keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Associaties en contracten tussen artsen19/11/2022 Documentcode: a169024
FAQ : CONTRACTEN EN STATUTEN - artikel 12 CMD 2018

artikel 12 Code van medische deontologie 2018

De arts kan voor zijn beroepsuitoefening samenwerkingsovereenkomsten afsluiten.

De arts vermijdt elke vorm van collusie.

De arts is steeds persoonlijk verantwoordelijk voor zijn medisch handelen.

De arts zorgt ervoor dat zijn beroepsuitoefening en de organisatie van de professionele samenwerking stroken met de bepalingen van de medische deontologie. Hij legt die afspraken schriftelijk vast.

Voor verdere informatie, raadpleeg de commentaar bij artikel 12 van de Code van medische deontologie

Overeenstemming van de contracten en statuten met de medische deontologie

1. Richtlijnen

De nationale raad heeft op 15 september 2018 een leidraad “Contracten en vennootschappen” opgesteld. Deze bevat de voornaamste deontologische bepalingen in verband met overeenkomsten. U kan hem hier raadplegen.

De contracten, statuten en overeenkomsten die de arts sluit in het kader van zijn beroep mogen niet tot gevolg hebben dat hij zelf of zijn collega’s in strijd handelen met de regels van de medische deontologie.

De arts moet zich bij de keuzes die hij maakt in het kader van zijn beroepsactiviteit, met inbegrip van het opstellen van alle juridische aktes die hij ondertekent, laten leiden door zijn plicht om de geneeskunde uit te oefenen overeenkomstig de wet, de ethiek en de regels van de Code van medische deontologie 2018 ten voordele van de patiënt en in het belang van de gemeenschap.

Het valt onder de verantwoordelijkheid van de arts de toepasselijke wetgeving na te leven, waaronder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en het Wetboek van economisch recht, en de ontwikkelingen ervan te volgen[1].

2. Adviezen van de nationale raad van vóór 2018

De Code van medische deontologie werd in mei 2018 geactualiseerd ; elk artikel gaat gepaard met een commentaar opgesteld vanuit een dynamisch perspectief (https://ordomedic.be/nl/code-2018).

De adviezen en richtlijnen die de nationale raad en de provinciale raden uitbrachten vóór mei 2018 en gebaseerd zijn op de verplichtingen van de Code van geneeskundige plichtenleer van 1975 die niet meer voorkomen in de Code van medische deontologie 2018 en zijn commentaar, zijn niet meer van toepassing.

Op wettelijk vlak dient bij het lezen van de vroegere adviezen met name rekening gehouden te worden met de evolutie van het Wetboek van economisch recht en van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.

3. Rol van de Orde der artsen

De arts is niet meer verplicht om de ontwerpen van statuten, huishoudelijk reglement, oprichtingsakte van een vennootschap, of elk ontwerp van overeenkomst in verband met zijn beroepsactiviteit voor te leggen aan zijn provinciale raad. Hetzelfde geldt voor elk ontwerp tot wijziging van een van deze documenten. Hij hoeft ook niet aan de provinciale raad een afschrift te bezorgen van deze documenten wanneer ze definitief geworden zijn. Indien de voorgaande documenten dergelijke verplichting bevatten, is het raadzaam deze te schrappen.

Op verzoek van de arts verstrekt de Orde enkel advies over een specifieke vraag in verband met de medische deontologie.

De Orde stelt geen enkel model van overeenkomst, statuten, huishoudelijk reglement, enz. voor.

De Orde is niet bevoegd om juridisch advies te geven aan haar leden. De contractencommissies van de provinciale raden werden afgeschaft.

4. Multidisciplinaire samenwerking

De Code van medische deontologie 2018 schrijft niet langer voor dat de vennoten van een professionele vennootschap uitsluitend artsen moeten zijn.

Het voorwerp en de vorm van de samenwerking moeten in overeenstemming zijn met de wettelijke en deontologische regels. Onder deze voorwaarden bestaat er geen deontologisch bezwaar tegen de multidisciplinaire vennootschap waarbinnen de arts en andere collega’s of gezondheidsberoepsbeoefenaars hun beroepsactiviteiten uitoefenen.

De arts ziet erop toe dat de organisatie van zijn beroep, de juridische structuur waarbinnen hij het uitoefent en de samenwerkingsovereenkomsten die hij sluit, hem in staat stellen te voldoen aan de fundamentele eisen van professionele onafhankelijkheid (artikelen 7 en 36 CMD 2018), therapeutische vrijheid (artikelen 4 en 7 CMD 2018), vrije artsenkeuze door de patiënt (artikel 15 CMD 2018), kwaliteit van de zorg (artikel 8 CMD 2018)[2], continuïteit van de zorg (artikelen 8 en 13 CMD 2018), eerbiediging van het beroepsgeheim (artikel 25 CMD 2018) en het verbod op collusie of dichotomie (artikelen 12 en 34 CMD 2018). De arts stelt de belangen van de patiënt en van de gemeenschap boven zijn eigen financiële belangen (artikel 34 CMD 2018). De arts vergewist zich ervan dat de inzage, de verwerking en de bewaring van de medische dossiers in alle omstandigheden in overeenstemming zijn met de wettelijke[3] en deontologische vereisten (artikelen 22, 23, 24 en 35 CMD 2018).

De voorwaarden betreffende het nemen van een beslissing (meerderheid), het overdragen van aandelen, het uitsluiten van een vennoot en het verlaten van de vennootschap mogen geen belemmering voor deze vereisten vormen.

De professionele samenwerking mag geen afbreuk doen aan de rechten van de patiënt[4].

Bij de organisatie en de uitoefening van zijn medische activiteit mag de arts zich niet laten beïnvloeden, of er de schijn van wekken, door een ander doel dan de gezondheid van de patiënt. Hij verstrekt alleen zorg in samenwerking met personen die de wettelijk vereiste beroepskwalificaties bezitten.

