keyboard_arrow_right
Deontologie

Artikel 159, § 1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer - Begrip "aanverwante disciplines"

Twee provinciale raden vragen of het deontologisch aanvaardbaar is dat huisartsen hun medische activiteit uitoefenen in een artsenvennootschap waarin hun echtgenote, respectievelijk reumatologe en arbeidsgeneesheer, zou opgenomen zijn als vennote.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 20 februari 1999 uw adviesaanvraag betreffende het verzoek van een huisarts die zijn medische activiteit wenst uit te oefenen in het kader van een vennootschap waarin hij zijn echtgenote, arbeidsgeneesheer-"reumatologe", zou opnemen als vennoot.

Ongeacht de discipline die ze beoefenen kunnen artsen een middelenvennootschap oprichten om de beroepsuitoefening van ieder van hen te vergemakkelijken (artikel 160 van de Code van geneeskundige Plichtenleer). Dit geldt echter niet voor de oprichting van een professionele vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid, waarvoor de uitoefening van dezelfde discipline of van een aanverwante discipline vereist is.

De provinciale raden zijn bevoegd om in elk concreet geval de graad van aanverwantschap van de verschillende disciplines te beoordelen. Er dient evenwel aan herinnerd te worden dat de Nationale Raad op 19 oktober 1985 het advies verstrekt heeft dat hij niet kan instemmen met een vennootschap tussen een huisarts en een oftalmoloog, ook al gaat het over een echtpaar (Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren, 1985-1986, nr. 34, 28).

De Nationale Raad bevestigt dat dit advies nog steeds geldt, ook al besliste hij tijdens diezelfde vergadering van 20 februari 1999 binnen zijn midden een commissie op te richten die zich opnieuw zal buigen over het deontologische aspect van de gehele problematiek inzake de artsenassociaties en de uitoefening van de geneeskunde door een associatie, dit in het bijzonder in het kader van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid.