keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Arts (Buitenlandse-) (EU en andere)16/12/2000 Documentcode: a091011
Inschrijving op de Lijst van een arts, niet-Europees onderdaan, met een Europees diploma

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren stelt vast dat het soms misloopt met de toekenning van het recht de geneeskunde in België uit te oefenen aan buitenlandse artsen, andere dan Europese onderdanen.

Artikel 49bis van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies handelt over deze artsen en stelt onder meer dat zij in België "hun beroep pas kunnen uitoefenen nadat zij hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in dit besluit, vervuld hebben".

Om misverstanden te voorkomen zou het goed zijn dat de Provinciale Geneeskundige Commissies aan deze artsen slechts een visum zouden verstrekken nadat ook de toelating van de Koning werd voorgelegd. Het gebeurt immers dat deze artsen zich met een visum van de Provinciale Geneeskundige Commissie voor inschrijving bij een provinciale raad aanmelden zonder dat zij de hogervermelde toelating hebben.

Kopie van deze brief wordt overgemaakt aan de provinciale raad die de vraag aan de Nationale Raad voorlegde.

(1) KB van 6 februari 1970, BS van 14 februari 1970.
Art. 21, § 1 :De aanvraag tot inschrijving op de Lijst van de Orde wordt gericht aan de voorzitter van de provinciale raad van de woonplaats van de aanvrager.
Volgende stukken worden bij deze aanvraag gevoegd :
1. Het wettelijk of ermede gelijkgesteld diploma van doctor in de genees-, heel en verloskunde of het bewijs van vrijstelling, door de bevoegde geneeskundige commissie geviseerd.
2. Een verklaring van de aanvrager waarin hij de plaats aanduidt waar hij zijn voornaamste bedrijvigheid uitoefent of zal uitoefenen.
3. Een getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat van niet meer dan drie maanden terug gedagtekend is.

Provinciale Geneeskundige Commissie17/02/1999 Documentcode: a084035
Wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen : Geneeskundige commissie (art. 186)

WET VAN 25 JANUARI 1999 HOUDENDE SOCIALE BEPALINGEN

(Belgisch Staatsblad 6 februari 1999).*

Hieronder volgt een overzicht van een aantal artikelen uit de wet houdende sociale bepalingen van 25 januari 1999 die de Orde van geneesheren zouden kunnen interesseren.

[...]

Geneeskundige commissie (art. 186)

Indien, wegens fysieke of psychische ongeschiktheid van de beroepsbeoefenaar, diens visum moet ingetrokken worden of het behoud ervan afhankelijk gemaakt van de aanvaarding, door de betrokkene, van bepaalde beperkingen, kan de geneeskundige commissie zich slechts uitspreken na het advies van drie geneesheren-deskundigen te hebben ingewonnen.
Zolang de betrokkene zich aan het onderzoek door deze deskundigen onttrekt, kan aan zijn beroepspraktijk niet worden geraakt.

Om hieraan te verhelpen, wordt in een nieuwe alinea van art. 37, §1, 2°, b, van het K.B. nr. 78 bepaald dat "de beroepsbeoefenaar niet de vrijheid heeft om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken." Doet hij dat toch, dan "kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan drie maanden, herhaalbaar, bedragen.

Wanneer zijn fysieke of psychische ongeschiktheid dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag noiot meer dan twee maanden, herhaalbaar, bedragen.
De voorlopige intrekking of het voorwaardelijke behoud van het visum neemt een einde zodra de geneeskundige commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan".

[...]

*Deze nota werd opgesteld ter attentie van de leden van de Nationale Raad met het oog op het eventueel uitbrengen van een advies over bepaalde erin besproken onderwerpen.

N.B. : Zowel wat de mededeling van disciplinaire beslissingen aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Riziv als wat de geneeskundige commissies betreft is een advies van de Nationale Raad in voorbereiding.

M. Van Lil
Studiedienst Nationale Raad
17 februari 1999

Lijst van de Orde24/10/1998 Documentcode: a083004
Transfer van een arts naar een andere provinciale raad

Een provinciale raad vraagt om instructies van de Nationale Raad voor een probleem inzake inschrijving op de Lijst van de Orde van geneesheren. De Nationale Raad stelde tot nu toe dat wanneer een arts zijn medische woonplaats voor een periode van minder dan 12 maanden verplaatste naar het grondgebied van en andere provinciale raad, er geen tijdelijke overgang naar die andere provinciale raad nodig was en de inschrijving ongewijzigd kon gelaten worden. De minister van Volksgezondheid daarentegen eist dat op het diploma het visum aangebracht wordt van de geneeskundige commissie van de provincie waar de arts op dat moment werkzaam is.

Dit heeft tot gevolg dat er een discrepantie ontstaan is tussen de deontologische voorschriften en de instructies van het ministerie van Volksgezondheid.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn zitting van 24 oktober 1998 het probleem inzake inschrijving op de Lijst van de provinciale raad, zoals geschetst in uw brief van 15 juli 1998, onderzocht.

Teneinde aan dit probleem, dat zich vooral voor jonge artsen in opleiding stelt, te verhelpen stelt de Nationale Raad de vereiste voorop dat elke arts dient ingeschreven te zijn op de Lijst van de Orde van die provincie waar hij/zij op dat ogenblik zijn/haar voornaamste medische activiteit uitoefent.

Enkel op die manier zal de nu bestaande discordantie tussen de inschrijving op de Lijst van de Orde en het visum toegekend door de provinciale geneeskundige commissie kunnen worden opgeheven.

De Nationale Raad richt onderstaande brief tot alle provinciale raden:

De Nationale Raad heeft, op vraag van een provinciale raad, in zijn zitting van 24 oktober 1998 de momenteel bestaande discordantie onderzocht die ontstaat door het feit dat, bij tijdelijke mutatie van artsen, meestal in opleiding, naar een andere provincie, en dit voor periodes minder dan twaalf maanden, geen verplichting tot overschakeling naar de provinciale raad van de Orde van die andere provincie werd vooropgesteld. Dit in tegenstelling tot de door de minister opgelegde verplichting om in dergelijk geval een nieuwe visumaanvraag te richten aan de provinciale geneeskundige commissie van die provincie waar men tijdelijk werkzaam is.

Dit brengt met zich mee dat artsen die tijdelijk hun medische activiteit naar een andere provincie overbrengen niet meer kunnen ingeschreven worden of blijven bij hun oorspronkelijke provinciale raad, aangezien zij niet of niet meer beschikken over een visum vanwege hun oorspronkelijke provinciale geneeskundige commissie.

Teneinde aan dit bestaande euvel te verhelpen stelt de Nationale Raad als regel dat de arts steeds dient ingeschreven te zijn op de Lijst van de Orde van die provincie waar hij/zij op dat ogenblik zijn/haar voornaamste medische activiteit uitoefent.

Riziv16/04/1994 Documentcode: a065004
Beperking van of verbod tot uitoefening van de geneeskunde

De Minister van Maatschappelijke Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu, mevrouw De Galan, verzoekt de Nationale Raad de personen van publiek of privaatrecht aan te duiden die in aanmerking komen om ingelicht te worden over de beslissingen die, hetzij door de provinciale geneeskundige commissie, hetzij door de geneeskundige commissie van beroep, hetzij door de betrokken Orden, hetzij door de rechtbanken, genomen worden inzake de uitoefening van zijn activiteit door een geneesheer.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 16 april 1994 een bespreking gewijd aan uw brief van 7 januari 1994.

In deze brief verzocht u ons de personen van publiek of privaatrecht aan te duiden die in aanmerking komen om door de provinciale geneeskundige commissies ingelicht te worden over de beslissingen inzake de uitoefening van zijn activiteit door een beoefenaar van de geneeskunde.

Onze Raad stelt uw verzoek op prijs, aangezien hij meent dat het zowel voor de patiënt als met het oog op een kwaliteitsgeneeskunde van wezenlijk belang is dat alle maatregelen die de activiteit van een geneesheer beperken (schorsing of schrapping, intrekking van het visum, rechterlijke beslissingen,...) medegedeeld worden aan alle autoriteiten die belang hebben bij de tenuitvoerlegging van deze beslissingen.

Bijgevolg acht onze Raad het noodzakelijk dat de beslissingen die genomen worden door de rechtbanken, de provinciale geneeskundige commissies of de raden van de Orde, medegedeeld worden aan de volgende autoriteiten:

  1. de Minister van Volksgezondheid;
  2. de Procureur-generaal bij het Hof van beroep, die de onder zijn bevoegdheid vallende controlemaatregelen dient te treffen;
  3. de Geneesheer-Directeur-generaal van het R.I.Z.I.V.;
  4. de Voorzitters van alle provinciale raden en van de verschillende provinciale geneeskundige commissies;
  5. de hoofdgeneesheer van de instelling waarin de specialist zijn activiteit uitoefent of de geneesheer die verantwoordelijk is voor de medische wacht van de eenheid waarin de huisarts praktizeert;

Het spreekt vanzelf dat deze verschillende autoriteiten verplicht zijn tot geheimhouding en dat de vertrouwelijkheid enkel toelaat die maatregelen te treffen welke onontbeerlijk zijn voor een goede tenuitvoerlegging van de beslissing.

