keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Geneesmiddelen16/11/1985 Documentcode: a034013
Voorwaardelijke terugbetaling van geneesmiddelen

De Voorzitter van de Syndicale Artsenkamer van de provincies Henegouwen, Namen en Waals Brabant verzoekt de Nationale Raad om advies aangaande de deontologische gevolgen van de "voorwaardelijke terugbetaling" van bepaalde geneesmiddelen zoals opgelegd door de ZIV. Daarbij wordt verwezen naar artikelen 5, 34 en 36 van de Code van geneeskundige Plichtenleer (1).

Na beraadslaging in zijn vergadering van 16 november, antwoordde de Nationale Raad als volgt:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat vanuit deontologisch standpunt de arts alle geneesmiddelen mag voorschrijven die hij nodig acht. Hij moet de patiënt evenwel voorlichten over de administratieve formaliteiten die volgens de ziekteverzekering vereist zijn voor een eventuele prijsreductie van bepaalde geneesmiddelen.

Wat betreft de beperking inzake voorschrijven van geneesmiddelen zoals ter sprake wordt gebracht in uw schrijven, behoort het de beroepsorganisaties van artsen dit probleem op dat niveau ter discussie te brengen.


(1) Art. 5 - De geneesheer moet al zijn zieken even gewetensvol verzorgen ongeacht hun sociale stand, hun nationaliteit, hun overtuiging, hun faam en zijn persoonlijke gevoelens jegens hen.
Art. 34 - Wanneer de geneesheer de behandeling van een patiënt aanvaardt, moet hij hem zorgvuldig en gewetensvol de zorgen toedienen die stroken met de thans geldende wetenschappelijke kennis.
Art. 36 - De geneesheer beschikt over de diagnostische en therapeutische vrijheid.
Hij zal vermijden onnodig dure onderzoekingen en behandelingen voor te schrijven of overbodige verstrekkingen te verrichten.

Informatica19/05/1984 Documentcode: a032025
RIZIV : medische activiteiten

RIZIV ‑ Medische activiteiten

De Nationale Raad nam op 19 mei 1984 kennis van de "Onderrichtingen om te komen tot een systeem voor het inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten" zoals door de Minister van Sociale Zaken voorgelegd aan het Beheerscomité van het RIZIV.

Na beraadslaging belastte de Nationale Raad een commissie met het onderzoek van deze aangelegenheid en werd volgend schrijven gericht aan Minister Dehaene:

Mijnheer de Minister,

De door U aan het Beheerscomité van het RIZIV voorgelegde onderrichtingen om te komen tot een systeem voor het inzamelen en verwerken van informatie omtrent de medische activiteiten, werden aan de Nationale Raad van de Orde der geneesheren voorgelegd.

Deze kwestie zal door de Nationale Raad in zijn vergadering van 16 juni a.s. nader worden onderzocht.

Wij zullen niet nalaten U van het uitgebrachte advies in kennis te stellen.

De Nationale Raad geeft nu reeds zijn ongerustheid te kennen in verband met de problemen die bij toepassing van bedoeld systeem zullen rijzen inzake de bescherming van het privé leven en de vrijwaring van het medisch beroepsgeheim.

***

Wij hebben het nuttig geoordeeld bedoeld advies dat uitgebracht werd op de vergadering van de Nationale Raad van 16 juni 1984 in dit nummer te publiceren:

De Nationale Raad meent vier opmerkingen te moeten formuleren in verband met het project tot registratie van het profiel van de gehospitaliseerde patiënten in een centrale databank.

1. Verstrekken van gegevens over de patiënt door een arts die gebonden is door het beroepsgeheim.

Het project veronderstelt het verstrekken van gegevens door de ziekenhuisgeneesheren aangaande in het ziekenhuis opgenomen patiënten en dat in overtreding van de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.

