keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Verzekeringen van de patiënt15/02/2020 Documentcode: a167002
Inzage in de medische gegevens van een persoon door de arts die zijn gezondheidstoestand dient te beoordelen

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de inzage in de medische gegevens van een persoon door de arts die zijn gezondheidstoestand dient te beoordelen.

1- De opdrachten voor de beoordeling van de gezondheidstoestand, die hoofdzakelijk toevertrouwd worden aan de artsen die beschikken over de beroepstitel van arts-specialist in de verzekeringsgeneeskunde en medische expertise, zijn verscheiden. Bepaalde van die opdrachten worden gedefinieerd door de wet(1):

Voor de goede toepassing van de regels betreffende de eerbiediging van het beroepsgeheim en van de persoonlijke levenssfeer dient aandacht geschonken te worden aan de aard van de opdracht waarmee de arts belast is en aan de persoon die hem mandateert.

De artikelen 43 en 44 van de Code van medische deontologie 2018 formuleren de deontologische regels die van toepassing zijn.

2- Indien de inzage in de gezondheidsgegevens in het kader van een expertise uitdrukkelijk bij wet geregeld is, dient men zich hiernaar te schikken.

3- Indien de arts gemandateerd wordt door de persoon wiens gezondheidstoestand beoordeeld wordt, bezorgt deze persoon hem de stukken nodig voor de expertiseopdracht.

De patiënt kan het verzamelen van de stukken die nodig zijn voor een expertise toevertrouwen aan een vertrouwenspersoon (artikel 9, §3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt). De bijstandsarts kan worden aangeduid als vertrouwenspersoon. Het toevertrouwen van deze opdracht gebeurt aan de hand van een geschreven document dat de aangewezen arts bij zijn verzoek voegt om een afschrift te ontvangen. In dit verzoek preciseert hij de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn mandaat en de hoedanigheid waarin hij optreedt.

Verscheidene regionale uitwisselingsnetwerken (CoZO/Collaboratief Zorgplatform, Abrumet/Brussels Gezondheidsnetwerk, Réseau Santé Wallon, Vlaams ziekenhuisnetwerk KU Leuven) hebben tot doel aan de gezondheidswerkers inzage te geven in de gezondheidsgegevens in het kader van een therapeutische relatie. De arts die belast is met een opdracht in het kader van de verzekerings-, controle- en gerechtelijke geneeskunde heeft geen therapeutische relatie met de persoon wiens gezondheidstoestand hij dient te beoordelen(2). Hij kan dit netwerk dus niet gebruiken om diens gegevens in te kijken.

Indien een persoon zijn behandelend arts aanwijst om hem te vertegenwoordigen of om zijn belangen te verdedigen, mag de behandelende arts, voor het vervullen van de toevertrouwde opdracht, slechts de gezondheidsgegevens van de patiënt gebruiken, mits de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. Alvorens ze te gebruiken, laat de behandelend arts aan zijn patiënt weten welke informatie hij van plan is aan de andere partijen te bezorgen en vraagt hij zijn uitdrukkelijke toestemming voor de overdracht.

Het medisch onderzoek dat voorafgaat aan het sluiten van een verzekeringsovereenkomst van de sector leven (levensverzekering, schuldsaldoverzekering, gewaarborgd loon) is een verrichting die gevraagd en vergoed wordt door de verzekeringsmaatschappij. Het is dan ook raadzaam dat de behandelend arts deze opdracht niet aanvaardt.

4- Wanneer de arts gemandateerd wordt door een andere partij (private verzekeringsmaatschappij) dan de persoon wiens gezondheidstoestand beoordeeld wordt, bezorgt de te onderzoeken persoon hem de stukken nodig voor de expertiseopdracht (eventueel via zijn bijstandsarts of zijn advocaat).

De raadgevend arts die belast is met een expertiseopdracht mag zich via de netwerken geen rechtstreekse inzage verschaffen in de gezondheidsgegevens van een persoon die hij moet onderzoeken.

Op vraag van de persoon wiens gezondheidstoestand beoordeeld wordt geeft zijn behandelend arts zelf de medische gegevens door aan de arts belast met de evaluatieopdracht. De behandelend arts heeft vooraf aan zijn patiënt meegedeeld welke informatie gevraagd werd door de arts belast met de evaluatie en heeft de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt verkregen voor het doorgeven van zijn gezondheidsgegevens.

De medische deontologie verbiedt om de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de beoordeling van de gezondheidstoestand van een zelfde patiënt tegelijk uit te voeren wanneer deze aanvraag uitgaat van een derde.

De grondslag van de therapeutische relatie is het vertrouwen. Door de vertrouwelijke mededelingen van zijn patiënt en de inlichtingen vernomen tijdens de therapeutische relatie te gebruiken voor een beoordeling in opdracht van een derde, beschaamt de arts dit vertrouwen(3).

5- De arts-gerechtsdeskundige aangesteld door de rechtbank, ontvangt de stukken die de betrokken partijen overleggen. Hoewel de vragende partij haar schade dient te bewijzen, behoudt ze de vrije beoordeling van de stukken die ze hiervoor aanwendt.

De persoon op wiens gezondheidstoestand de expertise betrekking heeft, kan aan de expert toestemming geven om bij de met naam aangewezen derden (al dan niet artsen) de objectieve medische gegevens te verzamelen die rechtstreeks verband houden met het precieze doel van de expertise.

Het schriftelijke akkoord van de patiënt en de beschikking van de rechter die de opdracht van de deskundige preciseert dienen gericht te worden aan de derde aan wie gevraagd wordt stukken door te geven(5).

Indien er beslag gelegd wordt op het medisch dossier, kan de verzoekende overheid, indien ze het nuttig acht, de arts-gerechtsdeskundige toelaten het te raadplegen. In dit geval is de toestemming van de betrokken persoon niet vereist.

6- In de actualiteit wordt opnieuw melding gemaakt van onwettige inzage in elektronische medische dossiers door artsen.

De nationale raad vestigt de aandacht op de artikelen 43 en 44 van de Code van medische deontologie 2018 en de commentaar erbij.

Indien een arts persoonsgegevens betreffende de gezondheid in een medisch dossier wenst in te kijken, is de toestemming van de patiënt of van de wet vereist. Indien deze ontbreekt, wordt de persoonlijke levenssfeer van de patiënt geschonden.

Bovendien voorziet het Strafwetboek in straffen voor diegene die zich toegang verschaft tot een informaticasysteem terwijl hij weet dat hij daartoe niet gerechtigd is (art. 550bis van het Strafwetboek).

De inzage in gezondheidsgegevens van de patiënt via het elektronische netwerk is voorbehouden aan de gezondheidswerkers die een therapeutische relatie hebben met de patiënt(6).

De verantwoordelijken van de ziekenhuisinstellingen en de beheerders van de elektronische netwerken dienen alle preventie- en controlemaatregelen te nemen om de persoonsgegevens te beschermen tegen elke niet-toegelaten inzage en verdere verwerking ervan.

De veralgemening van de mogelijkheid voor de patiënt om te zien wie zijn dossier ingekeken heeft, is een positieve maatregel met name omdat ze bijdraagt tot deze doelstelling.

De Orde der artsen staat tot beschikking van haar leden om hun vragen te beantwoorden over goede praktijkvoering op dit gebied en ten dienste van de gemeenschap via haar tuchtbevoegdheid.


(1)

- controlearts: een arts die controlegeneeskunde verricht. Hieronder wordt verstaan de medische activiteit die door een arts wordt verricht in opdracht van een werkgever om de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval van een werknemer te controleren (art. 2 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde);

- arts-scheidsrechter: een arts die optreedt als scheidsrechter in de scheidsrechterlijke procedure bepaald in artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- adviserend arts van een verzekeringsinstelling: een arts die als opdracht heeft (art. 153 en 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994):

a. de sociaal verzekerden advies, informatie en sociale begeleiding te verlenen, teneinde ervoor te zorgen dat hen de meest geschikte verzorging en behandeling tegen de beste prijs wordt verleend, rekening houdende met de globale middelen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;

b. de zorgverleners te informeren, teneinde de correcte toepassing van de reglementering betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging voor hen te verduidelijken, door toe te zien op het optimale gebruik van de middelen van deze verzekering;

c.de arbeidsongeschiktheid te controleren;

d. de geneeskundige verstrekkingen te controleren.

- adviserend arts van Medex: een arts die optreedt in het kader van de opdrachten van het Bestuur van de medische expertise (koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk en koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk);

- raadgevend arts van een private verzekeringsmaatschappij;

- arts-ambtenaar: een arts door de wet belast met het uitvoeren van een opdracht van openbaar belang;

- arts-gerechtelijk deskundige: een arts ingeschreven in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen (art. 991ter van het Gerechtelijk Wetboek) of aangewezen door de gerechtelijke overheid op basis van artikel 991decies van het Gerechtelijk Wetboek;

- arts-deskundige bij het Fonds voor medische ongevallen bedoeld in artikel 17 van de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg.

Deze lijst bevat niet alle artsen die ertoe gebracht kunnen worden de gezondheidstoestand in opdracht van een derde te beoordelen.

(2) Cf. Punt 4.2. van de nota betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en van een zorgrelatie, goedgekeurd door de afdeling Gezondheid van het Sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid in haar beraadslaging nr. 11/088 van 18 oktober 2011, gewijzigd door de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het Informatieveiligheidscomité op 21 juni 2016, p. 6

(3) Commentaar bij artikel 43 van de Code van medische deontologie

(4) Advies van de nationale raad van 7 februari 2015, Ontwerp met het oog op het ontvangen van alle informatie met betrekking tot een schadegeval, in het kader van een gerechtelijke expertise, Tijdschrift van de nationale raad nr. 148

Advies van de nationale raad van 24 maart 2012, "Inzage in het medisch dossier door een wetsdokter", Tijdschrift van de nationale raad nr. 137

(5) Advies van de nationale raad van 28 mei 2011, "Inzage in het medisch dossier door een wetsdokter", Tijdschrift van de nationale raad nr. 134

(6) Cf. Punt 4.2. van de nota betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en van een zorgrelatie, goedgekeurd door de afdeling Gezondheid van het Sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid in haar beraadslaging nr. 11/088 van 18 oktober 2011, gewijzigd door de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het Informatieveiligheidscomité op 21 juni 2016, p. 6

Zie ook het advies van de nationale raad van 21 september 2019, "Raadplegen van medische dossiers via de telematicamiddelen in een ziekenhuis door een arts zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 166


Arts (Adviserend-)27/04/2019 Documentcode: a165003
Rol van medewerkers van de adviserend arts van de verzekeringsinstelling bij de controle van de arbeidsongeschiktheid

De nationale raad heeft op 27 april 2019 de rol van medewerkers van de adviserend arts van de verzekeringsinstelling bij de controle van de arbeidsongeschiktheid besproken.

1°/ De adviserend arts van de verzekeringsinstelling is beëdigd. Hij beschikt over de beslissingsbevoegdheid, heeft een statuut dat zijn beroepsonafhankelijkheid waarborgt(1) en is onderworpen aan een accrediteringsstelsel(2).

Het evalueren van de arbeidsongeschiktheid behoort tot zijn wettelijke opdrachten(3). Het is een medische beslissing die de arts in volledige onafhankelijkheid neemt(4), in omstandigheden die de vertrouwelijkheid van de medische gegevens waarborgen, zowel bij de verwerking ervan, als bij het vertrouwelijk contact tussen de sociaal verzekerde en de adviserend arts(5).

De adviserend arts kan zich laten leiden door beoordelingscriteria, maar hij moet zijn volle beroepsvrijheid en -onafhankelijkheid behouden.

Bij het evalueren van de arbeidsongeschiktheid is de eerbiediging van de waardigheid van de patiënt van fundamenteel belang voor de vertrouwensrelatie tussen de adviserend arts en de patiënt. De adviserend arts gaat empathisch, attent en respectvol om met elke patiënt en communiceert duidelijk en correct met de patiënt (artikelen 16 en 19 van de code van medische deontologie 2018).

2°/ Wanneer de rechthebbende opgeroepen wordt voor een medisch onderzoek in het kader van de controle van de arbeidsongeschiktheid voert de adviserend arts dit zelf uit.

De medewerker van de adviserend arts, die geen arts is, mag de raadpleging voorbereiden door socioprofessionele, medische en administratieve inlichtingen in te zamelen(6), maar dit enkel op basis van een uitdrukkelijke opdracht van de adviserend arts, in het bijzonder wanneer het gaat om medische elementen. De medewerker die geen arts is, mag geen prestaties verrichten die onder de geneeskunde vallen, met voorbehoud van de medische handelingen die opgedragen kunnen worden in overeenstemming met de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

De adviserend arts mag in geen geval de uitvoering van het medisch onderzoek volledig aan anderen overlaten of zijn medewerkers niet-artsen betrekken bij het nemen van zijn beslissing.

De adviserend arts mag de rechthebbende van de zorgverzekering de onderzoeken doen ondergaan die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn opdracht. In principe raadpleegt hij vooraf de behandelend arts, die in elk geval een kopie van de uitslagen van de onderzoeken ontvangt(7).

3°/ De persoonsgegevens betreffende de gezondheid verzameld door de adviserend arts in het kader van de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid worden verwerkt onder zijn verantwoordelijkheid en die van de arts-directeur van de verzekeringsinstelling met inachtneming van het beroepsgeheim en van de bepalingen inzake de persoonlijke levenssfeer.

Ze mogen slechts ingezien worden door medewerkers niet-artsen, onder hun toezicht, op voorwaarde dat deze laatste gebonden zijn door het beroepsgeheim en dat deze inzage onontbeerlijk is en beperkt tot de gegevens noodzakelijk voor het uitvoeren van hun opdracht.

4°/ De rechthebbende van de zorgverzekering dient steeds op de hoogte gebracht te worden van het statuut en de rol van de persoon die zich tot hem richt in het kader van de evaluatieprocedure van de arbeidsongeschiktheid.

***

Tot besluit is de adviserend arts verantwoordelijk voor de evaluatie. Hij waakt erover dat zijn medewerkers geen commentaar of beoordeling geven bij het verzamelen van documenten en informatie.

Bij de oproeping voor een medisch onderzoek moet worden bepaald of de verzekerde naast de adviserend arts ook een medewerker van deze laatste zal ontmoeten. De rol en de beroepstitel van deze medewerker moeten bij het begin van de ontmoeting meegedeeld worden.

De medewerker niet-arts mag zijn bevoegdheid niet te buiten gaan.

Wanneer de verzekerde opgeroepen wordt voor een medisch onderzoek is het de plicht van de adviserend arts persoonlijk contact met hem hebben. De verzekerde kan niet weggestuurd worden zonder de adviserend arts ontmoet te hebben.

Met dit advies vervolledigt de nationale raad zijn advies van 15 november 2014 betreffende de taken toevertrouwd aan niet-artsen door de adviserend arts van een ziekenfonds (a147016).



(1) Artikels 30 en volgende van het koninklijk besluit nr. 35 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

(2) Koninklijk besluit van 11 juni 2011 tot uitvoering van artikel 154, zesde lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

(3) Artikel 153, § 1, 3), van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

(4) Artikel 19 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 35

(5) Artikel 25 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 35

(6) Artikel 16 van de Richtlijnen aan de adviserend geneesheren over de organisatie van de controle en evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, Informatieblad 2015/3, 5e deel, Richtlijnen van het RIZIV, p. 36

(7) Artikel 28 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 35

Verzekeringen van de patiënt15/09/2018 Documentcode: a162008
Vraag van de patiënt aan de behandelende arts om medische formulieren in te vullen voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de kwestie besproken van de deontologische verplichting van de behandelende arts in te gaan op de vraag van de patiënt medische formulieren in te vullen voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 15 september 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de kwestie besproken van de deontologische verplichting van de behandelende arts in te gaan op de vraag van de patiënt medische formulieren in te vullen voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract (cf. advies van de nationale raad ‘Geneeskundige verklaringen voor (kandidaat-)verzekerden' van 16 juli 2005 (a110002)).

In verschillende omstandigheden is de patiënt aangewezen op een verklaring over zijn gezondheidstoestand van zijn behandelende arts of op de hulp van deze laatste om medische vragenlijsten te beantwoorden:

  • om een sociaal voordeel te bekomen (voordeel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewaarborgd inkomen, statuut van het VAPH, enz.),
  • om te voldoen aan een wettelijke verplichting (vaccinatie, leerplicht, enz.),
  • bij een deskundigenonderzoek (artikel 43 van de code van medische deontologie),
  • of nog in het kader van een contractuele relatie (artikel 61 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, bekwaamheidsattest om sport te beoefenen, enz.).

De verzekeringscontracten maken onlosmakelijk deel uit van onze maatschappij (schuldsaldoverzekering, bijkomende verzekering gezondheidszorg, ongevallenverzekering, repatriëringsverzekering, annulatieverzekering, enz.).

Het is een deontologische plicht van de behandelende arts, binnen de grenzen van zijn bekwaamheden en objectief, te voldoen aan de rechtmatige vragen van de patiënt die slechts geconcretiseerd kunnen worden met zijn medewerking. Hij kan zich er niet aan onttrekken zonder gegronde reden (artikel 26 van de code van medische deontologie).

De stappen nodig voor het afsluiten, en meer nog voor het uitvoeren van bepaalde contracten, onder meer de levensverzekeringen en gewaarborgd inkomen, zijn evenwel ingewikkeld en vereisen een bijzondere technische kennis om het belang van de patiënt te beschermen. In deze situatie kan de behandelende arts zijn patiënt doorverwijzen naar een arts gespecialiseerd in verzekeringsgeneeskunde en medische expertise.

Wanneer de behandelende arts gevraagd wordt documenten in te vullen met het oog op de afsluiting of de uitvoering van een verzekeringscontract handelt hij in opdracht van zijn patiënt en niet van de verzekeringsmaatschappij. Hij moet zich bekommeren om het belang van zijn patiënt en deze correct inlichten wat betreft de in het document gevraagde medische gegevens.

Dergelijke administratieve documenten invullen na de patiënt passend geïnformeerd te hebben is een vervelend werk dat tijd vraagt. Het grootste deel van deze verstrekkingen kan niet ten laste van het RIZIV gebracht worden. De arts dient de verschuldigd geachte erelonen te vragen aan de verzekeringsmaatschappij of aan zijn patiënt.

Verzekeringen van de patiënt08/04/2017 Documentcode: a157003-R
Christelijke mutualiteit - Second opinion in een universitair ziekenhuis

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de praktijk van de Christelijke Mutualiteit waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in een universitair ziekenhuis

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen besprak op 8 april 2017 de praktijk van de Christelijke Mutualiteit, hierna de "CM", waarbij zij voor haar verzekerden voorziet in de mogelijkheid van een second opinion in het Universitair Ziekenhuis Leuven.

Dergelijke praktijk stuit op volgende bezwaren:
1. Geen contact tussen arts en patiënt
Een wetenschappelijk verantwoorde diagnose vereist een degelijke anamnese en een gewetensvol klinisch onderzoek. Dit veronderstelt in de regel een fysiek contact tussen arts en patiënt.
2. Verstoring van de markt
Dergelijke samenwerking tussen de CM en het Universitair Ziekenhuis Leuven kan de mededinging op de Belgische markt verhinderen, beperken of vervalsen.
De Raad voor de Mededinging heeft in een vergelijkbare zaak al geoordeeld dat het akkoord tussen de CM en de Vlaamse Vereniging van Orthodontisten, waarbij een bijkomende vergoeding werd betaald aan een patiënt die zich liet behandelen door een tandarts die op de lijst stond, marktverstorend werkt . Bovendien werden er in casu richttarieven en maximumprijzen gehanteerd. Gelet op deze twee elementen, heeft de Raad voor de Mededinging besloten tot een prima facie inbreuk op de mededingingsregels.
3. Recht van vrije keuze
Doordat de patiënten geleid worden naar een lijst van geselecteerde artsen, en een financieel voordeel genieten als ze één van deze artsen consulteren, wordt het recht op vrije keuze van de patiënt uitgehold.. Van een strikte miskenning van het recht kan echter geen sprake zijn aangezien de patiënt, buiten het kader dat door de CM wordt geboden, nog steeds over het recht beschikt om een arts naar zijn keuze te raadplegen.

Dit advies vervangt het advies "Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies" van 7 april 2012.

Bijlage : Folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Beroepsgeheim07/02/2015 Documentcode: a148005
Ontwerp met het oog op het ontvangen van alle informatie met betrekking tot een schadegeval, in het kader van een gerechtelijke expertise

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft een ontwerp met het oog op het ontvangen van alle informatie met betrekking tot een schadegeval, in het kader van een gerechtelijke expertise, onderzocht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 7 februari 2015 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw ontwerp onderzocht dat, in het kader van een gerechtelijke expertise waarin u tussenkomt op aanwijzing van de rechtbank, aan het slachtoffer wil voorstellen zijn toestemming te geven opdat de deskundige rechtstreeks bij elke derde alle informatie met betrekking tot het schadegeval die hij nuttig acht zou kunnen vragen en ontvangen.

1° Het raadplegen en het kopiëren van een medisch dossier is een verwerking van persoonsgegevens in de betekenis van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (artikel 1, §2).

Behoudens uitzonderingen is de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen verboden. Dit verbod is met name niet van toepassing wanneer de patiënt zijn toestemming voor dergelijke verwerking heeft gegeven.

Uit het door u voorgelegde model blijkt dat het akkoord van het slachtoffer betrekking heeft op alle informatie aangaande het schadegeval, d.w.z. de opgelopen letsels, hun behandeling(en) en evolutie, evenals de vooraf bestaande toestand voor zover deze volgens de deskundige een mogelijk verband kan hebben met de vermelde letsels, die bekomen zouden kunnen worden bij de behandelende arts(en), paramedici, ziekenfondsen, werkgever(s) en andere instanties.

Het voorgelichte karakter van de toestemming van de persoon roept vragen op omdat de gegevensverwerking waarop ze slaat onbeperkt is, zowel wat betreft de derden waarop beroep gedaan wordt als wat betreft de documenten die mogen worden opgevraagd. De reikwijdte ervan wordt aan uw waardering overgelaten.

2° De persoonsgegevens dienen toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt (artikel 4).

Artikel 62, b, van de Code van geneeskundige plichtenleer stelt : binnen de perken van volstrekte noodzaak, mag een diagnose of een inlichting van geneeskundige aard worden medegedeeld aan de arts met een gerechtelijk-geneeskundig onderzoek belast, voor zover de inlichtingen beperkt blijven tot de objectieve medische gegevens die rechtstreeks verband houden met het doel van het onderzoek en de patiënt daarmee instemt;

Daar de typebrief die u voorstelt te doen ondertekenen door het slachtoffer u toelaat aan alle instanties te vragen u informatie te verschaffen die potentieel een verband zou kunnen hebben met het schadegeval, bestaat er een risico dat de doorgegeven informatie de voornoemde beperkingen te buiten gaat.

De communicatie ervan aan de tegenpartij, op basis van de eerbiediging van het principe van tegenspraak, vormt een bijkomende inbreuk op de eerbiediging van de private levenssfeer van de patiënt.

3° Zelfs al is het aan de vragende partij zijn schade te bewijzen, toch behoudt ze toch de vrije beoordeling van de stukken die ze hiervoor neerlegt.

Door aan de gerechtelijke deskundige de toestemming te geven om aan elke derde alle informatie te vragen die hij nuttig acht om de opgelopen letsels te beoordelen, ziet de vragende partij volledig af van de controle over de stukken ingediend om haar vraag te staven.

De Nationale Raad is bijgevolg van mening dat het akkoord van het slachtoffer met het opheffen van het medisch geheim of met het meedelen van persoonsgegevens niet algemeen maar specifiek moet zijn. Het moet de derden (al dan niet artsen) die het slachtoffer ontslaat van het beroepsgeheim en de stukken die moeten doorgegeven worden aan het slachtoffer met naam en toenaam vermelden.

Elke arts aan wie gevraagd wordt medische inlichtingen in verband met de expertise mee te delen dient artikel 62, b, van de Code van geneeskundige plichtenleer te eerbiedigen. Het akkoord van de patiënt en de beschikking van de rechter die de opdracht van de deskundige preciseert dienen gericht te worden aan de derde aan wie gevraagd wordt stukken door te geven.

Tot slot herinnert de Nationale Raad u in deze materie zijn adviezen van 28 mei 2011, getiteld "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 134, en 24 maart 2012, getiteld "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter", Tijdschrift Nationale Raad nr. 137.

Arts (Adviserend-)15/11/2014 Documentcode: a147016
Taken toevertrouwd aan niet-artsen door de adviserend arts van een ziekenfonds

Aan de Nationale Raad wordt de vraag gesteld of een ziekenfonds zich door niet-artsen kan laten bijstaan voor de opvolging van haar verzekerde leden.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 15 november 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 22 mei 2014 onderzocht met de vraag van dr. X of een ziekenfonds zich door niet-artsen kan laten bijstaan voor de opvolging van haar verzekerde leden.

Zoals Dr. Y, geneesheer-directeur CM, in zijn brief van 27 februari 2014 aanhaalt, bepaalt art. 153, § 4 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen dat de geneesheren-directeurs erop toezien dat de adviserend geneesheren over een paramedische en administratieve ondersteuning beschikken, die naargelang van hun behoeften bestaat uit kinesitherapeuten, verpleegkundigen, paramedische en administratieve medewerkers, personeelsleden van de verzekeringsinstellingen, aan wie zij enkel de opdrachten die zijn bepaald door het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle kunnen delegeren.

De adviserend artsen zijn verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de taken die zijn toevertrouwd aan de medewerkers die hen bijstaan. Zij zullen hiervoor kunnen worden aangesproken en zijn als enige bevoegd om een eindbeslissing te nemen. De eindbeslissing kan niet gedelegeerd worden.

1/ Voor zover het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle de handelingen die gesteld worden door deze personen (niet-artsen) expliciet aan de bedoelde niet-artsen heeft gedelegeerd; 2/ zij deze handelingen overeenkomstig de op hun beroepsgroep van toepassing zijnde bepalingen van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen mogen stellen en 3/ deze personen de handelingen steeds onder de verantwoordelijkheid van een adviserend arts stellen, lijkt een dergelijke constructie (deontologisch) niet noodzakelijk foutief of problematisch te zijn.

Wat betreft de laatste voorwaarde, wijst de Nationale Raad er evenwel op dat het steeds duidelijk dient te zijn voor de patiënt dat de handeling wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een met naam genoemde arts. De uitnodigingsbrief van een paramedicus of een kinesitherapeut in deze context moet daartoe minstens de identiteit, en indien mogelijk de handtekening, van de verantwoordelijke arts vermelden, alsook dat deze handelingen zullen worden gesteld in opdracht van deze arts.

De Nationale Raad verwijst bovendien naar de Code van geneeskundige plichtenleer die stelt dat bij het delegeren van taken aan paramedici de arts er steeds dient over te waken ieder initiatief te vermijden dat hen ertoe zou kunnen aanzetten de geneeskunde op een onwettige wijze uit te oefenen en taken of handelingen te doen verrichten die buiten hun bevoegdheid of competentie vallen. Dit leidt ertoe dat, in geval van twijfel of op verzoek van de patiënt, de adviserende arts zelf de handelingen zal dienen te stellen.

Arts (Adviserend-)17/11/2012 Documentcode: a140004
Medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij - Rechten van de patiënt : nieuwe gegevens
De Nationale Raad wordt om advies gevraagd over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij over een persoon die het slachtoffer was van een ongeval en die hij onderzocht in het kader van de afhandeling van de gevolgen van dit ongeval.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 november 2012 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 3 augustus 2012 waarin u hem ondervraagt over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het medisch dossier opgesteld door de raadsgeneesheer van een verzekeringsmaatschappij over een persoon die het slachtoffer was van een ongeval en die hij onderzocht in het kader van de afhandeling van de gevolgen van dit ongeval.

De situaties inzake controle- en expertisegeneeskunde zijn uiteenlopend.

Uw vraag betreft een persoon die het slachtoffer was van een ongeval.

Bij het begeleiden van de gewonden, slachtoffers van arbeidsongevallen gedekt door de wetsverzekering of van ongevallen in het privéleven waarvan de schade vergoed wordt door de verzekering die de verantwoordelijke derde dekt of door de individuele verzekering, is het gebruikelijk dat de gewonde uitgenodigd wordt zich te melden bij de raadsgeneesheer die door het verzekeringsorganisme belast werd met het evalueren van de evolutie van de letsels en met de opvolging van de behandeling die vergoed wordt door het verzekeringsorganisme

Deze opdracht van de raadsgeneesheer heeft voornamelijk een vooruitlopend doel : het verzekeringsorganisme moet de financiële reserves voorzien nodig voor de schadeloosstelling en eventueel voorschotten betalen wanneer de situatie van de gewonde het rechtvaardigt. Hij heeft ook een objectief van therapeutische optimalisatie: de verzekeraar heeft er belang bij dat de patiënt zo goed mogelijk verzorgd wordt om de ernst van de nawerkingen van het ongeval te verminderen. De verzekeraar kan ook wensen er zich van te vergewissen dat de zorg toegediend aan de getroffene wel degelijk een verband heeft met de letsels veroorzaakt door het ongeval.

Na het onderzoek maakt de raadsgeneesheer een verslag op dat medische gegevens bevat. Hij voegt er een technische nota bij aangaande de evolutievooruitzichten die bestemd is voor de verzekeraar.

U ondervraagt de Nationale Raad over het recht van de gewonde om een kopie te krijgen van het hem betreffende dossier opgesteld door de raadsgeneesheer van de verzekering.

In zijn advies van 9 oktober 2009 betreffende de consultatie van het medische dossier dat wordt bijgehouden door de geneesheer-expert in het kader van een strafzaak, stelt de federale commissie "Rechten van de patiënt", zonder verdere nuance, "Allereerst onderstreept de Commissie dat de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt van toepassing is op de expertisegeneeskunde. De patiënt heeft dan ook het recht om rechtstreeks toegang te hebben tot het dossier dat door de geneesheer-expert wordt bijgehouden".

De Nationale Raad was in zijn advies van 24 oktober 2009 van mening dat de patiënt, in het kader van de controle- en arbeidsgeneeskunde, recht heeft op inzage in zijn dossier krachtens artikel 9, § 2, van de wet betreffende de rechten van de patiënt.

Op aanvraag van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid werd er door de Universiteit Antwerpen in juli 2011 een uitgebreide studie gemaakt over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het gebied van de controle- en expertisegeneeskunde. De bedoeling van dit project is te peilen naar de theoretische en praktische problemen die ontstaan bij het toepassen van de Wet Patiëntenrechten in de praktijk van de controle- en expertisegeneeskunde. Het is beschikbaar via de website van de FOD Volksgezondheid op het volgende adres :
http://www.health.belgium.be/eportal/Myhealth/PatientrightsandInterculturalm/Patientrights/BillRightsPatient/index.htm.
U vindt kopie van dit document als bijlage.

Deze studie vermeldt verschillende mogelijke restricties op de toepassing van voornoemde wet van 22 augustus 2002 wat inzage in het dossier betreft.

Meer bepaald aangaande uw vraag wordt er de volgende nuance aangebracht (pagina 60, punt 4.5.4., van de studie) :

Wat betreft de situatie van een raadsgeneesheer die de patiënt onderzoekt in opdracht van bv. een private verzekeringsmaatschappij kan er wel een probleem opduiken : naast de strikt medische vaststellingen (anamnese, klinisch onderzoek, beeldvorming,...) -waartoe de patiënt ongetwijfeld toegang moet hebben- is er ook informatie die bestemd is voor de opdrachtgever en die meer te maken heeft met de administratief-financiële kant van de zaak : bv . wordt van de raadsgeneesheer verwacht dat hij reeds vroeg in de expertise een inschatting geeft van het percentage ongeschiktheid dat mogelijks zou kunnen worden toegekend aan patiënt in kwestie . Dit laat de verzekeringsmaatschappijen toe om de nodige provisie aan te leggen. Gezien de raadsgeneesheren en de verzekeringmaatschappijen menen dat het inzagerecht van de patiënt hier niet geldt, wordt de zaak in de praktijk soms opgelost door een gescheiden dossier te maken : een met de medische en persoonlijke en professionele
gegevens, en een met gegevens en inschatting van financieel-technische aard, waartoe de patiënt dan geen toegang heeft.

Er wordt niet gepreciseerd of de inhoud van deze studie goedgekeurd werd door de federale commissie "Rechten van de patiënt".

De Nationale Raad heeft beslist de minister van Volksgezondheid hierover te ondervragen in een brief waarvan u kopie als bijlage vindt.

In afwachting van een antwoord van de minister betreffende het recht van de gewonde om inzage te hebben in de technische nota die door de raadsgeneesheer voor de verzekeraar om administratieve doeleinden opgesteld werd, kan uw provinciale raad zich baseren op het voornoemde advies van de federale commissie "Rechten van de patiënt" van 9 oktober 2009, overgenomen in het advies van de Nationale Raad van 24 oktober 2009, om de inzage van de patiënt in het medische verslag opgesteld door de raadsgeneesheer te rechtvaardigen.

Gezien de discussies die voorafgaan is het beter aan de raadsgeneesheren aan te raden de twee aspecten van hun opdracht, de evaluatie van de letsels en hun evolutie (medisch verslag) en de prognose van de ongeschiktheidsgraad (technische nota), duidelijk te onderscheiden in de documenten die ze opstellen.

Beslissing van het Bureau van de Nationale Raad d.d. 22.08.2013 :
Als bijlage vindt u het advies van de federale commissie voor de rechten van de patiënt van 21 juni 2013 betreffende de controle- en expertisegeneeskunde. Dit advies geeft een antwoord op de vragen die door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren werden gesteld in zijn advies van 17 november 2012, "Medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij", TNR 140, dat werd gericht aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Het advies van de federale commissie voor de rechten van de patiënt en het voornoemde advies van 17 november 2012 zullen op het publieke gedeelte van de website van de Orde van geneesheren worden geplaatst.
Keuze (Vrije artsen-)07/04/2012 Documentcode: a138004
Folder van de Christelijke Mutualiteit “Second-O tweede medisch advies”

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende een folder van de Christelijke Mutualiteit "Second-O tweede medisch advies".

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 7 april 2012 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het initiatief van de Christelijke Mutualiteiten (CM) waarbij men in het kader van een aanvullende hospitalisatieverzekering een samenwerking ontwikkelt met het Universitair Ziekenhuis Leuven en zijn netwerk met het oog op het verlenen van een tweede medisch advies of "second opinion" en dit op eenvoudig verzoek van de betrokken patiënt. Het tweede advies wordt verstrekt door artsen-specialisten met bijzondere deskundigheid, die verbonden zijn aan de Universitaire Ziekenhuizen van de KU Leuven en hun netwerk. Het advies is gebaseerd op bestaande medische informatie.

Het vragen van een tweede mening behoort sedert lang tot de mogelijkheden waarover een behandelende arts en zijn/haar patiënt beschikt om een diagnose al dan niet te bevestigen en een zowel aangepaste als efficiënte behandeling te vinden. Meestal gebeurt dit door contacten tussen artsen, maar het kan ook gebeuren door verwijzing van de patiënt naar een collega, ofwel op initiatief van de arts, ofwel op voorstel van de patiënt.

De Nationale Raad is van mening dat dit samenwerkingsproject tussen CM en UZ Leuven voor CM leden aangesloten bij het CM-Hospitalisatieplan, op de volgende deontologische bezwaren stuit:

- Het ontbreken van een daadwerkelijk arts-patiëntcontact.
De Nationale Raad heeft altijd de nadruk gelegd op het belang van een effectieve ontmoeting tussen de arts en de patiënt. Dit is de conditio sine qua non om de anamnese en het klinisch onderzoek kwaliteitsvol te kunnen integreren in de diagnosestelling en een arts-patiëntdialoog die het vertrouwenscontract bezegelt tot stand te brengen. De Nationale Raad stelt de toegevoegde waarde van het in het kader van dit project verstrekte advies ernstig in vraag.

- Het recht op vrije keuze van de arts door de patiënt komt in het gedrang. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het recht van de patiënt, eventueel tegen betaling, tot het krijgen van kopie van de gegevens die over hem worden bijgehouden en anderzijds de plicht van de artsen om in het belang van de patiënt onderling gegevens uit te wisselen (artt. 6 en 9, wet betreffende de rechten van de patiënt).

- Het potentieel schaden van de collegialiteit.
De folder verspreid door de CM vermeldt:"dit advies krijgt u van geneesheren-specialisten die tot de top van hun vakgebied behoren" en "u krijgt advies van onafhankelijke topspecialisten in hun vakgebied, gekozen op basis van hun expertise met betrekking tot uw aandoening".

Deze formulering komt negatief over voor de behandelende huisarts en/of specialist, die zich gewetensvol inzetten voor zijn/haar patiënt en die ook over de nodige vakbekwaamheid beschikken.
Bovendien meent de Nationale Raad dat dit sterk neigt naar ongeoorloofde reclame en mededinging.

Verder vermeldt de CM-folder " 'second-O' werkt onafhankelijk t.o.v. uw behandelende artsen".
De Nationale Raad vreest voor de collegialiteit in een gezondheidssysteem waarin patiënten artsen tegen elkaar kunnen uitspelen.

Om deze redenen meent de Nationale Raad dat de betreffende samenwerking niet de aangewezen manier is om een "second opinion" te organiseren.


Een zelfde brief werd toegestuurd aan :
- Dr H. MOEREMANS, voorzitter van het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen
- Drs J.L. DEMEERE, voorzitter en M. MOENS, Secretaris generaal van het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van geneesheren-specialisten
- Prof. Dr P. HOEBEKE, voorzitter van de medische raad van het UZGent
- Prof. Dr S. VAN DAELE, ondervoorzitter van de medische raad van het UZGent
cc.
- Het Landsbond der Christelijke Mutualiteiten
- Dr F. RADEMAKERS, Hoofdgeneesheer, KULeuven

Arts (Adviserend-)25/11/2006 Documentcode: a115003
Inzage van het medisch dossier van een overledene door de raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij

Een provinciale raad stuurt de briefwisseling door die hij voerde met de adviserende geneesheer van een landsbond van ziekenfondsen. Deze geneesheer wil weten of hij de geneeskundige inlichtingen mag doorgeven die hem worden gevraagd o.m. door artsen van verzekeringsinstellingen die beweren gemachtigd te zijn door de patiënten of door erfgenamen aangaande levensverzekeringen. Is de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt hier toepasbaar ?
Hij legt het concrete geval voor van een verzekeringsmaatschappij die hem in het kader van het uitvoeren van een levensverzekeringscontract verzoekt medische inlichtingen door te geven betreffende een overleden aangeslotene. Deze moeten worden toegestuurd aan de adviserende arts van deze verzekeringsmaatschappij. Een kopie van de overeenkomst waarbij de vader van de overledene deze raadgevende arts zelf machtigt om het medisch dossier van de overledene bij de landsbond van ziekenfondsen te raadplegen wordt tot staving overgemaakt.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 25 november 2006 uw vraag van 7 juni 2006 in verband met de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bestudeerd.

De problematiek beschreven in uw brief is de volgende. Een raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij wordt gemachtigd door een verwant van een overledene, in toepassing van artikel 9, §4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (1), om het medisch dossier van deze overledene te raadplegen teneinde na te gaan of de uitvoeringsvoorwaarden van het afgesloten levensverzekeringscontract geldig vervuld zijn.

De Nationale Raad herinnert eraan dat deze wet ook van toepassing is op de raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij (artikel 3).

Wat de gestelde vraag betreft is de Nationale Raad van mening dat een raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij, in het kader van zijn opdrachten, niet de beroepsbeoefenaar kan zijn door wiens tussenkomst de verwant van de overledene recht zou kunnen hebben op inzage in het medisch dossier van deze laatste, in toepassing van artikel 9, §4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

De raadgevende arts van het verzekeringsorganisme kan niet tegelijkertijd gemandateerd zijn, enerzijds door de verzekeringsmaatschappij en, anderzijds, door de erfgenamen van de overledene, zonder een belangenconflict te scheppen.

Terwijl het belang van de raadgevende arts, als gemachtigde van de verzekeringsmaatschappij, erin bestaat de datum te kennen van de eerste symptomen van de ziekte die het overlijden veroorzaakte (zie het advies van de Nationale Raad van 16 juli 2005, TNR nr. 110, p. 4), is het belang van de naaste verwanten artikel 95 (2) van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst toegepast te zien. Dit artikel preciseert duidelijk dat de arts van de verzekerde enkel een verklaring moet afleveren over de doodsoorzaak en niet over de voorgeschiedenis van de ziekte die aan dit overlijden voorafging. De tegengestelde belangen van de partijen maken de samenvoeging van de mandaten in de handen van de raadgevende arts van de verzekeringsmaatschappij onmogelijk.

Bovendien leggen de bewoordingen van het nieuwe artikel 95 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst de nadruk op de wil van de wetgever om de inlichtingen te beperken die aan de verzekeraar kunnen worden doorgegeven voor het afsluiten of het uitvoeren van het verzekeringscontract. De raadgevende arts aanduiden als beroepsbeoefenaar door wiens tussenkomst de verwant kennis zou kunnen nemen van het medisch dossier van de patiënt in toepassing van artikel 9, §4, van de wet van 22 augustus 2002, zou de bepalingen gunstig voor de verzekerde in artikel 95 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in het kader van de levensverzekering, praktisch ontoepasbaar maken.

De Nationale Raad meent dat het deontologisch onaanvaardbaar is dat een raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij zijn medewerking verleent aan het omzeilen van de geest van artikel 95 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst door het cumuleren van mandaten.

(1) Artikel 9 zegt het volgende :
“§ 1. De patiënt heeft ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier.
Op verzoek van de patiënt voegt de beroepsbeoefenaar door de patiënt verstrekte documenten toe aan het hem betreffende patiëntendossier.
§ 2. De patiënt heeft recht op inzage in het hem betreffend patiëntendossier.
Aan het verzoek van de patiënt tot inzage in het hem betreffend patiëntendossier wordt onverwijld en ten laatste binnen 15 dagen na ontvangst ervan gevolg gegeven.
De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en gegevens die betrekking hebben op derden zijn van het recht op inzage uitgesloten.
Op zijn verzoek kan de patiënt zich laten bijstaan door of zijn inzagerecht uitoefenen via een door hem aangewezen vertrouwenspersoon. Indien deze laatste een beroepsbeoefenaar is, heeft hij ook inzage in de in het derde lid bedoelde persoonlijke notities.
Indien het patiëntendossier een schriftelijke motivering bevat zoals bedoeld in artikel 7, § 4, tweede lid, die nog steeds van toepassing is, oefent de patiënt zijn inzagerecht uit via een door hem aangewezen beroepsbeoefenaar, die ook inzage heeft in de in het derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
§ 3. De patiënt heeft recht op afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffend patiëntendossier, tegen kostprijs, overeenkomstig de in § 2 bepaalde regels. Ieder afschrift vermeldt dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk is.
De beroepsbeoefenaar weigert dit afschrift indien hij over duidelijke aanwijzingen beschikt dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen.
§ 4. Na het overlijden van de patiënt hebben de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiënt, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het in § 2 bedoelde recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de in § 2, derde lid, bedoelde persoonlijke notities.

(2) Dit artikel stelt het volgende :
“Medische informatie - De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand.
Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de raadgevende arts van de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere personen dan de verzekerde.
Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te bepalen.
Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de raadgevende arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.
Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar, bezorgt de raadgevende arts de geneeskundige verklaringen, op hun verzoek, terug aan de verzekerde of, in geval van overlijden, aan zijn rechthebbenden”.

Getuigschrift16/07/2005 Documentcode: a110002
Geneeskundige verklaringen voor (kandidaat-)verzekerden

In zijn vergadering van 16 juli 2005 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de deontologische consequenties van het door artikel 19 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt gewijzigde artikel 95 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (1).

Niettegenstaande de nieuwe versie van artikel 95 reeds langer dan twee jaar van toepassing is, blijven heel wat onduidelijkheden over de juiste betekenis van het artikel bestaan. De door de provinciale raden voorgelegde vragen hebben vooral betrekking op de geneeskundige verklaringen zodat de Nationale Raad een advies daaromtrent noodzakelijk acht.

ALGEMENE BEPALINGEN

De eerste zin van artikel 95 is overduidelijk : “De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn”. Hieruit volgt dat het de gekozen arts vrijstaat een geneeskundige verklaring af te leveren, te weigeren of te beperken tot wat hij deontologisch meent te kunnen verklaren. De aangezochte geneesheer is deontologisch wel verplicht de nodige uitleg te geven aan de (kandidaat)-verzekerde als de gevraagde verklaring niet of slechts gedeeltelijk afgeleverd wordt.

Uit de wettekst volgt dat de arts de door hem opgestelde geneeskundige verklaring aan de (kandidaat-)verzekerde dient af te leveren en niet rechtstreeks mag overmaken aan de verzekeringsmaatschappij. De (kandidaat-)verzekerde moet de geneeskundige verklaring overmaken aan de adviserende arts van de verzekeraar en niet meer als vroeger aan de (bediende van de) verzekeraar. De Nationale Raad is van mening dat de (kandidaat-) verzekerde het recht heeft de naam te kennen van de adviserende arts van de verzekeraar aan wie hij zijn medische persoonsgegevens toevertrouwt.

Om elk misverstand te vermijden wijst de Nationale Raad erop dat dit advies enkel betrekking heeft op geneeskundige verklaringen afgeleverd op verzoek van de (kandidaat-)verzekerde en niet van toepassing is op verslagen van medische onderzoeken verricht in opdracht van de verzekeraar door een al dan niet door de verzekerde vrij gekozen arts. De Nationale Raad benadrukt dat het niet aangewezen is dat behandelende geneesheren, met het oog op het sluiten van een overeenkomst, hun eigen patiënten onderzoeken en over hun bevindingen verslag uitbrengen bij de verzekeraar. Het is immers de vraag of zij in deze gevallen de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid hebben. Deze taken worden best overgelaten aan artsen die met de patiënt geen enkele binding hebben.

Belangrijk is dat artikel 95 enerzijds stelt dat de geneeskundige verklaringen zich dienen te beperken tot een beschrijving van de “huidige gezondheidstoestand” terwijl anderzijds medische onderzoeken in het kader van het sluiten of het uitvoeren van een overeenkomst kunnen steunen op “de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand”. Dat dit tot eindeloze discussies kan leiden tussen de steller van de geneeskundige verklaring en de arts van de verzekeraar spreekt voor zich.

Gezien de wetgever naliet een definitie te geven van de (voorgeschiedenis van de) huidige gezondheidstoestand is het uitgesloten tot een door elke arts aanvaarde bepaling te komen. De inhoud dient in de context van elke casus bekeken te worden.

SLUITEN VAN EEN OVEREENKOMST

Bij het sluiten van een overeenkomst gebeurt het courant dat de in opdracht van de verzekeraar onderzoekende arts bijkomende informatie wenst omtrent een door hem bij de kandidaat-verzekerde gedane vaststelling of omtrent een door de kandidaat-verzekerde verstrekt gegeven. Meestal zal de kandidaat-verzekerde de vraag naar bijkomende informatie overmaken aan de geneesheer die hij het best geplaatst acht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Volgens artikel 5 van de landverzekeringsovereenkomst is de verzekeringsnemer verplicht bij het sluiten van een overeenkomst alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. In dit licht dienen vragen naar bijkomende informatie beoordeeld te worden. Indien de aangezochte geneesheer van oordeel is dat hij geen geneeskundige verklaring kan afleveren met de gevraagde informatie of deze slechts gedeeltelijk kan verstrekken, dient hij zich te realiseren dat de kans groot is dat de door de kandidaat-verzekerde gewenste overeenkomst niet zal gesloten worden of enkel zal doorgaan mits betaling van een hogere premie of het aanvaarden van een aantal uitsluitingen. De aangezochte geneesheer is deontologisch verplicht de reden van zijn (gedeeltelijke) weigering aan de kandidaat-verzekerde mee te delen zodat deze met kennis van zaken zijn verdere houding t.a.v. het beoogde verzekeringscontract kan bepalen.

UITVOEREN VAN EEN OVEREENKOMST

Bij het uitvoeren van een overeenkomst dient de verzekerde te bewijzen dat het voorval waarvoor hij verzekerd is, zich voordeed. Dit doet hij meestal bij middel van een geneeskundige verklaring opgesteld door een door hem gekozen arts. Deze geneeskundige verklaring dient de verzekerde zelf over te maken aan de adviserende arts van de verzekeraar. Om te kunnen genieten van de waarborgen van het contract is het essentieel dat het voorval onder de waarborgomschrijving valt en contractueel niet uitgesloten is. Een heikel punt is dat de verzekerde dikwijls zonder exacte kennis van de inhoud van zijn verzekeringscontract een geneeskundige verklaring vraagt.

Ook deze geneeskundige verklaringen dienen zich te beperken tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand van de verzekerde.
Voor de aangifte van het voorval maakt de verzekerde dikwijls gebruik van hem door de verzekeraar verstrekte aangifteformulieren. Deze zijn niet meer dan een leidraad bij het opstellen van verklaringen en de invulling ervan dient hieraan gelijkgesteld te worden. Hieruit volgt dat enkel mag geantwoord worden op vragen naar een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand en dat de beantwoording van andere, nochtans veel gestelde vragen (bv. hoelang is belanghebbende bij u al onder behandeling of wie waren de eerdere behandelaars van de verzekerde ?), niet strookt met wat artikel 95 bepaalt.

Wanneer de arts van de verzekeraar geen genoegen neemt met de verstrekte geneeskundige verklaring zal hij via de verzekerde bijkomende informatie vragen om na te gaan of het voorval contractueel niet uitgesloten is. Zo zal hij bv. bij een diagnose van acute pancreatitis wensen te vernemen of alcoholgebruik er de oorzaak van is als de gevolgen van alcoholmisbruik contractueel uitgesloten zijn. Zo zal hij de begindatum van de aandoening die de huidige gezondheidstoestand bepaalt, willen kennen om na te gaan of het voorval wel degelijk onder de waarborgomschrijving valt.

Het staat de geneesheer vrij een aanvullende geneeskundige verklaring af te leveren of te beperken tot wat hij meent te kunnen verklaren. Valse geneeskundige verklaringen kunnen in geen geval afgeleverd worden. Ook hier is het essentieel dat de verzekerde verneemt om welke reden de arts geen geneeskundige verklaring aflevert daar dit voor hem een bepalend element kan zijn om bij het uitblijven van betaling al dan niet juridische stappen te ondernemen.

Zo kan het ook voorkomen dat de adviserende arts van de verzekeraar in het kader van een overeenkomst niet alleen bijkomende inlichtingen wenst maar soms ook inzage van stukken vraagt die de oorspronkelijke medische verklaring staven. Het is aangewezen aan de verzekerde enkel die stukken te overhandigen die een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand geven.

De verzekeringscontracten die in de praktijk regelmatig tot problemen leiden zijn de hospitalisatieverzekering, de reisannulatieverzekering en de levensverzekering.

HOSPITALISATIEVERZEKERING

Bij hospitalisatieverzekeringen is een van de problemen dat de verzekerde meestal de waarborgomschrijving en de uitsluitingen niet kent. Het is aangewezen dat hij zijn verzekeringsovereenkomst naleest alvorens een geneeskundige verklaring te vragen.
Zoals alle geneeskundige verklaringen dient ook deze, afgeleverd in het kader van een hospitalisatieverzekering, zich te beperken tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand waaruit de noodzaak van de hospitalisatie moet blijken. Op vragen van de adviserende arts van de verzekeraar omtrent de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand als bv. de begindatum van de aandoening die tot hospitalisatie heeft geleid kan de verzekerde in de regel beter zelf antwoorden dan de ziekenhuisarts die daaromtrent meestal over minder nauwkeurige anamnestische of hetero-anamnestische gegevens beschikt.

Op vragen naar hospitalisatieverslagen wordt best niet ingegaan. Gemakshalve zijn ziekenhuisartsen soms geneigd een fotokopie van de ontslagbrief aan de verzekerde te geven en het aan hem over te laten of hij het verslag al dan niet aan de adviserende arts van de verzekeraar overmaakt. Dit is niet correct daar de overgrote meerderheid van de verzekerden daarover moeilijk zelf kunnen oordelen. Indien de ziekenhuisarts toch een fotokopie van de ontslagbrief overhandigt zou hij voorafgaandelijk moeten nagaan of de inhoud zich beperkt tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand. Het is beter een geneeskundige verklaring op te stellen die alle essentiële gegevens omtrent de huidige gezondheidstoestand en het beloop van de opname bevat dan het hospitalisatieverslag aan de verzekerde te bezorgen.

Het gebeurt dat de verzekerde zich tot zijn huisarts wendt om het hospitalisatieverslag te bekomen. Het ligt voor de hand dat gegevens omtrent de hospitalisatie dienen te worden verstrekt door de arts die verantwoordelijk was voor de hospitalisatie.

In verband met het opvragen van hospitalisatieverslagen wordt soms verwezen naar artikel 9, §3, eerste lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt waarin wordt gesteld dat de patiënt recht heeft op een afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffende patiëntendossier. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat het tweede lid van dezelfde paragraaf stelt dat een afschrift geweigerd wordt als er duidelijke aanwijzingen zijn “dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen”. Dit is zeker het geval als het overmaken van een hospitalisatieverslag als voorwaarde wordt gesteld tot een eventuele uitkering van het verzekerd bedrag.

REISANNULATIEVERZEKERING

De Nationale Raad stelt vast dat meer dan dertien jaar na het van kracht worden van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst er onvoldoende jurisprudentie is om een antwoord te kunnen geven op de vraag of een reisannulatieverzekering een schade- of een persoonsverzekering is.
De Nationale Raad kent een aantal gevallen van betwisting omtrent de vergoeding van de kosten waarbij om een uitspraak van een rechtbank te voorkomen de verzekeraar op het laatste ogenblik een regeling trof.

Vooral storend is dat soms gegevens over de huidige gezondheidstoestand van een verwant en over zijn voorgeschiedenis worden opgevraagd, zonder dewelke men niet tot vereffening van de schade zal overgaan. In de regel hebben deze verwanten geen overeenkomst afgesloten met de verzekeraar van de reisannulatie. In dergelijke gevallen wordt door de verzekerde reiziger die vergoed wenst te worden, meestal druk uitgeoefend op zijn verwant en diens behandelaar om medische gegevens die onder het beroepsgeheim vallen prijs te geven.

De Nationale Raad is van mening dat een fundamenteel onderscheid dient te worden gemaakt tussen een reisannulatie door een ziekte van de reiziger zelf en door een ziekte van één van zijn naaste verwanten.

Indien de reiziger de verzekerde is en indien hij door ziekte een geplande reis niet kan maken, dient hij dit te bewijzen met een medisch attest dat zich dient te beperken tot een beschrijving van de gezondheidstoestand op het ogenblik van annulering. Dit attest dient overgemaakt te worden aan de adviserende arts van de verzekeraar. Deze kan de verzekerde onderzoeken of zich aanvankelijk beperken tot het opvragen van bijkomende informatie over de voorgeschiedenis van de gezondheidstoestand op het ogenblik van annulering. Het staat de geneesheer niettemin vrij een aanvullende geneeskundige verklaring af te leveren aan de patiënt of deze te beperken tot wat hij meent te kunnen verklaren. Ook hier is het aangewezen aan de verzekerde enkel die stukken te overhandigen die een beschrijving geven van de huidige gezondheidstoestand.

Als de reis niet kan doorgaan door ziekte van één van de naaste verwanten van de verzekerde, wordt meestal van hem verwacht dat hij een medisch attest voorlegt van de behandelaar van de naaste verwant waarin deze verklaart dat hij een ernstige aandoening of een belangrijke verslechtering van de gezondheidstoestand van een naaste verwant heeft vastgesteld, op een bepaalde dag, en hem ontraden heeft de geplande reis te ondernemen. Dit attest dient geen beschrijving te geven van de huidige gezondheidstoestand van de naaste verwant en wordt niet aan de adviserende arts van de verzekeraar maar aan de verzekeraar zelf overgemaakt.

LEVENSVERZEKERING

De alinea van artikel 95 omtrent de levensverzekering is in het nieuwe artikel 95 ongewijzigd gebleven : “Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak”.

Indien de verzekeraar niet kan aantonen dat hij over de voorafgaande toestemming beschikt volstaat een verklaring van overlijden zonder vermelding van de doodsoorzaak.

De arts die het best geplaatst is om een verklaring af te leveren omtrent de doodsoorzaak is de arts die de dood heeft vastgesteld. Deze verklaring mag niet afgeleverd worden aan de naaste verwanten of erfgenamen maar dient rechtstreeks overgemaakt te worden aan de adviserende arts van de verzekeraar.

Het knelpunt bij levensverzekeringen is dat de adviserende arts van de verzekeraar de datum van de eerste verschijnselen van de ziekte die tot de dood heeft geleid wenst te kennen (vooral als het interval tussen het afsluiten van het levensverzekeringscontract en het overlijden relatief kort is). De Nationale Raad wijst er nadrukkelijk op dat artikel 95 overduidelijk stelt dat de arts van de verzekerde enkel een verklaring over de doodsoorzaak dient af te leveren en niet over de geschiedenis van de aandoening die tot de dood heeft geleid.

De Nationale Raad hoopt dat dit advies bijdraagt tot een deontologisch correct afhandelen van vragen naar geneeskundige verklaringen.

(1) De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand.
Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserend arts van de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere personen dan de verzekerde.
Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te bepalen.
Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.
Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar, bezorgt de adviserend arts de geneeskundige verklaringen, op hun verzoek, terug aan de verzekerde of, in geval van overlijden, aan zijn rechthebbenden.