

Artikel 2, 1°, van het voorontwerp van wet definieert de gezondheidsgegevens als volgt:

“elk gegeven van persoonlijke aard dat door zijn inhoud of gebruik informatie verschaft over de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, met uitzondering van de gegevens die wettelijk en uitsluitend gebruikt worden voor administratieve of boekhoudkundige doeleinden, met betrekking tot de preventie, de behandeling of de toepassing van de sociale rechten.”
Deze definitie heeft tal van gevolgen voor het beroepsgeheim.
Bovendien is ze duidelijk niet aangepast.

1.1/ Een niet aangepaste definitie

De Nationale Raad is van oordeel dat de definitie van gezondheidsgegevens zoals ze opgenomen is in het voorontwerp van wet ten minste twee struikelstenen bevat:

1/ Ofschoon een persoonlijk gezondheidsgegeven op zich een gezondheidsgegeven vormt, is het omgekeerde niet altijd waar : een gezondheidsgegeven is niet altijd persoonlijk. (Een gewoon nomenclatuurnummer bijvoorbeeld vormt een gezondheidsgegeven als dusdanig zonder in alle gevallen een persoonlijk gezondheidsgegeven te vormen. Dit zou pas het geval zijn wanneer het nomenclatuurnummer de verzorging zou attesteren die toegediend werd aan een persoon die geïdentificeerd is of kan worden).

Een anoniem gezondheidsgegeven vergt niet noodzakelijkerwijze een specifieke bescherming met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer of het beroepsgeheim. Een persoonlijk gezondheidsgegeven daarentegen vergt een bijzondere bescherming alleen al door het feit dat het betrekking heeft op een persoon die geïdentificeerd is of kan worden.

De wetgeving met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer, daarin gesteund door de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, heeft altijd gesteld dat de persoonsgegevens die de gezondheid betreffen gevoelige gegevens zijn zodra ze gekoppeld worden aan een persoon die geïdentificeerd is of kan worden en niet zodra ze gebruikt worden in een welbepaalde context.

De definitie zoals ze opgenomen is in het voorontwerp van wet geeft deze evidentie niet weer.

2/ De Nationale Raad meent bovendien dat een persoonlijk gezondheidsgegeven definiëren volgens het gebruik dat ervan zal gemaakt worden een fout tegen de logica is.

Net zoals een stoel een stoel blijft ook al zit er niemand op, blijft een persoonlijk gezondheidsgegeven een persoonlijk gezondheidsgegeven ook al wordt het gebruikt in een administratieve of boekhoudkundige context.

In dit verband stelt de Nationale Raad vast dat uit artikel 7 van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (en in het bijzonder uit de artikelen 7, §2, b), c) en i)) duidelijk voortvloeit dat de persoonlijke gezondheidsgegevens persoonlijke gezondheidsgegevens blijven ook al worden ze gebruikt in een administratieve of boekhoudkundige context.

1.2/ Een definitie met ernstige gevolgen

De definitie van “gezondheidsgegeven” in artikel 2 van het voorontwerp van wet heeft tal van negatieve gevolgen voor het beroepsgeheim en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

- Het beroepsgeheim

Ter herinnering, artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt :

“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte (of voor een parlementaire onderzoekscommissie) getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.”

Het Hof van Cassatie stelt in een principearrest van 16 december 1992 dat “het beroepsgeheim waaraan artikel 458 van het Strafwetboek de beoefenaars van de geneeskunde onderwerpt, berust op de noodzaak een totale veiligheid te waarborgen van diegenen die op hen dienen te vertrouwen.”

De nieuwe definitie van gezondheidsgegeven beperkt de draagwijdte van het beroepsgeheim aanzienlijk door de gegevens die gebruikt worden in een administratieve of een boekhoudkundige context te beschouwen als vrij overdraagbaar.

Aangezien de persoonsgegevens betreffende de gezondheid hun persoonlijk karakter niet verliezen wanneer ze gebruikt worden in een administratieve of boekhoudkundige context, is de Nationale Raad van oordeel dat de verspreiding van deze gegevens het beroepsgeheim kan schenden.

Het beginsel van het beroepsgeheim behouden en terzelfder tijd de toepassingsmogelijkheden ervan geleidelijk en aanzienlijk beperken, maakt van het geheim een “luchtbel”. De praktische gevolgen voor de patiënt zouden talrijk kunnen zijn.