Het beroepsgeheim van de arts is van openbare orde.
Zowel volgens de wet, de constante jurisprudentie van onze Hoven en Rechtbanken als volgens de principes van de Code van geneeskundige Plichtenleer van 1975, worden gegevens betreffende zieken slechts verstrekt met de goedkeuring van deze laatsten en voor zover de gegevens bestemd zijn voor een andere arts belast met de voortzetting van de diagnosestelling of de behandeling, of in het kader van een medisch‑sociaal consult.
Zelfs in genoemde omstandigheden blijft de mededeling strikt beperkt tot de onmisbare gegevens.
Het mededelen van het profiel van de patiënt zoals voorgesteld onder 1.4. van Uw brief, is in strijd met artikel 458 van het Strafwetboek.

2. Opmaken van medische statistieken

De Nationale Raad die reeds herhaaldelijk door organismen werd geraadpleegd in verband met medische statistieken, heeft altijd gunstig gereageerd op het principe van een verder doorgedreven medisch-wetenschappelijke kennis en de bevordering van een betere zorgenverlening door middel van adequate statistieken. De Nationale Raad heeft evenwel steeds opnieuw geëist dat de gegevens worden verzameld zonder de anonimiteit van de patiënten in het gedrang te brengen.
Het goede beheer van de ziekteverzekering kan zonder twijfel op uitstekende wijze worden georganiseerd met inachtneming van de anonimiteit van de verzamelde statistische gegevens.
De Nationale Raad is uitermate verontrust over het voorstel vervat in punt 1.2. van Uw brief inzake de registratie van het profiel van de patiënt uitgaande van het nationaal identificatienummer van het Rijksregister.
De anonimiteit van de medische gegevens kan in die omstandigheden niet worden gewaarborgd.

3. Scheiding van de medische en de administratieve gegevens

Om de geest van de wet op het beroepsgeheim te vrijwaren, is het volgens de Nationale Raad nodig dat de medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen zorgvuldig van de administratieve gegevens gescheiden blijven. De controle op de conformiteit tussen deze anonieme gegevens en de realiteit kan, zoals dat overigens nu reeds het geval is, zonder problemen worden toevertrouwd aan artsen die met deze specifieke opdracht zijn belast en op hun beurt door het beroepsgeheim zijn gebonden.

4. Bescherming van de privacy

De Nationale Raad meent dat de bescherming van de privacy een essentieel kenmerk is van onze samenleving en voorrang heeft op elke andere overweging. De koppeling van de persoonlijke gegevens van de patiënt die onder het medisch geheim vallen en de louter administratieve gegevens kan een gevaarlijke verwarring teweegbrengen die de bescherming van de privacy in het gedrang brengt.
Wij zijn ervan overtuigd dat ongeacht alle denkbare garanties, onze medeburgers niet zullen aanvaarden dat de meest intieme gegevens over hun leven in een centrale gecomputeriseerde register worden opgeslagen.
De Nationale Raad is ervan overtuigd dat andere oplossingen kunnen worden gevonden die, naast een beter beheer van de ziekteverzekering, tevens de nodige garanties bieden voor de bescherming van het privé leven van de patiënt die zich aan zijn arts toevertrouwt.

Riziv01/01/1978 Documentcode: a027030
Preventieve opdracht van de geneesheren-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV

PREVENTIEVE OPDRACHT VAN DE GENEESHERENINSPECTEURS VAN DE DIENST VOOR GENEESKUNDIGE CONTROLE VAN HET RIZIV

Het Bureau van de Nationale raad, dat om uitleg werd gevraagd in verband met de juiste draagwijdte van de nieuwe opdracht van de geneeshereninspecteurs van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering in de ziekenhuizen met het doel inbreuken op de regeling van de ziekteverzekering te voorkomen, had in maart 1978 een onderhoud met Dr. Lebeer, Geneesheerdirecteur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV.

