keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Contracten20/06/2020 Documentcode: a167018
Leidraad “contracten en vennootschappen”

In zijn vergadering van 20 juni 2020 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de regels herhaald die worden beschreven in zijn leidraad "contracten en vennootschappen", gepubliceerd op 15 september 2018

(https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/leidraad-contracten-en-vennootschappen).

Waar de arts vroeger elk ontwerp van statuten, huishoudelijk reglement, oprichtingsakte van een vennootschap of vereniging, elk ontwerp van overeenkomst, evenals elk stuk dat er naar verwijst, voorafgaandelijk diende voor te leggen aan zijn provinciale raad, is deze verplichting op heden niet meer van toepassing.

Omdat de provinciale raden niet bevoegd zijn juridisch advies te verstrekken, werden de contractencommissies afgeschaft.

Alle deontologische beginselen zoals bepaald in de nieuwe Code van medische deontologie 2018 dienen gerespecteerd te worden bij het sluiten van een overeenkomst en het oprichten van een vennootschap. De arts die twijfelt over de correcte toepassing van de deontologische bepalingen in de te sluiten overeenkomst of de voorgestelde oprichtingsakte, kan vrijblijvend terecht bij zijn provinciale raad voor deontologisch advies.

Contracten16/03/2019 Documentcode: a164006
Gevolgen van de opheffing van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) door de Code Medische Deontologie (2018), dit voor de samenwerkingsovereenkomsten

Advies van 16 maart 2019 van de nationale raad van de Orde der artsen

De nationale raad heeft de gevolgen van de opheffing van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) door de Code Medische Deontologie (2018), dit voor de samenwerkingsovereenkomsten.

De Code Medische Deontologie (2018) heeft impliciet de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) opgeheven. Dit houdt in dat bij de beoordeling van de deontologische principes die gelden voor de professionele samenwerking tussen artsen, associaties, en vennootschappen (verder de overeenkomsten), niet meer kan verwezen worden naar de artikelen 159 tot 165 Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). Dit betekent echter niet dat er geen deontologische beperkingen meer zouden zijn.

Blijkbaar is er hieromtrent nog onduidelijkheid. Niet alle provinciale raden hanteren dezelfde normen. Sommige provinciale raden eisen geen voorafgaande overlegging meer, andere doen dit wel, nog andere raden hun leden aan alle overeenkomsten te blijven overleggen. Sommige provinciale raden beoordelen de overeenkomsten nog op basis van de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975) of eigen leidraden van vóór de Code Medische Deontologie (2018).

Dit advies beoogt meer eenheid in de beoordeling van de overeenkomsten.

Het thans toepasselijke artikel 12 Code Medische Deontologie (2018) bepaalt:

"De arts kan voor zijn beroepsuitoefening samenwerkingsovereenkomsten afsluiten.

De arts vermijdt elke vorm van collusie.

De arts is steeds persoonlijk verantwoordelijk voor zijn medisch handelen.

De arts zorgt ervoor dat zijn beroepsuitoefening en de organisatie van de professionele samenwerking stroken met de bepalingen van de medische deontologie. Hij legt die afspraken schriftelijk vast."

De nationale raad heeft een leidraad "Contracten en vennootschappen" opgesteld. De bedoeling hiervan is de arts attent te maken op de belangrijkste deontologische aspecten en hem op dat vlak te helpen bij het opstellen van de overeenkomsten. (Advies NR van 15 september 2018, a162005).

1. Voorafgaande goedkeuring van de overeenkomsten

Een van de gevolgen van de opheffing van de CGP is de volledige afschaffing van de deontologische plicht de overeenkomsten vooraf ter goedkeuring over te leggen aan de provinciale raad.

De arts kan wel een vrijblijvend advies vragen aan zijn provinciale raad. Dit betekent dat de arts altijd vrij kiest of hij al dan niet zijn provinciale raad advies vraagt over de deontologische aspecten van de overeenkomsten.

De arts die de overeenkomsten niet vooraf overlegt, begaat daardoor geen deontologische fout.