De patiënten zijn zeer gehecht aan het beroepsgeheim van hun artsen : hun belang staat immers op het spel.

- De bescherming van de persoonlijke levenssfeer

De definitie van “gezondheidsgegeven” in artikel 2 van het voorontwerp van wet houdt eveneens ernstige negatieve gevolgen in voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Indien het niet juist is dat een persoonlijk gezondheidsgegeven zijn persoonlijk karakter verliest in een administratieve of boekhoudkundige context, is het legitiem dat de bescherming van deze gegevens zelfs in deze contexten gewaarborgd wordt.

Zo wordt immers duidelijk gesteld bij artikel 7 van de wet van 8 december 1992.

De ervaring van de Nationale Raad en van de provinciale raden van de Orde van geneesheren toont duidelijk aan dat de persoonlijke gezondheidsgegevens een ruime, zo niet bijzondere, bescherming behoeven met betrekking tot het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer in de administratieve of boekhoudkundige context, in het vlak van preventie alsook op het gebied van de sociale rechten.

De Nationale Raad meent dan ook dat het passender zou zijn de persoonsgegevens betreffende de gezondheid te definiëren in plaats van, in ruimere zin, de gezondheidsgegevens.

Deze definitie zou als volgt luiden : “elk gegeven van persoonlijke aard dat informatie verschaft over de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd.”

2/ Het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer (PGIN)

Het idee van een specifieke gezondheidsidentificatie voor ieder individu, die toegang verschaft tot alle gezondheidsepisodes “van bij de wieg tot aan het graf”, op voorwaarde natuurlijk dat elke episode gerapporteerd werd door de zorgeenheid of door de verzorgende arts en dat alle instellingen met elkaar verbonden zijn, is niet nieuw.

In het voorliggende geval wordt een uniek nummer toegekend waaronder alle gezondheidsgegevens van het individu verzameld worden, ongeacht de plaats waar of het ogenblik waarop de zorg hem toegediend werd.

De Nationale Raad maakt zich zorgen over het gebruik dat zou kunnen gemaakt worden van het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer voor andere doeleinden dan medische zorg of wetenschappelijk onderzoek.

De Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer heeft het gebruik van een uniek patiëntennummer weliswaar herhaaldelijk aanbevolen (advies nr. 14/2002 van 8 april 2002, advies nr. 19/2002 van 10 juni 2002, advies nr. 30/2002 van 12 augustus 2002, advies nr. 33/2002 van 22 augustus 2002, advies nr. 10/2004 van 23 september 2004, advies nr. 01/2005 van 10 januari 2005), maar deze aanbeveling ging geregeld gepaard met een waarschuwing : de waterdichtheid van de informatiecircuits tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de sociale zekerheidsgegevens evenals tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de rijksregistergegevens moet gewaarborgd worden.

Het regeringsontwerp in zijn huidige vorm lijkt deze waterdichtheid niet te waarborgen en dit om minstens drie redenen :

1/ artikel 3, § 1, in fine :

De logische koppeling tussen het PGIN en het INSZ (identificatienummer van de sociale zekerheid) , hoewel ze beschouwd wordt als individueel onomkeerbaar, biedt de mogelijkheid een nationaal bestand van de PGIN’s samen te stellen vanuit het rijksregister of vanuit het register van de INSZ’s.

De Nationale Raad meent dat het PGIN aleatorisch aangemaakt dient te worden en geenszins mag resulteren uit de logische omzetting van persoonsgegevens, ook al wordt deze beschouwd als onomkeerbaar.

2/ artikel 3, §3, 5°

De quinto van de 3de paragraaf van artikel 3 maakt de koppeling mogelijk tussen de sociale zekerheidsgegevens en de persoonsgegevens betreffende de gezondheid.

3/ artikel 12, § 3.

Artikel 12, § 3, van het ontwerp, luidt als volgt :

“Wanneer de behandelend arts de beheerder is van het globaal medisch dossier van de patiënt, verstrekken de verzekeringsinstellingen de volgende gegevens :

de identificatie van de erkende huisarts
de identificatie van de patiënt via het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer.”

Indien de verzekeringsinstelling het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer van de patiënt kan verstrekken, moeten wij daaruit afleiden dat zij het PGIN en het INSZ kan koppelen.

