keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim20/03/1999 Documentcode: a084022
Accreditering van tandartsen - Dataregistratie

Na het advies van de Nationale Raad van 21 maart 1998 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 80, p. 28) waarin de Riziv-campagne van gegevensregistratie in het kader van de accreditering van tandartsen als strijdig met de medisch-deontologische verplichtingen en met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt werd bevonden, wordt door de directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv een nieuwe tekst overgemaakt die deze vervangt die als basis diende voor het advies van de Nationale Raad van 21 maart 1998.

De directeur-generaal vraagt het advies van de Nationale Raad over deze nieuwe tekst en over het verzoek van de tandartsen om de geregistreerde gegevens niet noodzakelijk aan een arts maar aan een tandarts te mogen meedelen.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 maart 1999 de bespreking verdergezet van uw adviesaanvraag van 1 december 1998 betreffende de dataregistratie in het kader van de accreditering van de tandheelkundigen.

Op voorwaarde dat hij van uw diensten de bevestiging en de waarborg krijgt dat de privégegevens van de patiënt en diens sociaal-demografische gegevens geanonimiseerd worden door de tandarts of door de behandelend arts-tandarts VOORDAT ze verzameld worden, heeft de Nationale Raad geen deontologisch bezwaar tegen de tekst die u hem voor advies voorlegde en die, zoals gesteld, bestemd is om paragraaf 5 te vervangen in bijlage 2/2 van het document betreffende de accreditering van de tandheelkundigen in het kader van het akkoord tandheelkundigen-ziekenfondsen.

In verband met de vraag van de tandartsen om de geregistreerde gegevens niet noodzakelijk aan een arts van het Riziv te hoeven bezorgen, is de Nationale Raad van mening dat de gegevens die geregistreerd worden door een arts die de tandheelkunde beoefent, bezorgd dienen te worden aan een bij naam aangeduide arts van het Riziv.

Riziv17/02/1999 Documentcode: a084031
Wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen : Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv (art. 144)

WET VAN 25 JANUARI 1999 HOUDENDE SOCIALE BEPALINGEN

(Belgisch Staatsblad 6 februari 1999).*

Hieronder volgt een overzicht van een aantal artikelen uit de wet houdende sociale bepalingen van 25 januari 1999 die de Orde van geneesheren zouden kunnen interesseren.

[...]

Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv (art. 144)

Indien de Dienst voor geneeskundige controle tijdens zijn onderzoeken bepaalde feiten op het spoor komt die de tuchtrechtelijke instanties kunnen aanbelangen bij het toezicht waarmee ze belast zijn, dan kan de Dienst deze feiten bij hen aan-klagen.

Anderzijds zijn de tuchtrechtelijke instanties verplicht de Dienst voor geneeskundige controle op de hoogte te brengen van de definitieve beslissingen die zij hebben uitgesproken met betrekking tot feiten die de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen schade hebben toegebracht. "De provinciale raden en de raden van beroep van de Orde der geneesheren delen in het bijzonder aan de voormelde dienst de straffen mee, die werden uitgesproken wegens misbruiken van de diagnostische en therapeutische vrijheid. Deze mededelingen vermelden de motivering en het beschikkend gedeelte van die beslissingen tot sanctie."

Deze nieuwe bepalingen roepen een aantal vragen en opmerkingen op:

  1. er wordt een wijziging aangebracht in art. 146 GVU-Wet. Dit artikel heeft betrekking op de geneeskundige controle op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de uitkeringsverzekering (art. 141, §1, 1°, GVU-Wet). Nochtans dienen de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde van geneesheren aan de Dienst voor geneeskundige controle in het bijzonder de sancties wegens misbruiken van de diagnostische en therapeutische vrijheid mede te delen, vrijheid die vastgelegd is in art. 73 GVU-Wet;
  2. volgens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van sociale programmawet is het de bedoeling dat "dit artikel een informatieuitwisseling creëert tussen de Dienst voor geneeskundige controle en instanties met disciplinaire bevoegdheid om de doeltreffendheid van de controleprocedures te verhogen" (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 67). Immers, "vóór zijn wijziging door de programmawet van 22 december 1989 bepaalde artikel 35 van de wet van 9 augustus 1963, dat artikel 73 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 geworden is, dat de Dienst voor geneeskundige controle de onrechtmatige verstrekkingen, die in strijd zijn met de plichtenleer, ter kennis bracht van de Raden van de Orde der geneesheren. De voormelde wetswijziging heeft tot gevolg gehad dat deze bepaling geschrapt werd". (Zie in dit verband: Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 78, 16-17 en nr. 80, 30.)
    Waar echter oorspronkelijk slechts (een gedeelte van) de definitieve beslissing van het Riziv aan de Orde medegedeeld werd, worden nu de "feiten verzameld tijdens de onderzoeken" van de Dienst voor geneeskundige controle aan de Orde overgemaakt, voor zover het Riziv oordeelt dat er een deontologisch aspect aan de zaak verbonden is;

Hoewel niet volledig duidelijk is welke beslissingen of welke gedeelten ervan precies door en aan het Riziv zullen meegedeeld worden, is het wel zo dat de beslissing van de Nationale Raad tot niet-mededeling van enige disciplinaire beslissing aan het Riziv niet langer houdbaar is. De provinciale raden en de raden van beroep dienen dan ook van deze nieuwe wettelijke bepalingen in kennis gesteld te worden. Dit dient best op korte termijn te gebeuren aangezien het nieuwe art. 146 GVU-Wet in werking treedt 10 dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad op 6 februari 1999.

[...]

*Deze nota werd opgesteld ter attentie van de leden van de Nationale Raad met het oog op het eventueel uitbrengen van een advies over bepaalde erin besproken onderwerpen.

N.B. : Zowel wat de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv als wat de geneeskundige commissies betreft is een advies van de Nationale Raad in voorbereiding.

M. Van Lil
Studiedienst Nationale Raad
17 februari 1999

Beroepsgeheim21/03/1998 Documentcode: a080016
Accreditering van tandartsen - Dataregistratie

Een provinciale raad doet de Nationale Raad een adviesaanvraag geworden van een arts, licentiaat tandheelkunde, die accrediteringsaanvragen indient bij de RIZIV-instanties en die erover ingelicht wordt dat één van de voorwaarden om in 1998 de accreditering te verkrijgen erin bestaat, op uitdrukkelijke en schriftelijke vraag van de stuurgroep "Kwaliteitspromotie", mee te werken aan de inzameling van gegevens over het in het kader van het RIZIV gevoerde beleid inzake mondverzorging.
De methodologie die voor de dataregistratie voorgeschreven wordt doet bij de betrokken arts de vraag rijzen of deelname aan de voorgestelde enquête geen schending van het beroepsgeheim zou betekenen.

Antwoord van de Nationale Raad:

Tijdens zijn vergadering van 21 maart 1998 heeft de Nationale Raad het formulier onderzocht met ref. 98/1 extracties, betreffende de campagne van gegevensregistratie in het kader van de accreditering van taalheelkundigen en in het bijzonder de deontologische gevolgen ervan voor de artsen die deze tak van wetenschap beoefenen.
Hij formuleert de volgende opmerkingen:

  1. De mededeling van de identiteit van de patiënt schendt het medisch geheim. Het geboortejaar en het geslacht van de patiënt zijn voldoende voor de uitvoering van het gepland onderzoek.
  2. De vertrouwelijkheid van het lidmaatschap van een bepaalde verzekeringsinstelling is een persoonlijk gegeven en moet beschermd worden. Er kan slechts van afgeweken worden na de absolute toestemming van de verzekerde ontvangen te hebben op basis van een volledige en gedetailleerde voorlichting over de bedoelingen en gevolgen van de enquête.

De Nationale Raad is bijgevolg van mening dat deze campagne van gegevensregistratie de deontologische verplichtingen van de artsen niet eerbiedigt.

Provinciale Geneeskundige Commissie21/03/1998 Documentcode: a080019
Mededeling van disciplinaire beslissingen aan het Riziv

In het Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 78 van december 1997 (p. 16-17) werd de briefwisseling afgedrukt die gevoerd werd tussen een provinciale raad en (het Bureau van) de Nationale Raad.
Samengevat besluit de betrokken provinciale raad uit deze briefwisseling dat, gelet op de gewijzigde wetgeving, de provinciale raden geen enkele disciplinaire beslissing die genomen wordt als gevolg van een mededeling door de beperkte kamers, de controlecommissies en de commissies van beroep mogen meedelen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv.
In zijn vergadering van 22 maart 1997 heeft de Nationale Raad deze zienswijze onderschreven.