Toen de Nationale raad, naar aanleiding van bepaalde interventies van geneeshereninspecteurs, opnieuw werd geraadpleegd, verzocht hij Dr. Lebeer op 23 juni 1978, om mededeling van de preciese richtlijnen die terzake werden uitgevaardigd, m.a.w., wat precies onder «preventieve» opdracht werd verstaan en in hoeverre daarbij artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer zou worden geëerbiedigd.
In antwoord hierop, schreef Dr. Lebeer op 10 juli 1978 volgende brief:

« Ik kan U alleen maar herinneren aan de optie die terzake werd genomen, om het veralgemeend onderzoek in al de verplegingsinstellingen van het land, zoals die in augustus 1977 door de Minister van Volksgezondheid was vooropgezet, om te buigen in een zuiver preventieve werkwijze, waarbij a priori van iedere beteugelende actie zou worden argezien om die te vervangen door een systeem dat de mogelijkheid schapt om tot een bestendige dialoog te komen tussen verzekeringsartsen en practici, ten einde door informatie en discussie tot een korrekte toepassing te komen van de spelregels van de verzekering, in een collegiale sfeer en in een vertrouwensrelatie zoals die, dacht ik, tussen geneesheren past.

Ik wil er U eveneens aan herinneren dat ik in meer algemene zin en om alle misverstanden te vermijden, duidelijk gesteld heb dat het niet in onze bevoegdheid lag de appreciatie van de opportuniteit van medische zorgen, binnen of buiten een hospitaal, in het gedrang te brengen. Die behoort vanzelfsprekend tot de medische praktijk.

Maar even zeker behoort de rechtvaardiging van de uitgaven van de verzekering tot de bevoegdheid van de daartoe aangestelde instanties binnen het verzekeringsstelsel zelf. Die hebben inderdaad tot bestendige opdracht na te gaan of de voorwaarden die de verzekering stelt voor haar geldelijke tussenkomst, en die door haar wetgeving en reglementering worden bepaald, inderdaad vervuld zijn.

Ik heb vaak kunnen vaststellen dat dit principieel en fundamenteel onderscheid niet altijd wordt gemaakt en aan de basis lag van heel wat misverstand bij de beoordeling van het object van de medische controle.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 54 van de medische plichtenleer kan ik U verzekeren dat hiermede steeds wordt gerekend, maar dat zij vanzelfsprekend weinig problemen stelt in een specifiek preventief kader van medisch toezicht, zoals dit in de betrokken ziekenhuizen werd beoogd, en waarbij uiteraard geen officieel bewijsmateriaal moet worden verzameld zoals dit bij onderzoeken ten laste regelmatig gebeurt.»

Naar aanleding van dit schrijven, drong de Raad aan op een nieuw onderhoud met Dr. Lebeer.

Het is absoluut nodig dat de preventieve opdracht van de geneeshereninspecteurs in de ziekenhuizen duidelijk wordt omschreven gezien de ambiguïteit die blijft bestaan tussen de preventieve rol van deze artsen en hun bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie.

Na dit tweede onderhoud met het Bureau van de Nationale raad, wordt door Dr. Lebeer in zijn schrijven van 30 november 1978, het preventieve karakter van deze opdrachten bevestigd:

« In aansluiting met ons onderhoud van 8 november 11., houd ik eraan U nog eens te bevestigen dat wanneer de geneeshereninspecteurs van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering belast zijn met een controleopdracht met preventief karakter, zoals dit momenteel het geval is in een aantal ziekenhuizen, zij zich per definitie moeten beperken tot het verlenen van informatie of het maken van opmerkingen met het oog op het rechtzetten van vaststellingen die zouden indruisen tegen de reglementaire beschikkingen van de ziekteverzekering, meer bepaald van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen.

Deze handelvijze is conform met de laatste zin van artikel 80 van de wet van 9 augustus 1963 die stelt:

«In het raam van de controle op de verzekering voor geneeskundige verzorging, m aakt de dienst voor geneeskundige controle de opmerkingen die hij nuttig acht ten aanzien van de personen en inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen».