Het baart de Nationale Raad bovendien zorgen dat Be-Health zelf de controle regelt van de gegevenstransacties die ze verricht.

3/ Het gezamenlijk gezondheidsdossier.

Het voorontwerp van wet introduceert het principe van een gezamenlijk gezondheidsdossier. Hierover kunnen verschillende opmerkingen geformuleerd worden.

3.1/ De methodologie

De Nationale Raad is niet overtuigd van de werkelijke therapeutische meerwaarde van het gezamenlijk gezondheidsdossier zoals beschreven in het huidige ontwerp.

De overdracht van de integrale persoonsgegevens betreffende de gezondheid van een individu is niet altijd nodig voor de toediening van kwaliteitsvolle zorg en het is in het algemeen niet nodig over de gehele inventaris van het medisch verleden van de patiënt te beschikken, maar alleen over de relevante elementen.

Het gezamenlijk gezondheidsdossier zoals omschreven zou niet in praktijk gebracht mogen worden zonder dat het wetenschappelijk nut ervan aangetoond werd.

3.2/ De persoonlijke levenssfeer en het beroepsgeheim

Het spreekt vanzelf dat het gezamenlijk gezondheidsdossier belangrijke ingrijpende veranderingen meebrengt in de manier waarop de persoonlijke levenssfeer tot nog toe beschermd dient te worden. De Nationale Raad meent dat hij tot op heden over onvoldoende elementen beschikt om de draagwijdte van deze veranderingen in te schatten.

Het principe van het gezamenlijk gezondheidsdossier, zoals beschreven in het voorontwerp, roept echter onmiddellijk de volgende opmerking op : het is niet aanvaardbaar dat elke beoefenaar van een gezondheidsberoep (hierbij inbegrepen de apothekers, kinesitherapeuten, tandartsen en verpleegkundigen) die deelneemt aan de zorg toegang heeft tot alle gegevens betreffende de patiënt.

De manier waarop de beroepsbeoefenaars die deelnemen aan de zorg zullen aangewezen worden is bovendien zeer vaag (zie hieronder). De vraag of de informatie-uitwisseling voldoende beveiligd is blijft volledig open. Deze vraag is echter van essentieel belang om de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de patiënt te waarborgen. De Nationale Raad wenst in dit verband te onderstrepen dat de toegang tot het gezamenlijk gezondheidsdossier een verschillende toepassing MOET kennen naar gelang van de categorie of het specialisme van de beroepsbeoefenaar.

We moeten eveneens vaststellen dat de manier waarop de persoonlijke gegevens behandeld worden, kan verschillen van het ene beroep tot het andere aangezien de notie van “beroepsgeheim” anders toegepast kan worden in twee verschillende tuchtrechten. Het gezamenlijk gezondheidsdossier roept dus ook vragen op in het tuchtrecht.

De Nationale Raad is van mening dat het principe van “gezamenlijk gezondheidsdossier” een diepgaande reflectie vergt.

3.3/ De haalbaarheid

Bij het lezen van de bepalingen van het voorontwerp betreffende het gezamenlijk gezondheidsdossier, kunnen we ons vragen stellen over de praktische uitvoerbaarheid ervan.

- De informatisering

Het idee van een gezamenlijk gezondheidsdossier berust volledig op het postulaat dat de gezondheidsberoepsbeoefenaren over voldoende informaticamateriaal beschikken en hun patiëntendossiers beheren via specifieke programma’s die onderling compatibel zijn.

De volledige en georganiseerde informatisering van alle gezondheidsberoepsbeoefenaren vraagt tijd en wilskracht. We mogen gerust twijfelen aan de reële toepassingsmogelijkheden op het terrein, momenteel en op middellange termijn, van de maatregelen waarop het voorontwerp van wet aandringt.

- De financiering

De veralgemeende informatisering van de gezondheidsdossiers vertegenwoordigt een belangrijke kostprijs.

Het voorontwerp van wet preciseert niet hoe de maatregelen die erin vooropgesteld worden gefinancierd zullen worden en welk budget eraan besteed zal worden. Het ligt echter voor de hand dat de praktische toepassing van de bepalingen van het voorontwerp grotendeels zal afhangen van de toegekende financiering.

De Nationale Raad stelt zich vragen bij de financiële haalbaarheid van het voorontwerp van wet.