Naar aanleiding van de publicatie van deze briefwisseling werd vanuit het Riziv twee maal naar de Orde van geneesheren geschreven i.v.m. de mededeling van disciplinaire beslissingen:

  1. de heer DELAHAYE (adviseur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv) en de heer PRAET (directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv) van de Dienst voor geneeskundige verzorging schreven de provinciale raden en de Nationale Raad aan om te melden dat, in toepassing van het K.B. van 8 augustus 1997, vanaf 21 oktober 1997 de mededeling van sancties genomen tegen onder meer artsen moet gedaan worden aan de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle (en niet meer aan de Dienst voor geneeskundige verzorging);
  2. dr. BOTTEQUIN (geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle) wees er de Nationale Raad op dat diens standpunt wel correct is maar dat, gelet op de Wet op de arbeidsinspectie, de mededeling in extenso van disciplinaire beslissingen aan de ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige controle niet mag geweigerd worden.

    Dr. BOTTEQUIN verzoekt de Nationale Raad dan ook "opdracht te geven aan de verschillende Provinciale Raden en aan de Raden van beroep, tot mededeling van de definitief geworden beslissingen die verband houden met dossiers die wij u overmaken of die vallen onder de toepassing van art. 73 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994."

Brief van de Nationale Raad aan de heer R. DELAHAYE en aan de heer F. PRAET:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 maart 1998 uw brief van 25 november 1997 betreffende de mededeling aan het Riziv van bepaalde door de raden van de Orde van geneesheren uitgesproken disciplinaire sancties.

Na bestudering van de toepasselijke wetgeving, waaronder het door u geciteerde art. 311 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, gewijzigd door het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, kwam de Nationale Raad tot het besluit dat de wet nergens voorschrijft dat de raden van de Orde van geneesheren hun in de betreffende materie genomen disciplinaire beslissingen zouden moeten meedelen aan de Dienst voor geneeskundige controle.

De Nationale Raad wijst er u op dat hij reeds in 1984 door de toenmalige minister van Sociale Zaken gecontacteerd werd "om de mogelijkheid te willen onderzoeken om in het vervolg de Dienst voor geneeskundige verzorging [thans: Dienst voor geneeskundige controle] van het Riziv in kennis te stellen van elke wijziging in het persoonlijke dossier van de artsen aangaande het recht tot uitoefening van de geneeskunde."
Op 19 mei 1984 antwoordde de Nationale Raad dat hij de mening toegedaan was "dat het inderdaad wenselijk zou zijn dat de Dienst voor geneeskundige verzorging [thans: Dienst voor geneeskundige controle] van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering kennis zou krijgen van het beschikkend gedeelte van alle definitief geworden beslissingen houdende weglating van de lijst van de Orde, schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen, schrapping van die lijst of beperking van de uitoefening van de geneeskunde. In de praktijk kan dit worden verwezenlijkt door in art. 37, §1, 2°, e, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, de bijzondere opdracht van de Provinciale geneeskundige Commissie daartoe uit te breiden." (Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren, nr. 32, 1983-1984, p. 53.) In een advies van 16 april 1994 werd deze bijzondere opdracht van de geneeskundige commissies nader gepreciseerd en duidde de Nationale Raad de geneesheer-directeur-generaal van het Riziv aan als één van de autoriteiten die de beslissingen genomen door onder meer de raden van de Orde via de provinciale geneeskundige commissies zouden moeten ontvangen. (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 65, september 1994, p. 19-20.)

Op dit voorstel van de Nationale Raad is tot nog toe door de wetgever niet ingegaan, ondanks verscheidene herinneringsbrieven aan het adres van de minister van Volksgezondheid en Pensioenen.

Brief van de Nationale Raad aan dokter J. BOTTEQUIN:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 maart 1998 uw brief van 5 februari 1998 betreffende de mededeling aan de Dienst voor geneeskundige controle van door de raden van de Orde uitgesproken disciplinaire beslissingen.

In uw brief verwijst u naar het advies dat de Nationale Raad uitbracht op 22 maart 1997 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 78, december 1997, p. 16-17) waarin hij, samengevat, stelde dat, gelet op de gewijzigde wetgeving, de provinciale raden geen enkele disciplinaire beslissing die genomen wordt als gevolg van een mededeling door de beperkte kamers, de controlecommissies en de commissies van beroep, mogen meedelen aan de Dienst voor geneeskundige controle. Tegenover de in dit advies geciteerde wetsartikelen plaatst u art. 169 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (G.V.U.-Wet) en de wetgeving op de arbeidsinspectie.
Aangezien de Orde van geneesheren op grond van deze wettelijke bepalingen te beschouwen zou zijn als een "meewerkende instelling van sociale zekerheid die belast is met een specifiek toezicht", zou de mededeling in extenso van disciplinaire beslissingen aan de ambtenaren van uw dienst niet mogen geweigerd worden.

De Nationale Raad kan de in uw brief ontwikkelde argumentatie echter niet onderschrijven en dit om volgende redenen:

- volgens art. 2, 9°, van de wet op de arbeidsinspectie van 16 november 1972 dient onder "meewerkende instellingen van sociale zekerheid" verstaan te worden: "instellingen van privaatrecht, die erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid". Aangezien de Orde van geneesheren overeenkomstig art. 1, al. 3, van het K.B. nr. 79 van 10 november 1967 publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid geniet en niet erkend is om mee te werken aan de toepassing van de sociale zekerheid, kan zij niet beschouwd worden als een meewerkende instelling van sociale zekerheid;

- verwijzend naar art. 150 van de G.V.U.-Wet, dat de personen aanduidt die ertoe gehouden zijn de inspecteurs van het Riziv alle inlichtingen en bescheiden te verstrekken die zij voor de uitoefening van hun controleopdracht behoeven, kwam de Nationale Raad in zijn advies van 15 november 1997 (Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 79, maart 1998, p. 31) tot de conclusie dat niets in de wet de geneesheren-inspecteurs en de Dienst voor geneeskundige controle toelaat een onderzoek te komen doen in of bij de raden van de Orde van geneesheren.

Zoals u is de Nationale Raad nochtans overtuigd van het belang van een goede en open samenwerking tussen het Riziv en de Orde van geneesheren.

Reeds in 1984 (advies van 19 mei 1984, Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren, nr. 32, 1983-1984, p. 53) wees de Nationale Raad er de toenmalige minister van Sociale Zaken op dat de bijzondere opdracht van de provinciale geneeskundige commissies in die zin zou kunnen uitgebreid worden dat zij het beschikkend gedeelte van alle definitief geworden beslissingen houdende weglating van de lijst van de Orde, schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen, schrapping van die lijst of beperking van de uitoefening van de geneeskunde zouden overmaken aan het Riziv.
In een advies van 16 april 1994 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 65, september 1994, p. 19) heeft de Nationale Raad deze bijzondere opdracht van de geneeskundige commissies nader gepreciseerd en als één van de autoriteiten die de beslissingen genomen door onder meer de raden van de Orde van geneesheren via de geneeskundige commissies zou moeten ontvangen de geneesheer-directeur-generaal van het Riziv aangeduid.

Op dit voorstel van de Nationale Raad is de wetgever tot nog toe echter niet ingegaan, ondanks verscheidene herinneringsbrieven aan het adres van de minister van Volksgezondheid en Pensioenen.

Brief van de Nationale Raad aan de voorzitters van de provinciale raden en van de raden van beroep:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 maart 1998 andermaal de problematiek van de mededeling van door de raden van de Orde uitgesproken disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv.

Bijgaand vindt u een kopie van de brieven die de Nationale Raad hieromtrent richtte aan dokter J. BOTTEQUIN, geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle, en aan de heer R. DELAHAYE, adviseur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging.

Bij deze herinnert de Nationale Raad er u aan dat, in toepassing van de huidige wettelijke bepalingen (artikelen 26 en 35 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren) de beslissingen van de provinciale raden binnen de 8 dagen na de uitspraak bij aangetekende brief aan de betrokken arts bekendgemaakt worden. In dezelfde tijd wordt een afschrift ervan gestuurd aan de voorzitter van de Nationale Raad en aan de overheid die de zaak aanhangig gemaakt heeft bij de provinciale raad.
Binnen de 30 dagen na de datum waarop zij definitief zijn geworden, worden de beslissingen houdende schrapping of weglating uit de lijst van de Orde, schorsing in het recht om de geneeskundige praktijk uit te oefenen of de beperkte uitoefening van dit recht, meegedeeld aan de provinciale geneeskundige commissie en aan de procureur-generaal bij het Hof van beroep van het rechtsgebied waarbinnen de provinciale raad zetelt waaronder de betrokken arts ressorteert.
Binnen de 30 dagen na de datum waarop zij definitief zijn geworden, worden alle disciplinaire beslissingen die in laatste aanleg door de provinciale raden worden gewezen, door de voorzitter van de betrokken raad meegedeeld aan de minister bevoegd voor de Volksgezondheid.