Deze tekst is de wettelijke basis van ons preventief optreden, zowel binnen als buiten de ziekenhuizen.

Ik blijf ervan overtuigd dat een politiek van informatie en correctie op het kieze gebied van de gezondheidszorg en fundamenteel gezond is, en veruit te verkiezen boven de uitoefening van een toezicht dat er zich zou toe beperken vergissingen en fouten te bestraffen zonder eerst te trachten ze te vermijden. Dit schijnt mij al te gelijk logisch en efficiënt.

Met mijn dank voor het bijzonder collegiaal onderhoud, en steeds ter Uwer beschikking.»

Nadat deze kwestie opnieuw werd onderzocht, werd op de vergadering van 16 december 1978 besloten de preventieve opdracht van de geneeshereninspecteurs op deontologisch gebied, schriftelijk te preciseren:

«Na het lezen van Uw schrijven van 30 november 1978, is het ons duidelijk dat het, juridisch gesproken, voor U onmogelijk is ons te verzekeren dat geneeshereninspecteurs tijdens hun preventieve opdracht, afstand zullen doen van hun bevoegdheid als officier van gerechtelijke politie.

Om deze onvermijdelijke taakverwarring te voorkomen zou het beter zijn indien U voor deze opdracht over geneesheren zoudt kunnen beschikken die geen officier van gerechtelijke politie zouden zijn en bijvoorbeeld als «technisch raadgever» zouden optreden.

De Nationale raad beseft dat de organisatie van dergelijke dienst een zekere tijd in beslag zal nemen. In afwachting van deze regeling, die evenwel binnen een redelijke termijn - ter appreciatie van de Nationale raad - moet tot stand komen, kan de Nationale raad de huidige situatie aanvaarden onder de hierna volgende voorwaarden.

De geneeshereninspecteurs belast met dergelijke preventieve opdrachten dienen hun werkzaamheden strikt te beperken tot het in alinea 1 van Uw brief voorziene kader.

Indien zij misbruik maken van het vertrouwen van de practici, door zich aan te melden met een zuiver preventieve opdracht om in de loop van het onderhoud (of achteraf) repressief te handelen, begaan deze geneeshereninspecteurs volgens de Nationale raad, een zeer ernstige deontologische fout en schenden zij de in Uw schrijven aangegane verbintenis.

De Nationale raad is ervan overtuigd dat U met deze visie akkoord zult gaan en meent dat het voorstel ook realiseerbaar is.»

Op 2 februari 1979 schrijft Dr. Lebeer aan de Nationale raad volgende brief:

« Mijnheer de Voorzitter,

Het ligt zeker niet in mijn bedoeling met dit schrijven een polemiek te beginnen met de leden van de Nationale raad van de Orde. Ik meen echter dat ik uw schrijven van 20 januari l.l. niet volledig onbeantwoord mag laten, omdat dit de indruk zou kunnen geven dat ik helemaal en ongenuanceerd instem met de inhoud van deze brief.

Ik ben van oordeel dat mijn stelling inzake preventief optreden van de medische controlediensten van het RIZIV voldoende bekend is, en duidelijk geformuleerd was in mijn brief van 30 november 1978.

Ik heb bovendien in de loop van ons onderhoud beklemtoond dat zich tot nog toe nog nooit een geval heeft voorgedaan waarbij een geneesheerinspecteur in het raam van een preventieve opdracht het kader van de preventie heeft moeten verlaten om repressief op te treden, en dat wij zelfs voorzien hadden dat indien ooit een geneesheerinspecteur zich in een situatie moest bevinden waarbij hij zou kennis krijgen van werkelijke en opzettelijke bedrogplegingen, hijzelf in geen geval zou belast worden met een mogelijke repressieve opdracht vanwege het controle comité.