5. Relatie met een niet-arts in het kader van de geneeskundepraktijk

De medewerking van een niet-arts in een vennootschap waarbinnen de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent, bijvoorbeeld om redenen van huwelijksvermogen of erfrechtelijke redenen, mag geen invloed hebben op de goede uitoefening en de waardigheid van het artsenberoep in een aangepaste omgeving noch inmenging in het beroep van de arts mogelijk maken. Respect voor de medische deontologie, in het bijzonder de professionele onafhankelijkheid van de arts, moet gewaarborgd zijn.

De arts ziet erop toe dat de aan zijn geneeskundepraktijk inherente financiële aspecten, waaronder zijn financieringsbronnen, in overeenstemming zijn met de wet, met name met artikel 38, §2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, en geen afbreuk doen aan de eer en de waardigheid van het beroep en de uitoefening ervan conform de medische deontologie (artikel 34 CMD 2018).

De arts zorgt ervoor statutaire of contractuele bedingen weg te laten die hem, met name door regels inzake meerderheid, zouden beletten zijn wettelijke en deontologische verplichtingen na te komen.

6. Beroepsaansprakelijkheid

De uitoefening van het beroep via een rechtspersoon heeft geen weerslag op de individuele aansprakelijkheid van de arts voor zijn medische handelingen.

De arts moet afdoend voor zijn beroepsaansprakelijkheid verzekerd zijn (artikel 9 CMD 2018).

7. Vorm van de vennootschap

De arts kiest een juridische structuur die waarborgt dat de uitoefening van de geneeskunde in België in overeenstemming is met de wettelijke en deontologische regels die er van kracht zijn.

8. Voorwerp van de vennootschap

Het voorwerp van de vennootschap waarmee de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent moet verenigbaar zijn met de uitoefening van de geneeskunde zoals ze opgevat is in de wet, onder meer de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, en in de medische deontologie.

De uitoefening van de geneeskunde is voorbehouden aan de natuurlijke persoon die houder is van het diploma van arts (artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidzorgberoepen).

9. Zetel van de vennootschap

De zetel van de vennootschap mag geen invloed uitoefenen op de naleving van de wettelijke en deontologische vereisten die van toepassing zijn op de uitoefening van de geneeskunde in België.

10. Naam van de vennootschap

De arts kiest, voor de juridische structuur waarbinnen hij zijn activiteit uitoefent, een objectieve, discrete en niet-misleidende benaming, die geen oneerlijke concurrentie teweeg brengt.

11. Niet-concurrentiebeding

Het is in strijd met de medische deontologie een niet-vestigingsbeding (niet-concurrentiebeding) op te nemen in een opleidingsovereenkomst.

In de andere overeenkomsten moet dergelijk beding niet alleen in overeenstemming zijn met de wet, maar ook gematigd zijn, dit wil zeggen beperkt in tijd, ruimte en voorwerp (i.e. wat de verboden activiteit betreft).


[1] Hier volgen enkele voorbeelden van wettelijke regels eigen aan de geneeskunde : bepalingen in door een arts gesloten overeenkomsten die zijn therapeutische en diagnostische keuzevrijheid schenden, worden als niet geschreven beschouwd (artikel 7 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; de koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de structuur en organisatie van de praktijk van de individuele gezondheidszorgbeoefenaar en van de samenwerkingsverbanden tussen gezondheidszorgbeoefenaars (artikel 32 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; het verbod op illegale verrijking van gezondheidszorgbeoefenaars door overeenkomsten in verband met hun beroep afgesloten met andere gezondheidszorgbeoefenaars of met derden (artikel 38 van de Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

[2] Wet van 22 april 2019 wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg - deontologische knelpunten en bekommernissen (Advies van 23 april 2022 van de nationale raad, a169009)

[3] Artikelen 20 en 33-35, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[4] Zoals ze vastgelegd zijn in de wet van 22 augustus 2022 betreffende de rechten van de patiënt.

Contracten19/09/2020 Documentcode: a167024
"INSTAPSOMMEN voor het gebruik van het patiëntenbestand" voor beginnende artsen

Toelichting bij het advies van 20 juni 2020 van de nationale raad van de Orde der artsen, “Instapsom” voor het gebruik van het patiëntenbestand voor beginnende artsen, a167016

De nationale raad nam kennis van voorbeeldcontracten waarbij aan beginnende artsen een instapsom wordt gevraagd voor het verwerven van een aandeel in het patiëntenbestand van de ervaren arts. De sommen worden afgehouden van het ereloon van de beginnende arts, soms gespreid over meerdere jaren.

1.Verduidelijking van de argumentatie

De nationale raad acht, voor alle artsen, het betalen van een instapsom ter verwerving van een aandeel in het patiëntenbestand juridisch en deontologisch onaanvaardbaar om volgende redenen:

a.De arts is geen eigenaar van het patiëntendossier

In een eerder advies van de nationale raad (advies NR 7 september 1996, a075004) en in de commentaar bij artikel 35 van de Code van medische deontologie (2018) werd gesteld dat de arts “geen eigenaar is van het patiëntendossier in de zin van het burgerlijk recht”.

Op deontologisch vlak is het onaanvaardbaar dat patiëntenbestanden worden verhandeld en bijvoorbeeld het voorwerp uitmaken van een koop- of huurovereenkomst.

b.Mogelijke belemmering van de vrije artsenkeuze

Artikel 6 van wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bepaalt dat “de patiënt recht heeft op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en recht heeft op wijziging van deze keuze behoudens, in beide gevallen, beperkingen opgelegd krachtens de wet”.

Artikel 15 van de Code van medische deontologie bepaalt dat de arts de vrije artsenkeuze respecteert, ook wanneer de arts in groepsverband werkt.

In een eerder advies van de nationale raad van 5 juli 2019, “Overdracht van patiëntenbestand”, a166004, wordt herhaald dat “elke contractuele bepaling tussen artsen die de vrije artsenkeuze door de patiënt beperkt, in strijd is met de medische deontologie”.

Wanneer de arts zichzelf zou beschouwen als “eigenaar” van een deel van de patiëntenbestanden, zou dit eventueel de vrije artsenkeuze van de patiënt kunnen belemmeren. De mogelijkheid bestaat immers dat de betrokken arts de patiënt (onrechtstreeks) zou aanzetten tot het aangaan van een behandelovereenkomst met de arts die zijn patiëntendossier heeft “gekocht”.