- De administratieve overbelasting

De invoering van het gezamenlijk gezondheidsdossier, zoals gepland in het voorontwerp, overstelpt de arts met administratieve taken .

Er wordt aan de arts gevraagd het gezamenlijk gezondheidsdossier op te splitsen in onderdelen : het “beknopt gezondheidsdossier”, het “historisch gezondheidsdossier” en eventuele specifieke onderdelen (artikel 12). Deze opsplitsing zal zeker een toename van het administratieve werk meebrengen.

- De toegang tot het GGD

In principe zouden alleen de artsen die de patiënt dienen te verzorgen toegang hebben tot het gezamenlijk gezondheidsdossier. In de memorie van toelichting kunnen we het volgende lezen : “Na geïdentificeerd en geauthentificeerd te zijn, als persoon en als gezondheidswerker, moet de beroepsbeoefenaar machtiging verkrijgen voor toegang tot een lokale toepassing en een individueel dossier dat op het niveau van deze toepassing beheerd wordt. Deze machtiging wordt hem enkel verleend indien er sprake is van een effectieve relatie van zorgverlener ten opzichte van de patiënt. Indien een patiënt verandert van arts, verliest de arts die hem voordien behandelde zijn toegang tot het dossier. Het medisch geheim wordt verzekerd door de behandelende arts van de patiënt (huisarts of desgevallend specialist), die zal beslissen, zoals nu ook het geval is, welke gezondheidswerkers van het team toegang zullen hebben tot welke gegevens, en dit naar gelang hun deelname in de zorg verleend aan de patiënt”.

Bij het lezen van dit fragment kunnen wij ons gerust de vraag stellen of de toegang tot het gezamenlijk gezondheidsdossier onderworpen zal worden aan de voorafgaande toestemming van de behandelend arts.

Dit zou niet alleen aanvechtbaar zijn, zowel vanuit de deontologie als vanuit de vrije keuze van de arts, maar ook irrealistisch.

De manier waarop de artsen toegang zullen hebben tot het gezamenlijk gezondheidsdossier wordt in elk geval zeer vaag beschreven in het voorontwerp van wet. Toelichtingen zijn noodzakelijk.

Daarnaast stelt de Nationale Raad vast dat de legalisatie van het statuut van arts gebeurt door raadpleging van de federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, bedoeld bij de wet van 29 januari 2003 (art. 13, °2 ). De Raad beklemtoont dat dergelijke legalisatie, op grond van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, onder de bevoegdheid valt van de provinciale raden van de Orde van geneesheren die belast zijn met het samenstellen van de Lijst.

4/ De telematica-organen.

Naast de Commissie “Standaarden inzake Telematica ten behoeve van de sector van de Gezondheidszorg” en van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, worden er nieuwe “organen” opgericht die een zeker aantal bevoegdheden zullen krijgen inzake telematica :

  • een “sectoraal comité voor gezondheidsgegevens” opgericht binnen de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer.
  • een “telematicaplatform “Be-Health”.

De specifieke rol van elk van deze organen en hun onderlinge relaties zijn niet zeer duidelijk. Bovendien blijven er twijfels over hun onafhankelijkheid ten opzichte van de politieke overheid en ten opzichte van de instituten voor sociale zekerheid.

5/ De telegeneeskunde.

Met betrekking tot het gedeelte van het voorontwerp van wet dat specifiek handelt over de telegeneeskunde, wijst de Nationale Raad op twee essentiële beschouwingen die in het huidige wetsontwerp niet geëerbiedigd blijken te worden :

1/ In het kader van de elektronische mededeling mogen de tele-experten zich niet verbinden tot het stellen van diagnoses of het instellen van behandelingen zonder de patiënt persoonlijk ondervraagd en onderzocht te hebben. Hun rol bestaat dus uit diagnose- en beslissingsondersteuning. De plaats waar de medische handeling wordt gesteld blijft die waar de vragende behandelend arts zich bevindt. Het gaat hier ook om een probleem van medische aansprakelijkheid.

2/ Het elektronisch voorschrift opgesteld door een bevoegde beoefenaar van een gezondheidsberoep in de vorm van een elektronisch bestand dient de vrije keuze van de patiënt te eerbiedigen.

De Nationale Raad vraagt zich te beroepen op de adviezen die eerder uitgebracht werden betreffende de telegeneeskunde en de uitoefening van de geneeskunde op afstand.