Het zou de Nationale Raad verheugen op de hoogte te worden gebracht van het gevolg dat u aan dit advies verleent, aangezien het voorgelegde probleem van wezenlijk belang is voor de uitoefening van de geneeskunde.

Lijst van de Orde21/11/1992 Documentcode: a059005
Transfert van een geneesheer naar een andere provinciale raad

Transfert van de inschrijving van een geneesheer naar een andere provinciale raad

In een advies gepubliceerd in het Tijdschrift nr. 56 (15 juni 1992) is de Nationale Raad van oordeel, dat bij transfert van een geneesheer naar een andere provinciale raad het door de initieel bevoegde Provinciale geneeskundige commissie aangebrachte visum volstaat.
Een provinciale raad bezorgt de Nationale Raad het advies dat Mevrouw Onkelinx, Minister van Volksgezondheid, dienaangaande verstrekt heeft.
In antwoord op een parlementaire vraag en in een brief aan de voorzitters van de Provinciale geneeskundige commissies verklaart de Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu het volgende:
"Een arts die zijn medische praktijk voor het grootste deel naar een andere plaats overbrengt, moet dit laten weten aan de Provinciale geneeskundige commissie van de provincie waar hij zich gaat vestigen". "Het eerste toegekende visum is terzelfdertijd een legalisering van het diploma en een inschrijving op de Lijst van de Orde. De naderhand verleende visa dienen slechts om de arts te registreren op het niveau van de provincie waar hij werkzaam is".

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 november 1992 kennis genomen van uw brief van 25 september 1992 betreffende het advies van de Nationale Raad aangaande het visum aangebracht door de Provinciale geneeskundige commissie.

Op deontologisch vlak bevestigt de Nationale Raad zijn advies van 15 februari 1992. Aan dit standpunt wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat op bestuurlijk vlak een geneesheer die zijn hoofdactiviteit naar een andere plaats overbrengt, een nieuw visum moet vragen aan de Provinciale geneeskundige commissie van de provincie waar hij zich gaat vestigen.

Provinciale Geneeskundige Commissie27/02/1988 Documentcode: a040015
Provinciale geneeskundige commissie : procedure mbt intrekken van visum

Provinciale geneeskundige commissie: procedure m.b.t. intrekken van visum

De Provinciale geneeskundige commissie (KB nr 78, art. 37, §1, 2°) heeft tot taak, in het bijzonder:
a/ de echtheid na te gaan van en het visum te hechten aan de titels van de beoefenaars van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde, van de veeartsen, van de beoefenaars van de verpleegkunde en van de beoefenaars van de paramedische beroepen;
b/ het visum in te trekken of zijn behoud afhankelijk te maken van de aanvaarding, door de betrokkene, van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van geneesheren deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der geneesheren of door de Nationale Raad van de Orde waaronder hij ressorteert, vastgesteld wordt dat een beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3 of 4, (...) niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om, zonder risico's, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten.

De Nationale Raad wordt er door een provinciale raad attent op gemaakt dat, ten gevolge van de procedure voor de Provinciale geneeskundige commissie, de raden niet zelden worden geconfronteerd met de risico's die worden gelopen door patiënten van geneesheren die niet langer voldoen aan de gestelde eisen en normen om hun beroep zonder gevaar verder uit te oefenen. Voorts wordt nog gewezen op de trage procedure en de schorsende werking van het hoger beroep, waardoor heel wat tijd verloopt tussen het ogenblik waarop het risico aan het licht komt en het ogenblik waarop de beslissing definitief wordt. Zou het niet mogelijk zijn aldus de provinciale raad, om in zeer evidente gevallen, een snellere en algemeengeldende procedure te voorzien met inachtneming van het recht op verhaal van de betrokkenen ?

Nadat deze aangelegenheid grondig wordt besproken en onderzocht, brengt de Nationale Raad onderstaand advies uit:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat wanneer een arts ten gevolge van zijn geestestoestand, een reëel gevaar betekent voor zichzelf of voor anderen, de wetten van 18 juni 1850 en 28 december 1873 op de behandeling van de krankzinnigen moeten worden toegepast. In dergelijke gevallen behoort het de Voorzitter van de Provinciale geneeskundige commissie om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en het voor de collocatie vereiste getuigschrift op te stellen conform artikel 8 van hogergeciteerde wet.

Krachtens artikel 7 van de wet, moet bedoeld getuigschrift worden overgemaakt aan de bevoegde plaatselijke overheid.