Overeenkomsten tussen artsen ter garantie van de continuïteit van de zorg zijn wel toegelaten en zelfs verplicht. Daarbij respecteren de betrokken artsen de vrije artsenkeuze van de patiënt en de collegialiteit.

c.Het betalen van een instapsom in ruil voor het verwerven van een aandeel in het patiëntenbestand is niet in lijn met de ratio legis van artikel 38, §1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (hierna: WUG)

Artikel 38, §1 van de WUG bepaalt dat het “verboden (is) onder beoefenaars van een zelfde tak van de geneeskunst, elke verdeling van honoraria onder gelijk welke vorm, behalve zo deze verdeling geschiedt in het kader van de organisatie van de groepsgeneeskunde (…)”. Dit artikel heeft tot doel te vermijden dat de ene arts of diens vennootschap financieel voordeel haalt uit de samenwerking met een andere arts.

Het schoolvoorbeeld is het verbod om bij een verwijzing van een patiënt een deel van het honorarium af te staan aan de verwijzende arts. Hetgeen in casu gebeurt, i.e. een instapsom betalen onder de vorm van honoraria in ruil voor het gebruik of het verwerven van patiëntendossiers (lees doorverwijzingen), is vergelijkbaar met het verbod dat wordt beoogd in de betekenis van artikel 38, §1, WUG.

Artikel 38, §1, WUG maakt evenwel een uitzondering voor de groepsgeneeskunde. Het begrip “groepsgeneeskunde” wordt niet gedefinieerd in de wet. In een uitspraak van de raad van beroep van de Orde der artsen, later bevestigd door het Hof van Cassatie, wordt het begrip “groepsgeneeskunde” gedefinieerd als “een daadwerkelijke samenwerking, waarbij al de zich voordoende gevallen voor doorgaans onderling overleg moeten openstaan met de daarbij behorende ingerichte gelegenheden tot bespreking”. Wanneer er sprake is van een daadwerkelijke samenwerking, waarbij de ervaren arts een geoorloofde medische prestatie levert en hij de beginnende arts ondersteunt bij de behandeling van zijn patiënten, is een verdeling van honoraria wettelijk toegestaan. Deze interpretatie strookt met een garantie op een goede werking van de praktijk en een kwaliteitsvolle zorgverlening.

Het reeds bij aanvang bepalen dat een instapsom moet worden betaald, onder de vorm van honoraria, louter ter verwerving van een deel van de patiëntendossiers, zonder dat er sprake is van een daadwerkelijke samenwerking, strookt niet met de ratio legis van artikel 38, §1, WUG.

Ten slotte werd, in een eerder schrijven tussen de nationale raad en het kabinet van Volksgezondheid (bijlage I), door mevrouw de minister Maggie De Block aangehaald dat “een verdeling van middelen onder de betrokken beoefenaars moet kunnen worden verantwoord naargelang ieders aandeel in de aangeboden verstrekkingen van gezondheidszorg” en “het doel van de samenwerking (…) erin bestaat de kwaliteit van de verstrekking van gezondheidszorg in alle dimensies te verbeteren, en zeker niet zich ongeoorloofd te verrijken”. Hoewel deze vraag aan de minister werd gesteld in de context van een samenwerking tussen verschillende gezondheidszorgberoepsbeoefenaars in het kader van multidisciplinariteit, kan naar analogie worden geïnterpreteerd dat ook tussen artsen van eenzelfde tak van de geneeskunst een ereloonverdeling slechts gerechtvaardigd is mits een geoorloofde tegenprestatie en mits de ereloonverdeling in het belang is van de goede werking van de dienst en de kwaliteit van de zorg.

2.Inwerkingtreding

Dit advies van de nationale raad is in werking getreden op de datum van publicatie, i.e. op 20 juni 2020.

Alle hiermee strijdige overeenkomsten die na deze datum worden gesloten, vormen een inbreuk op de medische deontologie.

Reeds bestaande overeenkomsten dienen te worden aangepast aan de deontologische regels van dit advies.

De deontologische regels in het advies hebben geen retroactieve werking.

De Orde is niet bevoegd zich uit te spreken over juridische geschillen waartoe dit advies aanleiding zou geven.

3.In lijn met eerdere adviezen betreffende intredegelden bij samenwerkingsovereenkomsten, kostenassociaties of vennootschappen

In eerdere adviezen heeft de nationale raad zich uitgesproken over intredegeld bij samenwerkingsovereenkomsten tussen artsen, bij kostenassociaties of bij vennootschappen (advies NR 19 september 1993, “Associatieovereenkomsten”, a062010; advies NR 14 december 2002, “Intredegeld bij samenwerkingsovereenkomsten tussen artsen”, a099009; advies NR 12 april 2003, “Intredegeld bij kostenassociaties”, a101002; advies NR 28 mei 2011, “In- en uittredingsvergoeding in een associatie of vennootschap”, a134003).

De nationale raad maakt in voornoemde adviezen een onderscheid tussen intredegeld bij samenwerkingsovereenkomsten en intredegeld bij (partiële of volledige) associaties of vennootschappen. Het is niet te verantwoorden intredegeld te ontvangen bij samenwerkingsovereenkomsten. Het is deontologisch wel toegelaten intredegeld te vragen bij associaties of vennootschappen, waardoor de arts die intreedt een aandeel in de praktijk verwerft. Dit kan slaan op immateriële of materiële bestanddelen. Voorbeelden die worden aangehaald zijn dat de intredende arts mede-eigenaar wordt van het gebouw of van een gedeelte van de apparatuur.

Het advies van 20 juni 2020 doet geen afbreuk aan voornoemde adviezen.

Het is nog steeds niet toelaatbaar intredegelden te ontvangen bij samenwerkingsovereenkomsten.

Het is nog steeds toegelaten dat intredegelden worden ontvangen indien de intredende arts aandelen verwerft van de vennootschap of de associatie. De intredende arts verwerft hierdoor een deel van de praktijk, bestaande uit immateriële of materiële bestanddelen. De immateriële bestanddelen kunnen evenwel nooit betrekking hebben op de patiëntenbestanden.