BESLUIT

De Nationale Raad

1/ verwerpt de definitie van gezondheidsgegeven zoals ze opgenomen is in het ontwerp. Hij meent dat ze inbreuk maakt op het beroepsgeheim en op de wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het lijkt verstandiger te spreken van “persoonsgegevens betreffende de gezondheid”.

2/ verwerpt elke vorm van logische koppeling tussen het PGIN, enerzijds, en het INSZ of het RRN (rijksregisternummer), anderzijds. Het PGIN dient aleatorisch aangemaakt te worden en mag geenszins resulteren uit de logische omzetting van persoonsgegevens, ook al wordt deze beschouwd als onomkeerbaar.

De aanwending van het PGIN dient strikt beperkt te blijven tot de toediening van de zorg.

3/ stelt vast dat de modaliteiten betreffende de invoering van en de toegang tot het “gezamenlijk gezondheidsdossier” onduidelijk zijn en in de huidige staat de vertrouwelijkheid niet kunnen waarborgen.
De Nationale Raad meent dat de mededeling van gezondheidsgegevens langs elektronische weg tussen gezondheidsberoepsbeoefenaren, via een openbaar net of via een niet-plaatselijk privé-net, geenszins kan functioneren zonder voorafgaandelijk een beroep te doen op beveiligde methoden voor encryptie en gecertificeerde handtekening.

4/ legt de nadruk op het gebrek aan onafhankelijkheid van het telematicaplatform Be-Health zowel ten opzichte van de overheid (onder meer bevoegd voor sociale zekerheid) als van de verzekeringsinstellingen.

5/ meent dat telegeneeskunde ten dienste moet staan van de aanvrager die behandelend arts is.

6/ verwerpt de centralisatie, bij één enkele instantie, van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten, en in het bijzonder, van de gegevensoverdracht.

7/ is niet overtuigd van de werkelijke therapeutische meerwaarde van het begrip “gezamenlijk gezondheidsdossier” zoals het opgenomen is in het ontwerp.

Daarom wenst de Nationale Raad dat het wetsontwerp herzien wordt met meer eerbied voor de wettelijke en deontologische voorschriften die noodzakelijk zijn voor de arts-patiëntrelatie.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het draaiboek voor e-gezondheidszorg”, nr. 3-1060, 27 oktober 2005, Handelingen van de Senaat, nr. 3-131, blz. 59

Profiel (van de medische activiteiten) van de arts25/03/2000 Documentcode: a088020
Gegevensinzameling betreffende het patiënteel van de algemeen geneeskundigen

Naar aanleiding van de bestudering van het koninklijk besluit van 21 september 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzake de gegevensinzameling betreffende het patiënteel van de algemeen geneeskundigen, (B.S. 9 oktober 1999, p. 38295), stelt de Nationale Raad zich de vraag of er voldoende waarborgen zijn inzake het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer wanneer de gegevens van de patiënten worden ingezameld aan de hand van de door deze Dienst voorgestelde vragenlijst voor de algemeen geneeskundigen met het oog op het maken van statistische tabellen betreffende hun patiënteel.

Op 11 december 1999 richt de Nationale Raad onderstaande brief aan de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv :

De Nationale Raad vraagt zich af of er niet een zekere tegenspraak bestaat tussen het nieuwe artikel 351 bis ingevoegd in het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en paragraaf 3 van artikel 206 van de wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, waarvan referenties in de inleiding van het koninklijk besluit.

Deze paragraaf 3 van artikel 206 van voornoemde wet bepaalt inderdaad in de laatste regel dat deze gegevens betrekking kunnen hebben op consumptiepatronen van elke individuele anonieme rechthebbende.

Paragraaf 2 van het nieuwe artikel 351 bis vraagt trouwens in de statistische tabellen de volgende gegevens op te nemen : 4. het geslacht van de patiënt; 5. het genot van de patiënt van de sociale franchise; 6. de sociale categorie van de patiënt; 7. de leeftijdscategorie van de patiënt. Met deze 4 elementen lijkt het niet moeilijk de volledige identiteit van de patiënt terug te vinden. Welke waarborg kan de Nationale Raad hierover hebben ? Bovendien vraagt de Nationale Raad zich af welke publiciteit er zal gegeven worden aan de ingezamelde informatie over de algemeen geneeskundigen. Welke bescherming zullen de op deze manier vrijgekomen gegevens genieten ?