Maar het moet daarbij toch gezegd worden dat men van geen enkele beambte van een controledienst mag verwachten dat hij door een stilzwijgen een duidelijke toestand van fraude of bedrog zou dekken, wat er zou op neerkomen dat hij hierin zou deelachtig worden. Het is overigens evident dat de bedoeling van een politiek van preventief en correctief optreden er in bestaat fouten en vergissingen die bij de toepassing van de wetgeving omtrent de ziekteverzekering kunnen voorkomen zoveel mogelijk te vermijden of zonder nare gevolgen voor de betrokkenen op te lossen; maar dat zij niet voor gevolg mag hebben werkelijke misbruiken en bedrieglijke handelingen ten nadele van de verzekering ook maar in het minst te aanvaarden. Dit zal wel als vanzelfsprekend overkomen, maar moet toch naar mijn menig impliciet bij de voorlaatste alinea van uw schrijven toegevoegd worden.

Ik wens er bij te voegen dat uit de wet zelf blijkt dat een geneesheerinspecteur nooit zelf in staat is te beslissen tot een repressief optreden. Dit wordt voorbehouden aan het Comité dat, op basis van vastgestelde feiten via zijn beperkte kamers alleen bevoegd is om de administratieve maatregel te treffen die in artikel 90 van de ziektewet voorzien werd.

De beambten van de controledienst zijn alleen maar gemachtigd om feiten vast te stellen, maar hebben voor wat de gevolgen van die vaststelling betreft geen enkele sanctionele bevoegdheid. Hun persoonlijke tussenkomst kan op dat stuk nooit verder gaan dan het preventief of correctief optreden waarvan de laatste zin van artikel 80 van de wet gewag maakt.

Wat tenslotte de suggestie betreft om «technische raadgevers» in dienst te nemen, zult U begrijpen dat de realisatie ervan, die structuurveranderingen in de controledienst van het RIZIV inhoudt, niet tot mijn bevoegdheid behoort, en bovendien niet zonder wetswijzigingen te verwezenlijken is.»

***

Na kennisneming van dit schrijven, bevestigt de Nationale raad zijn advies van 16 december 1978.

Homeopathie05/07/1977 Documentcode: a079012
Homeopathie - Osteopathie

De terugbetaling van homeopathische en osteopathische verstrekkingen via de aanvullende verzekering door een ziekenfondsbond bracht tal van bedenkingen en vragen teweeg, die voorgelegd werden aan de Nationale Raad.

Brief van de Nationale Raad aan de minister van Volksgezondheid, de heer Colla, aan de minister van Sociale Zaken, mevrouw De Galan, en aan de minister-president van de Franse Gemeenschapsregering, mevrouw Onkelinx :

In maart van dit jaar werd de Nationale Raad op de hoogte gebracht van de beslissing van een ziekenfondsbond van Henegouwen om osteopathische verstrekkingen en homeopathische producten terug te betalen via de aanvullende verzekering.

De Nationale Raad vestigt uw aandacht op bepaalde gevaren die een dergelijke beslissing inhoudt, in het bijzonder het gevaar van een impliciete en onrechtstreekse erkenning van verzorgingsactiviteiten die, indien zij niet verricht worden door een houder van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, een onwettige uitoefening van de geneeskunde kunnen uitmaken.

De Nationale Raad sluit zich geheel aan bij de bewoordingen en de inhoud van de brief die u terzake toegestuurd werd door de Commissie homeopathie, chiropraxie en osteopathie van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde.

De patiënten hebben recht op een kwaliteitsverzorging en behandelingen die beantwoorden aan de meest recente wetenschappelijke bevindingen. De noodzakelijke wetenschappelijke waarde en het onschadelijke karakter van een verzorgingsactiviteit moeten op elk ogenblik geanalyseerd en kritisch beoordeeld kunnen worden. Dit vergt noodzakelijkerwijze dat deze verzorgingsactiviteit wetenschappelijk goed gedocumenteerd is.