Orde der artsen (Organisatie en werking van de-)15/11/1997 Documentcode: a079047
Geneesheer-inspecteur van het Riziv - Inzage in een ordinaal dossier

Een provinciale raad kreeg het bezoek van een geneesheer-inspecteur van het Riziv, die een aantal administratieve gegevens wenste te verifiëren aan de hand van een ordinaal dossier.
Na bestudering van de terzake toepasselijke wetgeving komt de Nationale Raad tot het besluit dat de geneesheren-inspecteurs van het Riziv geen enkel recht hebben deze gegevens te komen verifiëren op de zetel van de provinciale raad.

Brief aan de provinciale raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 15 november 1997 kennis genomen van uw brief van 21 oktober 1997 betreffende een brief van het Riziv in verband met de inzage van een inspecteur van het Riziv in een ordinaal dossier.

De Nationale Raad verwijst naar het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling tot verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, dat in artikel 150 de personen aanduidt die ertoe gehouden zijn de inspecteurs van het Riziv alle inlichtingen en bescheiden te verstrekken welke zij ter uitoefening van hun controleopdracht behoeven. Deze personen zijn de werkgevers, de verzekeringsinstellingen, de verzorgingsinrichtingen, de tariferingsdiensten, alsmede hun aangestelden of gevolmachtigden, de personen die de geneeskundige verstrekkingen mogen verlenen en de rechthebbenden op de verzekering.

Bijgevolg laat niets in de wet de geneesheren-inspecteurs en de dienst voor geneeskundige controle toe een onderzoek te komen doen in of bij de raden van de Orde der geneesheren !

Lijst van de Orde20/09/1997 Documentcode: a080021
Inschrijving van artsen zonder Riziv-nummer op de Lijst van de Orde

Bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 1997 (Belgisch Staatsblad 5 september 1997) wordt het globaal aantal artsen, opgesplitst per Gemeenschap, die toegang hebben tot het verkrijgen van bepaalde bijzondere beroepstitels vastgesteld. Dit besluit impliceert dat een aantal artsen wel hun artsdiploma kunnen behalen maar geen toegang hebben tot het verkrijgen van een bijzondere beroepstitel en dus geen Riziv-nummer kunnen krijgen. Nochtans zullen sommige van deze artsen wel degelijk de geneeskunde willen uitoefenen, zij het dan zonder Riziv-tussenkomst voor de patiënt.
Een arts stelt zijn provinciale raad de vraag of de inschrijving op de Lijst van een dergelijk arts zonder Riziv-nummer kan geweigerd worden.

De Provinciale Raad van Luik heeft een antwoord op deze vraag geformuleerd en legt dit voor aan de Nationale Raad.

In zijn vergadering van 20 september 1997 sluit de Nationale Raad zich aan bij het antwoord voorgesteld door de Provinciale Raad van Luik.

Advies van de Provinciale Raad van Luik :

In zijn vergadering van 10 juli jl. nam het Bureau kennis van uw brief van 27 juni waarvoor het u dankt.

Het Bureau is niet op de hoogte van een wijziging van de wettelijke bepalingen die momenteel de inschrijving op de Lijst van de Orde van geneesheren beheersen, met name :

  1. houder zijn van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde,
  2. zijn diploma laten viseren door de provinciale geneeskundige commissie,
  3. beschikken over een bewijs van goed zedelijk gedrag daterend van minder dan drie maanden,
  4. zijn hoofdactiviteit uitoefenen in de provincie waar de inschrijving wordt aangevraagd.

Naar onze mening is er dus geen bezwaar tegen de inschrijving van een arts die aan deze voorwaarden voldoet, maar die, omwille van de recente beschikkingen "ter beperking van de toegang tot het medisch beroep", geen recht heeft op een Riziv-nummer.

Aangezien uw vraag echter van algemeen belang is, vragen wij advies aan de Nationale Raad.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 20 september 1997 het probleem dat naar voren werd gebracht in uw brief van 11 juli 1997.

Hij sluit zich aan bij het aantwoord dat uw Raad versterkte aan professor X.