Antwoord van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv :

"Wat betreft uw vraag omtrent de identificeerbaarheid van de patiënten, wens ik u te antwoorden dat de identiteit van een individuele patiënt onmogelijk kan achterhaald worden. Het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de sociale zekerheid werd hierover geraadpleegd en deze antwoordde dat aangezien het een inzameling van anonieme gegevens van statistische aard betrof, een machtiging van het Toezichtscomité niet vereist was. [...]
Op uw vraag welke publiciteit aan de patiënteelgegevens zal worden gegeven, kan ik u zeggen dat de gegevens werden ingezameld in opdracht van de Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen, die de informatie zal aanwenden in het kader van haar wettelijke opdrachten. Daarnaast zullen de gegevens worden gebruikt door Farmanet in het kader van een campagne betreffende het voorschrijven van geneesmiddelen. Voor beide toepassingen geldt dat de patiënteelgegevens van een individuele arts enkel aan de commissieleden en de betrokken arts zelf kunnen worden meegedeeld."

Antwoord van de Nationale Raad :

De Nationale Raad noteert dat de identiteit van de patiënt onmogelijk achterhaald kan worden bij de gegevensinzameling betreffende het patiënteel van de algemeen geneeskundigen.

Mochten er wijzigingen optreden in de wettelijke opdrachten van de profielencommissie voor de verstrekkingen en voorschriften van de artsen, wenst de Nationale Raad hiervan op de hoogte gehouden te worden.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)19/06/1999 Documentcode: a086004
Wachtdiensten - Nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies Mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv

Wachtdiensten - Nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies
Mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv

Op 24 maart 1999 vestigde de Nationale Raad de aandacht van de provinciale raden op de in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 1999 bekendgemaakte wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, waarin een aantal artikels voorkomen die de artsen en de Orde der geneesheren aanbelangen.
De provinciale raden werden uitgenodigd de vragen die zich in verband met deze wet stelden voor te leggen aan de Nationale Raad.
De desomtrent door de provinciale raden gestelde vragen hadden betrekking op twee onderwerpen:

  1. De nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake de wachtdiensten (artikel 189 van de sociale programmawet tot wijziging van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967);
  2. de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv (artikel 144 van de sociale programmawet tot wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).

Over dit laatste onderwerp ontving de Nationale Raad op 14 april 1999 een schrijven van de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv, met het verzoek de provinciale raden van de Orde der geneesheren op de hoogte te brengen van de nieuwe wettelijke bepalingen "met het oog op een verdere goede samenwerking en teneinde nodeloze vragen of briefwisseling te voorkomen".

Aanbeveling van de Nationale Raad aan de provinciale raden:

I. Wat de wachtdiensten betreft (artikel 189 sociale programmawet).

Krachtens de nieuwe wettelijke bepalingen moeten de representatieve beroepsverenigingen van artsen, tandheelkundigen, apothekers en kinesitherapeuten, of de te dien einde opgerichte groeperingen, aan de bevoegde geneeskundige commissie het huishoudelijk reglement van de wachtdienst ter goedkeuring voorleggen.

Artikel 116, tweede lid, van de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt dat de werkingsmodaliteiten van de wachtdiensten aan de provinciale raad dienen te worden medegedeeld.

In dit verband is te verwijzen naar de adviezen van de Nationale Raad van 16 februari 1980 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 28, p. 48), 17 juni 1995 (Tijdschrift , nr. 69, p. 28), 12 december 1998 (wordt gepubliceerd in het Tijdschrift nr. 84, juni 1999).

Het vermelde advies van 1980 bepaalt dat "elk huishoudelijk reglement van de wachtdienst vooraf aan de provinciale raad (moet) worden voorgelegd", in het advies van 1998 achtte de Nationale Raad het "noodzakelijk dat elke groep aan zijn provinciale raad zijn werkings- of deelnameregels of -reglementen voorlegt aangezien de raden van de Orde de organisatie van de wachtdiensten dienen na te gaan op deontologisch vlak, losstaand van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake behoeftebepaling en de werking van de wachtdiensten".

