keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

2

pagina

Huisarts27/03/2010 Documentcode: a129032
Goedkeuring van contract tussen stagemeester en HAIO – Bevoegdheid van de provinciale raad

Een provinciale raad vraagt of hij een samenwerkingsovereenkomst kan goedkeuren tussen een stagemeester huisartsgeneeskunde die ingeschreven is in een Franstalige raad en een assistent in opleiding die ingeschreven is in de vzw van een Vlaamse universiteit waar hij zijn studies deed en doet.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 27 maart 2010 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brieven van 27 augustus en 4 september 2009.

Het betreft twee artsen die ingeschreven zijn op de Lijst van de Orde van de Provinciale Raad van Henegouwen, een stagemeester en een HAIO. De HAIO deed en doet zijn studies en is ingeschreven aan een Vlaamse Universiteit en wenst zijn HAIO-opleiding nu te vervullen in Henegouwen.

De vraag is meervoudig :

- Kan de Provinciale Raad van Henegouwen zijn goedkeuring geven aan een in het Nederlands opgesteld contract waarbij de twee collega's ingeschreven zijn bij deze provinciale raad, doch waarbij de HAIO een overeenkomst heeft met de VZW SUI van het ICHO in Vlaanderen, vermits hij studeert en ingeschreven is aan een Vlaamse universiteit en zijn opleidingsstage als HAIO wil doen in de provincie Henegouwen?

- Beide artsen zijn ingeschreven op de Lijst van de Orde van dezelfde Provinciale Raad van Henegouwen en is het de bevoegdheid van de raad van de Orde waar de artsen zijn ingeschreven om het contract of de overeenkomst te viseren.

- De vraag of dit niet ten nadele is van de Vlaamse VZW en de Franstalige VZW hieruit geen voordeel zal halen, dient negatief te worden beantwoord vermits de student HAIO een overeenkomst heeft met de Vlaamse VZW SUI en ingeschreven blijft aan een Vlaamse universiteit, en dus een vergoeding zal krijgen vanuit deze Vlaamse VZW SUI die dan ook de subsidies hiervoor zal ontvangen.

- de Provinciale Raad van Henegouwen kan deze overeenkomst ter goedkeuring nazien.

Experimenten op mensen20/12/2008 Documentcode: a123020
Klinische studies – Voorafgaandelijke goedkeuring van het contract

M.b.t. artsen-onderzoekers die betrokken zijn bij het uitvoeren van klinische proeven in België vraagt de juridisch adviseur van een farmaceutische firma of de promotor van de proef een contract met de arts-onderzoeker dient te ondertekenen.
In het bevestigend geval wenst deze adviseur ook te weten of dit contract voorafgaandelijk dient te worden goedgekeurd door de Orde van geneesheren en of de onderzoeker een vergoeding voor zijn diensten mag ontvangen.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 december 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 17 juli ll. besproken.

De verplichtingen van de promotor van klinische proeven worden bepaald door de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en zijn uitvoeringsbesluiten. U vindt deze wet als bijlage.

Volgens artikel 11, § 4, 10°, van deze wet formuleert de commissie voor ethiek die bevoegd is om een advies uit te brengen, zijn advies rekening houdend met volgende elementen : de eventuele bedragen en regels inzake de betaling, de vergoeding en de schadeloosstelling van de onderzoekers en deelnemers, alsmede de relevante elementen uit elke overeenkomst tussen de opdrachtgever en de locatie.

Bij het indienen van een adviesaanvraag voor een klinische proef bij een ethisch comité moet er dus bij het dossier een kopie van het voorstel van financieel contract gevoegd worden, volgens de regels te tekenen door alle partijen.

De wet vereist niet dat het contract door de Orde van geneesheren vooraf wordt goedgekeurd.

De onderzoeker kan derhalve een vergoeding krijgen voor zijn diensten. .

In zijn advies van 16 februari 2008 (TNR nr. 120, p. 3) is de Nationale Raad van mening dat de eventuele vergoeding voor de proefpersonen noch de onkosten, noch de eventuele inkomstenderving mag overschrijden. Ze mag niet medebepaald worden door het al dan niet welslagen van het onderzoek. Een financieel voordeel mag geen aansporing zijn tot deelname aan klinische proeven. Al deze voorwaarden en de rekruteringswijze, alsook de met de proefpersonen af te sluiten financiële overeenkomst dienen te worden vermeld in het protocol van het biomedisch onderzoek bestemd voor het ethisch comité.

Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...20/01/1996 Documentcode: a072001
Contracten - Bevoegdheid van de provinciale raden

De Nationale Raad wordt om advies verzocht aangaande de bevoegdheid van de provinciale raden inzake contracten tussen ziekenhuisbeheerders en ziekenhuisartsen die hun medische hoofdactiviteit uitoefenen in een andere provincie.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft Uw brief van 10 augustus 1995 inzake "contracten, bevoegdheid van de provinciale raden" herhaaldelijk onderzocht. Het in Uw schrijven geschetste probleem betreft de bevoegdheid van de provinciale raden inzake contracten afgesloten tussen ziekenhuisbeheerder en ziekenhuisarts.

Tussen de beheerder van een ziekenhuis en de Medische Raad van dat ziekenhuis worden conform de ziekenhuiswet drie overeenkomsten afgesloten zijnde de algemene regeling, het medisch reglement en het reglement voor de centrale inning. De individuele ziekenhuisarts kan bij het afsluiten van deze overeenkomsten enkel tussenkomen via de Medische Raad, die als representatief orgaan van de ziekenhuisgeneesheren de onderhandelingen met de ziekenhuisbeheerder voert. Het ligt dan ook voor de hand dat deze overeenkomsten door de Medische Raad van het ziekenhuis dienen voorgelegd te worden aan de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van de provincie waarin het ziekenhuis gelegen is.

Andere provinciale raden zijn niet bevoegd deze overeenkomsten te beoordelen daar zij geen enkele impact hebben op de Medische Raad van een ziekenhuis dat zich buiten hun territorium bevindt. Als uitzondering hierop kan wel worden gesteld dat de overeenkomsten, afgesloten tussen een Medische Raad en de ziekenhuisbeheerder, wel aan de goedkeuring van twee provinciale raden dienen onderworpen te worden wanneer de geografische ligging van het ziekenhuis meebrengt dat het voor de hand ligt dat de in het ziekenhuis werkzame artsen over twee provinciale raden verdeeld zijn.

Om te voorkomen dat de Medische Raad van dat ziekenhuis geconfronteerd wordt met niet-gelijkluidende adviezen van die provinciale raden is het wenselijk dat zij voorafgaandelijk overleggen zodat een eensluidend deontologisch advies aan de Medische Raad kan worden verschaft.

Daarnaast is het evident dat elke ziekenhuisgeneesheer verplicht is zijn overeenkomst met het ziekenhuis waar hij werkzaam is ter goedkeuring voor te leggen aan de Provinciale Raad waarbij hij ingeschreven is ook wanneer dit ziekenhuis buiten het territorium van zijn Provinciale Raad ligt. De overeenkomst van elke individuele ziekenhuisgeneesheer met de beheerder omvat naast de drie hoger vermelde stukken ook een individueel contract. Dit individueel contract verwijst altijd naar de bepalingen opgenomen in de afgesloten overeenkomsten tussen ziekenhuisbeheerder en Medische Raad maar kan daarnaast ook bepalingen bevatten die niet voortvloeien uit wat overeengekomen werd tussen beheerder en Medische Raad.

De Provinciale Raad waarbij een ziekenhuisgeneesheer ingeschreven is, is dan ook bevoegd de individuele overeenkomst van een geneesheer met een ziekenhuis, gelegen buiten de provincie, te beoordelen. Bij deze beoordeling kan de Provinciale Raad zoals hoger gezegd geen opmerkingen maken over de overeenkomsten afgesloten tussen de beheerder van het ziekenhuis en de Medische Raad. Wel kan hij opmerkingen maken aangaande bepalingen in de individuele overeenkomst die niet voortvloeien uit de drie reeds ten overvloed geciteerde overeenkomsten. Ten slotte kan de Provinciale Raad nagaan of de naleving van het geheel van de overeenkomst deontologisch verantwoord is voor een arts die naast zijn medische hoofdactiviteit in een andere provincie een ziekenhuisactiviteit uitoefent.

Associaties en contracten tussen artsen20/05/1995 Documentcode: a069004
Associatiecontract - Niet-concurrentiebeding

Associatiecontracten - Niet-concurrentiebeding

Een provinciale raad vraagt aan de Nationale Raad of het toegelaten is een niet-concurrentiebeding op te nemen in associatiecontracten tussen artsen. Moet een dergelijk beding, wanneer het toegelaten is, beperkt zijn in ruimte, tijd en afhan-kelijk van het beoefende specialisme ? Worden de vrije vestiging en het vrije verkeer van de beoefenaars van vrije beroepen niet gewaarborgd door de jurisprudentie van de EG ?

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van oordeel dat dergelijke clausule in principe deontologisch aanvaardbaar is, zowel in een associatie- of vennootschapscontract tussen artsen als in een arbeidsovereenkomst. Desgevallend zou het concurrentiebeding geformuleerd kunnen worden als een clausule van 'goede collegialiteit', in toepassing van de regel dat een arts zich niet mag vestigen in omstandigheden die indruisen tegen de medische deontologie, meer bepaald in omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot het onrechtmatig onttrekken van cliënteel aan een collega.

Wat de beoordeling van de deontologische aanvaardbaarheid van een welbepaald concurrentiebeding betreft, blijft de Nationale Raad van mening dat het uiteindelijk de provinciale raden zijn die zich hierover dienen uit te spreken, aangezien bij dergelijke beoordeling noodzakelijkerwijze rekening zal moeten gehouden worden met de lokale omstandigheden. De Nationale Raad acht het dan ook niet opportuun in deze materie algemene en uniforme richtlijnen voorop te stellen.

De principes van vrije vestiging en vrij verkeer van de beoefenaars van vrije beroepen waarnaar u in uw brief verwijst, houden niet in dat aan een arts die zich wenst te vestigen geen enkele beperking mag opgelegd worden maar wel dat ieder verschil in behandeling op het vlak van dienstverrichting en vestiging op grond van de nationaliteit van een arts, verboden is. Met andere woorden, de EG-Lidstaten mogen, in het algemeen, aan de onderdanen van een andere lidstaat geen beperkingen of geen bijzondere eisen opleggen indien zij die aan hun eigen onderdanen niet opleggen.

Vorige pagina

2

pagina