2. Toepasselijke beoordelingscriteria

De provinciale raden kunnen bij de beoordeling van de overeenkomsten niet meer verwijzen naar de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). De leidraden die ze vóór 3 mei 2018 hebben opgesteld, kunnen slechts dienstig zijn voor zover ze verplichtingen bevatten die niet gebaseerd zijn op de Code Geneeskundige Plichtenleer (1975). Alleen de leidraad opgenomen in het advies NR van 15 september 2018, a162005 en de toepasselijke bepalingen van de Code Medische Deontologie (2018) zijn richtinggevend.

Dit betekent niet dat alle adviezen van de nationale raad van vóór de CMD niet nuttig meer kunnen zijn bij de beoordeling van deontologische aspecten die in de voormelde leidraad zijn opgenomen.

3. Gevolgen van het niet-overleggen van de overeenkomsten

Zoals hiervoor reeds gezegd begaat de arts die de overeenkomsten niet vooraf overlegt, geen deontologische fout.

Indien evenwel zou blijken dat de overeenkomsten toch bepalingen bevatten die strijdig zijn met de thans geldende deontologie, kunnen de provinciale raden oordelen over de disciplinaire gevolgen daarvan.

4. Gevolgen van het niet-opvolgen van het advies van de provinciale raad

Het advies dat de provinciale raden over de overeenkomsten geven is een niet bindend advies.

Indien de arts oordeelt dit advies niet te volgen, begaat hij, alleen op die grond, geen deontologische fout.

Contracten15/09/2018 Documentcode: a162005
Leidraad “Contracten en vennootschappen”

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de leidraad "Contracten en vennootschappen" onderzocht.

Advies van de nationale raad :

A. Geen verplichting tot overlegging van samenwerkingsovereenkomsten aan de provinciale raden

De evolutie van de geneeskunde vereist meer in groepsverband te werken. Multi- en interdisciplinaire praktijkvoering is frequenter. Het is ook een meerwaarde voor zowel de arts en andere zorgverleners, als voor de patiënt.

Artikel 159, § 4, Code van geneeskundige plichtenleer 1975 (hierna: CDW1975) bepaalde dat elk ontwerp van statuten, huishoudelijk reglement, of oprichtingsakte van een vennootschap of vereniging, elk ontwerp van overeenkomst, evenals elk stuk waarnaar daarin verwezen wordt, voorafgaandelijk door elke arts ter goedkeuring diende voorgelegd te worden aan zijn provinciale raad. Hetzelfde gold voor elk ontwerp van wijziging ervan.

De Code van medische deontologie 2018 (hierna: CMD2018) bevat deze verplichting niet meer. De arts kan zijn provinciale raad wel nog een deontologisch advies vragen. Dit deontologisch advies is geen juridisch advies[1].

B. Deontologische aanbevelingen

Als algemene regel voor samenwerkingsovereenkomsten geldt dat alle deontologische regels van toepassing blijven.

De gekozen samenwerkingsvorm en haar doel moeten voldoen aan de wettelijke bepalingen.

De (belangrijkste) deontologische aanbevelingen voor een samenwerkingsovereenkomst zijn:


1. Autonomie

De professionele samenwerking moet de autonomie van de arts waarborgen (artikelen 7 en 25 CMD2018).

2. Organisatie

2.1 Patiëntendossiers

De arts blijft verantwoordelijk voor het bijhouden en de toegang tot zijn patiëntendossiers, ongeacht het type dossier.

De bewaring van die dossiers moet voldoen aan de wettelijke en deontologische vereisten (artikel 22 e.v. CMD2018).

2.2 Opleidingen, wetenschappelijke activiteiten en vorming

Er moet voldoende ruimte en tijd zijn voor opleidingen, wetenschappelijke activiteiten en vorming. (artikel 4 CMD2018).

De artsen moeten bijdragen tot de vooruitgang van de zorgkwaliteit en van de wetenschappelijke kennis (artikel 4 CMD2018).

De opleiding van de studenten geneeskunde en van de jonge artsen is een deontologische plicht.

2.3 Evenwicht tussen beroepsactiviteit en privéleven

Bij de bepaling van de wachtdiensten, werk- en vakantieregelingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de desiderata van de geassocieerde artsen (artikelen 10 en 13 CMD2018).

Er moet een aanvaardbare regeling zijn voor zwangere artsen en voor bijzondere omstandigheden.

3. Vrije artsenkeuze

De vrije artsenkeuze van de patiënt moet worden gevrijwaard (artikel 15 CMD2018).

Doorverwijzing naar de meest gekwalificeerde collega, binnen of buiten de samenwerking, mag noch belemmerd noch verhinderd worden (artikel 6 CMD2018).

4. Kwaliteit en veiligheid van de beroepsuitoefening

Kwaliteit en veiligheid vereisen (artikel 8 CMD2018):

  • aangepaste en volgens hygiënische regels onderhouden praktijkruimten;
  • deugdelijk en goed onderhouden materieel en materialen;
  • degelijk personeel dat in gemeen overleg wordt aangeworven.

5. Financiële regelingen

De afspraken voor pooling van inkomsten en uitgaven moeten duidelijk zijn.

De verdeling van de lasten en de baten moet billijk zijn.

Een geschorste arts mag gedurende de schorsing geen financiële voordelen uit de samenwerking hebben.

6. Verzekeringen

Elke geassocieerde moet een beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben (artikel 9 CMD2018).

Zo ook de samenwerking.

7. Persoonlijke overtuiging

De persoonlijke overtuiging van een arts mag de kwaliteit van de zorg niet in het gedrang brengen (artikel 31 CMD2018).

De overeenkomst mag geen discriminerende bepalingen bevatten.

8. Niet-toegelaten activiteiten

De samenwerking mag niet leiden tot:

  • commerciële activiteiten (artikel 34 CMD2018);
  • ongeoorloofde publiciteit (artikel 37 CMD2018);
  • overconsumptie (artikel 41 CMD2018);
  • collusie (artikel 12 CMD2018);
  • gebruik van de naam van de arts voor reclamedoeleinden;
  • activiteiten die de belangen van de patiënt kunnen schaden.

9. Toetreding en uittreding

9.1 Toetreding

De overeenkomst bepaalt de wijze waarop nieuwe leden kunnen toetreden.

9.2 Uittreding

Een uitstapregeling moet billijk zijn en vooraf uitdrukkelijk bepaald.

De regeling voor wat er met de patiëntendossiers zal gebeuren, moet conform de patiëntenrechten zijn.

Een niet-vestigingsbeding in opleidingsovereenkomsten moet worden vermeden.

10. Geschillen

Geschillen worden best opgelost in gemeen overleg (artikel 11 CMD2018). Daarbij kan de provinciale raad verzoenen of bemiddelen.

De overeenkomst bepaalt wat gebeurt indien een arts een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve of tuchtrechtelijke veroordeling heeft gekregen, die enige weerslag heeft of kan hebben op de professionele samenwerking, of wanneer er zich bepaalde incidenten of klachten hebben voorgedaan (artikel 14 CMD2018).



[1] Sommige bestaande samenwerkingsovereenkomsten bevatten nog de verplichting om, krachtens artikel 159, § 4, CMD1975, elke wijziging voor te leggen aan de provinciale raad.

Associaties en contracten tussen artsen15/07/2006 Documentcode: a113004
Deelname aan de wachtdienst

Een provinciale raad stuurt een adviesaanvraag door van een arts in verband met de individuele plicht van de arts inzake de deelname aan de wachtdienst.

Advies van de Nationale Raad :

Een arts werkt samen met een vrouwelijke collega in het kader van een artsenassociatie die geviseerd werd door de Raad van de Orde.

Hij wenst dat de artsenassociatie in kwestie slechts voor één enkele rechtspersoon vertegenwoordigd zou zijn in de verdeling van de wachtdiensten.

Zijn verzoek werd afgewezen door de verantwoordelijke voor de wachtdienst van de regio en er werd een vraag om advies gestuurd aan de provinciale geneeskundige commissie.

De Nationale Raad baseert zich op de bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van gezondheidszorgberoepen en van artikel 117, § 1, van de Code van geneeskundige plichtenleer. Dit laatste artikel bepaalt dat elke geneesheer ingeschreven op de Lijst van de Orde moet deelnemen aan de wachtdienst overeenkomstig zijn bevoegdheid.

In dit verband herinnert de Nationale Raad aan de prerogatieven van de huisartsenkringen in het kader van de wachtdienst op grond van de artikelen 4, 5 en 7 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.

De modaliteiten voor een goede werking van deze wachtdienst worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement, dat wordt goedgekeurd door alle betrokken huisartsen, na voorafgaand nazicht en goedkeuring door de provinciale raad van de Orde.

In dat huishoudelijk reglement worden o.a. de bevoegdheden omschreven van de wachtdienstverantwoordelijke en de modaliteiten voor opstelling van de wachtrol. Ook de oplossing van eventuele betwistingen kan hierbij omschreven worden.

Criteria voor – gehele of gedeeltelijke – vrijstellingen van deelname aan de wachtdienst wegens ziekte, ouderdom of andere geldige redenen worden bepaald door (de algemene vergadering van) de organiserende huisartsenkring. Er zal daarbij rekening gehouden worden met het quotum van deelnemers, nodig om aan de bevolking de regelmatige en normale toediening van gezondheidszorgen te garanderen. De lijst van de vrijgestelden alsook de criteria van vrijstelling worden ter kennis gebracht van de provinciale raad van de Orde der Geneesheren.

Met betrekking tot de ziekenhuiswachtdienst stelde de Nationale Raad in zijn vergaderingen van 14 december 1985 en 15 oktober 1988 dat het in principe de taak is van alle geneesheren die in een ziekenhuis werkzaam zijn, aldaar een wachtdienst te organiseren.

In hetzelfde opzicht is het de taak van de hoofdgeneesheer en van de betrokken diensthoofden de ontvankelijkheid te beoordelen van de afwijkingsaanvraag van een arts die zich onbevoegd zou achten.

Het feit dat een arts zich onbevoegd acht om deel te nemen aan de wachtdienst stelt hem niet vrij van bijdrage in de werkingskosten.

De medische raden stellen het bedrag van de bijdrage vast. Bij onenigheid kan iedere arts zich richten tot zijn provinciale raad.

Er kan moeilijk een bijzondere regel toegepast worden voor de gehele of gedeeltelijke werkzaamheden van een of meerdere artsen binnen een groepspraktijk of een artsenassociatie.

De Nationale Raad deelt het standpunt van uw provinciale raad over deze zaak. Iedere arts, ongeacht of hij solo werkt dan wel in een groepspraktijk of een associatie, dient de wachtdienst volledig op zich te nemen.

In geval van onenigheid kan de provinciale raad verzoenend trachten op te treden om wachtdienstgeschillen te beslechten zowel binnen de ziekenhuizen als binnen de algemene geneeskunde.

Associaties en contracten tussen artsen16/07/2005 Documentcode: a110004
Overmaken van assocatiecontracten

Overmaken van associatiecontracten

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad omtrent het overmaken van associatiecontracten tussen geneesheren aan de directie van een ziekenhuis. In zijn schrijven zegt de provinciale raad noch in de Code van geneeskundige plichtenleer noch in de adviezen van de Nationale Raad een antwoord te vinden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van mening dat de gestelde vraag niet van deontologische maar van juridische aard is. Artikel 130 van de gecoördineerde wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen bepaalt dat in elk ziekenhuis een algemene regeling dient vastgelegd te worden betreffende “de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheer, de organisatie– en de werkvoorwaarden met inbegrip van de financiële werkvoorwaarden”. Deze algemene regeling komt in de regel tot stand in overleg tussen beheerder en Medische Raad zoals bepaald in de artikelen 125 tot en met 130 van de geciteerde wet op de ziekenhuizen. In de algemene regeling kan worden bepaald dat associatiecontracten aan de beheerder of aan de directie van het ziekenhuis dienen te worden meegedeeld en zelfs dienen te worden goedgekeurd door bv. de Medische Raad en/of de beheerder. De Nationale Raad is van mening dat associatiecontracten niet op vraag van de directie dienen te worden overgemaakt indien dit niet in de Algemene Regeling is voorzien. Een wijziging van de Algemene Regeling is op initiatief van de beheerder mogelijk maar hierbij dienen dezelfde procedures te worden gevolgd zoals bij de totstandkoming van de Algemene Regeling. Bij de beoordeling van de Algemene Regeling door de provinciale raden wordt noch het overleggen van associatiecontracten aan de beheerder of de directie van het ziekenhuis, noch het ontbreken van een dergelijke bepaling als strijdig met de medische deontologie beschouwd.

Naar aanleiding van de overgelegde vraag herinnert de Nationale Raad eraan dat niet alleen alle associatiecontracten maar ook alle overeenkomsten onder geneesheren opgericht in het kader van hun professionele samenwerking op grond van artikel 159 van de Code van geneeskundige plichtenleer ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd aan de bevoegde provinciale raad die de conformiteit van de overgelegde stukken aan de medische deontologie in het algemeen en de specifieke bepalingen van Titel IV, Hoofdstuk IV, van de Code betreffende de professionele samenwerking tussen geneesheren dient na te gaan.

Bij verder onderzoek van de overgelegde vraag had binnen de Nationale Raad een gedachtewisseling plaats omtrent het overmaken van associatiecontracten en andere samenwerkingsovereenkomsten aan de Medische Raad. Hierover nam de Nationale Raad nooit eerder een standpunt in.

Uit vroegere adviezen kan worden afgeleid dat de Nationale Raad accepteert dat de Medische Raden, teneinde de inhouding op de medische erelonen beter te kunnen verdelen, om bepaalde diensten te financieren en te ontwikkelen, de door elke arts geïnde honoraria kennen, zonder dat zij deze gegevens aan alle artsen van het ziekenhuis mogen meedelen. Dit geldt des te meer sinds de invoeging van artikel 140, §5 en 6, in de Ziekenhuiswet. Anderzijds dienen de Medische Raden ook kennis te hebben van de afspraken onder de ziekenhuisgeneesheren die een samenwerkingsovereenkomst afsluiten betreffende de onderlinge werkverdeling en de wijze waarop zij de continuïteit van de zorg verzekeren. De belangrijkste bepalingen van samenwerkingsovereenkomsten zijnde de werkverdeling en financiële regeling, zijn dan ook aan de Medische Raden bekend.

Men kan zich afvragen of het niet zinnig zou zijn dat de Medische Raden systematisch in kennis gesteld worden van het geheel van de afgesloten overeenkomsten tussen ziekenhuisartsen. Overigens is het niet redelijk dat een Medische Raad bij het uitbrengen van zijn advies omtrent de aanwerving van jonge artsen, waarvan verwacht wordt dat zij tot een samenwerkingsverband toetreden, niet op de hoogte zou zijn van de inhoud van de te ondertekenen samenwerkingsovereenkomst.

In sommige ziekenhuizen bestaan door de Medische Raad opgestelde algemene criteria waaraan elk samenwerkingsverband onder artsen dient te voldoen. Binnen sommige provinciale raden wordt de gedachte geopperd dat alle samenwerkingsovereenkomsten alvorens ter goedkeuring aan de provinciale raad voorgelegd te worden voorafgaandelijk het fiat van de Medische Raad dienen te hebben. Dergelijke bepaling zou een bijkomende garantie voor de naleving van deze overeenkomsten zijn.

De Nationale Raad is van mening dat de Medische Raden dienen na te gaan of het opstellen van algemene criteria omtrent alle samenwerkingsovereenkomsten niet wenselijk is. Dergelijke reglementen mogen geen bepalingen bevatten die strijdig zijn met de medische deontologie en dienen ter goedkeuring aan de bevoegde provinciale raad voorgelegd te worden. Transparantie in het vlak van samenwerkingsovereenkomsten zou de groepsgeest onder de artsen bevorderen en heel wat problemen kunnen voorkomen.

Associaties en contracten tussen artsen12/04/2003 Documentcode: a101002
Intredegeld bij kostenassociaties

In zijn advies 14 december 2002 stelt de Nationale Raad dat " ... het vragen van een intredegeld deontologisch kan verantwoord zijn bij partiële of volledige associaties maar bij samenwerkingsovereenkomsten niet te verantwoorden is".
Artikel 160 van de Code betreffende de associaties maakt onderscheid tussen volledige, partiële en kostenassociaties.
Een provinciale raad vraagt of kostenassociaties in dit verband gelijkgesteld kunnen worden met samenwerkingsovereenkomsten.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad verwijst naar art. 160, §1, derde alinea, en §2, derde alinea, van de Code van geneeskundige plichtenleer alsmede naar zijn advies van 14 december 2002 betreffende dat onderwerp. Daarin wordt onder meer gezegd dat uit tal van voorbeelden de grote variëteit blijkt in het vragen van intredegelden. Meestal is dit slechts een onderdeel van een geheel van financiële bepalingen zodat het vragen van een intredegeld in functie van het geheel van de afspraken moet beoordeeld worden. Vandaar dat de Nationale Raad van oordeel is dat de deontologische beoordeling van elke concrete situatie door de provinciale raden dient te gebeuren.

Zo kan het zich bv. voordoen dat bij een kostenassociatie een intredegeld gevraagd wordt waardoor het toetredend lid mede-eigenaar wordt van het gebouw, van de praktijk of van een gedeelte van de apparatuur. Bij een samenwerkingsovereenkomst zal het ter beschikking stellen van de praktijkruimte en de apparatuur meestal door een huurovereenkomst geregeld worden.

Associaties en contracten tussen artsen14/12/2002 Documentcode: a099009
Intredegeld bij samenwerkingsovereenkomsten tussen artsen

Naar aanleiding van de vaststelling dat in de hem ter goedkeuring voorgelegde samenwerkingsovereenkomsten en associaties tussen huisartsen frequenter "intredegeld" wordt gevraagd aan jonge collega's stelt een provinciale raad de vraag of dit wel toegelaten is.

Advies van de Nationale Raad :

Bij een eerdere behandeling van uw vragen was de Nationale Raad van mening dat met de beantwoording diende gewacht tot de toen in voorbereiding zijnde wijziging van het hoofdstuk van de Code van geneeskundige plichtenleer over professionele samenwerking goedgekeurd was door de Nationale Raad.

Het nieuwe artikel 160 van de Code geeft een antwoord op uw vragen betreffende een volledige, partiële en kostenassociatie en voorziet in §7 de mogelijkheid tot het afsluiten van "eenvoudige overeenkomsten" met het oog op een professionele samenwerking indien de samenwerking niet de kenmerken heeft van een partiële of volledige associatie. Artikel 159 vermeldt de voorwaarden waaraan elke professionele samenwerking moet voldoen en dit onafgezien van de vorm en de inhoud van samenwerking. Tevens bepaalt dit artikel dat elk ontwerp betreffende een professionele samenwerking dient voorgelegd te worden aan de bevoegde provinciale raad.

Over het "intredegeld" dat volgens uw schrijven in toenemende mate aan jonge collega's wordt gevraagd in eenvoudige samenwerkingsovereenkomsten en associaties tussen huisartsen spreekt het nieuwe hoofdstuk van de Code niet. De Nationale Raad was en is van mening dat de Code de algemene deontologische richtlijnen dient te bevatten en de beoordeling van de concrete toepassingen aan de provinciale raden dient overgelaten te worden. De beoordeling van het deontologisch verantwoord zijn van het vragen van intredegeld is een illustratie van dit standpunt.

Uit tal van voorbeelden, waarvan uw schrijven er enkele geeft, blijkt de grote variëteit in het vragen van intredegelden meestal slechts een onderdeel te zijn van een geheel van financiële bepalingen en zij dienen dan ook in functie van dit geheel beoordeeld te worden. Wel meent de Nationale Raad dat het vragen van een intredegeld deontologisch kan verantwoord zijn bij partiële of volledige associaties maar bij samenwerkingsovereenkomsten niet te verantwoorden is. Kenmerkend voor een partiële of volledige associatie is de "volledige integratie van (een gedeelte van) de beroepsactiviteit die een bestendig en gestructureerd karakter heeft" wat niet kan worden gezegd wanneer slechts voor een eenvoudige samenwerkingsovereenkomst gekozen wordt.

In zijn advies van 18 september 1993 betreffende het betalen van een "inkoopsom" bij het toetreden tot een associatie stelt de Nationale Raad dat dit kan vermits de toetredende geneesheer daardoor een deel van de praktijk verwerft. Dit deel kan, zoals voorzien in artikel 18, §1, van de Code, zich beperken tot de immateriële bestanddelen maar kan ook slaan op de materiële bestanddelen die zowel roerend als onroerend kunnen zijn. Hieruit volgt dat het gevraagde bedrag als intredegeld sterk kan verschillen zodat de provinciale raad ook hier het geheel van de financiële afspraken dient te bekijken om over de grootte van het bedrag te kunnen oordelen. Zo kunnen de verdeelsleutels bij het opstarten van associaties een belangrijke factor zijn bij de beoordeling van het "intredegeld".

De Nationale Raad hoopt dat deze toelichtingen verduidelijken dat een provinciale raad elk ontwerp van professionele samenwerking afzonderlijk dient te bekijken om na te gaan of de deontologische richtlijnen zoals bepaald in de artikelen 159 tot 165 van de Code van geneeskundige plichtenleer worden nageleefd.

Associaties en contracten tussen artsen20/04/2002 Documentcode: a097002
Relatie wachtkring - duopraktijk

Relatie wachtkring - duopraktijk

Een huisarts werkzaam in een duopraktijk met een jongere collega schrijft dat zijn lokale huisartsenkring elke huisartsenpraktijk verplicht om gedurende twee weken per jaar tijdens de verlofperiode de praktijk te sluiten en de patiënten door te verwijzen naar de wachtdienst. Hij vraagt of een dergelijke regel kan opgelegd worden aan een beoefenaar van een vrij beroep en of dit niet strijdig is met het universeel recht op arbeid.

Advies van de Nationale Raad :

De continuïteit van de zorg verzekeren is een deontologische plicht en hierbij dient elke geneesheer naargelang het geval de nodige maatregelen te nemen om deze continuïteit van de verzorging van de zieken te waarborgen (Artt. 113 en 114 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Eveneens is de collegialiteit onder geneesheren een voorname plicht en zij moet worden beoefend in eerbied voor de belangen van de zieke (Art. 136 van de Code).
Wachtdiensten worden opgericht om de continuïteit van de zorg te waarborgen en de organisatie van deze wachtdienst berust onder andere bij de met dat doel opgerichte plaatselijke organisaties van wachtkringen (Artt. 115-116 van de Code).

De Nationale Raad herinnert aan zijn advies van 16/01/1999 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 84, juni 1999, p. 20) waarin hij van oordeel is dat de artikelen 21 en 22 van de Code van geneeskundige plichtenleer voldoende duidelijk de nadruk leggen zowel op de noodzakelijke continuïteit van de zorg als op de kwaliteit van de daarbij aangeboden en toegediende zorg, en dit in het belang van de zieken. De manier waarop, in ieder concreet geval, zowel de continuïteit als de kwaliteit worden georganiseerd en verzekerd, en de graad van tevredenheid over de implementatie ervan vanwege de patiëntenpopulatie en de artsen kunnen het best worden beoordeeld door de bevoegde provinciale raad die hierbij kan beschikken over alle nodige en nuttige lokale terreingegevens.

Een solopraktijk of groepspraktijk die een goede continuïteit en kwaliteit van zorg kan verzekeren aan zijn zieken kan niet door een wachtkring gedwongen worden tot een zelfs tijdelijke sluiting van de praktijk.