Cass. 23 maart 1970, H.Nys, Geneeskunde - recht en medisch handelen, 2016, p. 589.

Cliënteel20/06/2020 Documentcode: a167016
report_problem
  • Dit advies wordt toegelicht in het advies van 19 september 2020 (a167024).
    Dit advies annuleert en vervangt de adviezen a062010, a099009, a101002 en a134003.
"Instapsom” voor het gebruik van het patiëntenbestand voor beginnende huisartsen

De nationale raad van de Orde der artsen heeft onderzocht of het toelaatbaar is dat jonge huisartsen een "instapsom" moeten betalen op basis van bestaande patiëntendossiers om te starten in een bestaande praktijk en een aandeel te verwerven van het patiëntenbestand.

In een eerder advies van 5 juli 2019 heeft de nationale raad gesteld dat het deontologisch onaanvaardbaar is dat de arts financiële belangen heeft bij de overdracht van gezondheidsgegevens van de patiënt.(1) De gezondheidsgegevens van de patiënt behoren niet tot de eigendom van de arts of diens vennootschap en kunnen bijgevolg niet worden verhandeld.(2)

De arts respecteert de vrije artsenkeuze, ook in groepsverband.(3) Elke contractuele bepaling tussen artsen die de vrije artsenkeuze door de patiënt beperkt, is strijdig met de medische deontologie.(4)

Ten slotte bepaalt artikel 38 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen dat "is verboden, onder beoefenaars van een zelfde tak van de geneeskunst, elke verdeling van honoraria onder gelijk welke vorm, behalve zo deze verdeling geschiedt in het kader van de organisatie van de groepsgeneeskunde (...)". Dit artikel heeft tot doel te vermijden dat de ene arts of diens vennootschap financieel voordeel haalt uit de samenwerking met een andere arts. Binnen de organisatie van de groepsgeneeskunde is een verdeling van honoraria slechts gerechtvaardigd in het belang van de goede werking van de instelling en de kwaliteit van de zorg.

Elke vorm van dichotomie, waarbij de jonge huisarts een deel van zijn ereloon dient af te staan aan de meer ervaren huisarts of diens vennootschap, onder de vorm van een "instapsom" om een aandeel te verwerven van het patiëntenbestand, is juridisch en deontologisch onaanvaardbaar, zelfs indien deze slechts tijdelijk is.

(1) Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 5 juli 2019, "Overdracht van patiëntenbestand", a166004

(2) Commentaar bij artikel 35 van de Code van medische deontologie

(3) Art. 15, Code van medische deontologie

(4) Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 5 juli 2019, "Overdracht van patiëntenbestand", a166004

Contracten20/06/2020 Documentcode: a167018
Leidraad “contracten en vennootschappen”

In zijn vergadering van 20 juni 2020 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de regels herhaald die worden beschreven in zijn leidraad "contracten en vennootschappen", gepubliceerd op 15 september 2018

(https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/leidraad-contracten-en-vennootschappen).

Waar de arts vroeger elk ontwerp van statuten, huishoudelijk reglement, oprichtingsakte van een vennootschap of vereniging, elk ontwerp van overeenkomst, evenals elk stuk dat er naar verwijst, voorafgaandelijk diende voor te leggen aan zijn provinciale raad, is deze verplichting op heden niet meer van toepassing.

Omdat de provinciale raden niet bevoegd zijn juridisch advies te verstrekken, werden de contractencommissies afgeschaft.

Alle deontologische beginselen zoals bepaald in de nieuwe Code van medische deontologie 2018 dienen gerespecteerd te worden bij het sluiten van een overeenkomst en het oprichten van een vennootschap. De arts die twijfelt over de correcte toepassing van de deontologische bepalingen in de te sluiten overeenkomst of de voorgestelde oprichtingsakte, kan vrijblijvend terecht bij zijn provinciale raad voor deontologisch advies.

Contracten16/03/2019 Documentcode: a164006
Gevolgen van de opheffing van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) door de Code Medische Deontologie (2018), dit voor de samenwerkingsovereenkomsten

Advies van 16 maart 2019 van de nationale raad van de Orde der artsen

De nationale raad heeft de gevolgen van de opheffing van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) door de Code Medische Deontologie (2018), dit voor de samenwerkingsovereenkomsten.

De Code Medische Deontologie (2018) heeft impliciet de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) opgeheven. Dit houdt in dat bij de beoordeling van de deontologische principes die gelden voor de professionele samenwerking tussen artsen, associaties, en vennootschappen (verder de overeenkomsten), niet meer kan verwezen worden naar de artikelen 159 tot 165 Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). Dit betekent echter niet dat er geen deontologische beperkingen meer zouden zijn.

Blijkbaar is er hieromtrent nog onduidelijkheid. Niet alle provinciale raden hanteren dezelfde normen. Sommige provinciale raden eisen geen voorafgaande overlegging meer, andere doen dit wel, nog andere raden hun leden aan alle overeenkomsten te blijven overleggen. Sommige provinciale raden beoordelen de overeenkomsten nog op basis van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) of eigen leidraden van vóór de Code Medische Deontologie (2018).

Dit advies beoogt meer eenheid in de beoordeling van de overeenkomsten.

Het thans toepasselijke artikel 12 Code Medische Deontologie (2018) bepaalt:

"De arts kan voor zijn beroepsuitoefening samenwerkingsovereenkomsten afsluiten.

De arts vermijdt elke vorm van collusie.

De arts is steeds persoonlijk verantwoordelijk voor zijn medisch handelen.

De arts zorgt ervoor dat zijn beroepsuitoefening en de organisatie van de professionele samenwerking stroken met de bepalingen van de medische deontologie. Hij legt die afspraken schriftelijk vast."

De nationale raad heeft een leidraad "Contracten en vennootschappen" opgesteld. De bedoeling hiervan is de arts attent te maken op de belangrijkste deontologische aspecten en hem op dat vlak te helpen bij het opstellen van de overeenkomsten. (Advies NR van 15 september 2018, a162005).

1. Voorafgaande goedkeuring van de overeenkomsten

Een van de gevolgen van de opheffing van de CGP is de volledige afschaffing van de deontologische plicht de overeenkomsten vooraf ter goedkeuring over te leggen aan de provinciale raad.

De arts kan wel een vrijblijvend advies vragen aan zijn provinciale raad. Dit betekent dat de arts altijd vrij kiest of hij al dan niet zijn provinciale raad advies vraagt over de deontologische aspecten van de overeenkomsten.

De arts die de overeenkomsten niet vooraf overlegt, begaat daardoor geen deontologische fout.

2. Toepasselijke beoordelingscriteria

De provinciale raden kunnen bij de beoordeling van de overeenkomsten niet meer verwijzen naar de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). De leidraden die ze vóór 3 mei 2018 hebben opgesteld, kunnen slechts dienstig zijn voor zover ze verplichtingen bevatten die niet gebaseerd zijn op de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). Alleen de leidraad opgenomen in het advies NR van 15 september 2018, a162005 en de toepasselijke bepalingen van de Code Medische Deontologie (2018) zijn richtinggevend.

Dit betekent niet dat alle adviezen van de nationale raad van vóór de CMD niet nuttig meer kunnen zijn bij de beoordeling van deontologische aspecten die in de voormelde leidraad zijn opgenomen.

3. Gevolgen van het niet-overleggen van de overeenkomsten

Zoals hiervoor reeds gezegd begaat de arts die de overeenkomsten niet vooraf overlegt, geen deontologische fout.

Indien evenwel zou blijken dat de overeenkomsten toch bepalingen bevatten die strijdig zijn met de thans geldende deontologie, kunnen de provinciale raden oordelen over de disciplinaire gevolgen daarvan.

4. Gevolgen van het niet-opvolgen van het advies van de provinciale raad

Het advies dat de provinciale raden over de overeenkomsten geven is een niet bindend advies.

Indien de arts oordeelt dit advies niet te volgen, begaat hij, alleen op die grond, geen deontologische fout.

Contracten15/09/2018 Documentcode: a162005
report_problem

cf. ook FAQ : Contracten et statuten - Artikel 12 CMD 2018 - (Advies NR 19 november 2022, a169024)

Leidraad “Contracten en vennootschappen”

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de leidraad "Contracten en vennootschappen" onderzocht.

Advies van de nationale raad :

A. Geen verplichting tot overlegging van samenwerkingsovereenkomsten aan de provinciale raden

De evolutie van de geneeskunde vereist meer in groepsverband te werken. Multi- en interdisciplinaire praktijkvoering is frequenter. Het is ook een meerwaarde voor zowel de arts en andere zorgverleners, als voor de patiënt.

Artikel 159, § 4, Code van geneeskundige plichtenleer 1975 (hierna: CDW1975) bepaalde dat elk ontwerp van statuten, huishoudelijk reglement, of oprichtingsakte van een vennootschap of vereniging, elk ontwerp van overeenkomst, evenals elk stuk waarnaar daarin verwezen wordt, voorafgaandelijk door elke arts ter goedkeuring diende voorgelegd te worden aan zijn provinciale raad. Hetzelfde gold voor elk ontwerp van wijziging ervan.

De Code van medische deontologie 2018 (hierna: CMD2018) bevat deze verplichting niet meer. De arts kan zijn provinciale raad wel nog een deontologisch advies vragen. Dit deontologisch advies is geen juridisch advies[1].

B. Deontologische aanbevelingen

Als algemene regel voor samenwerkingsovereenkomsten geldt dat alle deontologische regels van toepassing blijven.

De gekozen samenwerkingsvorm en haar doel moeten voldoen aan de wettelijke bepalingen.

De (belangrijkste) deontologische aanbevelingen voor een samenwerkingsovereenkomst zijn:


1. Autonomie

De professionele samenwerking moet de autonomie van de arts waarborgen (artikelen 7 en 25 CMD2018).

2. Organisatie

2.1 Patiëntendossiers

De arts blijft verantwoordelijk voor het bijhouden en de toegang tot zijn patiëntendossiers, ongeacht het type dossier.

De bewaring van die dossiers moet voldoen aan de wettelijke en deontologische vereisten (artikel 22 e.v. CMD2018).

2.2 Opleidingen, wetenschappelijke activiteiten en vorming

Er moet voldoende ruimte en tijd zijn voor opleidingen, wetenschappelijke activiteiten en vorming. (artikel 4 CMD2018).

De artsen moeten bijdragen tot de vooruitgang van de zorgkwaliteit en van de wetenschappelijke kennis (artikel 4 CMD2018).

De opleiding van de studenten geneeskunde en van de jonge artsen is een deontologische plicht.

2.3 Evenwicht tussen beroepsactiviteit en privéleven

Bij de bepaling van de wachtdiensten, werk- en vakantieregelingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de desiderata van de geassocieerde artsen (artikelen 10 en 13 CMD2018).

Er moet een aanvaardbare regeling zijn voor zwangere artsen en voor bijzondere omstandigheden.

3. Vrije artsenkeuze

De vrije artsenkeuze van de patiënt moet worden gevrijwaard (artikel 15 CMD2018).

Doorverwijzing naar de meest gekwalificeerde collega, binnen of buiten de samenwerking, mag noch belemmerd noch verhinderd worden (artikel 6 CMD2018).

4. Kwaliteit en veiligheid van de beroepsuitoefening

Kwaliteit en veiligheid vereisen (artikel 8 CMD2018):

  • aangepaste en volgens hygiënische regels onderhouden praktijkruimten;
  • deugdelijk en goed onderhouden materieel en materialen;
  • degelijk personeel dat in gemeen overleg wordt aangeworven.

5. Financiële regelingen

De afspraken voor pooling van inkomsten en uitgaven moeten duidelijk zijn.

De verdeling van de lasten en de baten moet billijk zijn.

Een geschorste arts mag gedurende de schorsing geen financiële voordelen uit de samenwerking hebben.

6. Verzekeringen

Elke geassocieerde moet een beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben (artikel 9 CMD2018).

Zo ook de samenwerking.

7. Persoonlijke overtuiging

De persoonlijke overtuiging van een arts mag de kwaliteit van de zorg niet in het gedrang brengen (artikel 31 CMD2018).

De overeenkomst mag geen discriminerende bepalingen bevatten.

8. Niet-toegelaten activiteiten

De samenwerking mag niet leiden tot:

  • commerciële activiteiten (artikel 34 CMD2018);
  • ongeoorloofde publiciteit (artikel 37 CMD2018);
  • overconsumptie (artikel 41 CMD2018);
  • collusie (artikel 12 CMD2018);
  • gebruik van de naam van de arts voor reclamedoeleinden;
  • activiteiten die de belangen van de patiënt kunnen schaden.

9. Toetreding en uittreding

9.1 Toetreding

De overeenkomst bepaalt de wijze waarop nieuwe leden kunnen toetreden.

9.2 Uittreding

Een uitstapregeling moet billijk zijn en vooraf uitdrukkelijk bepaald.

De regeling voor wat er met de patiëntendossiers zal gebeuren, moet conform de patiëntenrechten zijn.

Een niet-vestigingsbeding in opleidingsovereenkomsten moet worden vermeden.

10. Geschillen

Geschillen worden best opgelost in gemeen overleg (artikel 11 CMD2018). Daarbij kan de provinciale raad verzoenen of bemiddelen.

De overeenkomst bepaalt wat gebeurt indien een arts een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve of tuchtrechtelijke veroordeling heeft gekregen, die enige weerslag heeft of kan hebben op de professionele samenwerking, of wanneer er zich bepaalde incidenten of klachten hebben voorgedaan (artikel 14 CMD2018).



[1] Sommige bestaande samenwerkingsovereenkomsten bevatten nog de verplichting om, krachtens artikel 159, § 4, CMD1975, elke wijziging voor te leggen aan de provinciale raad.

Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...28/05/2011 Documentcode: a134003
report_problem

Dit advies vervangt het advies a079020 d.d. 23.08.1997.
cf. adviezen NR 21 september 2019, a167016 en 15 september 2018, a162005

In- en uittredingsvergoeding in een associatie of vennootschap

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft kennis genomen van de problematiek aangaande in- en uittredingsvergoeding.
In het advies worden algemene principes vooropgesteld waarbij de provinciale raden autonoom verder beslissen op basis van de voorgelegde contracten.
Dit advies vervangt het advies van de Nationale raad van 23 augustus 1997 "Uittredingsvergoeding voor een arts-vennoot die met pensioen gaat".

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 28 mei 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de problematiek aangaande de in- en uittredingsvergoeding in een associatie of vennootschap onderzocht.

De Nationale Raad is van mening dat zowel intramuraal als extramuraal en zowel voor huisartsen als specialisten volgende principes gelden:

1 De precieze modaliteiten van in- en uittreding dienen schriftelijk in een contract te worden vastgelegd tussen de partijen en voorafgaandelijk ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde provinciale raad.

2 In een associatie of vennootschap waarin een progressieve ereloonverdeling bestaat bij de intrede van nieuwe leden of waarin door deze laatsten reeds een intredevergoeding werd betaald, kan geen uittredingsvergoeding meer worden toegekend aan de arts die reeds genoten heeft van het financiële voordeel volgend uit dergelijke mindere verloning of de intredevergoeding van een of meerdere na hem ingetreden collega´s.

3 Cumulatie van een progressieve ereloonverdeling bij de intrede en een intredevergoeding is niet toegestaan.

4 Een uittredingsvergoeding kan niet berekend worden op geprojecteerde en/of geëxtrapoleerde inkomsten van de associatie of vennootschap.

Beroepsgeheim14/07/2007 Documentcode: a117015
Conventies inzake de opschorting, het uitstel en de probatie

Een provinciale raad stuurt een brief door van de voorzitter van een medische raad die in naam van het gehele medisch-psychiatrische team van zijn gespecialiseerd ziekenhuiscentrum het advies vraagt over samenwerkingsovereenkomsten die o.m. door de betrokken arts dienen te worden ondertekend op verzoek van de Justitiehuizen betreffende patiënten die menen aanspraak te kunnen maken op een van de volgende maatregelen :

  1. De wet van 31 mei 1888 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling (gewijzigd door de wet van 5 maart 1998);
  2. De wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
  3. De wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;
  4. De wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers;
  5. Artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering betreffende de bemiddeling in strafzaken;
  6. Een voorlopige invrijheidstelling.
    Het betreft in casu een patiënte die meent aanspraak te kunnen maken op de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (1.3).

Deze arts vraagt of volgende punten in deze samenwerkingsovereenkomst niet strijdig zijn met de medische deontologie, meer bepaald met het beroepsgeheim :

  1. Het verstrekken van een verslag in de gevallen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling is toegelaten en wettelijk, maar bij de probatie lijkt dit hem “omstreden”.
  2. Kan de arts zich ertoe verbinden “verslagen op te maken voor de justitieassistent” van o.m. “de moeilijkheden die gerezen zijn bij de uitvoering van de behandeling” (punt 7) ?;
  3. Moeten de justitieassistent en de patiënt het voorrecht hebben te vragen de overeenkomst stop te zetten (punt 10) ?

De betrokken provinciale raad heeft vragen over de wettelijke bevoegdheid van de justitieassistent om tussen te komen in een therapeutisch proces zoals bepaald in de overeenkomst en legt het probleem voor aan de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren beëindigde in zijn vergadering van 14 juli 2007 het onderzoek van de door dr. X aangekaarte aangelegenheid, die voor beter begrip werd besproken met de ter zake bevoegde leidende ambtenaar van het departement van justitie (mevrouw Annie Devos, directeur-generaal Justitiehuizen).
De Nationale Raad meent hieromtrent het volgende standpunt te kunnen innemen.

De probatie waarvan te dezen sprake wordt in het bijzonder geregeld door de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, hoofdstuk V.

Naar luid van het artikel 9 van de wet wordt op de tenuitvoerlegging van de probatiemaatregelen toegezien door de, bij iedere rechtbank van eerste aanleg ingestelde (art. 10, eerste lid, van de wet), probatiecommissie door bemiddeling van begeleidende ambtenaren van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie, die als justitieassistenten het Ministerie van Justitie, departement van de Federale Staat, vertegenwoordigen. Deze justitieassistenten zijn belast met de begeleiding van de onder probatie zijnde persoon.

De betreffende overeenkomst met een geneesheer is niet algemeen eigen aan de uitvoering van probatiemaatregelen, maar komt slechts tussen in bijzondere gevallen waar voor het welslagen van de probatie een medische begeleiding of behandeling aangewezen is.
Het in die gevallen door de arts die de overeenkomst onderschrijft, aan de probatiecommissie uit te brengen verslag betreft :

  • de dagen en uren van de vastgestelde raadplegingen;
  • de ongewettigde afwezigheden;
  • het eenzijdig stopzetten van de behandeling of begeleiding door de betrokkene;
  • de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden en
  • de moeilijkheden die bij de uitvoering van de behandeling zijn gerezen.

” de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen” betreffen geenszins moeilijkheden van medische aard en betreffen alleen feitelijke problemen die vreemd zijn aan elk therapeutisch optreden waarin de justitieassistent op geen enkele wijze tussenkomt.

U vindt hierbij kopie van de bijdrage van Lucien Nouwynck, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, “La position des différents intervenants psycho-médico-sociaux face au secret professionnel dans le travail avec les justiciables” (Revue de droit pénal et de Criminologie, 2001, pp.3-28) - zie o.m. de rubriek 1.3 met de noot 30 - waarvan naar verzekering door de leidende ambtenaar de principes en richtlijnen strikt in acht worden genomen.

Gezien de wettelijke organisatie van de uitvoering van door de rechtbank besliste probatiemaatregelen en de door de wet aan de justitieassistenten - ambtenaren van het bestuur Justitiehuizen van de FOD Justitie - toegewezen taak als begeleiders van de onder probatie gestelden, is een eventueel voorstel tot stopzetting van de probatiemaatregel(en), dat dus niet op therapeutische gegevens is gegrond maar wel kan steunen op een door de tussenkomende arts, met eerbiediging van het beroepsgeheim, uitgebracht verslag, normaal onderdeel van hun door de wet aangewezen taak.

Deze opmerkingen gelden mutatis mutandis voor de andere procedures die voorzien zijn in het punt 1 van de overeenkomst.

Associaties en contracten tussen artsen16/07/2005 Documentcode: a110004
Overmaken van assocatiecontracten

Overmaken van associatiecontracten

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad omtrent het overmaken van associatiecontracten tussen geneesheren aan de directie van een ziekenhuis. In zijn schrijven zegt de provinciale raad noch in de Code van geneeskundige plichtenleer noch in de adviezen van de Nationale Raad een antwoord te vinden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van mening dat de gestelde vraag niet van deontologische maar van juridische aard is. Artikel 130 van de gecoördineerde wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen bepaalt dat in elk ziekenhuis een algemene regeling dient vastgelegd te worden betreffende “de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheer, de organisatie– en de werkvoorwaarden met inbegrip van de financiële werkvoorwaarden”. Deze algemene regeling komt in de regel tot stand in overleg tussen beheerder en Medische Raad zoals bepaald in de artikelen 125 tot en met 130 van de geciteerde wet op de ziekenhuizen. In de algemene regeling kan worden bepaald dat associatiecontracten aan de beheerder of aan de directie van het ziekenhuis dienen te worden meegedeeld en zelfs dienen te worden goedgekeurd door bv. de Medische Raad en/of de beheerder. De Nationale Raad is van mening dat associatiecontracten niet op vraag van de directie dienen te worden overgemaakt indien dit niet in de Algemene Regeling is voorzien. Een wijziging van de Algemene Regeling is op initiatief van de beheerder mogelijk maar hierbij dienen dezelfde procedures te worden gevolgd zoals bij de totstandkoming van de Algemene Regeling. Bij de beoordeling van de Algemene Regeling door de provinciale raden wordt noch het overleggen van associatiecontracten aan de beheerder of de directie van het ziekenhuis, noch het ontbreken van een dergelijke bepaling als strijdig met de medische deontologie beschouwd.

Naar aanleiding van de overgelegde vraag herinnert de Nationale Raad eraan dat niet alleen alle associatiecontracten maar ook alle overeenkomsten onder geneesheren opgericht in het kader van hun professionele samenwerking op grond van artikel 159 van de Code van geneeskundige plichtenleer ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd aan de bevoegde provinciale raad die de conformiteit van de overgelegde stukken aan de medische deontologie in het algemeen en de specifieke bepalingen van Titel IV, Hoofdstuk IV, van de Code betreffende de professionele samenwerking tussen geneesheren dient na te gaan.

Bij verder onderzoek van de overgelegde vraag had binnen de Nationale Raad een gedachtewisseling plaats omtrent het overmaken van associatiecontracten en andere samenwerkingsovereenkomsten aan de Medische Raad. Hierover nam de Nationale Raad nooit eerder een standpunt in.

Uit vroegere adviezen kan worden afgeleid dat de Nationale Raad accepteert dat de Medische Raden, teneinde de inhouding op de medische erelonen beter te kunnen verdelen, om bepaalde diensten te financieren en te ontwikkelen, de door elke arts geïnde honoraria kennen, zonder dat zij deze gegevens aan alle artsen van het ziekenhuis mogen meedelen. Dit geldt des te meer sinds de invoeging van artikel 140, §5 en 6, in de Ziekenhuiswet. Anderzijds dienen de Medische Raden ook kennis te hebben van de afspraken onder de ziekenhuisgeneesheren die een samenwerkingsovereenkomst afsluiten betreffende de onderlinge werkverdeling en de wijze waarop zij de continuïteit van de zorg verzekeren. De belangrijkste bepalingen van samenwerkingsovereenkomsten zijnde de werkverdeling en financiële regeling, zijn dan ook aan de Medische Raden bekend.

Men kan zich afvragen of het niet zinnig zou zijn dat de Medische Raden systematisch in kennis gesteld worden van het geheel van de afgesloten overeenkomsten tussen ziekenhuisartsen. Overigens is het niet redelijk dat een Medische Raad bij het uitbrengen van zijn advies omtrent de aanwerving van jonge artsen, waarvan verwacht wordt dat zij tot een samenwerkingsverband toetreden, niet op de hoogte zou zijn van de inhoud van de te ondertekenen samenwerkingsovereenkomst.

In sommige ziekenhuizen bestaan door de Medische Raad opgestelde algemene criteria waaraan elk samenwerkingsverband onder artsen dient te voldoen. Binnen sommige provinciale raden wordt de gedachte geopperd dat alle samenwerkingsovereenkomsten alvorens ter goedkeuring aan de provinciale raad voorgelegd te worden voorafgaandelijk het fiat van de Medische Raad dienen te hebben. Dergelijke bepaling zou een bijkomende garantie voor de naleving van deze overeenkomsten zijn.

De Nationale Raad is van mening dat de Medische Raden dienen na te gaan of het opstellen van algemene criteria omtrent alle samenwerkingsovereenkomsten niet wenselijk is. Dergelijke reglementen mogen geen bepalingen bevatten die strijdig zijn met de medische deontologie en dienen ter goedkeuring aan de bevoegde provinciale raad voorgelegd te worden. Transparantie in het vlak van samenwerkingsovereenkomsten zou de groepsgeest onder de artsen bevorderen en heel wat problemen kunnen voorkomen.

Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...18/10/2003 Documentcode: a103003
Ontwerp van samenwerkingsovereenkomst tussen de ONE en de artsen

De voorzitter van de Office de la Naissance et de l'Enfance (ONE) vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst tussen de ONE en de artsen die meewerken aan de consultaties voor kinderen en aan de gezondheidsbusrondes.

Advies van de Nationale Raad :

Het ontwerp kadert in een hervorming van de consultaties van de ONE. Deze hervorming, die voorbereid werd in overleg met de artsenvertegenwoordigers, heeft het voorwerp uitgemaakt van een voorontwerp van besluit van de Franse Gemeenschapsregering van België. Dit voorontwerp werd door de raad van bestuur van de ONE goedgekeurd op 06/06/2003 en dient nog voorgelegd te worden aan de Franse Gemeenschapsregering van België.

In het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst wordt verwezen naar verschillende teksten die uitgewerkt zijn maar nog omgezet dienen te worden in besluiten van de Franse Gemeenschapsregering van België. De Nationale Raad van de Orde besprak het ontwerp in de veronderstelling van de totstandkoming van deze besluiten, in het bijzonder het besluit houdende hervorming van de consultaties voor kinderen en het besluit tot vaststelling van het organiek reglement van de ONE.

De aandacht van de leden van de Nationale Raad ging in het bijzonder uit naar de twee volgende punten : opzegging van de overeenkomst wegens grove fout en schorsing om geneeskundige reden.

De grove fout, die gedefinieerd wordt als een nalatigheid die zo erg is dat de overeenkomst niet langer voortgezet kan worden, zelfs niet tijdens de opzeggingsperiode, wordt uitgesproken nadat de arts gehoord werd door het subregionale geneeskundige college. Dit orgaan is een door het organiek reglement van de ONE opgericht orgaan. Het is samengesteld uit artsen die door de raad van bestuur aangewezen worden onder de artsen die prestaties verrichten voor de ONE en onder artsen die ervaren zijn in de geneeskundige praktijkvoering die verband houdt met de opdrachten van de ONE. De Nationale Raad van de Orde beklemtoont dat het belangrijk is dat in het subregionale geneeskundige college artsen aanwezig zijn die gekozen worden op grond van hun ervaring zonder dat zij prestaties verrichten voor de ONE. Hun aanwezigheid lijkt ons onontbeerlijk om de noodzakelijke objectiviteit te waarborgen en belangenconflicten te vermijden.

Wanneer de raad van bestuur van de ONE beslist de overeenkomst van de arts op te zeggen wegens grove fout kan deze laatste hoger beroep instellen voor de wetenschappelijke raad. Deze is samengesteld uit artsen en niet-artsen. De leden van de Nationale Raad beoordeelden de inhoud van de artikelen 29 en 30 van het organiek reglement van 03/03/2003 waarin gepreciseerd wordt dat de leden van de wetenschappelijke raad die arts zijn in college bijeenkomen wanneer zij dienen op te treden in het kader van de hun bij deze artikelen toevertrouwde opdrachten. Een van deze opdrachten bestaat erin advies uit te brengen aan de raad van bestuur bij een geschil betreffende de uitvoering van een overeenkomst die een arts bindt aan de ONE.
Daar het gaat over een college dat tot taak heeft advies uit te brengen over de geneeskundige praktijkvoering appreciëren we het dat de arts met betrekking tot zijn geneeskundige praktijkvoering beoordeeld wordt door gelijken.

Artikel 3, § 2, handelt over de schorsing om geneeskundige reden. Deze beslissing wordt door de raad van bestuur genomen op grond van de gegevens die hem verstrekt worden door het subregionale geneeskundige college en, in geval van hoger beroep, door de wetenschappelijke raad. Wij gaan akkoord met de in dit artikel voorgestelde modaliteiten, maar stellen voor de vorm ervan enigszins te wijzigen om de doelstelling duidelijk te formuleren. Het artikel in kwestie zou verwoord kunnen worden als volgt : “Indien de arts om geneeskundige redenen ongeschikt wordt om zijn functie bij de ONE uit te oefenen, kan de geneeskundig adviseur, bij dringende noodzaak, de betrokkene preventief van al zijn functies bij de ONE ontheffen in afwachting van het verloop van de procedure.”

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren meent dat het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst tussen de ONE en de arts beslist een positief gegeven is om het statuut van deze artsen te verduidelijken. Wij gaan akkoord met het ontwerp zoals het ons door u werd voorgelegd, onder voorbehoud van de goedkeuring, door de Franse Gemeenschapsregering van België, van de teksten waarnaar het ontwerp verwijst.