Rekening houdend met de vermelde wettelijke en ordinale voorschriften en door de Nationale Raad uitgebrachte adviezen, is de Nationale Raad van mening dat met het oog op eenvormigheid de volgende werkwijze aan te bevelen is :

  • eerste fase : het huishoudelijk reglement van de wachtdienst wordt overgemaakt aan de bevoegde provinciale raad die de betrokken geneesheren adviseert en zo nodig de gewenste aanpassingen nastreeft;
  • tweede fase : de betrokken wachtdienst maakt het huishoudelijk reglement ter goedkeuring over aan de bevoegde provinciale geneeskundige commissie met toevoeging van het advies van de provinciale raad.

Een zelfde trapsgewijze aanpak is verkieslijk wat geschillen inzake wachtdiensten betreft.
Waar artikel 117 van de Code van geneeskundige Plichtenleer de provinciale raad aanwijst als regelaar van geschillen inzake wachtdiensten, krijgt de geneeskundige commissie als nieuwe bevoegdheid geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.

Deze twee bepalingen staan mekaar niet in de weg : het is aangewezen dat de provinciale raad, die wat de deontologie betreft de aangewezen beoordelaar is, in eerste instantie de inzake wachtdiensten ontstane geschillen zou trachten op te lossen en dat slechts in geval van onmogelijkheid hiertoe de provinciale geneeskundige commissie zou worden ingeschakeld.

Deze beide - huishoudelijk reglement en geschillen - voorgestelde regelingen zullen de vlotte werking van de wachtdiensten en de verhouding ervan met de provinciale raden zeker ten gunste komen, terwijl zij geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies.

De Nationale Raad is van mening dat het aangewezen is dat desomtrent door elke provinciale raad met de geneeskundige commissie van zijn provincie overleg wordt gepleegd om tot de meest constructieve samenwerkingsregeling te komen. De Nationale Raad verzoekt U hem omtrent zich daarbij stellende problemen te willen inlichten teneinde hem toe te laten in voorkomend geval helpend tussen te komen.

II. Wat het overmaken van disciplinaire beslissingen aan het Riziv betreft (artikel 144 sociale programmawet).

Sinds de inwerkingtreding van het artikel 144 van de sociale programmawet, houdende wijziging van artikel 146 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan de Dienst voor geneeskundige controle, indien hij tijdens zijn onderzoeken bepaalde feiten op het spoor komt die de tuchtrechtelijke instanties kunnen aanbelangen bij het toezicht waarmede zij belast zijn, deze feiten bij die tuchtrechtelijke instanties aanklagen.

Anderzijds zijn de tuchtrechtelijke instanties verplicht de Dienst voor geneeskundige controle op de hoogte te brengen van de definitieve beslissingen (disciplinaire beslissingen van de provinciale raden die niet meer vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep en beslissingen van de raden van beroep die niet meer vatbaar zijn voor verzet of voorziening in cassatie) die zij hebben uitgesproken met betrekking tot feiten die de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen schade hebben toegebracht : "de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde der geneesheren delen in het bijzonder aan de voormelde dienst de straffen mee die werden uitgesproken wegens misbruiken van de diagnostische en therapeutische vrijheid".

De nieuwe wettelijke regeling vereist herziening van de adviezen van de Nationale Raad van 22 maart 1997 (Tijdschrift nr. 78, p. 16) en van 21 maart 1998 (Tijdschrift nr. 80, p. 30) inzake het niet-mededelen van disciplinaire beslissingen aan het Riziv.

De Nationale Raad is van mening dat het aangewezen is aan de Dienst voor geneeskundige controle mededeling te doen van alle disciplinaire beslissingen die voor het Riziv enig belang kunnen vertonen, met uitzondering van zaken aangebracht door het Riziv waarbij deze duidelijk te kennen geeft geen belangstelling te hebben voor het verder aan de zaak gegeven gevolg. Mededelingen omtrent zaken die niet door het Riziv werden aangebracht dienen anoniem te gebeuren.

Hierbij is op te merken dat de nieuwe bepalingen slechts gelden voor de vanaf de inwerkingtreding van de sociale programmawet definitief genomen disciplinaire beslissingen, dit is vanaf 16 februari 1999 (tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad).

Een kopie van de aanbeveling van de Nationale Raad in verband met de mededeling van disciplinaire beslissingen aan het Riziv (punt ll) wordt overgemaakt aan de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv.